BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We wachtten tot het helemaal donker was. Alle andere mijnwerkers gingen slapen, uitgeput van het zware werk. Gaby en ik niet, natuurlijk. Wij hadden wel iets beters te doen.
Met onze buiken tegen de grond slopen we in de richting van de twee kleine gebouwtjes. We probeerden zo stil mogelijk te doen, maar we hadden eigenlijk net zo goed een drumband met ons mee kunnen laten marcheren. De soldaten letten he-le-maal niet op ons. Ze hadden het veel te druk met een soort van feestje, dat ze samen vierden.
Het leek mij niet bepaald een leuk feestje, moet ik zeggen: het bestond voornamelijk uit bier drinken, gillen, overdreven hard lachen en in de lucht schieten.
'Wat een herrie,' mompelde Gaby terwijl we het schuurtje bereikten. 'Straks hóren ze het niet eens, als we de keuken opblazen.'
'Goh,' zei ik. 'Nou heb je van tevoren zo ontzettend veel problemen zitten verzinnen, en het enige probleem dat we echt krijgen is het probleem dat je niet verwacht had.'
'Je krijgt nooit de problemen die je verwacht,' knikte Gaby wijs.
'Gelukkig maar,' zei ik, 'want ik verwachtte problemen met het openprutsen van het slot. Fijn dat we dat probleem dus niet krijgen.'
'Inderdaad,' zei een stem achter ons. 'Het open krijgen van het slot wordt niet jullie probleem. Want ík word jullie probleem.'
We draaiden ons om. De soldaat die we zagen zag er inderdaad uiit alsof hij geboren was om een probleem te zijn. Hij was bijna twee meter lang en één grote bonk spieren. Op de knokkels van zijn beide handen stonden tien kleine doodshoofdjes getatoeëerd. Hij had een groot geweer en een kapmes bij zich. In zijn ogen zagen we de glans van bloeddorstige waanzin, zoals ik die ook bij Abel en Zoezoe had gezien.
'Wilden jullie ontsnappen?' giechelde hij. 'Als twee vogeltjes die de blije vrije lucht in vliegen”Dat kunnen we niet hebben, hoor? Weten jullie wat er gebeurt met vogeltjes die proberen weg te vliegen? Hm?'
'Gee... geen idee,' stamelde ik.
Hij greep mijn kraag en boog zich naar me toe. Zij bier-adem sloeg als een stom in mijn gezicht. 'Geen idee?' herhaalde hij. 'Echt niet?'
'Echt niet,' piepte ik.
'En jij?' snel als de staart van een schorpioen draaide hij zich naar Gaby. 'Weet jij wat de mensen doen met vogeltjes die weg willen vliegen?'
Gaby schudde woordenloos van nee.
'He verdorie,' bromde de man. 'Ik had toch zó gehoopt dat jullie het wisten. Ik weet het zelf ook niet, namelijk.' Hij nam zijn kapmes in de hand en keek er peizend naar. 'Ik weet wel bijna zéker,' zei hij, 'dat ze er een stukje van af snijden. Maar welk stukje is dat dan? Moeilijk hoor. En het stomme is: ik heb het wel geweten. Nou ja, weet je wat: ik sluit jullie gewoon op in een kooitje, terwijl ik er vannacht nog even over nadenk.'
Terwijl hij het zei, duwde hij ons het dichtstbijzijnde gebouwtje in. Dat was, helaas, niet het schuurtje met het dynamiet.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 85. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 85. Alle posts tonen
vrijdag 29 augustus 2014
vrijdag 29 maart 2013
Overdreven dramatische zinnetjes
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Of misschien was hij dat wel van plan, maar kreeg hij gewoon de kans niet.
Want in precies die ene seconde nadat we achter ons het klikje hoorden, hoorden we nog een paar andere geluiden.
Ten eerste hoorden we het geluid van een grote auto, die vlak achter ons tot stilstand kwam. Precies tussen ons en de Moeflon in, zo te horen.
Ten tweede hoorden we Michael, die met luide stem riep: 'Laat dat wapen vallen, schurk, of je bent een kind des doods!'
Ja, hoor. Echt weer iets voor Michael. Hij kwam net op tijd om ons leven te redden, waar ik natuurlijk alleen maar blij en dankbaar om kon zijn, en wat doet hij? Tijdens het redden kraamt hij zulke belachelijke onzin uit, dat ik helemaal geen tijd meer heb om dankbaar te zijn en alleen maar denk: grote goedheid, idioot, stel je toch niet zo aan! “Kind des doods”!? Doe normaal!
Waar haal je die flauwekul vandáán – zou ik zeggen, behalve dan dat ik precies wist waar hij die flauwekul vandaan haalde. Uit een oude cowboy-strip namelijk, die al ouderwets was toen papa hem van zíjn vader kreeg. Nadat hij die strip vond, onderin papa's boekenkast, riep hij voortdurend “je bent een kind des doods” als hij cowboytje speelde met zijn vrienden.
Ik had het hem al jaren niet meer horen zeggen, dus ik dacht dat hij eroverheen gegroeid was.
Maar hij was alleen over het cowboytje spelen heengegroeid. Zijn liefde voor overdreven dramatische zinnetjes was gebleven, kennelijk.
En, eerlijk is eerlijk: als dit geen geschikt moment was voor overdreven dramatische zinnetjes, dan bestond zo'n moment gewoon niet.
We draaiden ons om en zagen een reusachtige terreinwagen. Achter het stuur, met een grote gelukkige grijns op zijn gezicht, zat Jamal – de enige soldaat van het Zuid-Mallotische Bevrijdingsleger die oprecht van plan was geweest Zuid-Mallotië te bevrijden.
Op de stoel naast hem zat mijn broer, met in zijn handen het grote automatische geweer van Jamal.
Hij kon daar nog geen olifant mee raken op tien meter afstand, natuurlijk, maar dat wist de Moeflon niet. En ik ging het hem niet vertellen ook.
De Moeflon, die kennelijk niet van plan was een Kind des Doods te worden, liet zijn wapen vallen.
'Stap in, lui,' zei Michael triomfantelijk.
Dat deden we.
'Doe snel je gordels om,' zei Michael. 'Ik meen het. Doe ze nu om.'
'Bang voor een bekeuring?' grapte ik terwijl ik mijn gordel omdeed.
'Nee, maar Jamal kan ongeveer net zo goed autorijden als ik kan schieten.'
Op dat moment gaf Jamal gas en de wagen schoot ervandoor. Recht tegen een houten paal aan. Zo'n paal met elektriciteitsdraden.
Jamal mompelde iets wat klonk als een vloek, reed een stukje achteruit, en gaf opnieuw gas.
Weer tegen de elektriciteitspaal aan. Maar nu harder.
Zo hard zelfs dat de elektriciteitspaal finaal tegen de vlakte ging.
In alle huizen in de buurt ging plotseling het licht uit, en in volslagen duisternis schoten we ervandoor, over de resten van het Zuid-Mallotische elektriciteitsnet heen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Of misschien was hij dat wel van plan, maar kreeg hij gewoon de kans niet.
Want in precies die ene seconde nadat we achter ons het klikje hoorden, hoorden we nog een paar andere geluiden.
Ten eerste hoorden we het geluid van een grote auto, die vlak achter ons tot stilstand kwam. Precies tussen ons en de Moeflon in, zo te horen.
Ten tweede hoorden we Michael, die met luide stem riep: 'Laat dat wapen vallen, schurk, of je bent een kind des doods!'
Ja, hoor. Echt weer iets voor Michael. Hij kwam net op tijd om ons leven te redden, waar ik natuurlijk alleen maar blij en dankbaar om kon zijn, en wat doet hij? Tijdens het redden kraamt hij zulke belachelijke onzin uit, dat ik helemaal geen tijd meer heb om dankbaar te zijn en alleen maar denk: grote goedheid, idioot, stel je toch niet zo aan! “Kind des doods”!? Doe normaal!
Waar haal je die flauwekul vandáán – zou ik zeggen, behalve dan dat ik precies wist waar hij die flauwekul vandaan haalde. Uit een oude cowboy-strip namelijk, die al ouderwets was toen papa hem van zíjn vader kreeg. Nadat hij die strip vond, onderin papa's boekenkast, riep hij voortdurend “je bent een kind des doods” als hij cowboytje speelde met zijn vrienden.
Ik had het hem al jaren niet meer horen zeggen, dus ik dacht dat hij eroverheen gegroeid was.
Maar hij was alleen over het cowboytje spelen heengegroeid. Zijn liefde voor overdreven dramatische zinnetjes was gebleven, kennelijk.
En, eerlijk is eerlijk: als dit geen geschikt moment was voor overdreven dramatische zinnetjes, dan bestond zo'n moment gewoon niet.
We draaiden ons om en zagen een reusachtige terreinwagen. Achter het stuur, met een grote gelukkige grijns op zijn gezicht, zat Jamal – de enige soldaat van het Zuid-Mallotische Bevrijdingsleger die oprecht van plan was geweest Zuid-Mallotië te bevrijden.
Op de stoel naast hem zat mijn broer, met in zijn handen het grote automatische geweer van Jamal.
Hij kon daar nog geen olifant mee raken op tien meter afstand, natuurlijk, maar dat wist de Moeflon niet. En ik ging het hem niet vertellen ook.
De Moeflon, die kennelijk niet van plan was een Kind des Doods te worden, liet zijn wapen vallen.
'Stap in, lui,' zei Michael triomfantelijk.
Dat deden we.
'Doe snel je gordels om,' zei Michael. 'Ik meen het. Doe ze nu om.'
'Bang voor een bekeuring?' grapte ik terwijl ik mijn gordel omdeed.
'Nee, maar Jamal kan ongeveer net zo goed autorijden als ik kan schieten.'
Op dat moment gaf Jamal gas en de wagen schoot ervandoor. Recht tegen een houten paal aan. Zo'n paal met elektriciteitsdraden.
Jamal mompelde iets wat klonk als een vloek, reed een stukje achteruit, en gaf opnieuw gas.
Weer tegen de elektriciteitspaal aan. Maar nu harder.
Zo hard zelfs dat de elektriciteitspaal finaal tegen de vlakte ging.
In alle huizen in de buurt ging plotseling het licht uit, en in volslagen duisternis schoten we ervandoor, over de resten van het Zuid-Mallotische elektriciteitsnet heen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 24 augustus 2012
Eén beentje, voor de lol
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat had ik zelf ook al bedacht, en ik zette het op een lopen.
Na een meter of twee stond ik al weer stil. Nu pas ontdekte ik dat de houthakkers ons volledig omsingeld hadden. Schouder aan schouder stonden ze klaar, met hun zagen in de aanslag.
Dus... Ja...
Ik wou dat ik Kwetter was, dacht ik, dan sprong ik gewoon met een salto over die houthakkers heen en hup, het oerwoud in. Twintig grote houthakkershanden grepen mij vast.
Uit mijn ooghoek zag ik een oranje flits. Dat was Kwetter, die met een dubbele salto over de houthakkers heen sprong.
'Ik gaat jullie redden!' schreeuwde ze. 'Ik gaat een paar bommen halen!'
Langzaam liep ze in de richting van het oerwoud. 'Ik gaat hele grote bommen halen,' herhaalde ze, 'en dan blaast ik alle houthakkers op!'
Voetje voor voetje schuifelde ze door de modder. 'Ik gaat heel snel,' riep ze, 'en dan komt ik heel snel terug. Met heel veel bommen!'
Waarom liep ze zo langzaam? Zo kon ze toch onmogelijk ontsnappen? Laat staan dat ze op tijd terug kon zijn.
Hakmaranman blafte een bevel naar zijn houthakkers. Twaalf grote kerels beenden op Kwetter af. Toen ze bijna bij haar waren, toen trok Kwetter opeens een sprintje. De mannen holden achter haar aan. Ze bleef ze steeds nét voor.
Ach, ze probeert die kerels weg te lokken, begreep ik. Wat lief bedacht, zeg. Het had alleen totaal geen nut, want de houthakkers die mij gegrepen hadden lieten me niet los. Ze sleepten me naar meneer Hakmaranman.
Die keek me met een valse grijns aan en zei: 'Wat zal ik eens met jou doen? Nu meteen in plakjes hakken? Of wachten tot je moeder je kan horen?'
'Dat laatste natuurlijk, idioot,' gromde Dogger. 'Wat heeft het anders voor nut?'
'Het gaat niet alleen om nut, in het leven,' antwoordde Hakmaranman. 'Je moet ook een beetje plezier hebben. En als ik de rotzakjes, die mij mijn laatste arm hebben gekost, met gelijke munt terug kan betalen – dan zal mij dat erg veel plezier doen!'
'Niks plezier! Die moeder is gevaarlijk!' blafte Dogger.
'Nou, dan doe ik nu één beentje, voor de lol, en dan bewaren we de rest om die moeder overstuur te maken.'
'Okee,' zei Dogger.
Op dat moment klonk er een hartverscheurend gekrijs uit de richting uit de richting van het oerwoud.
Het was één van de houthakkers die achter Kwetter aan waren gegaan. Ik verstond niet wat hij zei, maar hij stond gillend op en neer te springen en met beide handen op zijn broekspijpen te meppen. Alsof-ie in brand stond. Maar vlammen zag ik nergens.
Een tweede houthakker zette het op een gillen, en een derde en een vierde en even later sprongen ze allemaal rond in gillende paniek, of ze rolden spartelend door de modder.
Alleen Kwetter had nergens last van. Ze stond verbijsterd te kijken en probeerde nog: 'Ik gaat nu heel snel ontsnappen hoor, als niemand mij vangt,' maar niemand lette op haar.
De houthakkers die mij vasthielden zagen grijs van angst. Wat was er nu weer aan de hand in dit verschrikkelijke oerwoud?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat had ik zelf ook al bedacht, en ik zette het op een lopen.
Na een meter of twee stond ik al weer stil. Nu pas ontdekte ik dat de houthakkers ons volledig omsingeld hadden. Schouder aan schouder stonden ze klaar, met hun zagen in de aanslag.
Dus... Ja...
Ik wou dat ik Kwetter was, dacht ik, dan sprong ik gewoon met een salto over die houthakkers heen en hup, het oerwoud in. Twintig grote houthakkershanden grepen mij vast.
Uit mijn ooghoek zag ik een oranje flits. Dat was Kwetter, die met een dubbele salto over de houthakkers heen sprong.
'Ik gaat jullie redden!' schreeuwde ze. 'Ik gaat een paar bommen halen!'
Langzaam liep ze in de richting van het oerwoud. 'Ik gaat hele grote bommen halen,' herhaalde ze, 'en dan blaast ik alle houthakkers op!'
Voetje voor voetje schuifelde ze door de modder. 'Ik gaat heel snel,' riep ze, 'en dan komt ik heel snel terug. Met heel veel bommen!'
Waarom liep ze zo langzaam? Zo kon ze toch onmogelijk ontsnappen? Laat staan dat ze op tijd terug kon zijn.
Hakmaranman blafte een bevel naar zijn houthakkers. Twaalf grote kerels beenden op Kwetter af. Toen ze bijna bij haar waren, toen trok Kwetter opeens een sprintje. De mannen holden achter haar aan. Ze bleef ze steeds nét voor.
Ach, ze probeert die kerels weg te lokken, begreep ik. Wat lief bedacht, zeg. Het had alleen totaal geen nut, want de houthakkers die mij gegrepen hadden lieten me niet los. Ze sleepten me naar meneer Hakmaranman.
Die keek me met een valse grijns aan en zei: 'Wat zal ik eens met jou doen? Nu meteen in plakjes hakken? Of wachten tot je moeder je kan horen?'
'Dat laatste natuurlijk, idioot,' gromde Dogger. 'Wat heeft het anders voor nut?'
'Het gaat niet alleen om nut, in het leven,' antwoordde Hakmaranman. 'Je moet ook een beetje plezier hebben. En als ik de rotzakjes, die mij mijn laatste arm hebben gekost, met gelijke munt terug kan betalen – dan zal mij dat erg veel plezier doen!'
'Niks plezier! Die moeder is gevaarlijk!' blafte Dogger.
'Nou, dan doe ik nu één beentje, voor de lol, en dan bewaren we de rest om die moeder overstuur te maken.'
'Okee,' zei Dogger.
Op dat moment klonk er een hartverscheurend gekrijs uit de richting uit de richting van het oerwoud.
Het was één van de houthakkers die achter Kwetter aan waren gegaan. Ik verstond niet wat hij zei, maar hij stond gillend op en neer te springen en met beide handen op zijn broekspijpen te meppen. Alsof-ie in brand stond. Maar vlammen zag ik nergens.
Een tweede houthakker zette het op een gillen, en een derde en een vierde en even later sprongen ze allemaal rond in gillende paniek, of ze rolden spartelend door de modder.
Alleen Kwetter had nergens last van. Ze stond verbijsterd te kijken en probeerde nog: 'Ik gaat nu heel snel ontsnappen hoor, als niemand mij vangt,' maar niemand lette op haar.
De houthakkers die mij vasthielden zagen grijs van angst. Wat was er nu weer aan de hand in dit verschrikkelijke oerwoud?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)