BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Waarom is hier een laboratorium?' vroeg Gaby zich af.
'Geen idee,' zei ik, maar nog geen vier seconden later zag ik een boekje liggen, met de titel: “Hoe test ik het goud-gehalte van gouderts?”
'Kijk eens aan,' zei ik, 'dat raadsel is dan ook weer opgelost. Nu blijft alleen nog de vraag: hoe snel kunnen wij hoeveel bommen maken?'
'Er is maar één manier om daar achter te komen,' grijnsde Gaby. 'Oeoeh, zie je die grote fles daar?'
'Die waar Salpeterzuur op staat?'
'Die bedoel ik.'
'Nou en of ik die zie. Mjam mjam mjam, salpeterzuur, daar weten wij wel raad mee, of niet?'
Ja, daar wisten wij wel raad mee. We keken nog een kwartiertje rond in het lab, en na nog eens vijf minuten hadden we een plan. Mama zou in die twintig minuten al minstens drie bommen hebben geproduceerd, maar goed, zij is een ervaren wetenschapster en wij zijn maar kinderen die het allemaal hebben moeten leren van een computerspelletje.
Wel van een goed computerspelletjes, dat bleek al snel, want na een uurtje hadden wij drie hele fatsoenlijke bommen. Na nog een uur hadden we er zeven, en nog een uur later elf, en bovendien vijf meter lont. Meer konden we niet dragen.
Ontsnappen maar!
Niet meteen, natuurlijk. Eerst moesten we wachten tot alle soldaten waren gaan slapen.
Nu bleek het voor ons een voordeel te zijn, dat die lui zo luidruchtig feest vierden. Het was van grote afstand al volkomen duidelijk dat ze nog wakker waren. Na een tijdje werden de geluiden langzaam minder.
'Oei,' bedacht Gaby zich, 'we moeten nog dit keukentje uit! Ik bedoel: ik blaas het liever niet op terwijl ik er nog in zit.'
'Nee, logisch,' beaamde ik. Ik pulkte voorzichtig een klein klontje van een kneedbom af. 'Kijk eens? Hiermee blazen we het slot uit de deur, straks, als ze slapen.'
'Is dat wel verstandig?'
'Ja, dat is heel verstandig. Anders kunnen we niet naar buiten, dus... ja...'
'Nee, ik bedoel: kunnen we niet beter nú het slot opblazen? Nu is er nog een beetje herrie, dus nu valt het niet zo op. Straks worden ze er misschien wakker van.'
'Gaby,' zei ik, 'ik zeg het niet graag, maar sóms denk ik wel eens dat je niet helemaal krankjorum bent. Zoals nu. Je heb gewoon gelijk! Geef me eens een stukkie lont?'
Dat deed ze, en twintig seconden en een beschaafde PANG later zwaaide de deur van ons keukentje langzaam open.
We trokken haar, voorzichtig maar gehaast, weer dicht. Daarna wachtten we tot het laatste dronkemans-gelal verstomd was.
Toen deden we de deur open, slopen naar buiten en lieten 1 grote bom in het keukentje achter. Met ongeveer een meter lont.
'Zullen we ook nog even dat andere schuurtje opblazen?' probeerde ik.
'Ja, laten we dat doen,' zei Gaby op haar meest sarcastische toon. 'Dan vallen er heel veel dooien. Lachen man. Alleen hoop ik dan wel dat onze ontsnappingspoging mislukt, want ik durf mama daarna niet meer onder ogen te komen.'
'Geen probleem,' zei een stem vanuit de duisternis. 'Eén mislukte ontsnappingspoging, komt eraan. Per expresse. Kosten voor de ontvanger. Handtekening zetten bij het kruisje graag, en doe het snel want nu hebben jullie nog vingers...'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 87. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 87. Alle posts tonen
woensdag 3 september 2014
woensdag 3 april 2013
De akelige steegjes van Jalsk
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
'Gewoon, uit de garage gepakt,' zei Michael. 'Het hoofdkwartier heeft een garage namelijk. Hád een garage. Ik was ervandoor geslopen, weet je wel, toen de Veldmaarschalk jou had vastgegrepen. Ik had geen idee waar ik heen moest, natuurlijk, want ik ken hier de weg niet, maar ik dacht: hoe verder ik van het ZMB vandaan ben, hoe beter het is. Dus ik begon gewoon te rennen. Steegje in, steegje uit. Binnen dertig seconden al hopeloos verdwaald natuurlijk, maar ik dacht: okee, als ik al niet meer weet waar ik ben, dan weten zij het al helemaal niet! Maar zo werkt het natuurlijk niet, met verdwalen.
Ten eerste waren al die steegjes best wel griezelig. Zo donker als ik weet niet wat, en er slopen ratten rond zo lang als mijn onderarm. En ook nog andere beesten: verwilderde katten, en honden die leefden van vuilnis – wat je ook kon zien, aan hun schurftplekken, hun kapotte oren, hun afgebroken tanden en de verschrikkelijke valse blik in hun gele ogen – en beesten die ik niet kende maar die eruit zagen alsof ze graag kinderen beten.
Af en toe kwam ik er ook mensen tegen, en die waren nog veel enger: drugshandelaren met messen en pistolen. En drugsgebruikers ook, natuurlijk. Sommigen liepen liepen rond als zombies, alsof hun geest was doodgemaakt. Anderen begonnen zomaar te krijsen en met hun armen te zwaaien en schuimbekkend achter me aan te hollen. Alsof hun geest niet dood was, maar wel gebroken zodat ze dingen zagen die er niet waren. Akelige dingen, die het op hen hadden gemunt. Kennelijk dachten ze dat ik ook zo'n akelig ding was, maar dan een kleintje – eentje waarvan ze het wel konden winnen. Dara ging ik niet op wachten natuurlijk.
Al met al was ik blij toen ik weer terugkwam bij het hoofdkwartier van het ZMB.
Want dat is het andere probleem met verdwalen: als je niet weet waar je bent, weet je ook niet waar je heen gaat. En dan loop je soms je vijanden recht in de armen.
Dat viel mee, gelukkig: ik kwam uit aan de andere kant van het hoofdkwartier, waar geen mens te zien was. Er was alleen de grote, blinde muur.
Ik herkende hem onmiddellijk, want we hebben al een week tegen die muur aan zitten kijken, maar dan vanaf de binnenkant. Bovendien was het de enige muur waarachter voortdurend dingen ontploften, dus het was duidelijk dat mama er aan de gang was.
Ik besloot om naar binnen te gaan.
Binnen waren misschien meneer Dogger en zijn trawanten, maar buiten was het ook geen pretje. En mama was ook binnen, dat was duidelijk te horen. Misschien kon ik haar wel helpen. Of jou of Kwetter.'
'Wou jij mij redden?' vroeg Kwetter blij. 'Jij is lief!' Ze worstelde zich tussen de autostoelen door naar voren, om mijn broer eens flink te knuffelen.
Dat had ze beter niet kunnen doen, want er hing al iemand schuin tussen de stoelen in: mijn moeder, die nog steeds met Jamal om het stuur aan het vechten was.
Het werd een heel gedrang daar tussen die stoelen, en dat betekende onder andere dat het stuur nu nog wilder heen en weer werd gerukt. De gevolgen kun je waarschijnlijk wel raden.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
/ VOLGENDE
'Gewoon, uit de garage gepakt,' zei Michael. 'Het hoofdkwartier heeft een garage namelijk. Hád een garage. Ik was ervandoor geslopen, weet je wel, toen de Veldmaarschalk jou had vastgegrepen. Ik had geen idee waar ik heen moest, natuurlijk, want ik ken hier de weg niet, maar ik dacht: hoe verder ik van het ZMB vandaan ben, hoe beter het is. Dus ik begon gewoon te rennen. Steegje in, steegje uit. Binnen dertig seconden al hopeloos verdwaald natuurlijk, maar ik dacht: okee, als ik al niet meer weet waar ik ben, dan weten zij het al helemaal niet! Maar zo werkt het natuurlijk niet, met verdwalen.
Ten eerste waren al die steegjes best wel griezelig. Zo donker als ik weet niet wat, en er slopen ratten rond zo lang als mijn onderarm. En ook nog andere beesten: verwilderde katten, en honden die leefden van vuilnis – wat je ook kon zien, aan hun schurftplekken, hun kapotte oren, hun afgebroken tanden en de verschrikkelijke valse blik in hun gele ogen – en beesten die ik niet kende maar die eruit zagen alsof ze graag kinderen beten.
Af en toe kwam ik er ook mensen tegen, en die waren nog veel enger: drugshandelaren met messen en pistolen. En drugsgebruikers ook, natuurlijk. Sommigen liepen liepen rond als zombies, alsof hun geest was doodgemaakt. Anderen begonnen zomaar te krijsen en met hun armen te zwaaien en schuimbekkend achter me aan te hollen. Alsof hun geest niet dood was, maar wel gebroken zodat ze dingen zagen die er niet waren. Akelige dingen, die het op hen hadden gemunt. Kennelijk dachten ze dat ik ook zo'n akelig ding was, maar dan een kleintje – eentje waarvan ze het wel konden winnen. Dara ging ik niet op wachten natuurlijk.
Al met al was ik blij toen ik weer terugkwam bij het hoofdkwartier van het ZMB.
Want dat is het andere probleem met verdwalen: als je niet weet waar je bent, weet je ook niet waar je heen gaat. En dan loop je soms je vijanden recht in de armen.
Dat viel mee, gelukkig: ik kwam uit aan de andere kant van het hoofdkwartier, waar geen mens te zien was. Er was alleen de grote, blinde muur.
Ik herkende hem onmiddellijk, want we hebben al een week tegen die muur aan zitten kijken, maar dan vanaf de binnenkant. Bovendien was het de enige muur waarachter voortdurend dingen ontploften, dus het was duidelijk dat mama er aan de gang was.
Ik besloot om naar binnen te gaan.
Binnen waren misschien meneer Dogger en zijn trawanten, maar buiten was het ook geen pretje. En mama was ook binnen, dat was duidelijk te horen. Misschien kon ik haar wel helpen. Of jou of Kwetter.'
'Wou jij mij redden?' vroeg Kwetter blij. 'Jij is lief!' Ze worstelde zich tussen de autostoelen door naar voren, om mijn broer eens flink te knuffelen.
Dat had ze beter niet kunnen doen, want er hing al iemand schuin tussen de stoelen in: mijn moeder, die nog steeds met Jamal om het stuur aan het vechten was.
Het werd een heel gedrang daar tussen die stoelen, en dat betekende onder andere dat het stuur nu nog wilder heen en weer werd gerukt. De gevolgen kun je waarschijnlijk wel raden.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
woensdag 29 augustus 2012
Onverbiddelijk de knuffeltijd
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Papa lag kermend op de grond. Kennelijk kropen de beestjes niet alleen bij schurken in de broek. Ook goeieriken moesten eraan geloven.
Alleen bij mij en Kwetter waren ze niet in de broek gekropen, maar ja, wij hadden ook geen broek aan.
Aha.
Juist.
'Papa,' zei ik, 'ik zou die broek uittrekken, als ik jou was.'
Hij luisterde niet. Hij had het te druk met spartelen. Dus toen moest ik zijn broek voor hem uittrekken, wat heel lastig is bij iemand die twee keer zo zwaar is als jij. Vooral als hij ligt te spartelen.
Er zaten drie baby-alligators op zijn benen. Ze knipperden met hun oogjes, sprongen van papa's benen af en verdwenen in de modder.
Een tijdje lang zat papa hijgend bij te komen. Daarna stond hij moeizaam op, en liep naar meneer Dogger. Met veel moeite hielp hij de bankier uit diens oude voddenbroek.
Bij Hakmaranman ging het een stuk makkelijker.
Die had niks meer om mee te spartelen.
Daarna legde mijn vader – die EHBO kan – noodverband aan om de benen van Hakmaranman.
'Help jij die houthakkers uit hun broek,' beval hij. Ik zuchtte. Papa vindt dat je alle zieken en gewonden moet helpen, ook als het je vijanden zijn. Ik vind dat dus heel erg dom, want als je gewoon even de andere kant op kijkt dan heb je nooit meer last van die lui. Maar papa zegt dat je dan zelf net zo erg bent als een slechterik en mama geeft hem gelijk, dus wat kun je dan nog? Als jongen van 11?
Kwetter en ik hielpen de houthakkers, en de houthakkers die klaar waren hielpen hun makkers. Sommigen waren behoorlijk hard gebeten door de alligatortjes.
Er kwam een lange rij te staan bij papa; Kwetter en ik gingen op zoek naar een EHBO-trommeltje. We vonden er twee: een grote in de heli en een kleintje onder de stoel van de Mjamburgermachine.
Toen papa klaar was met Hakmaranman liep hij naar Smek, die er ook niet best aan toe was. Hij had vrij dicht bij de ontploffende munitie gelegen, tenslotte.
Samen met Dogger sleepte papa de bewusteloze schurken de helikopter in.
'Breng ze maar gauw naar een ziekenhuis, ' zei papa.
'Ach hou toch je brave bek, heilig boontje,' gromde Dogger. En, om heel eerlijk te zijn: papa trok ook wel een érg vroom gezicht.
We zwaaiden de helikopter uit – dat wil zeggen, papa zwaaide terwijl Kwetter en ik... nou, ja, wij maakten ook gebaren met onze handen, zal ik maar zeggen.
Daarna wilde papa ook nog de houthakkers verbinden.
Dat ging dus nog uren duren.
'En wat gaat wij intussen doen?' vroeg Kwetter. 'Gaat wij kuffelen?'
'Eh, neenee,' zei ik haastig, 'want eh... Mijn pink! Mijn pink is gewond! D'r heeft een alligator in gehapt!' Ik wilde naar mijn vader gaan, zodat hij de wond kon verzorgen, maar Kwetter stond erop het zelf te doen, en dat was ook eigenlijk maar beter, want zij was er niet zo handig in dus het duurde lekker lang. Dat was pure winst, wat het knuffelen betreft.
Daarna had ik zogenaamd honger, dus we gingen wat te eten zoeken. We vonden een kokosnoot die ik helaas, helaas, niet open kreeg.
Kwetter pakte een rondslingerende kettingzaag en hakte het ding doormidden.
Ik heb nog nooit zo lang over een kokosnoot gedaan, maar er was niets aan te doen: onverbiddelijk brak de knuffeltijd aan.
'Wat hoor ik daar?' riep ik.
'Is niks,' mompelde Kwetter.
Maar het was wel wat.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Papa lag kermend op de grond. Kennelijk kropen de beestjes niet alleen bij schurken in de broek. Ook goeieriken moesten eraan geloven.
Alleen bij mij en Kwetter waren ze niet in de broek gekropen, maar ja, wij hadden ook geen broek aan.
Aha.
Juist.
'Papa,' zei ik, 'ik zou die broek uittrekken, als ik jou was.'
Hij luisterde niet. Hij had het te druk met spartelen. Dus toen moest ik zijn broek voor hem uittrekken, wat heel lastig is bij iemand die twee keer zo zwaar is als jij. Vooral als hij ligt te spartelen.
Er zaten drie baby-alligators op zijn benen. Ze knipperden met hun oogjes, sprongen van papa's benen af en verdwenen in de modder.
Een tijdje lang zat papa hijgend bij te komen. Daarna stond hij moeizaam op, en liep naar meneer Dogger. Met veel moeite hielp hij de bankier uit diens oude voddenbroek.
Bij Hakmaranman ging het een stuk makkelijker.
Die had niks meer om mee te spartelen.
Daarna legde mijn vader – die EHBO kan – noodverband aan om de benen van Hakmaranman.
'Help jij die houthakkers uit hun broek,' beval hij. Ik zuchtte. Papa vindt dat je alle zieken en gewonden moet helpen, ook als het je vijanden zijn. Ik vind dat dus heel erg dom, want als je gewoon even de andere kant op kijkt dan heb je nooit meer last van die lui. Maar papa zegt dat je dan zelf net zo erg bent als een slechterik en mama geeft hem gelijk, dus wat kun je dan nog? Als jongen van 11?
Kwetter en ik hielpen de houthakkers, en de houthakkers die klaar waren hielpen hun makkers. Sommigen waren behoorlijk hard gebeten door de alligatortjes.
Er kwam een lange rij te staan bij papa; Kwetter en ik gingen op zoek naar een EHBO-trommeltje. We vonden er twee: een grote in de heli en een kleintje onder de stoel van de Mjamburgermachine.
Toen papa klaar was met Hakmaranman liep hij naar Smek, die er ook niet best aan toe was. Hij had vrij dicht bij de ontploffende munitie gelegen, tenslotte.
Samen met Dogger sleepte papa de bewusteloze schurken de helikopter in.
'Breng ze maar gauw naar een ziekenhuis, ' zei papa.
'Ach hou toch je brave bek, heilig boontje,' gromde Dogger. En, om heel eerlijk te zijn: papa trok ook wel een érg vroom gezicht.
We zwaaiden de helikopter uit – dat wil zeggen, papa zwaaide terwijl Kwetter en ik... nou, ja, wij maakten ook gebaren met onze handen, zal ik maar zeggen.
Daarna wilde papa ook nog de houthakkers verbinden.
Dat ging dus nog uren duren.
'En wat gaat wij intussen doen?' vroeg Kwetter. 'Gaat wij kuffelen?'
'Eh, neenee,' zei ik haastig, 'want eh... Mijn pink! Mijn pink is gewond! D'r heeft een alligator in gehapt!' Ik wilde naar mijn vader gaan, zodat hij de wond kon verzorgen, maar Kwetter stond erop het zelf te doen, en dat was ook eigenlijk maar beter, want zij was er niet zo handig in dus het duurde lekker lang. Dat was pure winst, wat het knuffelen betreft.
Daarna had ik zogenaamd honger, dus we gingen wat te eten zoeken. We vonden een kokosnoot die ik helaas, helaas, niet open kreeg.
Kwetter pakte een rondslingerende kettingzaag en hakte het ding doormidden.
Ik heb nog nooit zo lang over een kokosnoot gedaan, maar er was niets aan te doen: onverbiddelijk brak de knuffeltijd aan.
'Wat hoor ik daar?' riep ik.
'Is niks,' mompelde Kwetter.
Maar het was wel wat.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)