VOLGENDE
Het begon weer eens met een knal, maar dit keer was het geen echte knal. Het was een nepknal, een computerspelletjes-knal, want ik was dus een computerspelletje aan het doen. Militair Moordcommando III, ik weet niet of je dat kent maar het is best een goed spel. Alleen: je gaat nogal vaak dood, omdat er zoveel bloed in het rond spat dat je bijna niks meer ziet. Je ziet bijvoorbeeld je vijanden niet aankomen.
Dus... ja...
Op een grote computer gaat het nog wel, maar het schermpje van een mobiele telefoon is er eigenlijk net iets te klein voor.
En ik speelde het op mijn mobiele telefoon, want ik mag van mama niet meer op de grote computer. Om een of andere reden.
Ik lag op de bank in de huiskamer te spelen en dat was dom, want mama zat vlak naast mij een boek te lezen en toen ze de knal hoorde keek ze me aan en vroeg: 'Wat is dat?'
'Oh, niks,' zei ik zo achteloos als ik maar kon. 'Gewoon, een spelletje.'
'Gewoon een spelletje?' vroeg ze. 'Dat is raar. Want het geluid dat ik net hoorde, klonk niet als een gewoon computerspelletje. Het klonk als een ontploffing. Van semtex, als ik me niet vergis.'
Mama weet nogal veel van springstoffen, en ze kan aan het geluid van een ontploffing horen door welk chemisch spulletje die veroorzaakt is.
Ik schudde mijn hoofd. 'Volgens het verhaaltje is het RDX, geloof ik.'
'Onzin,' zei mama geërgerd. 'Dit was veel te schel voor RDX.'
'Mama,' zuchtte ik, 'het is maar een computerspelletje, okee? Op een mobiele telefoon? Wat dacht je, dat telefoontjes tegenwoordig zulk goed geluid hadden dat je het verschil kunt horen tussen...'
'Dat weet ik wel,' kapte mama mijn protest af. 'Maar de makers van zo'n spelletje weten dat allemaal óók. Er is geen enkele reden voor hen om niet eventjes uit te rekenen hoe anders het geluid zal klinken op een mobieltje, en dan het geluid aan te passen de andere kant op, zodat het er tóch goed uit komt. Daar is een wetenschappelijk truukje voor, namelijk. Geluid, moet je weten...'
Okee. Hier had ik dus geen zin in. De ellenlange wetenschappelijke verhalen van mama zijn precies, maar dan ook precies het tegenovergestelde van Militair Moordcommando III: ze zijn wel echt waar en helemaal niet spannend.
'Wordt het niet tijd dat jij weer eens wat opblaast?' vroeg ik. Mama is namelijk pas echt gelukkig als ze dingen in de lucht laat vliegen.
Dingen, ja – nooit mensen. Dat vindt ze niet beleefd, mensen opblazen. Het hóórt niet, zegt ze.
'Iets opblazen?' vroeg ze met een glimlach.
Het was niet het soort glimlach waar ik op gehoopt had. Ik, had namelijk de och-jongen-toch-wat-lief-dat-je-daaraan-denkt glimlach willen hebben. En ik kreeg, in plaats daarvan de zozo-mijn-knulletje-denkt-dat-ie-slim-is glimlach.
'Dat zou jij wel willen, he, dat ik nu als een kip zonder kop aan de slag ging om dingen op te blazen? Dan kan ik lekker ongestoord mijn spelletje doen, dat denk jij, he? Nou, die vlieger gaat niet op, jongeman. Geef mij je telefoon maar eens, dan zullen we dat spelletje eens van dichtbij gaan bekijken.'
Met tegenzin gaf ik haar mijn mobiel.
'Wat is dat hele grote rode ding in het midden van het scherm?'
'Dat is zeg maar een soort van... nou... ja... het is bloed, eigenlijk.'
'Aha,' zei mama koeltjes. 'Dus mijn zoontje speelt extreem bloederige spelletjes? Heb ik dat goed begrepen? Is mijn zoontje misschien vergeten wat we daarover hebben afgesproken?'
VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 1. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1. Alle posts tonen
dinsdag 31 december 2013
woensdag 12 september 2012
Gele onderzeeboot
VORIGE BOEK / VOLGENDE
Het begon, zoals gewoonlijk, met een knal.
Een knal die we niet konden horen, dit keer, maar we konden hem wel voelen want we schommelden een beetje heen en weer.
'Nou?' zei ik tegen mijn broer. 'Heb je nou je zin? Een beetje geschommel en dat is alles.' Het was namelijk mijn broer die de knal gemaakt had. Hij had een rots opgeblazen die een halve kilometer verderop in zee stond.
'Mja,' gaf hij toe, 'dat valt wel een beetje tegen. Misschien moet ik iets opblazen wat dichterbij is...'
'Misschien,' zei ik, 'moet je met je poten van de torpedo's afblijven. Die dingen zijn niet om mee te spelen, dat heeft papa al wel honderd keer gezegd.'
'Ik speel er ook niet mee,' zei Michael, 'ik oefen ermee. Als we een keer worden aangevallen, dan moet er toch iemand aan boord zijn die weet hoe de torpedo's werken?'
'Dat is zo,' gaf Kwetter hem gelijk. Maar dat telde niet, want Kwetter is verliefd op mijn broer dus zij geeft hem vrijwel altijd gelijk. Hij is trouwens ook op haar, maar hij wil niet dat iemand dat weet dus hij geeft haar nooit gelijk. Aan de ene kant is dat zielig voor Kwetter, aan de andere kant zeg ik: als je zo stom bent om verliefd te worden op Michael, dan is het verder ook mooi je eigen schuld.
'Als we worden aangevallen,' zuchtte ik, 'dan kunnen we niks terug doen want de torpedo's zijn op. Alweer. Net als vorige week, weet je nog? En de week daarvoor en de week daarvoor. Omdat jij voortdurend zit te “oefenen”. Je hebt er tot nu toe zo'n zestig weggeknald. Echt, als je nu nog niet genoeg geoefend hebt, dan leer je het nooit meer dus dan kun je er net zo goed mee ophouden.'
Somber keek Michael uit het raampje. Daar was niets te zien, behalve het bijna zwarte donkerblauw van de diepe zee. 'Ik verveel me,' mompelde hij.
Dat kon ik wel begrijpen. Ik verveelde me ook.
En dat is raar, want zo vreselijk saai is ons leven niet. Wij zijn niet bepaald een alledaags gezin.
Wij wonen bijvoorbeeld in een onderzeeboot.
Een hele grote, gele onderzeeboot.
Een gele ja. Dat moest en zou, van papa. 'Ik zal jullie eens wat laten horen,' zei hij toen wij klaagden dat we voor gek liepen in onze gele onderzeeër. Hij zette een of ander oubollig gitaarmuziekje op dat ging over een gele onderzeeboot.
'Pffff, wat een ouwe-zeur-muziek,' zei Michael.
'Ouwe-zeur-muziek? Dit? Jongen, besef jij wel hoe ongelooflijk vernieuwend dit was, in 1966?'
'Papa,' zuchtte ik, 'besef jij wel hoe ongelooflijk lang geleden dat is, 1966? Niet alleen was ik toen nog niet geboren, jij was toen nog niet eens geboren. Dit is geen ouwe-zeur-muziek, dit is antieke-zeur-muziek.'
Papa sputterde nog wat na, over dat wij geen smaak hadden en dat kwaliteit geen tijd kent. Langzaam ging zijn gesputter over in gemompel dat het toch zekere zijn eigen geld was, en als wij een andere kleur wilden moesten we zelf maar een paar banken beroven en een eigen kopen.
'Woooh,' zei Michael. 'Mag dat? Echt?'
Daar moest papa even over nadenken.
VORIGE BOEK / VOLGENDE
Het begon, zoals gewoonlijk, met een knal.
Een knal die we niet konden horen, dit keer, maar we konden hem wel voelen want we schommelden een beetje heen en weer.
'Nou?' zei ik tegen mijn broer. 'Heb je nou je zin? Een beetje geschommel en dat is alles.' Het was namelijk mijn broer die de knal gemaakt had. Hij had een rots opgeblazen die een halve kilometer verderop in zee stond.
'Mja,' gaf hij toe, 'dat valt wel een beetje tegen. Misschien moet ik iets opblazen wat dichterbij is...'
'Misschien,' zei ik, 'moet je met je poten van de torpedo's afblijven. Die dingen zijn niet om mee te spelen, dat heeft papa al wel honderd keer gezegd.'
'Ik speel er ook niet mee,' zei Michael, 'ik oefen ermee. Als we een keer worden aangevallen, dan moet er toch iemand aan boord zijn die weet hoe de torpedo's werken?'
'Dat is zo,' gaf Kwetter hem gelijk. Maar dat telde niet, want Kwetter is verliefd op mijn broer dus zij geeft hem vrijwel altijd gelijk. Hij is trouwens ook op haar, maar hij wil niet dat iemand dat weet dus hij geeft haar nooit gelijk. Aan de ene kant is dat zielig voor Kwetter, aan de andere kant zeg ik: als je zo stom bent om verliefd te worden op Michael, dan is het verder ook mooi je eigen schuld.
'Als we worden aangevallen,' zuchtte ik, 'dan kunnen we niks terug doen want de torpedo's zijn op. Alweer. Net als vorige week, weet je nog? En de week daarvoor en de week daarvoor. Omdat jij voortdurend zit te “oefenen”. Je hebt er tot nu toe zo'n zestig weggeknald. Echt, als je nu nog niet genoeg geoefend hebt, dan leer je het nooit meer dus dan kun je er net zo goed mee ophouden.'
Somber keek Michael uit het raampje. Daar was niets te zien, behalve het bijna zwarte donkerblauw van de diepe zee. 'Ik verveel me,' mompelde hij.
Dat kon ik wel begrijpen. Ik verveelde me ook.
En dat is raar, want zo vreselijk saai is ons leven niet. Wij zijn niet bepaald een alledaags gezin.
Wij wonen bijvoorbeeld in een onderzeeboot.
Een hele grote, gele onderzeeboot.
Een gele ja. Dat moest en zou, van papa. 'Ik zal jullie eens wat laten horen,' zei hij toen wij klaagden dat we voor gek liepen in onze gele onderzeeër. Hij zette een of ander oubollig gitaarmuziekje op dat ging over een gele onderzeeboot.
'Pffff, wat een ouwe-zeur-muziek,' zei Michael.
'Ouwe-zeur-muziek? Dit? Jongen, besef jij wel hoe ongelooflijk vernieuwend dit was, in 1966?'
'Papa,' zuchtte ik, 'besef jij wel hoe ongelooflijk lang geleden dat is, 1966? Niet alleen was ik toen nog niet geboren, jij was toen nog niet eens geboren. Dit is geen ouwe-zeur-muziek, dit is antieke-zeur-muziek.'
Papa sputterde nog wat na, over dat wij geen smaak hadden en dat kwaliteit geen tijd kent. Langzaam ging zijn gesputter over in gemompel dat het toch zekere zijn eigen geld was, en als wij een andere kleur wilden moesten we zelf maar een paar banken beroven en een eigen kopen.
'Woooh,' zei Michael. 'Mag dat? Echt?'
Daar moest papa even over nadenken.
VORIGE BOEK / VOLGENDE
donderdag 19 januari 2012
Ontbijten op z'n Boegoe-Boegoes
Het begon zoals dat soort dingen altijd begint: met een knal. Geen harde knal dit keer, maar een muizenpiep van een ontploffinkje. Je kon het bijna niet horen tussen de geluidjes van het oerwoud: de ritseltjes en trippeltjes, de zoempjes en piepjes, het geruis van bladeren en het plik-plok-pluk van druppeltjes. En al helemaal niet tussen de rotherrie van het oerwoud: het gefluit, gebrul, gegil, gekrijs en gejank van van alle smerige en gevaarlijke beesten die ons hier het leven zuur maakten.
We zaten net te ontbijten, bovenin een boom midden in het oerwoud. We zaten op de bovenste tak, want het had net geregend en dan zitten de lagere takken vol Sissipi-slangen. Die zijn enorm groot en ongelooflijk giftig. De meest dodelijke dieren ter wereld, afgezien van de Boegoenese Reuzenalligator.
Altijd als het geregend heeft kruipen die afschuwelijk gevaarlijke Sissipi's onze boom in. Omdat de grond dan krioelt van de Boegoenese Reuzenalligators.
Dus bij alle oerwoudgeluidjes kwamen ook nog het gesis van de slangen en het lugubere kakengeklapper van de alligators.
'Wat was dat?' vroeg ik.
'Wat was wat?' vroeg mama.
'Ik hoorde een ontploffing,' zei ik.
'Daar trap ik niet in,' zei mama. Ze dacht dat het een smoesje was en heel eerlijk gezegd: dat was niet zo'n vreemde gedachte. Ik verzon wel vaker smoesjes als we aan het ontbijt zaten. Want ontbijten in Boegoe-Boegoe, dat doe je echt niet voor de lol.
Dat moet ik even uitleggen.
Wij zijn een heel gewoon Nederlands gezin: mijn zus Gaby, mama, papa en ik. Maar we wonen niet meer in Nederland; we zijn gevlucht omdat we achterna gezeten worden door een bende schurken. Schurken zoals meneer Dogger, de gierige bank-directeur, Snoet de Kinderdief en meneer Cockel, de steenrijke, oppermachtige oliebaas. Ze hebben nog een heleboel vrienden, die drie – teveel om op te noemen. Stuk voor stuk gewetenloze boeven.
Als je wilt weten hoe erg ze zijn: ze ontvoeren onschuldige kinderen en malen ze door de gehaktmolen, om ze te verkopen als Mjamburgers. Zo erg dus.
Ze hebben het ook met ons geprobeerd. Wij zijn misschien niet echt onschuldige kinderen, want we hebben honderd en vierenzestig van hun bankgebouwen, benzinestations, mjamburgerfabrieken enzovoorts opgeblazen. Maar of je nou een 100% onschuldig kind in handen hebt, of een 99%-onschuldig-en-1%gebouwen-opblazend-terroristenkind – je mag nooit kinderen door de mjamburgers doen.
En trouwens, wij hebben dan wel een paar van hun spulletjes opgeblazen maar zij waren, zeg maar, een soort van begonnen.
En nu zaten ze achter ons aan.
Daarom waren we gevlucht naar de binnenlanden van Boegoe-Boegoe.
Daar waren we veilig, want Boegoe-Boegoe ligt zó ver van de beschaafde wereld af dat er geen schurken komen.
Dat is fijn.
Maar het is er ook zó onbeschaafd dat ze er heel erg walgelijke tafelmanieren hebben.
Dat is minder fijn. Want met 'walgelijk' bedoel ik niet dat ze een beetje slurpen (hoewel ze wel slurpen).
Ik bedoel ook niet dat ze met hun handen eten (hoewel ze zeker geen bestek gebruiken).
Ik bedoel dat ze het eten in elkaars mond spugen.
Ik zei toch dat het walgelijk was?
Helaas dacht mijn moeder daar anders over.
Zij vindt dat je je altijd helemaal moet aanpassen aan de mensen waar je te gast bent. Kwestie van beleefdheid, vindt ze.
Dus wij ontbeten op z'n Boegoe-Boegoes.
Mijn moeder deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Mijn vader doet altijd wat mijn moeder zegt, dus daar hadden we niks aan. Mijn zusje is eraan gewend geraakt. 'Op een gegeven moment weet je niet beter meer,' zegt zij. 'Dan krijgt het wel iets gezelligs, zelfs.'
Waaraan je maar weer ziet dat alle meisjes in wezen krankzinnig zijn.
Ik bedoel: gezéllig? Goor zal ze bedoelen!
Daarom verzin ik af en toe een smoesje om snel van tafel te mogen. Bij wijze van spreken dan, want er zijn geen tafels in Boegoe-Boegoe. Daar zijn ze hier niet beschaafd genoeg voor. Trouwens, iedereen hier woont in de boomtoppen en daar heb je niks aan een tafel want die valt meteen naar beneden. Dus.
In ieder geval, tafel of geen tafel, ik hield niet van ontbijten.
Vandaar dat mama twijfelde aan mijn ontploffing.
VOLGENDE
We zaten net te ontbijten, bovenin een boom midden in het oerwoud. We zaten op de bovenste tak, want het had net geregend en dan zitten de lagere takken vol Sissipi-slangen. Die zijn enorm groot en ongelooflijk giftig. De meest dodelijke dieren ter wereld, afgezien van de Boegoenese Reuzenalligator.
Altijd als het geregend heeft kruipen die afschuwelijk gevaarlijke Sissipi's onze boom in. Omdat de grond dan krioelt van de Boegoenese Reuzenalligators.
Dus bij alle oerwoudgeluidjes kwamen ook nog het gesis van de slangen en het lugubere kakengeklapper van de alligators.
'Wat was dat?' vroeg ik.
'Wat was wat?' vroeg mama.
'Ik hoorde een ontploffing,' zei ik.
'Daar trap ik niet in,' zei mama. Ze dacht dat het een smoesje was en heel eerlijk gezegd: dat was niet zo'n vreemde gedachte. Ik verzon wel vaker smoesjes als we aan het ontbijt zaten. Want ontbijten in Boegoe-Boegoe, dat doe je echt niet voor de lol.
Dat moet ik even uitleggen.
Wij zijn een heel gewoon Nederlands gezin: mijn zus Gaby, mama, papa en ik. Maar we wonen niet meer in Nederland; we zijn gevlucht omdat we achterna gezeten worden door een bende schurken. Schurken zoals meneer Dogger, de gierige bank-directeur, Snoet de Kinderdief en meneer Cockel, de steenrijke, oppermachtige oliebaas. Ze hebben nog een heleboel vrienden, die drie – teveel om op te noemen. Stuk voor stuk gewetenloze boeven.
Als je wilt weten hoe erg ze zijn: ze ontvoeren onschuldige kinderen en malen ze door de gehaktmolen, om ze te verkopen als Mjamburgers. Zo erg dus.
Ze hebben het ook met ons geprobeerd. Wij zijn misschien niet echt onschuldige kinderen, want we hebben honderd en vierenzestig van hun bankgebouwen, benzinestations, mjamburgerfabrieken enzovoorts opgeblazen. Maar of je nou een 100% onschuldig kind in handen hebt, of een 99%-onschuldig-en-1%gebouwen-opblazend-terroristenkind – je mag nooit kinderen door de mjamburgers doen.
En trouwens, wij hebben dan wel een paar van hun spulletjes opgeblazen maar zij waren, zeg maar, een soort van begonnen.
En nu zaten ze achter ons aan.
Daarom waren we gevlucht naar de binnenlanden van Boegoe-Boegoe.
Daar waren we veilig, want Boegoe-Boegoe ligt zó ver van de beschaafde wereld af dat er geen schurken komen.
Dat is fijn.
Maar het is er ook zó onbeschaafd dat ze er heel erg walgelijke tafelmanieren hebben.
Dat is minder fijn. Want met 'walgelijk' bedoel ik niet dat ze een beetje slurpen (hoewel ze wel slurpen).
Ik bedoel ook niet dat ze met hun handen eten (hoewel ze zeker geen bestek gebruiken).
Ik bedoel dat ze het eten in elkaars mond spugen.
Ik zei toch dat het walgelijk was?
Helaas dacht mijn moeder daar anders over.
Zij vindt dat je je altijd helemaal moet aanpassen aan de mensen waar je te gast bent. Kwestie van beleefdheid, vindt ze.
Dus wij ontbeten op z'n Boegoe-Boegoes.
Mijn moeder deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Mijn vader doet altijd wat mijn moeder zegt, dus daar hadden we niks aan. Mijn zusje is eraan gewend geraakt. 'Op een gegeven moment weet je niet beter meer,' zegt zij. 'Dan krijgt het wel iets gezelligs, zelfs.'
Waaraan je maar weer ziet dat alle meisjes in wezen krankzinnig zijn.
Ik bedoel: gezéllig? Goor zal ze bedoelen!
Daarom verzin ik af en toe een smoesje om snel van tafel te mogen. Bij wijze van spreken dan, want er zijn geen tafels in Boegoe-Boegoe. Daar zijn ze hier niet beschaafd genoeg voor. Trouwens, iedereen hier woont in de boomtoppen en daar heb je niks aan een tafel want die valt meteen naar beneden. Dus.
In ieder geval, tafel of geen tafel, ik hield niet van ontbijten.
Vandaar dat mama twijfelde aan mijn ontploffing.
VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)