Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 62. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 62. Alle posts tonen

maandag 9 juni 2014

Het verschil tussen ontsnappen en ophoepelen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Kuffelen!' riep Kwetter, en ze knuffelde mij.
'Niet doen,' herhaalde ik gesmoord.
'Waarom niet?' vroeg zij teleurgesteld. 'Vindt jij mij niet lief?'
'Oh jawel,' zei ik haastig, want aan een huilende Kwetter had ik he-le-maal geen behoefte op dit moment. 'Ik vind je hartstikke lief. Maar ik wil liever dat je ervandoor gaat.'
'Jij wil dat ik ophoepelt?' vroeg Kwetter, en verbazing en schrik vochten om voorrang op haar gezicht. 'Jij vind mij zou verschrikkelijk stom, dat jij wil dat ik wegwees?'
'Nee, Kwetter. Ik wil niet dat je ophoepelt. Ik wil dat je ontsnapt. Begrijp je het verschil? Ophoepelen is: weggaan en niet meer terugkomen, omdat mensen je stom vinden. Ontsnappen is: weggaan en dan wél terugkomen, maar dan samen met de hulp die je gehaald hebt. Bijvoorbeeld mama. En dat die dan alles en iedereen opblaast. Of een Knalhapper-tank die je ergens langs de weg gevonden hebt.'
'Knalhappers vinden heeft geen enkele zin,' zei Kwetter op vastberaden toon. 'Jij weet ook wel dat ik die niet kun besturen. Daar kom alleen maar ellende van. En mama gaat ik ook niet halen. Mama ben duizenden kilometers ver weg. En ik weet niet eens in welk land wij bent.'
'We zijn in Armoestan, Kwetter,' zei Gaby snel. 'Hoorde je de generaal niet praten over Armoestaanse dollars? Armoestan, weet je wel? Waar een burgeroorlog aan de gang is? Weet je nog dat we dat zagen op het journaal?'
'Journaal weet ik niet meer. Toen kijkte ik net even naar iets anders,' zei Kwetter met een suikerzoete blik op mij. 'Maar ik bent heus geen suffie of zo, hoor! Dat hier een burgeroorlog aan de gang bent, dat hebde ik ook zonder journaal wel door. En als jullie denkt, dat ik in mijn eentje door een onbekend land, waar ook nog eens een burgeroorlog bent, gaat lopen rondbanjeren op zoek naar mama die duizenden kilometers ver weg bent, dan...'
'Ik weet dat het onmogelijk klinkt, lieve Kwetter, maar als er één kindje is op de hele wereld, dat het klaar zou kunnen spelen, dan ben jij het!' zei Gaby.
'Oh, ik denkt wel dat je daar gelijk in heb,' gaf Kwetter toe. 'Ik bent snel en handig, en ik hebt allerlei lesjes geleerd van mama, over hoe telefoons werkt en over Engels praten en dat soort dingen, en nu is ik slim geworden. Slim en sterk en handig bent ik,' en ze telde het af op drie van haar vingers, 'dus ik denkt wel dat ik het kunt. Maar als ik weggaat, wie moet er dan voor jullie zorgen? Misschien blijft ik wel drie dagen weg. Weet jullie wel hoe vaak je dood kunt gaan in drie dagen?'
'Precies één keer,' zei ik droog.
'Dat bent dan één keer te veel. Nee hoor, ik blijft hier en ik zorgt voor jullie. Hier!' Ze gaf ons allebei te drinken, uit een veldfles die de soldaten hadden achtergelaten, en toen een soldaat ons even later eten kwam brengen, voerde Kwetter ons tot we sterk genoeg waren om zelf de lepel vast te houden.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 6 juni 2014

Wij huppen niet

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Maar wij hupten niet. Wij konden helemaal niet huppen. Daar waren we veel te zwak voor.
De generaal schudde zijn hoofd. 'Wat een prutswerk,' mompelde hij. 'Slaven die te slap zijn om te werken! Nou ja, geef ze nog maar wat eten en drinken en laat ze een nachtje uitrusten. Als ze dan sterk genoeg zijn voor de mijn, kunnen ze aan de slag. Zo niet, schiet ik ze alsnog dood.'
'Laten we ze hier gewoon liggen, generaal?' vroeg de chauffeur.
'Ja, natuurlijk!' De generaal barstte weer uit in donderend gelach. 'Wou jij ze naar de huizen slepen, soms? Die lui zijn te smerig om aan te raken!'
'Maar als er dan een beest komt? Een beest dat kindjes lust?'
'Da's dan een beest met mazzel,' zei de generaal achteloos. 'Spaart mij weer kogels. En nu gaan we feesten. Vieren dat we nieuwe wapens hebben! Komt u mee, meneer Snoet?'
Snoet stond op, maakte een beleefde buiging en liep naast de generaal naar de huizen van het dorp. De soldaten volgden hen.
Zodra ze uit het zicht verdwenen waren, sprong Kwetter overeind en spiedde om zich heen.
'Er kijk niemand naar ons,' fluisterde ze gejaagd. 'Wij kunt er nú vandoor. Hup!'
Maar wij hupten nog steeds niet.
'Ze kijk niet meer naar ons,' herhaalde Kwetter dringend. 'Jullie hoef niet meer te doen alsof!'
'Eh... Kwetter,' zei Gaby, 'Ik weet niet goed hoe ik je dit moet vertellen, maar... wij doen helemaal niet alsof. We zijn echt te zwak om op te staan.'
'Echt waar?' vroeg Kwetter verbaasd. 'Jij ook, Michael?' Er klonk teleurstelling in haar stem.
Gek is dat.
Ik ben helemaal niet verliefd op Kwetter.
Echt honderd procent niet dus, okee?
Ik vind het alleen maar lastig en vervelend dat zij verliefd op mij is, en de hele tijd wil knuffelen, en mij altijd overal gelijk in geeft, ook als ik helemaal geen gelijk heb.
Niet dat dat laatste nou zo vaak voorkomt, hoor. Meestal heb ik wel gelijk in alles. Opvallend vaak zelfs, maar toch... Als ik eens een keertje ongelijk heb, dan is het vervelend als Kwetter gaat zitten knikken en tegen iedereen roept van 'Hoor jullie wel wat Michael zegt? Zo zit het nou precies!'
Op die manier maakt het helemaal niet meer uit wat ik zeg. Net of ze me niet serieus neemt. Terwijl ze toch juist het tegenovergestelde bedoelt.
Nou ja, ik wilde eigenlijk alleen maar zeggen: Ik. Ben. Niet. Op. Kwetter.
En toch vond ik het heel erg naar dat ze zo teleurgesteld naar me keek. Alsof ze verwachtte dat ik net zo sterk en dapper was als zij. Nee, nog sterker en dapperder. Wat helemaal niet kan.
Met een diepe zucht zei ik: 'Ik deed ook niet alsof, Kwetter. We waren bijna dood, weet je nog? Jij kunt dat misschien, bijna dood gaan en dan zo fris als een hoentje weer opspringen, maar jij bent ook een beetje bijzonder.'
'Vindt jij dat echt?' riep ze stralend. 'Dat bent lief! Ik gaat jou...'
'Nee!'gilde ik. 'Nee! Niet doen!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 4 februari 2013

De wentelteefjes der verbeeldingskracht

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


De volgende ochtend kregen we, als ontbijt, rijst met bonen. Niet alleen was dat hetzelfde soort eten als gisteravond, het was gewoon hetzelfde eten. Ik bedoel: het waren de restjes van gisteren. Koude rijst met koude bonen.
'Gisteren waren ze best lekker,' zei ik, 'maar dit is niet leuk meer.'
'Niet zeuren, lieverd,' zei mama. 'Het gaat er niet om wat je eet, het gaat erom hoe je eet. En we hebben keurige messen en vorken gekregen, dus we kunnen heel fatsoenlijk eten. Als Kwetter tenminste haar vork in haar linkerhand wil houden. Dít ziet er niet uit, meisje.'
'Welke is ook weer links?' vroeg Kwetter leergierig.
'Waar je nu je mes hebt,' zei Michael. 'Duh.' Hij rommelde wat met zijn vork door zijn eten. 'Had ik al verteld dat ik dit gisteren, toen het nog warm was, ook al niet lekker vond?'
'Hm,' zei papa en hij keek om zich heen. Op het binnenplaatsje, waar we zaten te eten aan een wankele, groengeverfde tafel, zaten vijf jonge soldaten van het ZMB. Ze hadden hun geweren op schoot en hoewel ze een beetje met elkaar zaten te kletsen, keken ze elkaar nauwelijks aan. Ze keken naar ons, op zo een overduidelijk onopvallende manier, dat er geen misverstand over kon bestaan: ze zaten ons te bewaken. Kennelijk was de veldmaarschalk bang dat we er alsnog vandoor zouden gaan.
Ze dronken koffie. Ze aten niets.
Toen onze bonen werden binnengebracht, keken ze opeens veel minder vaak naar ons, en veel meer naar de pan met bonen.
'Zal ik jullie eens wat zeggen,' zei papa, en uit de manier waarop hij keek viel af te lezen dat hij met “jullie” enkel en alleen Michael bedoelde, 'volgens mij hebben die knapen geen ontbijt gehad. En als ik die magere armpjes zie denk ik: niet alleen hebben ze vandaag niks gehad, ze krijgen nooit een ontbijt. Ik denk dat kouwe rijst met bonen voor de mensen hier het meest luxe ontbijt is, wat ze zich voor kunnen stellen.
'Jeetje,' zei Michael, 'wat een gebrek aan fantasie. Ik bedoel: gebakken eieren met spek op een geroosterde boterham, kaas en ham en salami, vers witbrood met hagelslag of chocopasta, cornflakes en honingcrunchies, krentenbollen, croissantjes, koude melk en warme thee, verse jus en fruitsalade, wentelteefjes...' Hij noemde het allemaal zo liefdevol op alsof het dampend en geurig voor zijn neus stond. Hij wees zelfs aan waar op de tafel al die lekkernijen zouden moeten staan, en hij zei het zó overtuigend dat wij het ook bijna konden zien en ruiken en proeven.
'Ik heb opeens geen trek meer in koude bonen,' zei ik.
'En ik hebt opeens geen koude bonen meer,' antwoordde Kwetter. 'Mijn bonen is plotseling honingcrunchies geworden. Hmmmm!' Met een blik van opperste concentratie stak ze een vork vol koude bonen in haar mond.
Ze geloofde zo hevig in haar crunchies dat ik ze bijna kon hóren kraken tussen haar tanden. 'Hmm, crunchies!' mompelde Kwetter tevreden.
'Het kan me niet schelen wat je in je mond hebt, Kwettertje-lief,' zei mama, 'maar je slikt het voortaan dóór voordat je iets zegt, begrepen?'
Kwetter knikte en nam gretig nog een hap van haar crunchies.
Zelf dacht ik uit alle macht aan wentelteefjes en nam een hap.
Koude bonen.
Kennelijk was mijn verbeeldingskracht niet sterk genoeg.
Michael probeerde zo te zien hetzelfde, met hetzelfde resultaat. Met enige moeite slikte hij de kouwe derrie weg en zei: 'Verrek maar met die bonen. Ik zal jullie eens laten zien wat ik daarmee doe, met die bonen!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 23 juli 2012

Beuken is mannenwerk

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Misschien zijn ze allemaal even plassen,' probeerde ik.
Gaby gaf mij een schop. 'Doe niet zo achterlijk,' zei ze. 'Denk je dat papa daar wat aan heeft?'
'Maak je om mij maar geen zorgen jongens,' zuchtte papa somber. 'Ik ben al lang blij dat ze het bos met rust laten.'
Het begon keihard te regenen terwijl we door het verlaten kamp liepen. De containers stonden er nog. De asfaltweg lag er nog. Verder was het zo verlaten als een ruïne van duizend jaar oud. Geen houthakkers, geen kettingzagen, geen Mobiele Mjamburger Maak Machine. Geen enkel teken van leven. Zelfs de alligatorhuiden waren weg.
'Waarom hebt ze de containers laten staan?' vroeg Kwetter zich af.
'Omdat ze terug zullen komen,' zei papa. 'Het zal wel een paar weken duren. Jullie moeder had... waarschijnlijk...' Hij kon het woord “gelijk” niet over zijn lippen krijgen. Met hangende schouders liep hij het bos in.
'Wat gaat-ie doen?' vroeg Kwetter.
Wij hadden geen idee. Ook niet toen hij een half uur later terugkwam met een grote, dikke tak over zijn schouder.
'Helpen jullie even?' vroeg hij kreunend.
'Met sjouwen?' vroeg ik. Sjouwen is leuk, want het is mannenwerk.
'Met beuken,' zei papa. 'Dit is een stormram namelijk.'
Dat was natuurlijk helemaal prachtig, want rammen is pas echt mannenwerk. We beukten de deur van de luxe container in. Die was heel stevig; we waren er wel een half uur mee bezig en het lukte pas toen Kwetter mee kwam helpen.
We slopen de container binnen. Papa floot zachtjes toen hij het salontafeltje zag. 'Louis XV, toe maar,' mompelde hij. 'En die bank is een heel duur Italiaans ontwerp, weet ik toevallig.'
Zijn ogen glansden. Hij keek door de kamer als een kind op Sinterklaas-avond.
Verrukt rook hij aan de sigaren die nog op het tafeltje lagen. 'Tjonge jonge, deze kan zelfs de president van Cuba nauwelijks betalen.' Zo ging hij de hele container door. Alles was heel duur, daar kwam het eigenlijk op neer.
Op het laatst vond hij een laptop.
Hij klapte het ding open en een zeer gelukkige glimlach trok over zijn gezicht. 'Niet te geloven,' fluisterde hij, 'een eigen satelietverbinding! Nu kan ik de beursberichten bekijken...' Hij begon als een bezeten te klikken en te typen. Wij stonden erbij en keken ernaar.
'Eh... pap...' vroeg ik, 'wat doen we eigenlijk hier?'
Verstrooid keek hij op. 'Ja,' antwoordde hij, 'wat doen jullie eigenlijk hier?'
'Eh... we zijn met jou meegekomen.'
'Oh ja. Nou, ga maar fijn spelen of zo. Papa is aan het werk.'
'Je hebt geeneens werk,' snoof Gaby.
'De bank waar je werkte staat er niet meer,' hielp ik herinneren. 'Mama heeft hem opgeblazen, weet je nog? Dus die beursberichten, daar heb je niks meer aan.'
'Hmmm,' zei papa zonder op te kijken. 'Ga maar fijn spelen, jongens.'
'Maar wat ga jij dan doen?' vroeg ik. Ik snapte er niks meer van.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE