Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 64. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 64. Alle posts tonen

vrijdag 13 juni 2014

Vrijwillige medewerkers

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Het was geen mijn. Tenminste, niet zoals ik altijd dacht dat mijnen eruit zagen. Een berg met een donker gat erin, waar je naar beneden gaat met zo'n lamp op je kop. En dan maar hakken, met een houweel, tot je een goudklompje vindt. Of iets anders wat je uit een mijn haalt.
Zo was het niet in de mijn van de generaal.
Dit was gewoon een stuk oerwoud dat weggemaakt was, en veranderd in een puinhoop van zand en stof en modder en mensen. Mensen die krioelden als mieren, met scheppen en zeven in hun handen, en mensen die eromheen stonden zonder met geweren in hun handen.
Onze wagen kwam tot stilstand en een paar soldaten begon de kisten en zakken uit te laden. Wij werden ook uitgeladen, alsof we kisten en zakken waren. Behalve dan dat de soldaten de hele tijd grapjes maakten over hoe erg wij stonken, en dat deden ze bij de zakken niet.
We werden op de grond gegooid voor de deur van een houten hok. Een soort schuurtje, waar wij thuis nog niet eens een hark in zouden bewaren maar dat hier het hoofdkantoor was. Het meest luxe gebouw in de wijde omtrek, of liever gezegd het enige gebouw, want de mijn werkers sliepen in een soort tentjes. Niet zo'n luxe tent waarin wij vroeger op vakantie gingen, met een binnentent en een rits en een voor- en achterkant. Nee, gewoon grote stukken plastic die over een paar stokken gespannen waren.
'Sergeant!' riepen de soldaten.
Uit het houten schuurtje kwam een oud kereltje met de meest gemene blik in zijn ogen die ik ooit heb gezien. Hij zag eruit alsof hij, lang geleden, de hele mensheid in één keer in de ogen had gekeken, en gezegd had: 'Okee. Jou mag ik niet.'
En alsof de hele mensheid toen had geantwoord: 'En wij mogen jou ook ab-so-luut niet!'
'Wat mot je?' snauwde hij tegen de soldaten.
'Hier zijn de voorraden. En nog drie, eh, vrijwillige medewerkers.'
'Die uitgemergelde ratjes? Wat moet ik daar mee.'
'Oppassen,' grijnsden de soldaten.
'Pardon?'
'Ze zijn linker dan ze eruit zien, volgens de man die ze verkocht. Vooral die ene, die oranje. Die ontsnapt bij de eerste kans die ze krijgt, schijnt het.'
'Geen probleem,' grijnsde de sergeant. 'Ik hak er gewoon een beentje af.'
'Ze moet nog wel kunnen werken.'
'Hm,' deed de sergeant teleurgesteld. 'Nou ja. Vastbinden en in de gaten houden, dan maar.'
Dat deden ze.
Ze bonden Kwetters benen aan elkaar, met een driedubbele knoop die je nooit meer loskreeg. Zo kon ze onmogelijk rennen of klimmen. Maar staan kon ze wel, en lopen ook, met een wankelige schuifelpas. Naar de rivier, waar we meteen aan het werk moesten. Graven in de rivierbodem, met roestige scheppen, tot aan ons middel in het modderwater, terwijl bloedzuigers en allerlei andere stekers en bijters aan onze benen knabbelden. De zon brandde op onze hoofden.
Dit houd ik geen dag vol, dacht ik.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 8 februari 2013

Mama zegt iets doms

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE



'Het was een lang gesprek,' zei mama. 'Die idioot wilde alleen maar politiebureaus opblazen. Met zoveel mogelijk doden en gewonden. Hij wilde domweg niet luisteren naar alle verstandige dingen die ik daar tegenin bracht. Dus toen dacht ik: nou, als je dan echt niet naar verstandige argumenten wilt luisteren, dan zeg ik wel iets doms. En dat hielp. Ik zei namelijk: “Luister eens, meneertje de veldmaarschalk, wie is hier de internationale ster? En wie moet er altijd achteraan zitten en lauwe koffie drinken?” “U bent de ster,” moest hij toegeven, “en ik krijg lauwe koffie.” Zijn luitenants lachten hem zachtjes uit en zeiden allemaal dat we het op mijn manier moesten doen. Niet omdat ze het zo heftig met mij eens waren, maar omdat ze het leuk vonden dat ik de veldmaarschalk voor schut had gezet.'
'Ga je nou het hele gesprek herhalen,' vroeg Michael, 'of ga je binnenkort eens een keertje vertellen wat jullie besloten hebben?'
'Nou,' zei ik troostend, 'ik vind het knap hoor, mama, dat je in een kamer vol enge, gewapende terroristen zo je zin durft door te drijven.'
'Dank je wel,' glimlachte mama, 'je bent een lieverd. Maar goed, ik zal vertellen wat het plan is. We gaan de hoofdkantoren van tien grote buitenlandse bedrijven opblazen. Geen doden. Geen gewonden.'
'Buitenlandse bedrijven?' vroeg Michael. 'Waarom dat nou weer?'
'Omdat terroristen altijd een hekel hebben aan buitenlandse bedrijven,' legde mama uit. 'Geen idee waarom dat zo is, maar als je de gemiddelde terrorist kwaad wil krijgen, moet je hem een buitenlands bedrijf laten zien. Ze kunnen er domweg niet tegen.'
'Maar wat ik niet snap,' zei Michael, 'is waarom jij buitenlandse bedrijven op wil blazen. Die hebben ons toch geen kwaad gedaan?'
Ik schudde mijn hoofd. Hoe kan iemand zo dom zijn? Zelfs mijn kleine zusje zou het snappen – behalve dan dat ik geen klein zusje heb. Ik ben het kleine zusje, en reken maar dat ik het snapte.
'Oh nee?' zei ik. 'Cockels Oliemaatschappij, de Doggersbank, SmikSmeks Mjamburgerfabrieken en zo – hebben die ons nooit kwaad gedaan?'
'Maar die zijn niet buitenlands,' protesteerde mijn broer. 'Dogger is zelfs onze eigen achterbuurman!'
'Jemig,' zei ik, 'wat kun jij dom doen, zeg. Doe je mee aan een wedstrijd of zo? This is the grootste sukkel of Holland? Dan ben je een sterke kandidaat voor de finale. Ja, meneer Dogger is onze achterbuurman, ja. En waar ligt onze achtertuin? Hier in Zuid-Mallotië? Of meer in wat ze hier “het buitenland” noemen?'
'Eh...' zei Michael. Tien punten eraf voor de jongens, maar weer.
'Inderdaad,' zei mama. 'In ieder geval: we gaan tien goed bewaakte hoofdkantoren opblazen. Dat is een heel gedoe, dus we zitten hier nog wel een paar weken. Dus jullie kunnen beter een paar vriendjes maken om de komende tijd mee te spelen, want ik krijg het te druk om leuke dingen met jullie te doen.'
Ik haalde mijn schouders op. 'Ach, we hebben papa toch? Die weet vast wel een leuk museum te vinden hier in de buurt.'
'Nee, jullie zullen het ook even zonder mij moeten stellen,' zei papa geheimzinnig. 'Ik ga iets heel anders doen.'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

zaterdag 28 juli 2012

Gered door Gaby

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We verveelden ons al snel kapot, Gaby en ik.
'Hee,' zei ik, 'ik heb een idee. Zullen we slangen gaan pesten?'
'Dat,' zei Gaby, 'is mij een beetje te gevaarlijk. Kwetter kan dan misschien een knoop in zo'n beest leggen, flits flats muurvast aan een tak, en dan vlak voor z'n neus op een neer gaan springen van neh neh nènèneh, maar Kwetter is er dus niet.'
'Neehee,' zei ik, 'maar ik ben er wel. En ik kan ook wel eens wat, hoor! Let maar eens op.' Ik klom een boom in en zette het op een zwieren. Gaby kwam achter me aan. Ik stopte bij de eerste de beste nokonootjesboom en plukte een handjevol nootjes.
'En nou?' vroeg Gaby.
'Nou wachten we op een slang,' zei ik, en ik maakte het mij gemakkelijk op een brede tak.
'Jeuh,' zei Gaby. Met een zucht leunde ze tegen de noko-boomstam. 'Wachten. Nou, dikke pret hoor.'
'Doe niet zo flauw. We wonen hier nou al een half jaar, en heb jij in al die tijd ooit één keer gedacht: hè, wat zitten hier toch weinig slangen? Oh oh oh, wat duurt het toch lang voordat ik weer eens een slang zie?'
'Heel grappig,' zei Gaby. 'Je weet best dat ik meestal denk: Pas op! Achter je! Een sissipi!'
'Inderdaad. Dus het zal vast niet lang duren voordat we...'
'Ik zei pas op, achter je, een sissipi!' riep Gaby.
'Jaja, ik hoorde je wel.'
Pas toen Gaby me met een pijlsnelle schop van mijn tak afduwde, en ik in een flits zag hoe een enorme sissipi zijn muil dichtklapte op de plek waar ik zojuist gezeten had, begreep ik precies wat ze me had willen vertellen.
Ik had wel dood kunnen zijn!
Aan de andere kant, ik was nu bezig uit een boom naar beneden te vallen, en dat is ook niet goed voor je gezondheid. In paniek grabbelde ik naar een liaan of wat dan ook.
Helaas kreeg ik geen liaan te pakken. En wel een wat-dan-ook.
En de wat-dan-ook in kwestie was de achterkant van dezelfde sissipi-slang die mij daarnet met zijn voorkant had geprobeerd te bijten.
Dus ja.
Van die slang was ik nog even niet af. Gaby wel, en dat was maar goed ook. Want nadat ze mij uit de weg had getrapt was de slang achter haar aan gegaan. Hij had haar bijna in haar been gebeten; ze was hem maar net te snel af geweest. Daarna was hij met een traag wiegende kop op haar af gegleden, totdat zij zo dicht tegen de boomstam aanstond dat ze erin leek te willen verdwijnen.
Sommige mensen denken een slang, die langzaam met zijn kop van links naar rechts gaat, je probeert te hypnotiseren.
Is niet zo. Hij is alleen maar op zoek naar het beste plekje om je te bijten.
Juist toen deze sissipi had besloten welk stukje Gaby er het sappigst uitzag, en zijn kop snel als de weerlicht naar voren schoot, en zij het gif al van zijn tanden kon zien druipen – juist toen greep ik per ongeluk zijn staart vast. Met een woedend gesis verdween het monster in de diepte.
Samen met mij.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE