Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 65. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 65. Alle posts tonen

maandag 16 juni 2014

...dan wist ik het wel!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Ik had ongelijk.
Aan het eind van de dag was ik doodmoe, en rood van de zon, en mijn benen zaten onder de jeukende bulten en pijnlijke plekken, maar ik leefde nog wel. We kregen weer een grote kom weeë
pap te eten, met nog meer klontjes dan eerst, maar ik had zoveel honger dat het me niks kon schelen. Ik at alles op. Toen ik nog een lepel vol kreeg, was ik er zelfs blij mee.
Daarna werden we meegenomen naar een van de plastic tenten. Daar werden Gaby, Kwetter en ik aan elkaar vastgebonden. Been aan hand en hand aan been, met driedubbele knopen zodat we onmogelijk weg konden lopen.
Nou, dat weglopen ging toch al niet lukken. Halverwege het vastbinden was ik al in slaap gevallen, en Gaby volgens mij ook.
De volgende dag ging alles precies hetzelfde, en de dag daarna ook. De vierde dag ook weer, maar nu was ik er een beetje aan gewend geraakt, dus ik had nog puf genoeg om eens om me heen te kijken.
Er waren twee soorten mijnwerkers hier, ontdekte ik. Kinderen en volwassenen. De kinderen moesten scheppen en sjouwen. De groten ook, maar die deden ook nog iets anders. Ze zeefden de modder die wij schepten. In het rivierwater zeefden ze het zand eruit, en dan hielden ze klompjes donker metaal over. Dat was de coltan, en als ze het vonden keken ze heel tevreden, want ze werden per kilo betaald.
De kinderen werden betaald per niks. Wij waren allemaal slaven, gevangen genomen door de dappere soldaten van generaal Killa. De soldaten van de generaal liepen overal rond. Sommigen waren ook nog kinderen. Kinderen laten vechten als soldaat is, volgens mama, één van de allerergste dingen die er zijn.
Maar eerlijk gezegd had ik liever een geweer dan een schep in mijn handen gehad. Dat zei ik ook tegen Kwetter en Gaby: 'Zie je die knaap daar? Die is kleiner dan ik! Wat een pech dat wij in de mijn terecht zijn gekomen, in plaats van het leger. Als ik zo'n geweer had gehad, nou, dan wist ik het wel!'
'Laat je nakijken,' zei Gaby. 'Als jij zo'n geweer had gehad, dan wist je niks meer.'
'Hoezo? Denk je soms dat ik...'
'Zij hebt het niet over jou,' suste Kwetter. 'Zij hebt het over die soldaatjes. Hebt jij het niet gemerkt, de afgelopen dagen?'
Gemerkt? Wat gemerkt? Was er iets te merken, aan die soldaatjes?
'Zie je hoe hij om zich heen kijkt,' vroeg Gaby. 'Hij heeft niks gemerkt de afgelopen dagen, ik zweer het je.'
'Ik was moe. Jullie niet dan?'
'Ja, wij was ook moe. Maar wij hebt ook een beetje om ons heen gekijk. En alle kindersoldaatjes kijkt een beetje raar uit de oogjes. Zij bier te drinken en drugs te snuiven, zij bent helemaal warrig en gek in de bolletjes. Kijkt maar eens!' Zij wees op twee jongens met geweren, die aan de rand van het oerwoud op wacht stonden.
Die gedroegen zich inderdaad een beetje eigenaardig.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 11 februari 2013

Kwetter leert zich vervelen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE



'Gelukkig maar,' zei Michael. 'Daar ontsnappen wij mooi aan een museum. Of twee. Of, als we hier nog lang zitten, tien.'
'Nou,' loog ik, 'ik vind het altijd heel leuk hoor, papa, met jou naar een museum. Zoals met die lampenkappen, weet je nog wel? Uit de jaren zeventig?'
'Tachtig,' glimlachte papa weemoedig. 'Ja, dat weet ik nog goed. De jaren tachtig, wát een rare tijd was dat!' Hij zuchtte. 'Het lampenkappen-museum, dat zal ik niet snel vergeten. Dat was de laatste keer dat ik iets normááls met jullie gedaan heb...'
Michael snoof.
'Maar goed,' ging papa verder, 'klagen heeft geen zin. Ik ga aan het werk!'
'Banken beroven?' vroeg ik.
Papa schudde zijn hoofd. 'Ik ga uitzoeken wat er met die onderzeeër van ons gebeurd is,' zei hij. 'Ik bedoel: ik kan wel een paar banken leeghalen en een nieuwe kopen, maar het gaat om het principe. Mensen, die ons bestelen, mogen niet ongestraft blijven. Respect voor andermans bezittingen is de grondslag van onze samenleving!'
Hij begreep niet eens waarom we allemaal moesten lachen. Pas toen mama hikte: 'Respect voor andermans bezittingen... en dat uit de mond van de grootste bankrover ter wereld, oh, schatje toch, je bent onbetáálbaar, werkelijk waar!'
'Dat is wat anders,' zei papa stroef, en toen moest mama nog harder lachen.
Na al deze vrolijkheid vertrokken papa en mama, en ze lieten ons achter op de binnenplaats.
'Nou,' zei Michael, 'ik weet niet wat jullie vandaag van plan zijn, maar ik ga me te pletter vervelen.'
Kwetter en ik keken het binnenplaatsje rond.
Een paar bijna verveloze houten klapstoeltjes, een plastic tuintafel die ooit knalrood was geweest, een paar kleurige potten met planten erin en een schrale klimplant tegen een van de muren, dat was alles. Onder de klimplant, tegen de muur, hurkten de vijf jongens met hun machinegeweren. Ze zeiden al een tijdje niks meer tegen elkaar. Misschien omdat ze niks te melden hadden. Misschien hadden ze ruzie gekregen omdat Jamal bonen had gehad en de rest niet.
Het was warm op de binnenplaats, en het zou nog veel warmer worden want het was pas ochtend.
Behalve het gezoem van een paar vliegen was er niets te horen.
'Ik denkt,' zei Kwetter, 'dat ik mij ook maar eens gaat vervelen.'
'Nee, weet je wat? Laten we een spelletje doen. Ik neem iemand in mijn hoofd, en jullie moeten vragen stellen en ik mag alleen ja of nee zeggen en dan moeten jullie raden wie het is.'
'Nee hoor,' zei Kwetter, 'Michael en ik gata ons lekker vervelen. Hè Michael?'
'Hm,' deed mijn broer.
Na tien minuten vroeg Kwetter: 'Wanneer gaat wij nou beginnen met vervelen? Want nu is het saai.'
'Dat is juist vervelen,' legde ik uit. 'Dat je niks te doen weet, en dat je bijna gek wordt van saaiheid.'
'Oh,' zei Kwetter. 'Dan doet ik toch liever jouw spelletje.'
Dat deden we een half uurtje. Toen was de lol er wel af.
Het werd warmer en warmer. Zelfs de vliegen hadden geen puf meer om te zoemen.
Plotseling stond een van de vijf jongens op, pakte zijn geweer en kwam op ons af.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 30 juli 2012

Uit met het getuimel

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Het klinkt misschien saai, dat ik weer uit een boom viel en weer met een dodelijk beest vocht, maar zo is nu eenmaal het leven in Boegoe-Boegoe.
Saai.
Elke dag weer uit bomen lazeren, elke dag weer een wild en levensgevaarlijk beest van je af moeten slaan – dat gaat behoorlijk vervelen, zou je zeggen.
En toch dacht ik tijdens het vallen niet: Daar gaan we weer! of Pfff, altijd hetzelfde! Of zoiets.
Geloof me, als je naar beneden suist met als enige houvast een giftige wurgslang – de sissipi is de enige slang die én wurgt én vergiftigt namelijk – dan denk je niet aan saaiheid.
Dan gil je alleen maar.
Gelukkig had de sissipi z'n hoofd er wat beter bij. Hij kronkelde woest alle kanten op, en slaagde er wonder boven wonder in zijn bovenlijf twee keer om een tak te draaien. Toen was het, wat hem betreft, uit met het getuimel. En ook wat mij betreft, want met zijn staart had hij mij vastgegrepen.
Dat deed hij natuurlijk niet om mijn leven te redden. Nee, deze sissipi had plannen. Plannen waar ik een rol in speelde. Als lekker hapje.
Hij sperde zijn bek wijd open. Sissipi's kunnen razendsnel zijn; ik had, pak 'm beet, een halve seconde de tijd om hem uit te schakelen.
Dat was genoeg.
Ik gooide de noko-nootjes, die ik nog altijd in mijn hand had, met een krachtige zwaai zijn bek in.
Het effect was verbluffend.
De slang was nogal verrast door dit extra hapje. Hij klapte zijn kaken op elkaar en probeerde de nootjes door te slikken. Maar voor zulk klein, hoekig voedsel was zijn mond niet geschikt. Met zijn tong duwde hij de nootjes een beetje heen en weer in zijn mond – en toen gebeurde het.
Ik zag plotseling twee kringeltjes rook opstijgen uit de neusgaten van het ondier. Het begon als een waanzinnige te kronkelen, zo wild dat het mij niet alleen losliet, maar in één moeite door meters ver wegslingerde. Versuft kwam ik neer in een wirwar van takken en bladeren, en ik zag nog net hoe de slang zich zo recht als een vlaggenmast uitstrekte en zo naar beneden viel, waar hij als een speer in de modder bleef steken.
De kop zat bovenaan, en daardoor konden Gaby en ik zien dat er nu dikke rookwolken uit zijn neusgaten walmden.
Plots deed het monster zijn bek open – en daar kwam een steekvlam uit van wel een halve meter lang!
En dat was nog niet alles: ook uit, zeg maar, de achterkant van het dier kwam zo'n vlam. Maar dan veel groter. En omdat die achterkant naar beneden gericht was, werd het arme beest als een raket gelanceerd.
Heb je wel eens een raket-lancering gezien, op tv?
En – stond die raket onder een boom?
Nee, he?
Daar is ook een heel goede reden voor.
Kwam de slang nu ook achter.
Met een daverende klap knalde de kop van het beest tegen een tak. Een dikke, stevige tak.
'Woeoehoeoe!' riep ik.
'Lachen, man!' riep Gaby terug. 'Waar heb je dat geleerd?'
'Van Oma,' grijnsde ik. 'Weet je niet meer? Hoewel zij ons, geloof ik, probeerde uit te leggen dat je dit dus juist niet moet doen. Vanwege het natuurlijk evenwicht en zo.'
'Het natuurlijk evenwicht kan m'n rug op,' antwoordde Gaby. 'Kom, we gaan nog een paar van die slangen pakken!'
Dat deden we, en we hadden de hele middag de grootste lol.
Maar toen kwam Kwetter terug.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE