BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat was dus de verkeerde vraag. He-le-maal de verkeerde vraag.
Belangrijke tip, voor als je ooit een kindsoldaat tegenkomt: vraag hem niet naar zijn verleden.
Echt.
Niet doen.
Behalve als je een akelig verhaal wilt horen, waar je de komende jaren niet goed van kunt slapen. Dorp in de fik geschoten, mensen doodgeschoten, dat soort dingen.
Ik bedoel: dorpjes in de fik steken en mensen doodschieten, daar ben ik in theorie helemaal voor, zolang het over computerspelletjes gaat. Maar Zoezoe had het dus niet over een computerspelletje. En dan gaat de lol er snel vanaf. Ik wilde eigenlijk zeggen: “dan gaat de lol er in een moordend tempo vanaf.” maar dat is eigenlijk niet zo'n leuk grapje, bedacht ik mij opeens. Na Zoezoe's verhaal werd ik een beetje misselijk van het woord 'moord'.
En oh ja, extra super tip: vraag een kindsoldaat vooral niet naar zijn verleden als je zusje erbij is, want zusjes slaan dan een arm om hem heen en zeggen dingen als 'Oh Zoezoe, wat moet dat verschrikkelijk voor je zijn geweest'. En dan vertelt die soldaat alleen maar méér dingen die je niet wilt horen. Dus... ja...
Ik zei zo snel als ik beleefdheidshalve kon: 'Mmmaar deze vrucht is dus eetbaar, begrijp ik? Zal ik er een voor je plukken?'
Dat lijkt misschien een stomme vraag, want Zoezoe had er al een in zijn hand. Maar eigenlijk was het een heel slimme vraag, want Zoezoe keek naar de vrucht die hij geplukt had, trok de schil eraf en begon te eten. Dat was dus het eind van zijn verhaal.
Min of meer.
Weliswaar vertelde hij verder over de verschrikkelijke dingen die er met zijn dorp gebeurd waren voordat hij kindsoldaat werd, maar nu had hij zijn mond vol myamyo, dus het was allemaal niet meer zo goed te verstaan. Alleen af en toe een woordje, zoals 'bloed', maar als je een beetje je best deed en je probeerde aan andere dingen te denken, dan merkte je daar niks meer van. Ik plukte snel een myamyo en gaf die aan Abel. Want die zag eruit alsof hij ieder moment óók zo'n verschrikkelijk verhaal kon beginnen.
Daarna plukte ik een vrucht voor mezelf. Dat had ik eerder moeten doen. Want het ding was zo ongelooflijk lekker dat ik alles om me heem vergat. Als ik wat eerder zo'n myamyo in mijn mond had gestoken, had ik dat hele verhaal van Zoezoe nauwelijks opgemerkt.
Dat is eigenlijk ook wel een goeie tip: als een kindsoldaat je vertelt over zijn verleden, deel dan zo snel mogelijk een paar myamyo's uit en neem er vooral zelf ook één.
Maar ja, je kunt moeilijk de hele dag een paar myamyo's met je meesjouwen. Ze zijn nogal groot, en onhandig van vorm en bovendien bederven ze nogal snel. Je moet ze eigenlijk recht van de boom eten. En je kunt moeilijk voor de zekerheid je hele leven in een myamyo-boom gaan zitten.
Wat jammer is, want ik zou dat wel willen. Mijn hele leven in een Myamyo-boom, bedoel ik. Oh oh oh, wat zijn die dingen lekker!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 77. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 77. Alle posts tonen
maandag 4 augustus 2014
maandag 11 maart 2013
Eén heel groot binnenplein
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij sleurde mij mee naar binnen. Zijn luitenants marcheerden achter hem aan gevolgd door de jongens met de geweren. Helemaal achteraan sjokte Dogger. Hoofdschuddend en moedeloos en voortdurend mompelend over 'amateurs' en 'prutsers'.
Op de eerste binnenplaats zagen we Jamal en een paar van zijn mede-soldaten. Ze keken bezorgd naar Miguel en vroegen hem van alles. Hij blafte een paar korte antwoorden en ze sloten zich bij ons aan.
Het hoofdkwartier van het ZMB was behoorlijk groot, vooral het ondergrondse gedeelte. Een doolhof van gangen en kamers waar niemand de weg wist. Ook de Zuid-Mallotische Bevrijders zelf niet. Tenminste, niet meer. Natuurlijk kenden ze hun hoofdkwartier van binnen en van buiten, maar het zag er nu ietsje anders uit dan, pak 'm beet, een half uur geleden. Sommige gangen waren ingestort, zodat je er niet meer langs kon, en op andere plekken waren muren verdwenen, waardoor je er juist wél door kon.
Over lagen brokken metselwerk, balken en gruis. Terwijl we ons een weg baanden door het puin, hoorden we voortdurend nieuwe ontploffingen. Nu eens hiervandaan, dan weer daarvandaan.
BOEM!
'Ze zit in de keuken!' brulde Miguel, en we stampten in de richting van de keuken. Maar voordat we daar aankwamen: BOEM!
'Dat was in de buurt van de schietbaan, baas,' zei Ernesto. Dat was precies de andere kant op. De hele meute draaide zich om, maar Miguel wilde voorop lopen dus we moesten ons langs alle soldaten heen wringen voordat we weer op pad konen.
'Sneue sukkels,' hoorde ik Dogger mompelen toen ik langs hem liep. 'Terroristen van lik-m'n-vestje.'
Miguel deed net alsof hij het niet gehoord had.
Toen we mama eindelijk vonden, was er van het hoofdkwartier niet veel meer over.
We vonden haar op de binnenplaats waar we ons huiswerk altijd maakten.
Of misschien was het wel op de andere binnenplaats. Of in de keuken of de bezemkast. Eigenlijk maakte het niet zo gek veel verschil meer. Het was nu allemaal één grote binnenplaats: de buitenmuur van het hoofdkwartier stond nog overeind, maar alle binnenmuren lagen in brokstukken op de grond. En de daken ook. En de deuren en het meubilair lagen in smeulende splinters verspreid over het grote, gloednieuwe binnenplein.
Mama en Kwetter stonden met hun rug tegen de buitenmuur op ons te wachten.
'Geef je over, Donderkat!' riep Miguel. 'Anders...' en hij wees naar mij. Met het pistool.
Mama kwam glimlachend op ons af gewandeld. In haar hand had ze een zwart doosje met een antenne eruit en een grote rode knop in het midden. Ze hield de knop stevig ingedrukt.
'Weten jullie wat er gebeurt als ik deze knop loslaat?' vroeg mama vriendelijk. 'Dan gaan er zestig bommen tegelijk af. Die liggen verspreid door het hele hoofdkwartier. 'Dit alles...' Ze wees met een ruim gebaar naar de rokende puinhopen om ons heen. '… was niet meer dan een afleiding. Een trucje, om jullie bezig te houden terwijl wij de échte bommen verstopten. Als ik deze knop loslaat, mijn beste veldmaarschalk, worden wij allemaal in stukjes geblazen die zó klein zijn dat je ze met een microscoop moet zoeken. En als u mijn kinderen ook maar één haartje krenkt, dan zal ik... wacht eens even... Waar is Michael?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij sleurde mij mee naar binnen. Zijn luitenants marcheerden achter hem aan gevolgd door de jongens met de geweren. Helemaal achteraan sjokte Dogger. Hoofdschuddend en moedeloos en voortdurend mompelend over 'amateurs' en 'prutsers'.
Op de eerste binnenplaats zagen we Jamal en een paar van zijn mede-soldaten. Ze keken bezorgd naar Miguel en vroegen hem van alles. Hij blafte een paar korte antwoorden en ze sloten zich bij ons aan.
Het hoofdkwartier van het ZMB was behoorlijk groot, vooral het ondergrondse gedeelte. Een doolhof van gangen en kamers waar niemand de weg wist. Ook de Zuid-Mallotische Bevrijders zelf niet. Tenminste, niet meer. Natuurlijk kenden ze hun hoofdkwartier van binnen en van buiten, maar het zag er nu ietsje anders uit dan, pak 'm beet, een half uur geleden. Sommige gangen waren ingestort, zodat je er niet meer langs kon, en op andere plekken waren muren verdwenen, waardoor je er juist wél door kon.
Over lagen brokken metselwerk, balken en gruis. Terwijl we ons een weg baanden door het puin, hoorden we voortdurend nieuwe ontploffingen. Nu eens hiervandaan, dan weer daarvandaan.
BOEM!
'Ze zit in de keuken!' brulde Miguel, en we stampten in de richting van de keuken. Maar voordat we daar aankwamen: BOEM!
'Dat was in de buurt van de schietbaan, baas,' zei Ernesto. Dat was precies de andere kant op. De hele meute draaide zich om, maar Miguel wilde voorop lopen dus we moesten ons langs alle soldaten heen wringen voordat we weer op pad konen.
'Sneue sukkels,' hoorde ik Dogger mompelen toen ik langs hem liep. 'Terroristen van lik-m'n-vestje.'
Miguel deed net alsof hij het niet gehoord had.
Toen we mama eindelijk vonden, was er van het hoofdkwartier niet veel meer over.
We vonden haar op de binnenplaats waar we ons huiswerk altijd maakten.
Of misschien was het wel op de andere binnenplaats. Of in de keuken of de bezemkast. Eigenlijk maakte het niet zo gek veel verschil meer. Het was nu allemaal één grote binnenplaats: de buitenmuur van het hoofdkwartier stond nog overeind, maar alle binnenmuren lagen in brokstukken op de grond. En de daken ook. En de deuren en het meubilair lagen in smeulende splinters verspreid over het grote, gloednieuwe binnenplein.
Mama en Kwetter stonden met hun rug tegen de buitenmuur op ons te wachten.
'Geef je over, Donderkat!' riep Miguel. 'Anders...' en hij wees naar mij. Met het pistool.
Mama kwam glimlachend op ons af gewandeld. In haar hand had ze een zwart doosje met een antenne eruit en een grote rode knop in het midden. Ze hield de knop stevig ingedrukt.
'Weten jullie wat er gebeurt als ik deze knop loslaat?' vroeg mama vriendelijk. 'Dan gaan er zestig bommen tegelijk af. Die liggen verspreid door het hele hoofdkwartier. 'Dit alles...' Ze wees met een ruim gebaar naar de rokende puinhopen om ons heen. '… was niet meer dan een afleiding. Een trucje, om jullie bezig te houden terwijl wij de échte bommen verstopten. Als ik deze knop loslaat, mijn beste veldmaarschalk, worden wij allemaal in stukjes geblazen die zó klein zijn dat je ze met een microscoop moet zoeken. En als u mijn kinderen ook maar één haartje krenkt, dan zal ik... wacht eens even... Waar is Michael?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 25 juni 2012
Een zaag is geen hondje
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik zocht panisch naar een aan-en-uit-knopje op mijn kettingzaag. Dat was niet moeilijk te vinden, maar ik kon het niet indrukken. De zaag was gemaakt voor mannen met grote houthakkershanden. Als mijn handen groter waren geweest, had ik nét met mijn duim bij het knopje gekund. Nu dus nét niet. Ik moest het ronde uiteinde van de zaag, het topje zeg maar, even op de grond laten rusten; dan had ik een hand vrij om het knopje mee te bedienen.
Klik. Aan.
Zo simpel was dat.
Behalve dan de dat tanden van de zaag zich, toen ik hem op de grond zette, meteen in die grond hadden vastgehapt. En toen ik de zaag aanklikte, en de ketting begon te lopen...
Toen zou, als ik groot en sterk was geweest, de zaag zich een eindje in de grond hebben geboord. En dan had ik 'm er weer uit kunnen halen, omdat ik groot en sterk was.
Maar ik was niet zo héél groot en sterk. Dus de zaag boorde zich niet in de grond.
In plaats daarvan trok de zaag zichzelf tandje voor tandje naar voren.
En ik moest mee.
En het ging niet bepaald langzaam. Wat een kracht zat er in dat ding! Mijn voeten hielden de boel maar nauwelijks bij: ik moest zo hard hollen als ik kon om de zaag bij te houden.
En sturen?
Haha! Je dacht toch niet dat ik de boel kon sturen?
Nee, de zaag was mij helemaal de baas, zoveel was duidelijk. Het leek wel of het ding leefde!
En je kon rustig zeggen dat het een hekel had aan houthakkers.
We stoven recht op een groepje van vijf houthakkers af. Die hadden maar nauwelijks de tijd om van hun verbazing te bekomen en opzij te springen.
Ze hadden koffie staan drinken, gelukkig, dus ze stonden niet zelf met hun zagen in de aanslag. Anders hadden ze zonder moeite een eind kunnen maken aan de hele toestand. En aan mij. Maar nu doken ze weg met de schrik in hun lijf.
'Pak ze!' riep ik tegen de kettingzaag. 'D'r achteraan! Pak ze!'
Maar een zaag is geen hondje.
Dus... Ja...
Het ding ging zijn eigen onvoorspelbare weg, hup, één van de slaapcontainers in. Daarbinnen stond, in een somber half-duister, een rij stapelbedden.
Daar wist mijn zaag wel raad mee! Njenggg, pootje doormidden, njeng njeng njeng nog drie pootjes, dwars door het matras in een sneeuwstorm van schuimrubber, en floef! daar ging het kussen. Veertjes dwarrelden door de hele container, ik zag geen hand meer voor ogen. Njengg njengg! Geen idee wat ik nu weer door had gezaagd, maar het gilde niet dus een mens zou het wel niet zijn.
Links en rechts hoorde ik stapelbedden instorten. Er kwamen steeds meer veertjes en vlokken schuimrubber de lucht in dwarrelen.
Opeens werd ik helemaal nat. Was dat bloed? Had ik iemand doormidden gezaagd? Had ik misschien een stukje van mezelf afgezaagd, zonder het te weten, en dat mijn lijf het nog niet gemerkt had zodat de pijn pas zometeen zou beginnen?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik zocht panisch naar een aan-en-uit-knopje op mijn kettingzaag. Dat was niet moeilijk te vinden, maar ik kon het niet indrukken. De zaag was gemaakt voor mannen met grote houthakkershanden. Als mijn handen groter waren geweest, had ik nét met mijn duim bij het knopje gekund. Nu dus nét niet. Ik moest het ronde uiteinde van de zaag, het topje zeg maar, even op de grond laten rusten; dan had ik een hand vrij om het knopje mee te bedienen.
Klik. Aan.
Zo simpel was dat.
Behalve dan de dat tanden van de zaag zich, toen ik hem op de grond zette, meteen in die grond hadden vastgehapt. En toen ik de zaag aanklikte, en de ketting begon te lopen...
Toen zou, als ik groot en sterk was geweest, de zaag zich een eindje in de grond hebben geboord. En dan had ik 'm er weer uit kunnen halen, omdat ik groot en sterk was.
Maar ik was niet zo héél groot en sterk. Dus de zaag boorde zich niet in de grond.
In plaats daarvan trok de zaag zichzelf tandje voor tandje naar voren.
En ik moest mee.
En het ging niet bepaald langzaam. Wat een kracht zat er in dat ding! Mijn voeten hielden de boel maar nauwelijks bij: ik moest zo hard hollen als ik kon om de zaag bij te houden.
En sturen?
Haha! Je dacht toch niet dat ik de boel kon sturen?
Nee, de zaag was mij helemaal de baas, zoveel was duidelijk. Het leek wel of het ding leefde!
En je kon rustig zeggen dat het een hekel had aan houthakkers.
We stoven recht op een groepje van vijf houthakkers af. Die hadden maar nauwelijks de tijd om van hun verbazing te bekomen en opzij te springen.
Ze hadden koffie staan drinken, gelukkig, dus ze stonden niet zelf met hun zagen in de aanslag. Anders hadden ze zonder moeite een eind kunnen maken aan de hele toestand. En aan mij. Maar nu doken ze weg met de schrik in hun lijf.
'Pak ze!' riep ik tegen de kettingzaag. 'D'r achteraan! Pak ze!'
Maar een zaag is geen hondje.
Dus... Ja...
Het ding ging zijn eigen onvoorspelbare weg, hup, één van de slaapcontainers in. Daarbinnen stond, in een somber half-duister, een rij stapelbedden.
Daar wist mijn zaag wel raad mee! Njenggg, pootje doormidden, njeng njeng njeng nog drie pootjes, dwars door het matras in een sneeuwstorm van schuimrubber, en floef! daar ging het kussen. Veertjes dwarrelden door de hele container, ik zag geen hand meer voor ogen. Njengg njengg! Geen idee wat ik nu weer door had gezaagd, maar het gilde niet dus een mens zou het wel niet zijn.
Links en rechts hoorde ik stapelbedden instorten. Er kwamen steeds meer veertjes en vlokken schuimrubber de lucht in dwarrelen.
Opeens werd ik helemaal nat. Was dat bloed? Had ik iemand doormidden gezaagd? Had ik misschien een stukje van mezelf afgezaagd, zonder het te weten, en dat mijn lijf het nog niet gemerkt had zodat de pijn pas zometeen zou beginnen?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)