Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 76. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 76. Alle posts tonen

vrijdag 11 juli 2014

Zo ongeveer het lekkerste wat er bestaat

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Ik keek voor de zekerheid even om. Achter mij zag ik niets. Alleen maar duisternis.
'Nee,' hijgde ik, 'ik zie niks.'
'Ook geen zwarte panter?'
'Wat!?' riep ik. 'Proberen we nu een panter te snel af te zijn? Dat kan helemaal niet! Die beesten zijn super snel!'
'Het kunt wel,' zei Kwetter streng, 'want tot nu toe bent het zo. Maar misschien bent dat alleen maar om dat die panter allang weg bent, hoor. Ik ziet hem ook niet. Te donker.'
'Misschien,' pufte Gaby bedachtzaam, 'misschien is er helemaal geen panter.'
Ver achter ons hoorden wij gegil.
Het klonk als 'Help help, een panter, oh nee hij heeft me te pakken, aaaaargh,' gevolgd door een paar schoten.
'Er bent een panter' zei Kwetter beslist. 'En de soldaten bent er ook nog. Maar ze bent nu geen van beiden ons probleem meer, gelooft ik.'
'Nou,' zei ik, 'dan weet ik het wel. Het is midden in de nacht, en ik heb de hele dag in de modder staan graven, en daarna nog een rondje boompje opblazen en oerwoudje rennen gedaan, dus... ja...'
'Ik ben ook een beetje moe,' zei Gaby.
Abel en Zoezoe zeiden niks. Ze stonden hijgend tegen een boom geleund.
Kortom, het was hoog tijd om een boom met dikke takken uit te zoeken en een nachtje slaap voor onszelf te regelen.
En dat is wat we deden.
De volgende ochtend stond Kwetter als eerste op en ze ging er op uit om eten te zoeken.
Tenminste, dat hoopte ik. Want ze was nergens te bekennen toen ik wakker werd.
Het duurde uren voor ze terugkwam. Al die tijd zaten wij vieren in de boom, vlak naast een tros rode vruchten die heerlijk zoet roken, en we hadden verschrikkelijke honger.
Zoezoe plukte begerig een vrucht – een rond, langwerpig soort van geval – en wilde er een hap uit nemen.
'Zou ik niet doen,' zei ik. 'Dat ding kan hartstikke giftig zijn.'
Zoezoe lachte me recht in mijn gezicht uit. 'Doe normaal,' hikte hij, 'dit is een myamyo, zo ongeveer het lekkerste wat er bestaat en minder giftig dan een glaasje water.'
'Dat weet je niet zéker...' probeerde ik, maar hij lachte nog harder en zei: 'Natuurlijk weet ik dat wel zeker, ik heb in mij leven als zoveel myamyo's gezien, ik stond ermee op en ik ging ermee naar bed, want naast ons huisje stonde de grootste myamyo-boom van het dorp, voordat...' Plotseling viel hij stil.'
'Voordat wat?' vroeg ik met mijn domme hoofd.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 8 maart 2013

Dogger geneert zich kapot

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Hm,' zei Dogger. 'Ik heb al eens vaker geprobeerd die kinderen gevangen te houden. Liep niet goed af. Maar goed, toen hadden ze geluk. Deze keer niet, hopelijk.'
'Tuurlijk niet,' zei Miguel.
Het bleef een tijdje stil.
'Zodra ze buiten komt en haar dochter in mijn handen ziet, geeft ze zich onmiddellijk over. Wedden?'
'We zullen zien,' bromde Dogger. 'We zullen het vanzelf zien, als ze naar buiten komt.'
Het bleef weer een tijdje stil.
'Ze kan nu ieder moment hier zijn,' zei Miguel. Zijn stem klonk gespannen, en zijn handen zweetten een beetje.
Er gebeurde helemaal niets.
'Wat ging er de vorige keer eigenlijk mis?' vroeg Miguel zenuwachtig.
'We werden aangevallen door baby-alligators,' vertelde meneer Dogger.
'Wat!? Eh... nou, haha, die zitten hier niet dus, eh, dus nu kan er helemaal niets... mis... gaan... Waar blijft dat ellendige mens nou toch? Ze had al lang hier kunnen zijn!'
Op dat moment klonk er, als een soort antwoord op zijn vraag, een gruwelijke knal ergens uit het hoofdkwartier.
De veldmaarschalk schrok zich een hoedje. 'Wat was dat?' vroeg hij.
Dogger schudde zuchtend zijn hoofd.
'Was dat een ontploffing?' vroeg Miguel zenuwachtig.
'Ja,' zei Dogger verslagen. 'Dat was een ontploffing.'
BOEMMM!
'En dat, mocht je het je afvragen, was óók een ontploffing.'
'Ja maar... weet ze dan niet dat ik haar dochtertje gevangen heb?'
'Nee,' zei Dogger, 'want ze is nog niet hier geweest. En ik denk ook niet dat ze hier gaat komen, want zo lang ze wegblijft, kun jij niet zeggen van “ik schiet je dochter dood als je je niet overgeeft”. En zo lang je dat niet gezegd hebt...'
BOEMMM!
'...hoeft zij zich niet over te geven.'
'Dat is flauw!' riep de veldmaarschalk boos. 'Ze weet best dat ik haar kinderen gevangen heb!'
'Eh... nee baas,' zei Ernesto. 'Dat weet ze niet, hoor. Want ze heeft nog niet gezien dat..'
'Kop dicht, luitenant,' snauwde Miguel. 'De Donderkat is niet dom, hoor. Die snapt best wel wat ik van plan ben.'
'Ja, maar het zou niet eerlijk zijn als je dat kindje doodschoot zonder dat...'
'Eerlijk?' krijste Miguel. Ik ben een terrorist! Een drugshandelaar! Een moordenaar! Wat kan het mij schelen of het eerlijk is of niet? In vergelijking met wat ik verder allemaal doe is een beetje oneerlijkheid zó braaf, dat de paus me subiet heilig kan verklaren! Dus... ' Hij klikte de vergrendeling van zijn pistool af.
'Hoho,' zei Dogger. 'Als je haar doodschiet, kun je er niet meer mee dreigen. Hoe wil je haar moeder dan nog tegenhouden?'
'We hebben haar broertje nog,' zei Miguel kalm. 'Kan ik ook prima mee dreigen.'
'Rennen, Michael!' riep ik. 'Ren voor mijn leven!'
Michael reageerde niet.
Want Michael was er helemaal niet.
'Waar is dat rotjoch!?' brulde Miguel.
'Weg, baas,' zei Ernesto. 'Hij is er waarschijnlijk vandoor geslopen terwijl wij naar de deur stonden te kijken of die mevrouw er nou eindelijk eens door zou komen.'
Dogger sloeg zijn handen voor zijn ogen en schudde zijn hoofd. 'Idioten,' kreunde hij. 'Wat een idioten. En daar doe ik zaken mee! Ik geneer me kapot.'
'Hij kan niet ver weg zijn, baas. Hij kent hier de weg niet, hij spreekt de taal niet... We hebben hem binnen een uurtje wel weer gevangen, denk ik.'
'Een uur is te lang!' blafte Miguel. 'Over een uur ligt mijn hoofdkwartier volledig in puin...'
BOEM! BOEM! BOEMMM!
'We gaan naar haar toe,' besloot Miguel. 'Als ze haar dochter in mijn handen ziet, dan zal het gauw afgelopen zijn. Kom mee!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 22 juni 2012

Haha! Een kettingzaag!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


De boom viel zo vreselijk, dat de takken tegen elkaar zwiepten toen hij de grond raakte. Keihard. Links en rechts van mij klonken knallen zo hard alsof er even zo veel auto's tegen muren reden. Je kon net zo goed onder een heipaal gaan liggen als tussen die takken in. Vlak boven mijn hoofd sloeg een dikke knoest de tak, waaraan ik mij had vastgebonden, finaal aan splinters. Twintig centimeter lager en mijn hoofd had eruit gezien als een klodder aardbeienjam. Dus dat was mazzel. Aan de andere kant: ik kreeg een splinter in mijn oorlelletje en dat was ook geen pretje.
Mijn boom begon aan zijn glibber-de-glijtocht naar de houtwagen. Een van de houthakkers sprong erop en zaagde er njenggg-njenggg steeds meer takken vanaf, totdat we vlak bij het kamp waren.
Toen ontdekte de houthakker iets.
En ik ontdekte ook iets.
Ik ontdekte dat ik niet goed verstopt zat.
De houthakker ontdekte mij.
Hij keek verbaasd en ook een beetje angstig.
Dat was raar, want hij had een kettingzaag en ik was volkomen hulpeloos. Nog altijd vastgebonden aan een tak. Waar zou hij bang voor kunnen zijn?
Misschien, bedacht ik me, kwam het door die ene avond. Toen Gaby en ik door het kamp hadden rondgehold, met zogenaamd een bevriende mini-alligator. Dat was best een paniekerige toestand geweest, met rennen en schieten en kettingzagen in het donker, en het was erop uitgedraaid dat de gevaarlijkste, gemeenste houthakker van allemaal – meneer Hakmaranman – naar het ziekenhuis moest met zijn arm onder zijn oksel.
Dat was ook begonnen met een paar kindjes in een boom.
Dus... Ja...
Misschien waren de houthakkers wel heel bang voor kindjes in bomen.
De man begon angstig te brabbelen in een taal die ik niet kende.
'Boe!' gilde ik met mijn gemeenste gezicht.
Het werkte nog ook.
De houthakker sprong achteruit.
Nou denk je misschien: springen? Op zo'n glibbergladde boomstam, rond en bobbelig, die met een aardig vaartje door de modder glijdt? Is dat niet gevaarlijk? Vooral met een kettingzaag in je handen!
En dan heb je gelijk. Dat is heel gevaarlijk. Het springen lukt misschien nog wel, maar het neerkomen...
De man riep opeens iets wat ik wel degelijk verstond, namelijk 'Whaaaah!' en het volgende moment plonsde hij in de modder.
Voor mensen die niet tegen bloed kunnen heb ik goed nieuws: hij had al vóór zijn sprong zijn zaag laten vallen, dus hij verloor geen armen of benen. Alleen maar een zaag.
Het ding kwam door een gelukkig toeval klem te zitten tussen twee takken.
Haha, dacht ik. Een kettingzaag! Die is voor mij!
Ik knoopte me haastig los van de tak en kroop hand voor hand – ik had geen zin om ook in de modder te donderen – richting het apparaat.
Het zat klem, maar niet zo héél klem, ontdekte ik.
En ik ontdekte nog iets anders: een kettingzaag is best zwaar. Eigenlijk een beetje té zwaar, voor een jongen van elf.
Dat kwam niet zo goed uit, want de boom was intussen bij het houthakkerskamp aangekomen en in mijn enthousiasme was ik woest brullend uit de boomkruin tevoorschijn gesprongen. Zwaaiend met mijn zaag. Acht houthakkers – bomen van kerels – keken mij verbaasd aan. Opeens kreeg ik het gevoel dat ik een best wel klein, poedelnaakt jongetje was met een veel te grote kettingzaag in zijn handen.
Was ik ook.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE