Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 81. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 81. Alle posts tonen

maandag 18 augustus 2014

hiep hiep hoezee voor de diarree

BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE


'We binden die knapen vast,' zei ik. 'Boven in de boom, op een dikke tak. Met een liaan, stevig vast zodat ze er niet af kukelen. Kwetter blijft hier om op ze te passen, en ondertussen gaan Gaby en ik dat spoor volgen.
'Moog ik niet met jou mee? vroeg Kwetter teleurgesteld.
'Nee,'schudde ik. 'Als die jongens ziek, wak en misselijk aan de boom vastzitten en er komt een eng beest, dan moet iemand ze redden. En dat moet jij doen, want jij bent het sterkst en het het handigst van ons allemaal.'
'Vindt jij dat echt?' vroeg Kwetter blij.
Ja, natuurlijk vond ik dat echt. Want het was ook zo. Daarom had ik haar het liefst met mij meegenomen, terwijl Gaby hier bleef om op de jongens te passen. Maar dat durfde ik niet voor te stellen. Dan zou Gaby denken dat ik Kwetter graag bij me hield omdat ik op haar bén. Of misschien zou Gaby dat niet denken, maar ze zou het in ieder geval wel zeggen. Heel vaak.
Nee, dank je wel.
Ik hoopte eigenlijk dat Gaby bang zou zijn om het spoor te volgen, zodat ze zou zeggen: neem jij Kwetter maar mee. Maar dat deed ze niet. Ze keek me verrast aan en zei: 'Dat is inderdaad het beste. Nooit gedacht dat je nog eens zou toegeven dat Kwetter van ons drieën het sterkst is.'
'Ja,' glunderde Kwetter. 'Lief, he? Ik gaat jou...'
'Nu even niet, Kwetter. We hebben nog heel wat te doen.'
Het duurde wel een uur voordat we de jongens in de boomtop hadden gehesen, maar toen ze eenmaal goed vast zaten konden Gaby en ik eindelijk vertrekken.
'Zult ik jou nog een paar van die lekkere fruitjes geven?' hoorden we we Kwetter vragen, en Abel antwoordde iets over 'kwijlende oogjes'. Daarna slokte het oerwoud hen op.,
Tenminste, zo leek het, maar het was natuurlijk precies andersom: Gaby en ik waren degenen die verdwenen. Het spoor van de soldaten achterna, in de hoop dat dat ons bij de bewoonde wereld zou brengen.
Het was een behoorlijk eind lopen. Bovendien werd het terrein steeds moeilijker: we kwamen steeds meer rotsen tegen waar we onze weg tussendoor moesten zoeken, en het is niet makkelijk om sporen te vinden op steen. Gelukkig hadden de soldaten vreselijke stinksigaretten gerookt, waarvan we de peukjes makkelijk konden zien. Bovendien hadden een of twee van hen diarree, en dat leverde ook nogal wat sporen op.
De rotsen werden steeds steiler, en onze weg begon ons langzaam omhoog te voeren. Af en toe moesten we met handen en voeten klimmen. Het was ons een raadsel hoe de soldaten die zware kisten hier langs hadden gedragen, maar net als we elkaar aankeken en zeiden: dit kan de goede weg niet meer zijn, zagen we weer ergens een sigarettenpeuk, of een stinkend plasje bruine derrie, waaraan we konden zien dat we wel degelijk op de goede weg waren.
Het was al bijna donker toen we ons doel bereikten.
Jammer genoeg was het niet de bewoonde wereld, waar we aankwamen.
Het was een mijn.
Eerst waren we bang dat we de verkeerde kant op gelopen waren; dat we terug waren gekomen bij de plek waaraan we ontsnapt waren.
Maar dat was niet zo.
Dat werd ons al snel duidelijk, op een manier waarvan mijn hart een sprongetje maakte.


BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE

woensdag 20 maart 2013

Het pistool van de Moeflon

BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE


'U klinkt een beetje boos,' zei mijn moeder. 'Alsof ik iets gedaan heb, of zo. Maar dat heb ik helemaal niet! Nou ja, die paar ontploffinkjes in het gebouw van Cockel, dat wel natuurlijk, maar het staat grotendeels nog overeind, dus waar hebben we het nou helemaal over?'
'Het gaat er niet om wat u gedaan hebt,' snauwde de Moeflon. 'Het gaat erom wat u bent. Of liever gezegd: wat u niet bent. U bent namelijk geen idioot. Alle geheime diensten en bevrijdingslegers zitten vol idioten, wit u dat? Ze trapten allemaal in mijn plannetjes, en zo gebeurde er niks, en niemand deed wat. Maar bent heel anders, u luistert naar niemand. U doet gewoon wat u wilt. En dan gebeuren er dingen. Kijk, daar houden wij spionnen niet van. Dat kost ons een hoop geld. Want stel je even voor dat er iets verandert – dat de Noorderlingen winnen van het Zuiden, bijvoorbeeld. Dan hebben ze mij niet meer nodig, dan hoeven ze mij niet meer te betalen. En de Zuiderlingen kunnen mij niet meer betalen, want die bestaan niet meer. Snapt u?'
Mama knikte. 'Ik geloof dat ik al weet wat u van plan bent,' zei ze. 'U denkt: ik geef die Donderkat aan Dogger, dan verdien ik in één klap wat ik anders in twintig jaar zou hebben verdiend.'
'Inderdaad,' zei de Moeflon, en hij richtte zijn pistool op mama.
'Hoho,' kreunde Miguel. 'Ik had haar het eerst gezien. Ik wil de helft.'
'Ach man,' sneerde de Moeflon, 'jij hebt niks meer te betekenen. Je been is kapot en je bevrijdingsleger is één grote bende verraders.'
'Inderdaad,' zei Ernesto, en hij gaf Pepe nog maar eens een schop.
'Dat hoef ik niet te pikken,' brieste Pepe. 'Van een verraaier!' En hij schopte terug.
'Als jullie alle verraders hier gaan schoppen, zijn jullie nog wel even bezig,' merkte de Moeflon droog op.
'Ach, hou toch je muil,' snauwde Pepe. 'Het is allemaal jouw schuld.' En hij gaf de Moeflon een mep.
De Moeflon haalde uit naar Pepe, maar die bukte. Pats! De vuist van de Moeflon kwam midden op Ernesto's neus terecht.
Moet ik nog uitleggen wat er gebeurde?
Miguel gaf de Moeflon een kopstoot, één van de kindsoldaten (die spioneerde voor de Amerikanen) ramde zijn elleboog in de buik van een vroegere kameraad (die van de Chinezen), werd vervolgens in zijn oor gebeten door die van het AVBFLM(Z), en daarna kon ik het niet helemaal meer volgen. Het duurde niet lang of het hele Bevrijdingsleger rolde als een kluwen kleuters over de hele grote binnenplaats. Het enige verschil was dat kleuters niet zo vreselijk hard kunnen meppen. De dappere bevrijders, daarentegen, die wisten wel van wanten! Overal zag je blauwe ogen, bloedneuzen en tot bloemkool geslagen oren. Sommigen riepen auw, anderen riepen grr, en de meesten riepen het allebei tegelijk.
'Grote hemel,' zei meneer Dogger. 'Wát een idioten. Ik moet ook altijd alles helemaal zelf doen.'
Toen pas zag ik wat hij in zijn hand hield.
Het pistool van de Moeflon.


BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE

woensdag 4 juli 2012

Pruttel pruttel

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE



Even later kwam de boosaardige mjamburgerman zijn container uit. Hij wankelde als een dronkenlap en hij staarde naar zijn linkerhand. Zijn ogen leken wel pingpongballetjes. Maar dan wel balletjes die met strakke draadjes verbonden waren met zijn duim.
Want daar staarde hij naar: zijn duim.
En je moest ook wel heel hard staren, als je het piepkleine druppeltje bloed wilde zien dat er uit het topje van zijn duim omhoog kwam.
Als dit inderdaad het resultaat was van zijn aanvaring met een losgeslagen kettingzaag, dan kon meneer Smek zonder meer in het recordboek als grootste mazzelbal aller tijden.
Maar dat was voor Smek niet genoeg.
Hij wilde ook nog te boek staan als grootste huilebalk.
Hij stond daar maar naar zijn nauwelijks verwonde duim te kijken – eigenlijk was kijken alleen niet genoeg, eigenlijk zou je een microscoop nodig hebben om de verwonding te kunnen zien. Zijn gezicht was nog grauwer dan anders.
'Ik... ik bloed...' herhaalde hij fluisterend. 'Er komt allemaal bloed uit mij. Ik...'
Meer zei hij niet. Want hij viel flauw. Zo slap als een stapel nat wasgoed lag hij naast de deuropening van zijn container.
Ik was er bijna jaloers op: even liggen, dat leek mij ook wel wat. Ik was onderhand behoorlijk moe van steeds maar achter die rotzaag aan te rennen. Aan de andere kant: ik 'm losliet kwam-ie misschien achter mij aan. En dat was waarschijnlijk minstens zo vermoeiend.
Bovendien: zonder zaag was ik ongewapend en hulpeloos. Mét zaag was ik misschien nog wel hulpelozer, maar ik was in elk geval niet ongewapend. Daar stond weer tegenover dat ik, als ik die zaag maar weggoooide, kon proberen om onopvallend weg te sluipen. Ontsnappen! Heelhuids hiervandaan!
Maar, zo zei een stemmetje in mijn achterhoofd, ik ben toch niet hierheen gekomen om te ontsnappen? Anders had ik beter kunnen blijven waar ik was, veilig ver hiervandaan!
Moeilijk, moeilijk, moeilijk. Ik kwam er niet uit.
Gelukkig nam iemand anders de beslissing voor mij.
Of liever: iets anders.
Kettingzagen, dat weet iedereen, lopen op benzine.
En benzine, dat is ook algemeen bekend, raakt ooit een keer op.
Bij voorkeur op het meest onhandige moment. Zoals nu.
Pruttel pruttel, zei de zaag.
Een beetje beteuterd stond ik naar het apparaat te kijken.
Goed. Nu was ik dus ongewapend. En hulpeloos.
Dat was, laat ik het maar eerlijk toegeven, geen prettig gevoel. Vooral niet omdat er nog een paar maniakken rondliepen, hier ergens.
'Ahum,' zei een stem achter mij.
Langzaam draaide ik me om.
En ja hoor: een maniak.
Degene met de middelgrote kettingzaag, nog wel.
Zijn ogen glommen van de waanzin toen hij me vroeg: 'Doet je zaag het niet meer? Hihihi! Wat naar voor je. De mijne doet het nog best, hoor. Hihi. Kijk maar eens...'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE