BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
Eigenlijk hoefde ik maar één ding te weten, natuurlijk: waar bewaren ze hun dynamiet?
Daar was ik snel achter.
Wat ze precies deden met dat spul was me niet helemaal duidelijk. Ze bliezen stukken rotsgrond op, ja. Dat zag ik wel. Maar ik begreep niet hoe dat het werk in de mijn vooruit moest helpen. Sterker nog: het leek mij vreselijk gevaarlijk om hierboven de grond op te blazen, terwijl er ónder de grond mensen aan het werk waren.
Maar misschien was dat het hele idee. Misschien vonden de soldaten van Killa dat grappig.
Abel en Zoezoe zouden het ongetwijfeld heel grappig hebben gevonden, toen ze nog onder de drugs en de drank zaten.
Maar waarom ze het ook deden, al dat ontploffen, een ding was zeker: ze deden het véél. En onder groot gejuich.
Boem! Hoera! Boem! Hoera, dat was leuk, laten we snel nog een paar staven halen. En daar rende weer een soldaat naar het schuurtje waarin het dynamiet opgeslagen lag.
Het was een schuurtje gemaakt van dikke houten balken, met een ijzeren deur. Er waren twee van die schuurtjes, maar het tweede had een houten deur en een paar kleine raampjes.
Daar lag geen dynamiet in. Daar was de keuken, kennelijk, want aan het einde van de middag kwam daar een man uit met een gigantisch grote pan vol dampende prut. Dat was ons avondeten.
Elke mijnwerker kreeg een kom vol.
Ik wilde geen kom vol prut.
Ik wist niet wat ik dan wél wilde: twee kommen vol? Omdat ik zo'n honger had? Of helemaal geen kom, omdat het zo vies was? Moeilijk, moeilijk! Gelukkig hoefde ik de beslissing niet te nemen. Die werd voor me genomen: iedereen kreeg precies één kom. Dus nu had ik én honger, én een vieze smaak in mijn mond.
Tijdens het eten overlegde ik fluisterend met Gaby.
'We moeten een paar staven dynamiet te pakken krijgen,' was mijn plan.
'Ja? En dan?'
'Dan nemen we een lange lont. Een hele, hele lange lont. En daarmee blazen we het gebouwtje op waarin het dynamiet wordt bewaard. Dat geeft een klap van jewelste, natuurlijk, en in de verwarring glippen wij het bos in.'
'Dat zou mama nooit goedvinden,' zei Gaby met een vies gezicht.
'Waarom niet?'
'Omdat zij meteen zou uitrekenen hoe groot die klap van jewelste precies zou worden. En dan zou ze waarschijnlijk ontdekken dat het een zó erge klap zou worden, dat er gegarandeerd doden zouden vallen. Dode soldaten. Dode mijnwerkers. Domweg uit elkaar geploft, of in de fik gevlogen, of verpletterd door rondvliegende rotsblokken. En mensen verpletteren met rotsblokken is...?'
'...onbeleefd,' vulde ik zuchtend aan. 'Nee, dat kunnen we dan beter niet doen. Maar...' klaarde ik op, we kunnen natuurlijk wel iets ánders opblazen. De keuken bijvoorbeeld. Iets minder grote knal, maar toch ook verwarring, en roetsj! daar gaan er twee het oerwoud in. Namelijk: jij en ik.'
Gaby had natuurlijk nog een hele hoop te zeuren. Zoals: we kennen de weg in dat bos niet. En: 's nachts kunnen we dat spoor niet terugvinden. En: we hébben dat dynamiet nog niet. En: oh ja? kun jij een slot openprutsen zonder sleutel, dan? En: welwaar, dat is waarschijnlijk wél moeilijk. En nog twintig andere problemen en bezwaren.
Tenslotte vroeg ik wat háár plan was.
Toen hield ze eindelijk haar mond. Dus... Ja...
Het was helemaal duidelijk: we gingen mijn plan doen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 84. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 84. Alle posts tonen
woensdag 27 augustus 2014
woensdag 27 maart 2013
Een verlegen meisje met de overwinning binnen handbereik
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik hoefde me niet eens om te draaien. Ik wist gewoon dat hij zijn akelige pistooltje weer in zijn hand had.
'Weet je zeker dat dat ding nog geladen is?' vroeg mama aan de meesterspion. 'Dogger heeft er behoorlijk mee liggen schieten. En ik heb niet geteld hoe vaak. Jij trouwens ook niet, want je was bezig met in elkaar geslagen worden.'
'Ik bén niet in elkaar geslagen, ik héb in elkaar geslagen,' zei de Moeflon nuffig. 'Één klein woordje verschil, maar het is geen onbelangrijk woordje. En wat mijn pistool betreft: maakt u zich daar maar geen zorgen over. Ik ben het soort spion dat altijd eerst zijn wapen herlaadt, en dan pas achter de vijand aan rent. Niet het soort spion dat je in de film vaak ziet; meer het soort spion dat zo dadelijk elf miljoen gaat verdienen.'
'Elf miljoen?' vroeg ik.
'De prijs is net omhooggegaan. Dogger begint er een beetje genoeg van te krijgen, dat je moeder hem steeds weer ontsnapt. Eigenlijk moet ik jullie nóg een keer laten ontsnappen, want dan gaat de prijs weer omhoog. En ik krijg jullie toch wel weer te pakken. Tot nu toe zijn jullie steeds ontsnapt door dom geluk, niet door slimheid of snelheid, alleen maar pure mazzel. En mazzel houdt een keer op. Aan de andere kant...'
Hij lachte akelig. Het was een heel verontrustend soort van lachen. Stel je voor dat je een superschurk hebt, zo eentje uit een film of een stripboek, die denkt dat de overwinning hem niet meer kan ontgaan. We weten allemaal hoe zo iemand lacht, of niet? Moewhahaha, of bwahahaha of zo iets. Ja, heb je dat?
Goed. Stel je dan nu een verlegen meisje voor, dat de slappe lach heeft. Ze probeert niet te giechelen, want dan valt ze op, maar ze kan zich niet inhouden. Dus haar hele hoofd wordt rood en ze slaat allebei haar handen voor haar mond. Achter die hand hoor je dan zachte, zenuwachtige hihi-geluidjes. Heb je dat?
Goed. Maak in je fantasie een combinatie van die twee. Dus een verlegen meisje dat denkt dat de overwinning haar niet meer kan ontgaan. Of een superschurk die probeert niet te giechelen. Heb je dat?
Klinkt dat heel akelig en krankzinnig? Anders doe je het niet goed, hoor! Als het wél akelig en krankzinnig klinkt, dan weet je nu zo ongeveer hoe de Moeflon lachte.
En het geluid dat daarna kwam was nog veel afschuwelijker.
Dat was namelijk, je raadt het al, het klikje. Het ik-ga-zometeen-schieten-klikje van Moeflon's pistool.
Mama kneep in mijn hand. Zo'n goedbedoeld, geruststellend knijpje, het knijpje dat zegt: niet bang zijn schat, ik ben bij je, en we gaan misschien wel allebei dood maar de dood is niet vreemd of eng, de dood is wat het leven uniek maakt en de moeite waard.
Ik wilde helemaal niet zo'n knijpje. Ik wilde dat mama de Moeflon opblies. In honderdduizend stukjes moest ze hem knallen. Maar daar was geen tijd meer voor, want na het klikje heb je nog hooguit een seconde. Tenzij de schurk van het verhaal besluit nog een laatste toespraak te houden. Maar die hadden we al gehad, geloof ik, en de Moeflon was niet van plan nog een tweede af te steken.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik hoefde me niet eens om te draaien. Ik wist gewoon dat hij zijn akelige pistooltje weer in zijn hand had.
'Weet je zeker dat dat ding nog geladen is?' vroeg mama aan de meesterspion. 'Dogger heeft er behoorlijk mee liggen schieten. En ik heb niet geteld hoe vaak. Jij trouwens ook niet, want je was bezig met in elkaar geslagen worden.'
'Ik bén niet in elkaar geslagen, ik héb in elkaar geslagen,' zei de Moeflon nuffig. 'Één klein woordje verschil, maar het is geen onbelangrijk woordje. En wat mijn pistool betreft: maakt u zich daar maar geen zorgen over. Ik ben het soort spion dat altijd eerst zijn wapen herlaadt, en dan pas achter de vijand aan rent. Niet het soort spion dat je in de film vaak ziet; meer het soort spion dat zo dadelijk elf miljoen gaat verdienen.'
'Elf miljoen?' vroeg ik.
'De prijs is net omhooggegaan. Dogger begint er een beetje genoeg van te krijgen, dat je moeder hem steeds weer ontsnapt. Eigenlijk moet ik jullie nóg een keer laten ontsnappen, want dan gaat de prijs weer omhoog. En ik krijg jullie toch wel weer te pakken. Tot nu toe zijn jullie steeds ontsnapt door dom geluk, niet door slimheid of snelheid, alleen maar pure mazzel. En mazzel houdt een keer op. Aan de andere kant...'
Hij lachte akelig. Het was een heel verontrustend soort van lachen. Stel je voor dat je een superschurk hebt, zo eentje uit een film of een stripboek, die denkt dat de overwinning hem niet meer kan ontgaan. We weten allemaal hoe zo iemand lacht, of niet? Moewhahaha, of bwahahaha of zo iets. Ja, heb je dat?
Goed. Stel je dan nu een verlegen meisje voor, dat de slappe lach heeft. Ze probeert niet te giechelen, want dan valt ze op, maar ze kan zich niet inhouden. Dus haar hele hoofd wordt rood en ze slaat allebei haar handen voor haar mond. Achter die hand hoor je dan zachte, zenuwachtige hihi-geluidjes. Heb je dat?
Goed. Maak in je fantasie een combinatie van die twee. Dus een verlegen meisje dat denkt dat de overwinning haar niet meer kan ontgaan. Of een superschurk die probeert niet te giechelen. Heb je dat?
Klinkt dat heel akelig en krankzinnig? Anders doe je het niet goed, hoor! Als het wél akelig en krankzinnig klinkt, dan weet je nu zo ongeveer hoe de Moeflon lachte.
En het geluid dat daarna kwam was nog veel afschuwelijker.
Dat was namelijk, je raadt het al, het klikje. Het ik-ga-zometeen-schieten-klikje van Moeflon's pistool.
Mama kneep in mijn hand. Zo'n goedbedoeld, geruststellend knijpje, het knijpje dat zegt: niet bang zijn schat, ik ben bij je, en we gaan misschien wel allebei dood maar de dood is niet vreemd of eng, de dood is wat het leven uniek maakt en de moeite waard.
Ik wilde helemaal niet zo'n knijpje. Ik wilde dat mama de Moeflon opblies. In honderdduizend stukjes moest ze hem knallen. Maar daar was geen tijd meer voor, want na het klikje heb je nog hooguit een seconde. Tenzij de schurk van het verhaal besluit nog een laatste toespraak te houden. Maar die hadden we al gehad, geloof ik, en de Moeflon was niet van plan nog een tweede af te steken.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 22 augustus 2012
Als meeuwen om een schip
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Voorzichtig tilde ik mijn hoofd op. Van de geweren-container was helemaal niets meer over. Alle ander containers zaten vol gaten en scheuren; sommigen waren meters ver van hun plaats geblazen en andere lagen zelfs op de kop.
'Dát was een mooie boem,' zei Kwetter bewonderend. 'Zie je wel, Michael, jij kunt álles. Jij kunt zelfs betere boemen maken dan mama!'
'Dank je,' kreunde ik.
Kwetter en ik waren in de modder terechtgekomen, en die had ons tegen de ergste hitte beschermd. Op sommige plaatsen zat hij als aardewerk aan ons vastgebakken, dat wel.
Smek en de enig overgebleven maniak hadden minder geluk gehad. Ze zaten onder de brand- en snijwonden en lagen bewusteloos op de grond.
Voorzichtig stonden we op, Kwetter en ik. We waren zo duizelig van de klap dat we gedachteloos de harde modder van ons vel af stonden te peuteren. Er klonk een bonzend gesuis in onze oren. Daardoor merkten we niet dat de houthakkers, die van een veilige afstand hadden staan kijken, ons aan het besluipen waren. Heel voorzichtig en aarzelend. Zij hadden kettingzagen en wij hadden helemaal niks, natuurlijk, maar toch waren ze bang van ons. Want wij waren de kinderen van de Donderkat en ontploffingen hingen om ons heen als meeuwen om een schip. Geloofden ze.
'Hoelala, wat een verwoesting hier!' zei papa. 'Heeft mama eindelijk haar bommen af, of hebben jij en Kwetter dit gedaan?'
'Het was een ongelukje,' zei ik.
'Jaja,' grinnikte papa. Hij stond achter mij, dus ik zag zijn gezicht niet, maar ik wist zeker dat hij mij een knipoogje gaf.
Toen pas dacht ik: hé, wacht eens... Papa? De laatste keer dat ik papa zag, hing hij onder een helikopter boven het oerwoud. Hoe kan dat?
Ik draaide me om en zag hoe het kon.
Papa hing nog steeds onder de helikopter, maar die vloog nu boven het houthakkerskamp.
De houthakkers weken achteruit toen de helikopter van hun baas langzaam daalde op de plek waar eerst de geweren-container had gestaan.
Wij hielpen papa overeind, die door de dalende heli naar de grond gesleurd was.
Terwijl we het touw van hem af knoopten kwam meneer Hakmaranman moeizaam uit de heli geklauterd. Dogger kwam achter hem aan.
Hakmaranmans hoofd had de kleur van een overrijpe tomaat. Hij was zo woedend dat hij nauwelijks uit zijn worden kon komen: 'Mijn kamp! Ik – wat hebben jullie – smerige – mijn mooie geweren – hoe – '
Dogger stak met grimmige kalmte één van zijn walgelijke stinksigaren op en zei: 'Ik heb je gewaarschuwd, Hakmaranman! Die lui zijn fanatiekelingen, gestoorde terroristen, die niks liever doen dan de spullen van hardwerkende burgers kapotmaken. Maar nu is het gedaan met hun streken. We hebben de vader en het zoontje. De moeder is het gevaarlijkst, maar die zal als een kip zonder kop hierheen komen hollen... als ze haar zoontje hoort gillen.'
'Euh...' zei ik, 'ik was niet van plan te gaan gillen, hoor.'
'Reken maar dat jij gaat gillen,' zei Hakmaranman met een boosaardige grijns, en hij zette zijn zaag-armen aan.
'Dit,' fluisterde papa, 'lijkt mij het goede moment om te gaan rennen, knul.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Voorzichtig tilde ik mijn hoofd op. Van de geweren-container was helemaal niets meer over. Alle ander containers zaten vol gaten en scheuren; sommigen waren meters ver van hun plaats geblazen en andere lagen zelfs op de kop.
'Dát was een mooie boem,' zei Kwetter bewonderend. 'Zie je wel, Michael, jij kunt álles. Jij kunt zelfs betere boemen maken dan mama!'
'Dank je,' kreunde ik.
Kwetter en ik waren in de modder terechtgekomen, en die had ons tegen de ergste hitte beschermd. Op sommige plaatsen zat hij als aardewerk aan ons vastgebakken, dat wel.
Smek en de enig overgebleven maniak hadden minder geluk gehad. Ze zaten onder de brand- en snijwonden en lagen bewusteloos op de grond.
Voorzichtig stonden we op, Kwetter en ik. We waren zo duizelig van de klap dat we gedachteloos de harde modder van ons vel af stonden te peuteren. Er klonk een bonzend gesuis in onze oren. Daardoor merkten we niet dat de houthakkers, die van een veilige afstand hadden staan kijken, ons aan het besluipen waren. Heel voorzichtig en aarzelend. Zij hadden kettingzagen en wij hadden helemaal niks, natuurlijk, maar toch waren ze bang van ons. Want wij waren de kinderen van de Donderkat en ontploffingen hingen om ons heen als meeuwen om een schip. Geloofden ze.
'Hoelala, wat een verwoesting hier!' zei papa. 'Heeft mama eindelijk haar bommen af, of hebben jij en Kwetter dit gedaan?'
'Het was een ongelukje,' zei ik.
'Jaja,' grinnikte papa. Hij stond achter mij, dus ik zag zijn gezicht niet, maar ik wist zeker dat hij mij een knipoogje gaf.
Toen pas dacht ik: hé, wacht eens... Papa? De laatste keer dat ik papa zag, hing hij onder een helikopter boven het oerwoud. Hoe kan dat?
Ik draaide me om en zag hoe het kon.
Papa hing nog steeds onder de helikopter, maar die vloog nu boven het houthakkerskamp.
De houthakkers weken achteruit toen de helikopter van hun baas langzaam daalde op de plek waar eerst de geweren-container had gestaan.
Wij hielpen papa overeind, die door de dalende heli naar de grond gesleurd was.
Terwijl we het touw van hem af knoopten kwam meneer Hakmaranman moeizaam uit de heli geklauterd. Dogger kwam achter hem aan.
Hakmaranmans hoofd had de kleur van een overrijpe tomaat. Hij was zo woedend dat hij nauwelijks uit zijn worden kon komen: 'Mijn kamp! Ik – wat hebben jullie – smerige – mijn mooie geweren – hoe – '
Dogger stak met grimmige kalmte één van zijn walgelijke stinksigaren op en zei: 'Ik heb je gewaarschuwd, Hakmaranman! Die lui zijn fanatiekelingen, gestoorde terroristen, die niks liever doen dan de spullen van hardwerkende burgers kapotmaken. Maar nu is het gedaan met hun streken. We hebben de vader en het zoontje. De moeder is het gevaarlijkst, maar die zal als een kip zonder kop hierheen komen hollen... als ze haar zoontje hoort gillen.'
'Euh...' zei ik, 'ik was niet van plan te gaan gillen, hoor.'
'Reken maar dat jij gaat gillen,' zei Hakmaranman met een boosaardige grijns, en hij zette zijn zaag-armen aan.
'Dit,' fluisterde papa, 'lijkt mij het goede moment om te gaan rennen, knul.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)