BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Mama,' zei ik, 'dit lijkt me een uitstekend moment om eens een van die ándere oplossingen te proberen.'
'Ik snap wat je bedoelt,' zei mama en ze keek naar de zee van vuur, die ons omringde. Er was trouwens ook weinig anders om naar te kijken, want de boel rookte nogal en wat er achter de cirkel van vlammen lag kon je nauwelijks meer zien. 'Helaas heb je ongelijk,' legde ze uit. 'Dit is niet het goede moment voor een ander plan. Het goede moment voor een ander plan was een kwartier geleden. Toen er nog niet zoveel vuur om ons heen was, zeg maar.'
'Oh. Wat kunnen we nu nog doen?'
'Twee dingen. Stikken van de rook, of heel erg lang onze adem inhouden en dan levend verbranden.'
'Ik weet nog een driede ding,' zei Kwetter zelfvoldaan. 'We kunt er nog een boem op gooien.'
'Ja? En dan?
'Dan komt er een boem!' riep Kwetter enthousiast. 'Boemen is leuk! Joewie!'
Jamal had ook een idee. Hij vertelde het ons niet – want dat kon hij niet – maar hij dééd het gewoon. Hij trok al zijn kleren uit, behalve zijn onderbroek, haalde heel erg diep adem, en sprong in zee.
'Wat is hij van plan?' vroeg Kwetter.
'Ik denk dat hij onder het vuur door wilde zwemmen,' zei mama.
'Denk ik ook,' zei Michael. 'Maar ja...'
Jamal stond een beetje dommig naar zijn benen te kijken. Het water kwam niet hoger dan zijn knie.
Het was eb, kennelijk.
'Dat had ik dus al gezien,' zei mama.
'En als wij nou eens een soort gangetje graaft?' vroeg Kwetter. 'Waar wij doorheen kunt kruipen?'
Mama schudden haar hoofd. 'Volkomen onmoge-'
Maar Kwetter was het al aan het proberen. Met haar handjes schraapte ze zand weg van onder de brandende olie. Jamal zag wat ze van plan was en begon enthousiast mee te helpen. Ze groeven als een bezetene, alsof hun leven ervan afhing. Wat niet zo raar was, want hun leven hing er vanaf.
Iedereen die wel eens aan het strand heeft geprobeerd een zandkasteel tegen de opkomende vloed te beschermen weet, dat je het van de getijden niet kunt winnen.
Kwetter en Jamal hadden duidelijk nog niet genoeg aan het strand gespeeld in hun leven. In minder dan geen tijd stond Kwetter tot aan haar heupen in het water, toen tot aan haar middel...
en toen hoefde het niet meer.
'Horen jullie dat?' vroeg mama. ''Dat lijkt wel een brommer!'
'Dat is geen brommer,' zei ik, 'dat is een Jetski!'
Precies op dat moment kwam er een Jetski aangescheurd. Dwars door de ring van vuur.
En op de Jetski zat...
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
vrijdag 31 mei 2013
woensdag 29 mei 2013
Een walvis uit de hel
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De grote plas brandende olie was verdeeld in honderdduizend druppeltjes brandende olie; druppeltjes die weigerden uit te gaan en die overal om ons heen vrolijk brandend op het water dobberden. Alsof er iemand honderdduizend drijvende kaarsjes had aangestoken en ze voorzichtig in zee had gelegd. Het zou een betoverend mooi tafereel zijn als je niet wist dat al die vlammetjes een stuk heter waren dan kaarsjes, en dat ze ronddobberden in de buurt van onze benzinetank.
Tenminste, sommige. De meeste vlammetjes dreven onschuldig en onschadelijk op het water. En natuurlijk – dat zul je altijd zien – waren er ook een paar die terecht waren gekomen in plassen nog-niet-brandende-olie.
Die nu dus veranderden in plassen helaas-wel-brandende olie.
'Mooi werk, mam,' zei Michael sarcastisch.
'Dit was niet de bedoeling,' gaf mama toe. 'Ik heb iets te weinig springstof gebruikt, vrees ik.'
'Geeft niks, hoor,' troostte ik. 'Je krijgt nog kansen genoeg om het goed te doen. Kijk eens naar rechts?'
Daar kwam weer een drijvende brand langzaam onze kant op.
'Raampjes dicht, jongens!' beval mama.
Nu even niet mam, zei ik, want mijn raampje zat het dichtst bij de dop van de benzine tank en ik was druk bezig met het op afstand houden van de drijvende vlammetjes. Met allebei mijn handen maakte ik golfjes, maar dat hielp helaas geen bal. Het enige wat er gebeurde was dat de vlammetjes gezellig omhoog en omlaag bewogen. Daarna probeerde ik het met spetteren, en met een hele hoop moeite lukte het mij om een paar vlammetjes uit te krijgen. De rest probeerde ik bij de auto vandaan te houden door heel hard te blazen, maar mama riep: 'Hoofd naar binnen! NU!' en dat deed ik dus.
Net op tijd.
BOEM! Dit keer konden we wat beter zien wat er gebeurde.
Een enorme fontein van water en vuur spoot twintig meter de lucht in. Alsof er een reuzenwalvis uit de hel was gekomen om hier even uit te ademen, alvorens onder te duiken en verder te zwemmen door meren van eeuwig vuur. Op jacht naar verloren zielen.
Klaterend kwam de fontein weer naar beneden.
Goed. Nu hadden we dus tweehonderdduizend vlammetjes om ons heen.
'Of misschien gebruik ik juist tevéél springstof,' mijmerde mama.
'Goh,'zei Michael. 'Ik wist niet eens dat dat kon, teveel springstof.'
'Blijven oefenen, mam,' riep ik. 'Kijk maar eens naar links,' want daar kwam weer zo'n plas aangedobberd.
Boem. Fontein van tien meter.
Driehonderdduizend vlammetjes op het water.
'Nou jaaaa,' deed mama verontwaardigd.
Boem. Vierhonderdduizend vlammetjes.
Dat is veel, hoor. De brandende druppels olie hadden bijna geen ruimte meer om lekker voor zichzelf uit te dobberen. Ze kwamen om de haverklap tegen andere druppels aan en smolten ermee samen. Zo ontstonden er opnieuw grote plassen, en ook die groeiden aan elkaar vast.
Net zolang tot we midden in een ring van vuur lagen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De grote plas brandende olie was verdeeld in honderdduizend druppeltjes brandende olie; druppeltjes die weigerden uit te gaan en die overal om ons heen vrolijk brandend op het water dobberden. Alsof er iemand honderdduizend drijvende kaarsjes had aangestoken en ze voorzichtig in zee had gelegd. Het zou een betoverend mooi tafereel zijn als je niet wist dat al die vlammetjes een stuk heter waren dan kaarsjes, en dat ze ronddobberden in de buurt van onze benzinetank.
Tenminste, sommige. De meeste vlammetjes dreven onschuldig en onschadelijk op het water. En natuurlijk – dat zul je altijd zien – waren er ook een paar die terecht waren gekomen in plassen nog-niet-brandende-olie.
Die nu dus veranderden in plassen helaas-wel-brandende olie.
'Mooi werk, mam,' zei Michael sarcastisch.
'Dit was niet de bedoeling,' gaf mama toe. 'Ik heb iets te weinig springstof gebruikt, vrees ik.'
'Geeft niks, hoor,' troostte ik. 'Je krijgt nog kansen genoeg om het goed te doen. Kijk eens naar rechts?'
Daar kwam weer een drijvende brand langzaam onze kant op.
'Raampjes dicht, jongens!' beval mama.
Nu even niet mam, zei ik, want mijn raampje zat het dichtst bij de dop van de benzine tank en ik was druk bezig met het op afstand houden van de drijvende vlammetjes. Met allebei mijn handen maakte ik golfjes, maar dat hielp helaas geen bal. Het enige wat er gebeurde was dat de vlammetjes gezellig omhoog en omlaag bewogen. Daarna probeerde ik het met spetteren, en met een hele hoop moeite lukte het mij om een paar vlammetjes uit te krijgen. De rest probeerde ik bij de auto vandaan te houden door heel hard te blazen, maar mama riep: 'Hoofd naar binnen! NU!' en dat deed ik dus.
Net op tijd.
BOEM! Dit keer konden we wat beter zien wat er gebeurde.
Een enorme fontein van water en vuur spoot twintig meter de lucht in. Alsof er een reuzenwalvis uit de hel was gekomen om hier even uit te ademen, alvorens onder te duiken en verder te zwemmen door meren van eeuwig vuur. Op jacht naar verloren zielen.
Klaterend kwam de fontein weer naar beneden.
Goed. Nu hadden we dus tweehonderdduizend vlammetjes om ons heen.
'Of misschien gebruik ik juist tevéél springstof,' mijmerde mama.
'Goh,'zei Michael. 'Ik wist niet eens dat dat kon, teveel springstof.'
'Blijven oefenen, mam,' riep ik. 'Kijk maar eens naar links,' want daar kwam weer zo'n plas aangedobberd.
Boem. Fontein van tien meter.
Driehonderdduizend vlammetjes op het water.
'Nou jaaaa,' deed mama verontwaardigd.
Boem. Vierhonderdduizend vlammetjes.
Dat is veel, hoor. De brandende druppels olie hadden bijna geen ruimte meer om lekker voor zichzelf uit te dobberen. Ze kwamen om de haverklap tegen andere druppels aan en smolten ermee samen. Zo ontstonden er opnieuw grote plassen, en ook die groeiden aan elkaar vast.
Net zolang tot we midden in een ring van vuur lagen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 27 mei 2013
De helende kracht van dynamiet
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Kwetter heeft gelijk: problemen opblazen is problemen oplossen. Dat is de helende kracht van dynamiet.'
'Wat is helende kracht?' vroeg Kwetter nieuwsgierig.
'Dat betekent: genezende werking. Dat je er beter van wordt,' legde ik uit.
'Kunt jij zieke mensen beter maken met dynamiet?' vroeg Kwetter vol ontzag.
'Nee, dat niet precies,' moest mama toegeven. 'Maar in uiterste nood kan ik er wél voor zorgen dat ze niet langer ziek zijn. Het hangt er maar helemaal vanaf hoe erg de ziekte is. Als iemand zo verschrikkelijk ziek is dat-ie zegt: “was ik maar dood”, dan zeg ik: dat kan ik regelen. Met dynamiet. Maar verder, eh, nee, goed voor je gezondheid is het niet. Ik bedoelde meer zoiets als: dat de hele wereld er beter van wordt, van dynamiet. Als je het verstandig gebruikt. Zoals ik.'
'Maakt jij de hele wereld beter?' vroeg Kwetter. Haar ogen stonden wagenwijd open, alsof ze probeerde de hele geweldigheid van mama in één keer te kunnen zien. 'Ik weette geeneens dat hij ziek was!'
'Hij is ook niet echt ziek, meidje, dat is maar bij wijze van spreken. Het is zo dat... je zou eigenlijk kunnen zeggen... het zit... Kijk, ik heb nu even niet de tijd om dat uit te leggen.'
'Vraag maar een keer aan papa,' zei ik tegen Kwetter. 'Papa kan dat heel goed uitleggen.'
'Ja, dat kan hij heel goed,' zei mama terwijl ze in haar tas rommelde. 'Er klopt geen bal van, hoor, van wat hij allemaal zegt, dat is dan weer het nadeel,maar... Aha! Hebbes!' Triomfantelijk haalde ze een klontje grijs, kleverig spul uit haar tas. Het zag eruit als klei, en dan bedoel ik geen echte klei, maar die kleurige troep waar kleuters mee kleien. 'Deuren en ramen dicht, jongens. Zo meteen gaat het brandende olie regenen!'
Haastig sloten we alles af. Alleen mama liet haar raam op een kiertje staan. Daarna kneep ze een klein stukje van de grote grijze klont af en mikte het mini-bommetje in de dichtstbijzijnde plas brandende olie.
Helaas konden wij niet precies zien wat er gebeurde, want er zat nog roet op alle raampjes.
Maar niet voor lang. Er klonk buiten een flinke dreun en meteen daarna spoelde er een golf van water en vuur over de wagen.
Mama's raampje stond nog een klein beetje open, dus zij kreeg een flinke plens in haar gezicht. Voornamelijk water, gelukkig, maar er zaten ook een paar druppels brandende olie bij, zodat mama's haar in de fik vloog.
'Grut!' riep ze terwijl ze met haar handen het vuur uit haar kapsel probeerde te vegen. 'Grut, grut, grut met peren! Grrrrrutverdumme!'
'Je haar zit een beetje rommelig, mam,' giechelde ik. 'Ga je dat probleem ook oplossen door het op te blazen? Lijkt mij geen goed idee, hoor!'
'Inderdaad,' zei Michael. 'En ik weet nog iets anders wat een slecht idee was. Kijk eens naar buiten?'
De brandende vloedgolf had onze raampjes min of meer schoongespoeld, en daardoor waren de gevolgen van mama's laatste ontploffing goed te zien.
Duidelijk gevalletje van oeps.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Kwetter heeft gelijk: problemen opblazen is problemen oplossen. Dat is de helende kracht van dynamiet.'
'Wat is helende kracht?' vroeg Kwetter nieuwsgierig.
'Dat betekent: genezende werking. Dat je er beter van wordt,' legde ik uit.
'Kunt jij zieke mensen beter maken met dynamiet?' vroeg Kwetter vol ontzag.
'Nee, dat niet precies,' moest mama toegeven. 'Maar in uiterste nood kan ik er wél voor zorgen dat ze niet langer ziek zijn. Het hangt er maar helemaal vanaf hoe erg de ziekte is. Als iemand zo verschrikkelijk ziek is dat-ie zegt: “was ik maar dood”, dan zeg ik: dat kan ik regelen. Met dynamiet. Maar verder, eh, nee, goed voor je gezondheid is het niet. Ik bedoelde meer zoiets als: dat de hele wereld er beter van wordt, van dynamiet. Als je het verstandig gebruikt. Zoals ik.'
'Maakt jij de hele wereld beter?' vroeg Kwetter. Haar ogen stonden wagenwijd open, alsof ze probeerde de hele geweldigheid van mama in één keer te kunnen zien. 'Ik weette geeneens dat hij ziek was!'
'Hij is ook niet echt ziek, meidje, dat is maar bij wijze van spreken. Het is zo dat... je zou eigenlijk kunnen zeggen... het zit... Kijk, ik heb nu even niet de tijd om dat uit te leggen.'
'Vraag maar een keer aan papa,' zei ik tegen Kwetter. 'Papa kan dat heel goed uitleggen.'
'Ja, dat kan hij heel goed,' zei mama terwijl ze in haar tas rommelde. 'Er klopt geen bal van, hoor, van wat hij allemaal zegt, dat is dan weer het nadeel,maar... Aha! Hebbes!' Triomfantelijk haalde ze een klontje grijs, kleverig spul uit haar tas. Het zag eruit als klei, en dan bedoel ik geen echte klei, maar die kleurige troep waar kleuters mee kleien. 'Deuren en ramen dicht, jongens. Zo meteen gaat het brandende olie regenen!'
Haastig sloten we alles af. Alleen mama liet haar raam op een kiertje staan. Daarna kneep ze een klein stukje van de grote grijze klont af en mikte het mini-bommetje in de dichtstbijzijnde plas brandende olie.
Helaas konden wij niet precies zien wat er gebeurde, want er zat nog roet op alle raampjes.
Maar niet voor lang. Er klonk buiten een flinke dreun en meteen daarna spoelde er een golf van water en vuur over de wagen.
Mama's raampje stond nog een klein beetje open, dus zij kreeg een flinke plens in haar gezicht. Voornamelijk water, gelukkig, maar er zaten ook een paar druppels brandende olie bij, zodat mama's haar in de fik vloog.
'Grut!' riep ze terwijl ze met haar handen het vuur uit haar kapsel probeerde te vegen. 'Grut, grut, grut met peren! Grrrrrutverdumme!'
'Je haar zit een beetje rommelig, mam,' giechelde ik. 'Ga je dat probleem ook oplossen door het op te blazen? Lijkt mij geen goed idee, hoor!'
'Inderdaad,' zei Michael. 'En ik weet nog iets anders wat een slecht idee was. Kijk eens naar buiten?'
De brandende vloedgolf had onze raampjes min of meer schoongespoeld, en daardoor waren de gevolgen van mama's laatste ontploffing goed te zien.
Duidelijk gevalletje van oeps.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 24 mei 2013
Wat de reclamefolders je niet laten zien
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Gelukkig stonden we niet in een brandend riviertje.
We stonden in zee, ongeveer tien meter van het strand vandaan. Het was het soort zandstrand dat je in reclamefolders ziet – helder blauwe zee, blinkend wit wit zand en wuivende palmbomen en zo. Het enige verschil was dat dit zand niet helemaal wit was, want er lag her en der olie op, en dat de wuivende palmbomen in de fik stonden.
Dat zie je in reclamefolders niet vaak. Als je brandende palmbomen ziet denk je niet meteen: wauw, dáár wil ik heen. Terwijl het toch best een mooi gezicht is.
Van een veilige afstand.
Het witte strand stond trouwens óók in de fik. Vooral de stukjes die niet wit waren omdat er olie op lag. Maar ook sommige stukjes die wél wit waren: daar was kennelijk wat olie onder het zand gelopen, diep genoeg weggezakt om het niet te zien maar dicht genoeg aan de oppervlakte om in de fik te vliegen.
Mooi hoor. Van een veilige afstand. Maar ook een beetje raar.
Nog vreemder was het dat ook de zee in brand stond. Er dreven plassen olie op het water, en die fikten als een tierelier. Heel, heel raar: vuurtjes die dobberden op het water, die daalden en stegen met de golven, vlammen die werden weerspiegeld in het water eronder zodat het leek of ze twee kanten op brandden, wolken van gitzwarte rook en witte stoom die door elkaar heen kringelden terwijl de vuurtjes door een zacht briesje her en der heen geblazen werden...
Misschien was dat allemaal ook wel mooi, van een veilige afstand. Ik zou het niet weten. Want wij zaten niet op een veilige afstand dus we dachten niet aan mooi. We dachten alleen maar : help help, die brand komt onze kant op gedreven, oh nee, gelukkig, de wind blaast hem naar links, maar wat komt daar van rechts? Help help, nog een brand!
Enzovoort. Heel vermoeiend.
'Mama,' zei ik, 'had ik je al eens verteld dat jij de slimste mama van de hele wereld bent?'
'Nee,' zei mama, 'dat had je niet. Maar dat geeft niks, want ik wist het al.'
'Goed. Bedenk dan maar eens een slimme oplossing voor die massa vlammen daar, die hard op weg is naar hier.'
'Puh,' zei Michael, 'ik weet allang wat de oplossing is.'
'Oh ja?' vroeg mama geïnteresseerd.
'Tuurlijk. We blazen de boel gewoon op.'
'Michael,' zei ik streng, 'je kletst uit je nek. Er is hier niks om op te blazen. Alleen water en vuur.'
'Nou,' zei Kwetter, 'dan blaast wij toch gewoon de water en vuur op? Michael kletst geen onzin hoor, daar bent hij veel te slim voor. Net als mama, toch? Mama? Wij blaast toch gewoon de boel op? Jij is de Donderkat – er is geen probleem waar jij niet uit kunt boemen!'
'Lieve schatten,' zei mama, 'wat kennen jullie mij toch goed. Ja, ik ben heel slim en ik heb al drie of vier oplossingen bedacht. Geen probleem. Maar de oplossing die we als eerste gaan proberen is natuurlijk: opblazen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Gelukkig stonden we niet in een brandend riviertje.
We stonden in zee, ongeveer tien meter van het strand vandaan. Het was het soort zandstrand dat je in reclamefolders ziet – helder blauwe zee, blinkend wit wit zand en wuivende palmbomen en zo. Het enige verschil was dat dit zand niet helemaal wit was, want er lag her en der olie op, en dat de wuivende palmbomen in de fik stonden.
Dat zie je in reclamefolders niet vaak. Als je brandende palmbomen ziet denk je niet meteen: wauw, dáár wil ik heen. Terwijl het toch best een mooi gezicht is.
Van een veilige afstand.
Het witte strand stond trouwens óók in de fik. Vooral de stukjes die niet wit waren omdat er olie op lag. Maar ook sommige stukjes die wél wit waren: daar was kennelijk wat olie onder het zand gelopen, diep genoeg weggezakt om het niet te zien maar dicht genoeg aan de oppervlakte om in de fik te vliegen.
Mooi hoor. Van een veilige afstand. Maar ook een beetje raar.
Nog vreemder was het dat ook de zee in brand stond. Er dreven plassen olie op het water, en die fikten als een tierelier. Heel, heel raar: vuurtjes die dobberden op het water, die daalden en stegen met de golven, vlammen die werden weerspiegeld in het water eronder zodat het leek of ze twee kanten op brandden, wolken van gitzwarte rook en witte stoom die door elkaar heen kringelden terwijl de vuurtjes door een zacht briesje her en der heen geblazen werden...
Misschien was dat allemaal ook wel mooi, van een veilige afstand. Ik zou het niet weten. Want wij zaten niet op een veilige afstand dus we dachten niet aan mooi. We dachten alleen maar : help help, die brand komt onze kant op gedreven, oh nee, gelukkig, de wind blaast hem naar links, maar wat komt daar van rechts? Help help, nog een brand!
Enzovoort. Heel vermoeiend.
'Mama,' zei ik, 'had ik je al eens verteld dat jij de slimste mama van de hele wereld bent?'
'Nee,' zei mama, 'dat had je niet. Maar dat geeft niks, want ik wist het al.'
'Goed. Bedenk dan maar eens een slimme oplossing voor die massa vlammen daar, die hard op weg is naar hier.'
'Puh,' zei Michael, 'ik weet allang wat de oplossing is.'
'Oh ja?' vroeg mama geïnteresseerd.
'Tuurlijk. We blazen de boel gewoon op.'
'Michael,' zei ik streng, 'je kletst uit je nek. Er is hier niks om op te blazen. Alleen water en vuur.'
'Nou,' zei Kwetter, 'dan blaast wij toch gewoon de water en vuur op? Michael kletst geen onzin hoor, daar bent hij veel te slim voor. Net als mama, toch? Mama? Wij blaast toch gewoon de boel op? Jij is de Donderkat – er is geen probleem waar jij niet uit kunt boemen!'
'Lieve schatten,' zei mama, 'wat kennen jullie mij toch goed. Ja, ik ben heel slim en ik heb al drie of vier oplossingen bedacht. Geen probleem. Maar de oplossing die we als eerste gaan proberen is natuurlijk: opblazen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 22 mei 2013
Droevige, ongelukkige pech-riviertjes
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
'Geen idee,' zei mama. 'De ruitenwisser doet het niet meer, dus ik kan het roet niet van de ramen krijgen.'
'Dan doen we toch even een raampje open,' zei Michael.
'Dat is een heel goed idee,' zei mama. 'Als je er tenminste vanuit gaat dat we al door het vuur heen zijn. Als we er nog middenin zitten, dan is het zo ongeveer het stomste wat je kunt doen.'
'Waarom rijdt wij niet gewoon wat harder?' vroeg Kwetter. 'Wij gaat nog langzamer dan daarnet!'
'Lantarenpalen,' antwoordde mama.
'Lantarenpalen? Wat voor lantarenpalen? Er is hier helemaal geen lantarenpalen!'
'Weet je dat helemaal zeker?'
Eh... nee, dat wist Kwetter natuurlijk niet helemáál zeker. Want ze kon niet zien wat er buiten was.
'Precies. Dus voor de zekerheid rijd ik heel rustig. Dan bots je niet zo hard. Nog vragen?'
'Ja,' zei ik. 'Waarom zijn mijn voeten zo nat?'
Michael begon iets te zeggen, en dat iets was ongetwijfeld een flauwe opmerking over zweetvoeten. Ik ken hem langer dan vandaag. Maar al na een paar woorden hield hij op en maakte aan paar kleine spletsj-spletsj geluidjes met zijn voeten. 'Okee,' zei hij. 'Dit is dus héél raar. Mijn voeten zijn ook nat. Het lijkt wel of er een laagje water op de vloer staat. Dus ófwel Gaby heeft ergere zweetvoeten dan ik voor mogelijk had gehouden, ófwel er komt hier water naar binnen.'
'Misschien is wij wel in een riviertje gerijd?' opperde Kwetter.
'Zou kunnen,' zei mama. 'En weet je wat dat betekent?'
'Dat betekent dat wij lekker had kunt rijden, want er staat nooit lantarenpalen in riviertjes.'
'Nee, suffe druif, dat betekent dat we niet meer midden in het vuur staan,' zei Michael. 'Want riviertjes branden niet. Omdat ze van water zijn gemaakt, snap je?'
'Daar heb je helaas ongelijk in, lieverd. De meeste riviertjes zijn van water gemaakt, en die kun je inderdaad niet in de fik steken. Maar sommige riviertjes – hele droevige, ongelukkige pech-riviertjes – zijn gemaakt van water én olie. Of water én chemische stofjes. Die zijn er dan door mensen ingegooid, maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat die riviertjes uitstekend kunnen branden. En als je érgens zo'n riviertje tegenkomt, dan is het wel hier, in dit stukje van Zuid-Mallotië.'
'Eh... is het nog wel verstandig om verder te rijden?' vroeg ik. 'Ik bedoel: je weet maar nooit hoe diep zo'n rivier is. Het zou toch wel heel sneu zijn als we aan het vuur wisten te ontsnappen, alleen maar om vervolgens te verzuipen.'
Daar had ik gelijk in, vond mama. Maar zij wist ook niet wat nou het verstandigst was: blijven zitten of de deur open doen.
Op dat moment hoorden we een paar spletsj-spletsj geluidjes bij Jamal's voeten. Kennelijk merkte hij nu pas dat de vloer nat was; hij kon ons niet verstaan, dus hij had het hele gesprek niet kunnen volgen.
En hij wist dus ook niet dat we misschien wel in een brandend riviertje stonden.
Dus hij deed zonder omhaal de deur open.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
/ VOLGENDE
'Geen idee,' zei mama. 'De ruitenwisser doet het niet meer, dus ik kan het roet niet van de ramen krijgen.'
'Dan doen we toch even een raampje open,' zei Michael.
'Dat is een heel goed idee,' zei mama. 'Als je er tenminste vanuit gaat dat we al door het vuur heen zijn. Als we er nog middenin zitten, dan is het zo ongeveer het stomste wat je kunt doen.'
'Waarom rijdt wij niet gewoon wat harder?' vroeg Kwetter. 'Wij gaat nog langzamer dan daarnet!'
'Lantarenpalen,' antwoordde mama.
'Lantarenpalen? Wat voor lantarenpalen? Er is hier helemaal geen lantarenpalen!'
'Weet je dat helemaal zeker?'
Eh... nee, dat wist Kwetter natuurlijk niet helemáál zeker. Want ze kon niet zien wat er buiten was.
'Precies. Dus voor de zekerheid rijd ik heel rustig. Dan bots je niet zo hard. Nog vragen?'
'Ja,' zei ik. 'Waarom zijn mijn voeten zo nat?'
Michael begon iets te zeggen, en dat iets was ongetwijfeld een flauwe opmerking over zweetvoeten. Ik ken hem langer dan vandaag. Maar al na een paar woorden hield hij op en maakte aan paar kleine spletsj-spletsj geluidjes met zijn voeten. 'Okee,' zei hij. 'Dit is dus héél raar. Mijn voeten zijn ook nat. Het lijkt wel of er een laagje water op de vloer staat. Dus ófwel Gaby heeft ergere zweetvoeten dan ik voor mogelijk had gehouden, ófwel er komt hier water naar binnen.'
'Misschien is wij wel in een riviertje gerijd?' opperde Kwetter.
'Zou kunnen,' zei mama. 'En weet je wat dat betekent?'
'Dat betekent dat wij lekker had kunt rijden, want er staat nooit lantarenpalen in riviertjes.'
'Nee, suffe druif, dat betekent dat we niet meer midden in het vuur staan,' zei Michael. 'Want riviertjes branden niet. Omdat ze van water zijn gemaakt, snap je?'
'Daar heb je helaas ongelijk in, lieverd. De meeste riviertjes zijn van water gemaakt, en die kun je inderdaad niet in de fik steken. Maar sommige riviertjes – hele droevige, ongelukkige pech-riviertjes – zijn gemaakt van water én olie. Of water én chemische stofjes. Die zijn er dan door mensen ingegooid, maar daar gaat het niet om. Waar het om gaat is dat die riviertjes uitstekend kunnen branden. En als je érgens zo'n riviertje tegenkomt, dan is het wel hier, in dit stukje van Zuid-Mallotië.'
'Eh... is het nog wel verstandig om verder te rijden?' vroeg ik. 'Ik bedoel: je weet maar nooit hoe diep zo'n rivier is. Het zou toch wel heel sneu zijn als we aan het vuur wisten te ontsnappen, alleen maar om vervolgens te verzuipen.'
Daar had ik gelijk in, vond mama. Maar zij wist ook niet wat nou het verstandigst was: blijven zitten of de deur open doen.
Op dat moment hoorden we een paar spletsj-spletsj geluidjes bij Jamal's voeten. Kennelijk merkte hij nu pas dat de vloer nat was; hij kon ons niet verstaan, dus hij had het hele gesprek niet kunnen volgen.
En hij wist dus ook niet dat we misschien wel in een brandend riviertje stonden.
Dus hij deed zonder omhaal de deur open.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
maandag 20 mei 2013
Duivels met grote vorken
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Recht voor ons zagen we de twee branden, die centimeter voor centimeter naar elkaar toe kropen. De ruimte ertussen was nog twee keer zo breed als onze auto. De lucht trilde daar van de hitte; de struiken erachter leken te dansen als dronken inktvissen.
Wij reden nog altijd achtentwintig kilometer per uur en dat is heel langzaam. Als je haast hebt. We hadden het idee dat de auto net zo snel ging als het vuur, namelijk centimeter voor centimeter.
Hij ging natuurlijk ook centimeter voor centimeter, want zo ga je altijd. Centimeter nummer een komt vóór centimeter nummer twee, daar is niks aan te veranderen. Maar je begrijpt wat ik bedoel.
Intussen was de ruimte nog maar drie meter breed.
We waren er nu echt bijna.
Twee meter negenennegentig.
Dit gingen we net halen.
Twee meter achtennegentig.
Of net niet.
Twee meter zevenennegentig.
Misschien moest mama toch even wat harder rijden, die laatste centimeters...
En toen opeens: BLOEF! Was de ruimte nul meter en nul centimeter. Een brullende muur van vuur schoot voor ons omhoog.
'Ach, natuurlijk,' zei mama. 'Daar had ik rekening mee moeten houden. De hitte komt nu van twee kanten, en dus heeft de ontvlambare...'
'Nu even geen wetenschap!' gilde ik. 'Remmen!'
'Als ik nu rem,' zei mama, 'Staan we pas stil als we midden tussen de vlammen staan. Wetenschappelijk feit.' En ze drukte het gaspedaal helemaal in.
Ik sloot mijn ogen, kruiste mijn vingers en hoopte heel erg hard dat de bommen, die we bij ons hadden, niet zouden ontploffen.
Boem! Boem! Boem! Boem!
Dat waren geen bommen, begreep ik. Wel vier knallen, maar geen bommen. Anders zou ik nu hartstikke dood zijn.
Wacht even... misschien bén ik wel hartstikke dood. Mama zegt dat je niks meer voelt als je dood bent, maar papa zegt dat je gewoon doorgaat. Naar de Hemel of de Hel. Misschien heeft hij wel gelijk.
Dan ben ik helaas naar de Hel gegaan, vrees ik, want het is hier wel buitengewoon verschrikkelijk heet.
Eens kijken, wat weet ik nog meer over de Hel? Oh ja, er zijn duivels, met hele grote vorken om je te prikken.
Ik geloof niet dat ik geprikt word op dit moment.
Wel heel erg door elkaar geschud. En mijn hoofd stoot steeds tegen van alles aan. Misschien doen de duivels dat, als voorafje voordat het prikken begint.
Zo langzamerhand werd ik toch wel benieuwd hoe dat er nou eigenlijk uit zag, de Hel. Voorzichtig deed ik mijn ogen open.
Dat maakte geen verschil. Ik zag nog steeds niks.
'Donker hier,' merkte ik op.
'De raampjes zitten onder het roet,' zei mama.
'Zou kunnen,' zei ik. 'Maar misschien zijn we wel in de Hel, omdat we ontploft zijn.'
'Lieve schat,' zei mama, 'praat geen onzin. De Hel bestaat niet. Die vier knallen, dat waren gewoon de banden van onze wagen. Geklapt van de hitte.'
Oh ja. Dat zou kunnen. Dat zou ook verklaren waarom we zo door elkaar geschud werden: we reden op de velgen. .
'Zijn we al door het vuur heen,' vroeg ik voorzichtig, 'of zitten we er nog middenin?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Recht voor ons zagen we de twee branden, die centimeter voor centimeter naar elkaar toe kropen. De ruimte ertussen was nog twee keer zo breed als onze auto. De lucht trilde daar van de hitte; de struiken erachter leken te dansen als dronken inktvissen.
Wij reden nog altijd achtentwintig kilometer per uur en dat is heel langzaam. Als je haast hebt. We hadden het idee dat de auto net zo snel ging als het vuur, namelijk centimeter voor centimeter.
Hij ging natuurlijk ook centimeter voor centimeter, want zo ga je altijd. Centimeter nummer een komt vóór centimeter nummer twee, daar is niks aan te veranderen. Maar je begrijpt wat ik bedoel.
Intussen was de ruimte nog maar drie meter breed.
We waren er nu echt bijna.
Twee meter negenennegentig.
Dit gingen we net halen.
Twee meter achtennegentig.
Of net niet.
Twee meter zevenennegentig.
Misschien moest mama toch even wat harder rijden, die laatste centimeters...
En toen opeens: BLOEF! Was de ruimte nul meter en nul centimeter. Een brullende muur van vuur schoot voor ons omhoog.
'Ach, natuurlijk,' zei mama. 'Daar had ik rekening mee moeten houden. De hitte komt nu van twee kanten, en dus heeft de ontvlambare...'
'Nu even geen wetenschap!' gilde ik. 'Remmen!'
'Als ik nu rem,' zei mama, 'Staan we pas stil als we midden tussen de vlammen staan. Wetenschappelijk feit.' En ze drukte het gaspedaal helemaal in.
Ik sloot mijn ogen, kruiste mijn vingers en hoopte heel erg hard dat de bommen, die we bij ons hadden, niet zouden ontploffen.
Boem! Boem! Boem! Boem!
Dat waren geen bommen, begreep ik. Wel vier knallen, maar geen bommen. Anders zou ik nu hartstikke dood zijn.
Wacht even... misschien bén ik wel hartstikke dood. Mama zegt dat je niks meer voelt als je dood bent, maar papa zegt dat je gewoon doorgaat. Naar de Hemel of de Hel. Misschien heeft hij wel gelijk.
Dan ben ik helaas naar de Hel gegaan, vrees ik, want het is hier wel buitengewoon verschrikkelijk heet.
Eens kijken, wat weet ik nog meer over de Hel? Oh ja, er zijn duivels, met hele grote vorken om je te prikken.
Ik geloof niet dat ik geprikt word op dit moment.
Wel heel erg door elkaar geschud. En mijn hoofd stoot steeds tegen van alles aan. Misschien doen de duivels dat, als voorafje voordat het prikken begint.
Zo langzamerhand werd ik toch wel benieuwd hoe dat er nou eigenlijk uit zag, de Hel. Voorzichtig deed ik mijn ogen open.
Dat maakte geen verschil. Ik zag nog steeds niks.
'Donker hier,' merkte ik op.
'De raampjes zitten onder het roet,' zei mama.
'Zou kunnen,' zei ik. 'Maar misschien zijn we wel in de Hel, omdat we ontploft zijn.'
'Lieve schat,' zei mama, 'praat geen onzin. De Hel bestaat niet. Die vier knallen, dat waren gewoon de banden van onze wagen. Geklapt van de hitte.'
Oh ja. Dat zou kunnen. Dat zou ook verklaren waarom we zo door elkaar geschud werden: we reden op de velgen. .
'Zijn we al door het vuur heen,' vroeg ik voorzichtig, 'of zitten we er nog middenin?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 17 mei 2013
Het einde van Greensleeves
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Jamal had sterke spieren, maar wij hadden Kwetter.
Kwetter had geen grote spierballen. Geen enkele sportschooljongen zou jaloers op haar zijn. Maar ze zou het van allemaal winnen met armpje drukken.
Dat kan eigenlijk niet, want als je grotere spieren hebt, heb je meer kracht dus win je met armpje drukken. Zo simpel is dat. Tenminste, zo simpel zou het moeten zijn. Maar het leven is nooit simpel, en al helemaal niet als je Kwetter bij je hebt. Als Kwetter tegen zo'n grote spierenbonk zou armpje drukken, zou ze het heel even volhouden en hem dan onder de tafel keihard tegen zijn schenen schoppen. En dan, terwijl hij “au au” zit te jammeren, snel zijn arm naar beneden drukken.
Kwetter is een enthousiaste een creatieve valsspeler.
Dat komt doordat ze is opgegroeid in Boegoe-Boegoe, waar het wemelt van de reusachtige slangen en verschrikkelijke alligators. En die weten niet eens wat eerlijk spelen is.
Ze weten om te beginnen al niet wat 'spelen' is.
Kwetter wel. Voor Kwetter is alles spelen.
'Joewieieie!' riep ze terwijl ze aan Jamal's arm ging hangen en zich in een onmogelijke bocht door de auto wurmde om tegelijkertijd haar grote teen in zijn neus te steken.
Je neus is een gevoelig plekje, hoor. Vooral de binnenkant. Zelfs de meest gespierde sportschoolbink jammert van de pijn als je flink hard in zijn neus knijpt. En Kwetter stak niet alleen haar grote teen naar binnen, maar met de rest van haar voet kneep ze zo hard als de kon.
Dat vond Jamal niet prettig, zo te horen. Hij brulde en loeide en riep een heleboel wat wij niet verstonden. Met beide armen greep hij Kwetters voet en probeerde die uit zijn neus te trekken. Maar de tenen zaten zo hard vastgeknepen, dat hij bijna zijn eigen neus eraf trok. Hoe harder hij worstelde, hoe meer pijn het deed.
'Dank je wel, Kwetter,' zei mama, en ze ging verder met Greensleeves.
'Jij hoeft mij niks te danken, hoor,' riep Kwetter blij. 'En kijkt eens? Ik hebt nog twee handen over! Twee handen en een voet. Ik hebt Jamal uitgeschakelen met één enkel voetje. Kijkt maar, mama. Kijkt nou eens!'
'Mama moet op de weg letten, Kwetter,' legde ik uit.
'Er is hier geeneens een weg,' pruilde Kwetter
'Dat was bij wijze van spreken,' zei Michael. 'Weet je wat dat is, “bij wijze van spreken”?'
'Nee,' zei Kwetter.
'Dacht ik al,' zei Michael, en verder zei hij niks dus toen moest ik uitleggen wat “bij wijze van speken” betekent.
Intussen was mama opgehouden met Greensleeves. Ze floot nu een ander liedje, namelijk: We Zijn Er Bijna.
Want we waren bijna in veiligheid.
Maar, zoals iedereen weet die het liedje kent: nog niet helemaal.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Jamal had sterke spieren, maar wij hadden Kwetter.
Kwetter had geen grote spierballen. Geen enkele sportschooljongen zou jaloers op haar zijn. Maar ze zou het van allemaal winnen met armpje drukken.
Dat kan eigenlijk niet, want als je grotere spieren hebt, heb je meer kracht dus win je met armpje drukken. Zo simpel is dat. Tenminste, zo simpel zou het moeten zijn. Maar het leven is nooit simpel, en al helemaal niet als je Kwetter bij je hebt. Als Kwetter tegen zo'n grote spierenbonk zou armpje drukken, zou ze het heel even volhouden en hem dan onder de tafel keihard tegen zijn schenen schoppen. En dan, terwijl hij “au au” zit te jammeren, snel zijn arm naar beneden drukken.
Kwetter is een enthousiaste een creatieve valsspeler.
Dat komt doordat ze is opgegroeid in Boegoe-Boegoe, waar het wemelt van de reusachtige slangen en verschrikkelijke alligators. En die weten niet eens wat eerlijk spelen is.
Ze weten om te beginnen al niet wat 'spelen' is.
Kwetter wel. Voor Kwetter is alles spelen.
'Joewieieie!' riep ze terwijl ze aan Jamal's arm ging hangen en zich in een onmogelijke bocht door de auto wurmde om tegelijkertijd haar grote teen in zijn neus te steken.
Je neus is een gevoelig plekje, hoor. Vooral de binnenkant. Zelfs de meest gespierde sportschoolbink jammert van de pijn als je flink hard in zijn neus knijpt. En Kwetter stak niet alleen haar grote teen naar binnen, maar met de rest van haar voet kneep ze zo hard als de kon.
Dat vond Jamal niet prettig, zo te horen. Hij brulde en loeide en riep een heleboel wat wij niet verstonden. Met beide armen greep hij Kwetters voet en probeerde die uit zijn neus te trekken. Maar de tenen zaten zo hard vastgeknepen, dat hij bijna zijn eigen neus eraf trok. Hoe harder hij worstelde, hoe meer pijn het deed.
'Dank je wel, Kwetter,' zei mama, en ze ging verder met Greensleeves.
'Jij hoeft mij niks te danken, hoor,' riep Kwetter blij. 'En kijkt eens? Ik hebt nog twee handen over! Twee handen en een voet. Ik hebt Jamal uitgeschakelen met één enkel voetje. Kijkt maar, mama. Kijkt nou eens!'
'Mama moet op de weg letten, Kwetter,' legde ik uit.
'Er is hier geeneens een weg,' pruilde Kwetter
'Dat was bij wijze van spreken,' zei Michael. 'Weet je wat dat is, “bij wijze van spreken”?'
'Nee,' zei Kwetter.
'Dacht ik al,' zei Michael, en verder zei hij niks dus toen moest ik uitleggen wat “bij wijze van speken” betekent.
Intussen was mama opgehouden met Greensleeves. Ze floot nu een ander liedje, namelijk: We Zijn Er Bijna.
Want we waren bijna in veiligheid.
Maar, zoals iedereen weet die het liedje kent: nog niet helemaal.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)