BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Intussen hoorden we mama zeggen: '... maar ik moet u iets bekennen. Dat computerspelletje, dat gaat over de Donderkat, weet u wel? U heeft het nieuws misschien niet zo goed gevolgd, maar de Donderkat bestaat echt.Het is de meest gezochte terrorist ter wereld. Er staat een prijs van dertien miljoen op haar hoofd. Oh, dat wist u al? Nou, bereidt u zich dan maar voor op een schok. De Donderkat, dat ben ik!' Met een dramatisch gebaar klopte ze zichzelf op de borst. Wat nergens op sloeg, natuurlijk. De persoon aan de andere kant van de lijn, wie het ook was, kon dat toch niet zien.
Maar goed, ze was stiekem best wel trots dat ze de meest gezochte terrorist ter wereld was.
Haar schouders zakten een klein beetje omlaag terwijl ze zei: 'Oh... wist u dat ook al? Nou. Ja. Dan begrijpt u misschien dat ik me nogal zorgen maak over mijn veiligheid. Ik bedoel: er komt altijd nogal veel publiek op af, nietwaar? Daar hoeft maar één gek met een geweer bij te zijn en pang pang pang, hij is dertien miljoen rijker. En de wereld is één Donderkat armer. Om nog maar te zwijgen van de politie. Die willen mij maar wat graag...'
Het bleef lange tijd stil. De geheimzinnige stem aan de andere kant had een hoop te zeggen. Uiteindelijk antwoordde mama: 'Tja, als u mij dat kunt garanderen... U zult wel gelijk hebben. Oké. Ik doe het. Natuurlijk doe ik het. Het is een geweldige eer. Niemand laat zo'n kans voorbij gaan. Heel veel dank. U ook een heel fijne dag, mijnheer!'
Eindelijk was het gesprek afgelopen. Mama legde haar telefoon op tafel alsof die van het allerdunste, breekbaarste porselein gemaakt was.
Ze keek ons aan. Ze keek ons aan alsof – waar moet je dat mee vergelijken? Alsof ze een sterrenkundige was, die net een heel nieuw sterrenstelsel had ontdekt. Die het niet alleen ontdekt had, maar die er ook op bezoek was geweest en het een handje had gegeven.
Je kunt sterrenstelsels helemaal geen handje geven, dat weet ik ook wel. Maar zo keek mama. Alsof er iets gebeurd was wat niemand ooit voor mogelijk ha gehouden. Iets wat niet alleen heel erg fijn was, maar ook nog heel erg ongelooflijk.
'Nou, zeg op!' riepen Gaby en ik tegelijkertijd. 'Wie was dat? Wie had je aan de telefoon?'
'Als je het niet snel vertelt...' begon Gaby, en ik maakte de zin af want ik wist precies wat ze wilde zeggen: '...dan gaan wij dood van nieuwsgierigheid.'
'Dan zit je hier met twee dooie kinderen,' zei Gaby.
'Wil je dat soms?' vroeg ik op hoge toon.
Mama glimlachte. Vertederd en afwezig. Alsof ze, heel in de verte, een baby-panda zag niezen.
'Dat,' zei ze zachtjes, 'was meneer Clusjes.'
Papa en ik staarden haar met open monden aan. Even heerste er stilte. De stilte van een kathedraal.
Toen vroeg Kwetter: 'Meneer Clusjes? Wie bent dat nou weer?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 21. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 21. Alle posts tonen
vrijdag 14 februari 2014
maandag 29 oktober 2012
De afschuwelijke autorit
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Papa,' zeiden wij, 'je bent lief.' Want de echte zeur-expert weet: goed zeuren is mooi, maar goed afronden is minstens zo belangrijk. Als je na een succesvolle zeur-sessie een tevreden smoel trekt, zo van 'haha, ik heb lekker gewonnen', dan wordt het de volgende keer veel moeilijker. Dankbaarheid moet je tonen, en complimentjes moet je geven, dan heb je de volgende sessie al half gewonnen.
'Jullie papa is niet alleen lief,' zei mama ernstig, 'hij is ook verstandig.'
Wij knikten vol respect, want wij zijn goed, maar mama is beter. Mama is zo goed dat ze nooit hoeft te zeuren. Hier zag je het maar weer eens: 'je bent verstandig' is voor papa veel leuker om te horen dan 'je bent lief'. Dat hij lief is, wordt hem vaak genoeg verteld. Want hij ís ook lief. Maar dat hij verstandig is, krijgt hij niet zo vaak te horen. Dus dat is fijner.
We moesten even wachten tot de vissers de laatste restjes van hun vangst uit het water hadden geschept.
'Schat,' zei mama, 'doe jij intussen even de duikboot op slot? Je weet tenslotte maar nooit.'
'Heel verstandig,' zei papa.
'Hm-hm,' knikte mama verveeld.
Even later gingen de vissers ons voor, over het koraalrif naar het reclame-witte strand. Daar begonnen de mannen hun vissen in een paar kratten te laden.
'Mag wij meehelpen?' vroeg Kwetter.
Daar zeiden de mannen geen nee tegen. Want ze verstonden de vraag niet.
Ze zeiden wel iets anders, en misschien betekende dat wel 'nee', maar dat verstonden wij niet dus het mocht gewoon.
Met onze hulp zaten de kratten in een oogwenk vol, en we droegen ze het strand over, onder de palmbomen door, naar een zanderig weggetje waar een oude bestelwagen stond. We laadden de kratten achterin, en de mannen gebaarden dat wij er bovenop moesten gaan zitten.
We gingen op weg. De wagen hotste en hobbelde, de motor kuchte, tufte en pruttelde en onze kont werd koud, want de mannen hadden ijs in de kratten gedaan. Anders kun je de vis weg weggooien.
De hele wagen rook trouwens naar vis, en dan bedoel ik vis die heel lang in een krat had gelegen zonder ijs erbij.
Kortom, de reis was niet zo comfortabel. En dan lijkt het altijd langer te duren. Dus toen de auto na een kwartiertje later tot stilstand kwam, hadden wij het idee dat we er vijftien uur in gezeten hadden. Ik persoonlijk had zelfs gevreesd dat deze autorit nooit meer op zou houden, dat we voor eeuwig moesten blijven zitten in die stank van rotte vis en lekkende benzine, met rooie hoofden van de zonnehitte en een bevroren kont van het ijs, terwijl we woest door elkaar werden geschud en ons aan alle hoeken van de bestelwagen stootten, sneden en bezeerden.
Sterker nog, toen we waren uitgestapt had ik nog steeds het idee dat de autorit, die zojuist achter ons lag, nooit op was gehouden. Dat ik mijn hoofd zo hard had gestoten dat ik bewusteloos was en droomde. Droomde dat de tocht voorbij was. Straks zou ik weer wakker worden en dan zou ik nog steeds achterin die rot-auto zitten.
Maar nee, het was geen droom, we waren aangekomen in het dorp van de vissers. Ze hielpen pons met uitstappen en brachten ons naar het plein, waar een klein houten kerkje stond. Naast het kerkje stond een paar bomen, en tussen de bomen hing een hangmat. Daarin lag een blanke mankruiswoordraadsels te maken.
'Oh nee,' kreunde papa.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Papa,' zeiden wij, 'je bent lief.' Want de echte zeur-expert weet: goed zeuren is mooi, maar goed afronden is minstens zo belangrijk. Als je na een succesvolle zeur-sessie een tevreden smoel trekt, zo van 'haha, ik heb lekker gewonnen', dan wordt het de volgende keer veel moeilijker. Dankbaarheid moet je tonen, en complimentjes moet je geven, dan heb je de volgende sessie al half gewonnen.
'Jullie papa is niet alleen lief,' zei mama ernstig, 'hij is ook verstandig.'
Wij knikten vol respect, want wij zijn goed, maar mama is beter. Mama is zo goed dat ze nooit hoeft te zeuren. Hier zag je het maar weer eens: 'je bent verstandig' is voor papa veel leuker om te horen dan 'je bent lief'. Dat hij lief is, wordt hem vaak genoeg verteld. Want hij ís ook lief. Maar dat hij verstandig is, krijgt hij niet zo vaak te horen. Dus dat is fijner.
We moesten even wachten tot de vissers de laatste restjes van hun vangst uit het water hadden geschept.
'Schat,' zei mama, 'doe jij intussen even de duikboot op slot? Je weet tenslotte maar nooit.'
'Heel verstandig,' zei papa.
'Hm-hm,' knikte mama verveeld.
Even later gingen de vissers ons voor, over het koraalrif naar het reclame-witte strand. Daar begonnen de mannen hun vissen in een paar kratten te laden.
'Mag wij meehelpen?' vroeg Kwetter.
Daar zeiden de mannen geen nee tegen. Want ze verstonden de vraag niet.
Ze zeiden wel iets anders, en misschien betekende dat wel 'nee', maar dat verstonden wij niet dus het mocht gewoon.
Met onze hulp zaten de kratten in een oogwenk vol, en we droegen ze het strand over, onder de palmbomen door, naar een zanderig weggetje waar een oude bestelwagen stond. We laadden de kratten achterin, en de mannen gebaarden dat wij er bovenop moesten gaan zitten.
We gingen op weg. De wagen hotste en hobbelde, de motor kuchte, tufte en pruttelde en onze kont werd koud, want de mannen hadden ijs in de kratten gedaan. Anders kun je de vis weg weggooien.
De hele wagen rook trouwens naar vis, en dan bedoel ik vis die heel lang in een krat had gelegen zonder ijs erbij.
Kortom, de reis was niet zo comfortabel. En dan lijkt het altijd langer te duren. Dus toen de auto na een kwartiertje later tot stilstand kwam, hadden wij het idee dat we er vijftien uur in gezeten hadden. Ik persoonlijk had zelfs gevreesd dat deze autorit nooit meer op zou houden, dat we voor eeuwig moesten blijven zitten in die stank van rotte vis en lekkende benzine, met rooie hoofden van de zonnehitte en een bevroren kont van het ijs, terwijl we woest door elkaar werden geschud en ons aan alle hoeken van de bestelwagen stootten, sneden en bezeerden.
Sterker nog, toen we waren uitgestapt had ik nog steeds het idee dat de autorit, die zojuist achter ons lag, nooit op was gehouden. Dat ik mijn hoofd zo hard had gestoten dat ik bewusteloos was en droomde. Droomde dat de tocht voorbij was. Straks zou ik weer wakker worden en dan zou ik nog steeds achterin die rot-auto zitten.
Maar nee, het was geen droom, we waren aangekomen in het dorp van de vissers. Ze hielpen pons met uitstappen en brachten ons naar het plein, waar een klein houten kerkje stond. Naast het kerkje stond een paar bomen, en tussen de bomen hing een hangmat. Daarin lag een blanke mankruiswoordraadsels te maken.
'Oh nee,' kreunde papa.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
donderdag 8 maart 2012
Zou dat nou niet gevaarlijk zijn?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wat ik zag was een grote rookwolk, uit de richting van mama's laboratorium.
We haastten ons erheen. Kwetter leek door de boomtoppen te vlíegen, zo hard ging ze. De Boegoenezen gingen niet veel langzamer, en direct achter de Boegoenezen kwam ik. Ik sprong en zwierde en rende over boomtakken, allemaal veel sneller dan ik zelf ooit voor mogelijk had gehouden.
Ja, als je moeder in de fik staat, dan wil je wel.
Papa wilde ook wel, maar hij kón niet snel. Het duurde niet lang of hij hing ergens aan een doodstille liaan, midden tussen twee takken in.
'Red jij papa,' hijgde ik tegen Gaby, 'dan help ik mama.'
'Ga maar zonder mij!' riep papa dapper. 'Ik red me wel!' Maar al terwijl hij het zei begon hij langzaam langs zijn liaan naar beneden te glijden. Ik keek naar de grond en ja hoor, daar aan het uiteinde van de liaan lag een alligator. Met, inderdaad, een verwachtingsvol opengesperde bek.
'Red hem nou maar,' drong ik aan, en Gaby mopperde jaja, rustig maar, en zwierde op hem af.
Zelf ging ik verder naar mama's laboratorium.
Dat stond, zag ik tot mijn ontzetting, compleet in lichterlaaie. Het houten vloertje was al niet eens meer te zien – de hele boomkruin was één brullende, kronkelende massa vlammen.
De boomtoppen ernaast zaten vol Boegoenezen, die een beetje schaapachtig naar de brand zaten te kijken. Geen van hen stak ook maar één poot uit om mijn moeder te redden.
'Ik kom eraan mama,' schreeuwde ik. 'Hou vol, in 's hemelsnaam, hou vol!'
'Doe ik, lieverd,' klonk haar stem achter mij. Ik draaide me om. Daar zat ze, op een tak, met in haar armen een enorme stapel halve kokosnoten. Ze zag er een beetje aangebrand uit – alsof haar kapsel in brand had gestaan, eigenlijk (en dat had het ook) – maar ze was springlevend en er ontbraken, zo op het eerste gezicht, geen belangrijke stukjes. Kwetter zat naast haar.
'Ik zit hier goed, hoor,' zei ze geruststellend. 'Je dacht toch niet dat ik in mijn lab was gebleven? Haha! Nee, dat is het eerste dat je leert als je wetenschapper wordt: bij brand in het lab meteen naar buiten. Hup!' Ze gooide mij een halve kokosnoot toe.
'Wat moet ik daarmee?'
'Water scheppen,' antwoordde mama. 'Dat vuur moet uit, anders staat straks het hele bos in de fik. Dat probeer ik ook al de hele tijd aan de Boegoenezen te vertellen, maar als iets zeg beginnen ze alleen maar vriendelijk en geïnteresseerd te knikken. Verder doen ze niks.'
'Ik vertaal het wel even,' zei ik. Ik spreek zeer gebrekkig Boegoenees, maar ze begrepen snel genoeg wat ik wilde vertellen. Ze zaten zich ook al de hele tijd bezorgd af te vragen: zou dat nou niet gevaarlijk zijn, zo'n brandende boom midden in het bos?'
Ze begonnen meteen met blussen. Maar een brand blussen met halve kokosnoten, dat is nog niet zo eenvoudig.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wat ik zag was een grote rookwolk, uit de richting van mama's laboratorium.
We haastten ons erheen. Kwetter leek door de boomtoppen te vlíegen, zo hard ging ze. De Boegoenezen gingen niet veel langzamer, en direct achter de Boegoenezen kwam ik. Ik sprong en zwierde en rende over boomtakken, allemaal veel sneller dan ik zelf ooit voor mogelijk had gehouden.
Ja, als je moeder in de fik staat, dan wil je wel.
Papa wilde ook wel, maar hij kón niet snel. Het duurde niet lang of hij hing ergens aan een doodstille liaan, midden tussen twee takken in.
'Red jij papa,' hijgde ik tegen Gaby, 'dan help ik mama.'
'Ga maar zonder mij!' riep papa dapper. 'Ik red me wel!' Maar al terwijl hij het zei begon hij langzaam langs zijn liaan naar beneden te glijden. Ik keek naar de grond en ja hoor, daar aan het uiteinde van de liaan lag een alligator. Met, inderdaad, een verwachtingsvol opengesperde bek.
'Red hem nou maar,' drong ik aan, en Gaby mopperde jaja, rustig maar, en zwierde op hem af.
Zelf ging ik verder naar mama's laboratorium.
Dat stond, zag ik tot mijn ontzetting, compleet in lichterlaaie. Het houten vloertje was al niet eens meer te zien – de hele boomkruin was één brullende, kronkelende massa vlammen.
De boomtoppen ernaast zaten vol Boegoenezen, die een beetje schaapachtig naar de brand zaten te kijken. Geen van hen stak ook maar één poot uit om mijn moeder te redden.
'Ik kom eraan mama,' schreeuwde ik. 'Hou vol, in 's hemelsnaam, hou vol!'
'Doe ik, lieverd,' klonk haar stem achter mij. Ik draaide me om. Daar zat ze, op een tak, met in haar armen een enorme stapel halve kokosnoten. Ze zag er een beetje aangebrand uit – alsof haar kapsel in brand had gestaan, eigenlijk (en dat had het ook) – maar ze was springlevend en er ontbraken, zo op het eerste gezicht, geen belangrijke stukjes. Kwetter zat naast haar.
'Ik zit hier goed, hoor,' zei ze geruststellend. 'Je dacht toch niet dat ik in mijn lab was gebleven? Haha! Nee, dat is het eerste dat je leert als je wetenschapper wordt: bij brand in het lab meteen naar buiten. Hup!' Ze gooide mij een halve kokosnoot toe.
'Wat moet ik daarmee?'
'Water scheppen,' antwoordde mama. 'Dat vuur moet uit, anders staat straks het hele bos in de fik. Dat probeer ik ook al de hele tijd aan de Boegoenezen te vertellen, maar als iets zeg beginnen ze alleen maar vriendelijk en geïnteresseerd te knikken. Verder doen ze niks.'
'Ik vertaal het wel even,' zei ik. Ik spreek zeer gebrekkig Boegoenees, maar ze begrepen snel genoeg wat ik wilde vertellen. Ze zaten zich ook al de hele tijd bezorgd af te vragen: zou dat nou niet gevaarlijk zijn, zo'n brandende boom midden in het bos?'
Ze begonnen meteen met blussen. Maar een brand blussen met halve kokosnoten, dat is nog niet zo eenvoudig.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)