Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 26. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 26. Alle posts tonen

vrijdag 28 februari 2014

Daar wordt God helemaal niet blij van

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Gaby heeft gelijk, schat,' zei papa. 'Het is te gevaarlijk. Die zaal zit vol met publiek, daar komen duizenden mensen op af. Er hoeft maar één idioot met een pistool tussen te zitten, die graag twaalf miljoen wil verdienen, en pang! Weg ben je.'
Mama haalde diep adem. Ze ging iets zeggen wat papa niet zou geloven, dat zag ik aan haar gezicht. 'Dat heb ik ook tegen meneer Clusjes gezegd, maar volgens hem is er geen enkel probleem. Hij garandeert dat ik helemaal veilig zal zijn.'
Papa trok één wenkbrauw op. Dat doet hij alleen als hij iets echt, echt, écht niet gelooft. Bijvoorbeeld als de kassamevrouw in de winkel een bedrag van 51,48 aanslaat terwijl hij denkt dat het 48,56 moet zijn.
Daar heeft hij dan, trouwens, altijd gelijk in.
Ook als er mensen aan de deur komen om over God te vertellen, trekt hij dat gezicht.
Papa gelooft heel erg in god, maar dat kan op verschillende manieren. En papa's manier gaat nooit langs de deuren om andere mensen over te halen om bij zijn club te komen. Daar wordt God helemaal niet blij van, volgens papa.
Hij weet dat nog zekerder dan die 46,56. Ik heb geen idee hoe je zou kunnen controleren of hij gelijk heeft. Volgens mij kom je dar pas achter als je dood bent, en da's een beetje laat. Dus... ja...
Dat gezicht, met die ene wenkbrauw, trekt hij ook vaak als mensen mama ongelijk geven. Bijvoorbeeld die fatsoenlijke meneer die ooit tegen mama zei: 'Maar mevrouw, u kunt toch niet zomaar mijn winkel opblazen, alleen maar omdat u vindt dat ik rommel verkoop?'
Toen trok papa dus die wenkbrauw op. Want volgens hem kon mama wel degelijk die winkel opblazen omdat ze vond dat hij rommel verkocht.
En reken maar dat hij gelijk had.
Daar kwam die fatsoenlijke meneer ook achter, en wel binnen vijf minuten.
Hij verkocht trouwens ook echt rommel, dus... ja...
Dit was echter de eerste keer dat ik papa een wenkbrauw zag optrekken om iets wat mama gezegd had. Meestal gelooft hij alles wat ze zegt, ook als ze onzin uitkraamt, maar nu zei hij: 'Sorry schat, maar hoe kan Clusjes nou garanderen dat je veilig bent? Gaat hij van die poortjes plaatsen bij de ingang? Poortjes die gaan piepen als er iemand een pistool of een mes mee naar binnen neemt? Maar als iemand nou van te voren een pistool verstopt, bijvoorbeeld in de wc's, en...'
Mama schudde lachend haar hoofd. 'Poortjes? Niks poortjes. We hebben het hier over meneer Clusjes, vergeet dat niet. Over een genie. Een genie dat altijd een oplossing weet, voor elk probleem, en dan geen halfbakken flauwekul-oplossing die iedereen zou kunnen bedenken, maar een échte oplossing die het probleem voor eens en voor altijd de wereld uit helpt. Een oplossing die geen enkel ander mens had kunnen verzinnen...'
'Laat me raden,' zei Gaby. 'Hij maakt ergens een computer van?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 9 november 2012

De Engel des Doods

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'De M.S. Engel des Doods is een schip. Een vissersboot, zou je kunnen zeggen. Maar dan groter. Veel groter. Het is de grootste boot ter wereld.'
'Behalve vliegdekschepen natuurlijk,' zei Micheal. 'Dat zijn een soort drijvende vliegvelden,' legde hij uit aan Kwetter en mij. Alsof wij dat niet wisten, omdat we meisjes zijn of zo.
'Och jochie toch,' glimlachte papa vertederd. 'Meneer Leeghwater, de eigenaar van de Engel des Doods, die lacht om vliegdekschepen. Roeibootjes, noemt hij die. Drijvende vliegvelden? Ha! De Engel des Doods is een drijvende stad. En niet eens een kleine stad. Laat ik het zo zeggen: de Engel des Doods heeft óók een vliegveld aan boord, en het is het enige schip ter wereld waarop je het vliegveld moet zoeken. Je zou er zelfs kunnen verdwalen, op weg naar het vliegveld. En dat terwijl het vliegveld veel groter is dan dat ven een vliegdekschip. Want vliegdekschepen hebben helikopters aan boord, en straaljagers waarin maar een of twee mensen hoeven te zitten. Maar vanaf de Engel des Doods stijgen vrachtvliegtuigen op. Vrachtvliegtuigen vol ingeblikte vis. Want de Engel des Doods is in de eerste plaats een fabriek. Een drijvende fabriek, waar vis-in-blik wordt gemaakt. En diepvriesvis. En vissticks.
Al die vis moet natuurlijk ook gevangen worden, en daar heeft de Engel des Doods netten voor. Nou moet ik jullie even uitleggen dat die netten...'
'Heel erg groot zijn?' vulde ik aan. 'Hoef je niet uit te leggen, hoor, we snappen het wel zo'n beetje.'
'Neenee, jullie snappen het helemaal niet. Jullie denken: oh, die netten zullen wel enorm groot zijn. Maar wat jullie onmogelijk kunnen begrijpen is dat ze echt...' Hij graaide met zijn handen in de lucht, alsof hij zo de woorden kon grijpen om te zeggen wat hij bedoelde. '...echt... enorm... groot zijn. Stel je maar eens voor dat de kapitein zegt: he, verdorie, nou zit er alweer een walvis in het net, en dat de bootsman zegt: waar dan, ik zie 'm niet. Links achter, zegt de kapitein, bij die school haring in de buurt. Oooh, doet de stuurman dan, nou zie ik 'm ook, jeetje wat een grote zeg.
Dit soort gesprekjes is heel gewoon aan boord van de Engel des Doods. Omdat de netten zo... zo...'
'Enorm groot zijn?' hielp ik.
'Juist, zei papa.
'Wacht even,' zei Michael opgewonden. 'Begrijp ik het goed? Vangt die boot walvissen?' Hij probeerde heel verontwaardigd te kijken maar het was maar al te duidelijk dat hij dacht: dan is dat ene walvisje van mij zo erg nog niet.
'Natuurlijk vangen ze walvissen,' zei papa. 'Ze vangen alles. Walvissen, zeeschildpadden, dolfijnen, zeilmeisjes, zeehonden reuzeninktvissen en naamloze monsters uit de diepzee. Waar de Engel des Doods is langsgeweest, vind je geen enkel levend wezen meer in het water.'
Ik voelde me niet lekker, want een vreselijk vermoeden was bij me opgekomen. Ik hoopte maar dat ik mijn vader verkeerd verstaan had.
'Zeilmeisjes?' vroeg ik met een beverig stemmetje. 'Zei je nou: zeilmeisjes?'
'Ja,' zei mama, 'dat zijn van die frisse, dappere, ondernemende meiden die in hun eentje de wereld rond proberen te zeilen. Om record te breken en zo.'
'Ik weet wel wat een zeilmeisje is,' piepte ik. 'Maar... papa... ik begin opeens te denken dat...'
Papa sloot zijn ogen en knikte. 'Je hebt gelijk,' zei hij.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 19 maart 2012

De geheimen van het nokonootje

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'U bent in gevaar,' zei de kanoman. 'In groot gevaar. Ik vertel u daar zo meteen meer over. Maar eerst wil ik u graag vragen, als u mij niet heel brutaal vindt, om iets te eten. Mijn eigen voorraden zijn opgegeten door een of ander beest, vrees ik, en ik heb al twee dagen honger.'
'Maar natuurlijk,' zei mijn moeder beleefd, 'blieft u een handje noko-nootjes?'
'Nooit van gehoord,' zei de man. 'Maar ze zijn vast lekker.'
'Oh, absoluut,' zei mijn vader.
Kwetter knikte enthousiast. 'Nokonootjes is de lekkerste nootjes van allemaal!' jubelde ze. 'Nokonootjes is nog lekkerder dan kokosnoot!'
'En het toeval wil,' zei mijn moeder, 'dat we nu net in een nokoboom zitten. Anders kon ik ze u ook niet aanbieden, want ik heb ze – zeg maar – niet in mijn broekzak.'
'Eh... inderdaad,' zei de man, en hij keek niet naar de plaats waar haar broekzak niet zat.
Mama plukte een paar nootjes en stak ze in haar mond.
De man wachtte of hij ook wat zou krijgen. Maar nee.
Onzeker keek hij ons aan.
Gaby begreep het als eerste: de man kende de Boegoenese gebruiken niet, en wachtte op zijn handje nootjes.
'U krijgt ze zometeen hoor,' stelde ze hem gerust. 'Dan spuugt mama ze recht in uw mond. Ze spuugt heel nauwkeurig, dus u hoeft niet bang te zijn voor vlekken in uw pak of zo.'
'Ehhhh,' zei de man. 'Als u het niet heel erg vindt, kauw ik eigenlijk liever zelf.'
'Nou ja, feg!' deed mijn moeder. Ze was niet bijster goed te verstaan, want haar mond zat vol, en bij het praten sproeide ze een fijne hagel van kapot gekauwde nokonootjes in het rond. 'Dat if heew onfatfoenwijk, wift u dat wew?'
'Het spijt me zeer,' antwoordde de kanoman. 'Dan ben ik maar onfatsoenlijk.'
Ik haalde mijn schouders op en plukte een handje nokonootjes voor hem.
Daarna ging ik samen met Gaby en Kwetter zeuren of mama haar nootjes in onze mond wilde spugen.
Want er is, dat moet ik misschien even uitleggen, iets wonderlijks met die nokonootjes.
Ze zijn het aller-, allersmerigste voedsel dat je ooit hebt geproefd. Bitter en ranzig en zuur tegelijk. Echt heel, heel vies. Totdat – en nu komt het – totdat je er een tijdje op gekauwd hebt. Dan veranderen ze langzaam in iets verrukkelijks.
Mama heeft het me een keer uitgelegd, en het had natuurlijk weer te maken met moleculen. Er is kennelijk een bepaald soort goedje wat die nootjes heel vies maakt, en dat door de moleculen uit je spuug verandert in iets heerlijks. Het kauwen schijnt er ook mee te maken te hebben.
In ieder geval: het telt als een daad van grote liefde en opoffering om nokonootjes voor iemand te kauwen.
Want helemaal niemand eet voor zijn lol een nokonootje.
Daar was de kanoman inmiddels ook achter. Met tranen in zijn ogen zat hij zijn smerige nootjes weg te slikken.
'U had beter nog even door kunnen kauwen,' legde ik uit. 'Nog een paarseconden en ze waren heel erg lekker geworden.
'Haha, domme ik,' kreunde de man terwijl hij de tranen uit zijn ogen veegde. 'Haastige spoed is zelden goed, nietwaar? Haha. Nou ja, ik heb in elk geval geen honger meer. Hoog tijd om jullie te vertellen van het gevaar waarin je verkeert. Dit bos...'
'...wordt omgehakt door meneer Hakmaranman en zijn vriend Smek gaat van alle inwoners mjamburgers maken,' zeiden wij in koor.
'Oh,' zei de man een beetje teleurgesteld. 'U wist het al.'
'Jazeker,' glimlachte mijn vader. 'Maar wat u niet weet, en meneer Hakmaranman weet dat ook niet, is dat dat voze plannetje niet doorgaat. Want mijn vrouw is niemand anders dan... de Donderkat!'
De ogen van de kanoman, die altijd al groot leken dankzij zijn dikke bril, werden nu werkelijk reusachtig. Zijn gezicht verbleekte en hij stamelde: 'U? Maar... maar...'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE