BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vanuit de haven moesten we nog een kwartier met de bus.
Het was raar om in een bus te zitten.
We hadden wel vaker in bussen gezeten, natuurlijk, maar dat was al weer een hele tijd geleden. De afgelopen jaren hadden we rondgereden in tanks en gestolen politiewagens, rondgezwierd aan lianen, over de zee gezeild en onder zee ge... ge... geönderzeeërd. In ons blote niksie door het moeras gewaad, met pantserwagens dwars door huizen heen gereden, onder helikopters gehangen... Ja, wij hadden zo ongeveer alles wel gedaan wat je kunt doen, wat vervoer betreft.
Gevaarlijke, spannende dingen
Maar zoiets simpels als een ritje in een gewone stadsbus? Nee, dat hadden we al die tijd niet gedaan. Niet kúnnen doen. Te gevaarlijk. Want in de bus zitten allerlei mensen. Mensen die misschien wel weten dat je een terrorist bent. En die dan de politie gaan zitten bellen.
Dan komt de politie achter je aan, wat op zich geen ramp is. Ik bedoel: aan de politie kun je best nog ontsnappen. Als je zelf, bijvoorbeeld, in een gestolen politiewagen zit.
Maar als je in een gewone stadsbus zit? Een bus die je niet eens zelf mag besturen? Vergeet het maar.
Nee, in bussen kun je alleen rijden als je echt helemaal honderd procent zeker officieel geen terrorist bent.
En dat waren wij nu. We konden weer een gewoon leven leiden.
Daarom voelden we ons zo vreemd daar in die bus.
Ik zelf voelde het niet meteen bij het instappen, maar toen we eenmaal op een bankje zaten zei papa met schorre stem: 'Fijn he jongens, een ritje...' Hij perste heel even zijn lippen op elkaar en slikte iets weg. '...een ritje met de bus?'
In mama's ogen zag ik heel even een traantje blinken. Ze knipperde met haar ogen en het was weg: wetenschappers huilen niet. Dat heeft invloed op de resultaten, denk ik.
Maar toen ik mama's oog zag glimmen, toen moest ik zelf ook bijna huilen.
Gelukkig kon ik me nog een beetje inhouden dankzij Kwetter. Want die begon te roepen: 'Ja, nou en of dat fijn bent! Bussen bent heel bijzonder! Daar hebt in ik nog nooit ingezeten! Joewieie! Ze sprong op en neer op de bank, en van pure pret wilde ze haar boek uittrekken.
Dat wil ze altijd als ze blij is, want ze komt uit Boegoe-Boegoe en daar dragen de mensen geen kleren.
Er rijden trouwens ook geen bussen. Te modderig.
Gaby en ik moesten Kwetter tegen de grond worstelen, zodat mama haar broek weer dicht kon knopen. Mama is héél streng op het gebied van broeken aanhouden. En op netjes eten en beleefd zijn en alle andere vormen van fatsoen.
Kwetter tegen de grond worstelen is best lastig, want ze is supersterk en razendsnel. Ze klauterde in de ijzeren stangen tussen de bankjes ze sprong heen en weer, maakte salto's en koprollen. Mama, Gaby en ik holden achter haar aan. Het werd een wilde achtervolging. Alleen papa bleef op zijn bankje zitten. Hij steunde met zijn hoofd in zijn handen en mompelde droevig: 'Ach, wie houd ik eigenlijk voor de gek? Normaal wordt het nooit meer.'
De chauffeur zette de bus stil, want de andere passagiers hadden nogal wat last van ons. De rest van het stuk moesten we lopen.
Dat was niet zo leuk, maar in ieder geval had ik niet hoeven huilen of zoiets stoms. En dat is ook wat waard.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 33. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 33. Alle posts tonen
maandag 17 maart 2014
maandag 26 november 2012
Kwetter is gezond zat
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Zo zien we maar weer,' grijnsde Willem, 'Hoogmoed komt voor de val. Laat ik dus maar niet gaan lopen roepen van "haha, eigen schuld, had je maar moeten doen wat ik vroeg," of zelfs maar "u kunt veilig bij mij logeren als u mij mijn zin geeft". Nee,dat zou hoogmoedig zijn van mij. Ik kijk wel mooi uit. U kunt gewoon bij overnachten hoor. Zo lang als het nodig is.'
We reden terug naar het dorp en Willem begon meteen met spulletjes te rommelen. Hij had een enorm groot huis, dat naast de kerk stond; veel te groot voor een man alleen. In de meeste kamers lagen er lakens over de meubel, tegen het stof, omdat er nooit iemand kwam. Maar nu gingen de lakens eraf, de ramen werden opengezet en de matrassen opgeklopt.
Papa en mama gingen in de keuken aan de slag.
'Die man kan onmogelijk alles zelf doen,' zeiden ze. 'Én de slaapkamers én het eten, nee hoor, dat gaat niet.'
'Gaat wel,' galmde Willem vanaf de bovenverdieping. 'Gaat prima, hoor! Duurt alleen even, dus de kinderen liggen er vrij laat in, maar dat is niet erg, of wel jongens?'
'Neeee!' riepen wij, maar dat was eigenlijk vooral beleefdheid, want we waren best moe en die Willem had geeneens televisie. Dat hadden we al lang gezien. Dus laat opblijven betekende vandaag: heel lang wakker blijven en je mond houden terwijl de grote mensen praten.
Nou, dan ga ik net zo lief naar bed.
Gelukkig kwam papa een uurtje later met een grote, dampende stapel pannenkoeken de keuken uit.
'Pannenkoeken,' zei Willem, die net op dat moment de trap af kwam, 'dát is lang geleden, zeg! Vroeger was dat mijn lievelings-eten. Gek eigenlijk, dat ik ze niet meer gegeten heb sinds ik een groot mens ben.'
'Waarom eet jij niet elke dag pannenkoeken?' vroeg Kwetter verwonderd. 'Als ik een groot mens was, dan weette ik het wel! Dan eette ik elke dag pannenkoeken, en niemand die zegde van: dat is ongezond voor je.'
'Eh, Kwetter,' zei ik, 'je eet nu ook elke dag pannenkoeken.'
'Ja, maar papa en mama zegt steeds van: dat is ongezond voor je. Daar luistert ik wel niet naar, maar het is tóch niet leuk.'
'Je moet altijd naar je vader en moeder luisteren, meisje,' zei Willem ernstig.
'Kunt jij dit?' vroeg Kwetter. Ze ging op haar handen staan en wandelde door de kamer met haar voeten in de lucht. Daarna sprong ze, nog steeds met alleen haar handen, naar een hoge boekenkast en ze greep mat haar tenen de bovenste plank vast. Zo bleef ze tevreden hangen. 'Ik kunt dit wel, namelijk. Dus ik is gezond zat, vindt ik.'
Mama kwam uit de keuken met een grote schaal, waarop een soort pakketjes van bananenbladeren lagen.
'Zijn jullie nog niet aan de pannenkoeken begonnen?' vroeg ze verwonderd. 'Ze koelen af, hoor!' Daar had ze gelijk in; we gingen snel aan tafel. Een half uur later was er geen pannenkoek meer te bekennen.
'Haaa,' zuchtte Willem vergenoegd, terwijl hij achterover leunde en over zijn buik wreef. 'Dat was ouderwets lekker. Je hebt gelijk, Kwetter. Waarom eet ik dit niet elke dag? Maar nou ben ik toch zó benieuwd, mevrouw Laarmans, met wat voor een toetje u ons gaat verrassen. Wat zit er in die bananenbladeren?'
'Oh, dat is geen toetje,' zei mama. 'Maar het is wél een verrassing.'
Wij kennen mama langer dan vandaag, dus wij hadden meteen door wat de verrassing was.
'Joewieieie,' riep Kwetter. 'Boemmm!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Zo zien we maar weer,' grijnsde Willem, 'Hoogmoed komt voor de val. Laat ik dus maar niet gaan lopen roepen van "haha, eigen schuld, had je maar moeten doen wat ik vroeg," of zelfs maar "u kunt veilig bij mij logeren als u mij mijn zin geeft". Nee,dat zou hoogmoedig zijn van mij. Ik kijk wel mooi uit. U kunt gewoon bij overnachten hoor. Zo lang als het nodig is.'
We reden terug naar het dorp en Willem begon meteen met spulletjes te rommelen. Hij had een enorm groot huis, dat naast de kerk stond; veel te groot voor een man alleen. In de meeste kamers lagen er lakens over de meubel, tegen het stof, omdat er nooit iemand kwam. Maar nu gingen de lakens eraf, de ramen werden opengezet en de matrassen opgeklopt.
Papa en mama gingen in de keuken aan de slag.
'Die man kan onmogelijk alles zelf doen,' zeiden ze. 'Én de slaapkamers én het eten, nee hoor, dat gaat niet.'
'Gaat wel,' galmde Willem vanaf de bovenverdieping. 'Gaat prima, hoor! Duurt alleen even, dus de kinderen liggen er vrij laat in, maar dat is niet erg, of wel jongens?'
'Neeee!' riepen wij, maar dat was eigenlijk vooral beleefdheid, want we waren best moe en die Willem had geeneens televisie. Dat hadden we al lang gezien. Dus laat opblijven betekende vandaag: heel lang wakker blijven en je mond houden terwijl de grote mensen praten.
Nou, dan ga ik net zo lief naar bed.
Gelukkig kwam papa een uurtje later met een grote, dampende stapel pannenkoeken de keuken uit.
'Pannenkoeken,' zei Willem, die net op dat moment de trap af kwam, 'dát is lang geleden, zeg! Vroeger was dat mijn lievelings-eten. Gek eigenlijk, dat ik ze niet meer gegeten heb sinds ik een groot mens ben.'
'Waarom eet jij niet elke dag pannenkoeken?' vroeg Kwetter verwonderd. 'Als ik een groot mens was, dan weette ik het wel! Dan eette ik elke dag pannenkoeken, en niemand die zegde van: dat is ongezond voor je.'
'Eh, Kwetter,' zei ik, 'je eet nu ook elke dag pannenkoeken.'
'Ja, maar papa en mama zegt steeds van: dat is ongezond voor je. Daar luistert ik wel niet naar, maar het is tóch niet leuk.'
'Je moet altijd naar je vader en moeder luisteren, meisje,' zei Willem ernstig.
'Kunt jij dit?' vroeg Kwetter. Ze ging op haar handen staan en wandelde door de kamer met haar voeten in de lucht. Daarna sprong ze, nog steeds met alleen haar handen, naar een hoge boekenkast en ze greep mat haar tenen de bovenste plank vast. Zo bleef ze tevreden hangen. 'Ik kunt dit wel, namelijk. Dus ik is gezond zat, vindt ik.'
Mama kwam uit de keuken met een grote schaal, waarop een soort pakketjes van bananenbladeren lagen.
'Zijn jullie nog niet aan de pannenkoeken begonnen?' vroeg ze verwonderd. 'Ze koelen af, hoor!' Daar had ze gelijk in; we gingen snel aan tafel. Een half uur later was er geen pannenkoek meer te bekennen.
'Haaa,' zuchtte Willem vergenoegd, terwijl hij achterover leunde en over zijn buik wreef. 'Dat was ouderwets lekker. Je hebt gelijk, Kwetter. Waarom eet ik dit niet elke dag? Maar nou ben ik toch zó benieuwd, mevrouw Laarmans, met wat voor een toetje u ons gaat verrassen. Wat zit er in die bananenbladeren?'
'Oh, dat is geen toetje,' zei mama. 'Maar het is wél een verrassing.'
Wij kennen mama langer dan vandaag, dus wij hadden meteen door wat de verrassing was.
'Joewieieie,' riep Kwetter. 'Boemmm!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 4 april 2012
Aan het uiteinde zit het hoofdje
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
In paniek rolde ik onder de huiden uit.
'Niet zagen!' gilde ik. 'Help! Help! Niet zagen, er lag iemand onder!'
'Dat méén je niet,' grijnsde meneer Hakmaranman. 'Nou, maar goed dat je het zegt. Anders had ik je nog doormidden gezaagd. Zoals ik nu... déze bobbel doormidden ga zagen.' Hij scheen met zijn zaklamp op de alligatorhuiden, die verspreid op de grond lagen. Er zat een dikke bobbel in: Gaby. Of Kwetter, natuurlijk.
'Waar zal ik eens beginnen,' vroeg hij boosaardig. 'In het midden? Of aan één van de uiteindjes? Aan het uiteinde zit het hoofdje, dat weet een kind. Als ik een aardige man was, mikte ik op het hoofdje, want dan ben je in één klap dood.' Hij zwaaide met zijn zaag-arm heen en weer boven de bobbel. Steeds lager. Ondertussen zei hij vrolijk: 'Nou ben ik helaas geen aardige man. Nee, van mij mag iemand wel even pijn hebben. Even goed voelen dat je nooit met meneer Hakmaranman...'
Verder kwam hij niet.
Ja, ik weet natuurlijk niet hoe jullie erover denken, maar ik vind het vrij dom als je zo'n verhaal gaat staan afsteken terwijl je vijand nog vrij rondloopt. Ik was dan wel een kleine vijand, en ik had dan wel geen kettingzaag, maar vijand is vijand en Hakmaranman was gewoon dom. Hij dacht waarschijnlijk: ik ben veel groter en sterker dan dat jochie, én ik heb een kettingzaag. En hij heeft niks. Dus voor hem hoef ik he-le-maal niet bang te zijn.
Was dat even een verrassing, toen ik een alligatorhuid over zijn hoofd gooide.
Heel even zag hij niks meer.
Vloekend maaide hij met zijn armen in de rondte. Als hij twee handen had gehad, had hij makkelijk dat vel van zij hoofd kunnen trekken. Maar hij had maar één hand en dat is, eh, minder handig. Bovendien was de huid een beetje vochtig en glibberig. Dus het duurde wel even voor hij weer wat kon zien. Steeds kwader werd hij. Stampvoetend stond hij met het ellendige ding te worstelen.
Kansje voor mij!
Hakmaranman was veel groter en sterker dan ik, dus ik zou hem nooit of te nimmer op de grond kunnen gooien al ging ik honderd jaar op judo.
Maar wie niks ziet en stampvoetend met zijn armen staat te zwaaien, die is niet goed in evenwicht.
Dus zonder veel moeite schopte ik die afschuwelijke kerel onderuit.
Dat was nog best gevaarlijk, want in zijn val zwaaide hij nog wilder met zijn armen en de zaag zoefde vlak langs mijn gezicht.
'Rennen!' riep ik. 'Kwetter! Gaby! Rennen!' Zelf gaf ik het goede voorbeeld. Ik holde zo hard dat mijn voeten nauwelijks de grond raakten. Tussen de containers door, terug naar de rand van het houthakkerskamp, zoef zoef klauter de dichtstbijzijnde boom in. Mijn hart sloeg als een dolgedraaide drummer met een hele dikke trom. Alsof het door mijn oren naar buiten wilde of zo. Van inspanning en van schrik. Hijgend en kloppend zat ik op de laagste tak en ik zag hoe Gaby tussen de containers door kwam gerend.
Vlak achter haar aan kwam meneer Hakmaranman.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
In paniek rolde ik onder de huiden uit.
'Niet zagen!' gilde ik. 'Help! Help! Niet zagen, er lag iemand onder!'
'Dat méén je niet,' grijnsde meneer Hakmaranman. 'Nou, maar goed dat je het zegt. Anders had ik je nog doormidden gezaagd. Zoals ik nu... déze bobbel doormidden ga zagen.' Hij scheen met zijn zaklamp op de alligatorhuiden, die verspreid op de grond lagen. Er zat een dikke bobbel in: Gaby. Of Kwetter, natuurlijk.
'Waar zal ik eens beginnen,' vroeg hij boosaardig. 'In het midden? Of aan één van de uiteindjes? Aan het uiteinde zit het hoofdje, dat weet een kind. Als ik een aardige man was, mikte ik op het hoofdje, want dan ben je in één klap dood.' Hij zwaaide met zijn zaag-arm heen en weer boven de bobbel. Steeds lager. Ondertussen zei hij vrolijk: 'Nou ben ik helaas geen aardige man. Nee, van mij mag iemand wel even pijn hebben. Even goed voelen dat je nooit met meneer Hakmaranman...'
Verder kwam hij niet.
Ja, ik weet natuurlijk niet hoe jullie erover denken, maar ik vind het vrij dom als je zo'n verhaal gaat staan afsteken terwijl je vijand nog vrij rondloopt. Ik was dan wel een kleine vijand, en ik had dan wel geen kettingzaag, maar vijand is vijand en Hakmaranman was gewoon dom. Hij dacht waarschijnlijk: ik ben veel groter en sterker dan dat jochie, én ik heb een kettingzaag. En hij heeft niks. Dus voor hem hoef ik he-le-maal niet bang te zijn.
Was dat even een verrassing, toen ik een alligatorhuid over zijn hoofd gooide.
Heel even zag hij niks meer.
Vloekend maaide hij met zijn armen in de rondte. Als hij twee handen had gehad, had hij makkelijk dat vel van zij hoofd kunnen trekken. Maar hij had maar één hand en dat is, eh, minder handig. Bovendien was de huid een beetje vochtig en glibberig. Dus het duurde wel even voor hij weer wat kon zien. Steeds kwader werd hij. Stampvoetend stond hij met het ellendige ding te worstelen.
Kansje voor mij!
Hakmaranman was veel groter en sterker dan ik, dus ik zou hem nooit of te nimmer op de grond kunnen gooien al ging ik honderd jaar op judo.
Maar wie niks ziet en stampvoetend met zijn armen staat te zwaaien, die is niet goed in evenwicht.
Dus zonder veel moeite schopte ik die afschuwelijke kerel onderuit.
Dat was nog best gevaarlijk, want in zijn val zwaaide hij nog wilder met zijn armen en de zaag zoefde vlak langs mijn gezicht.
'Rennen!' riep ik. 'Kwetter! Gaby! Rennen!' Zelf gaf ik het goede voorbeeld. Ik holde zo hard dat mijn voeten nauwelijks de grond raakten. Tussen de containers door, terug naar de rand van het houthakkerskamp, zoef zoef klauter de dichtstbijzijnde boom in. Mijn hart sloeg als een dolgedraaide drummer met een hele dikke trom. Alsof het door mijn oren naar buiten wilde of zo. Van inspanning en van schrik. Hijgend en kloppend zat ik op de laagste tak en ik zag hoe Gaby tussen de containers door kwam gerend.
Vlak achter haar aan kwam meneer Hakmaranman.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)