Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 38. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 38. Alle posts tonen

vrijdag 28 maart 2014

Hulp van een Zombie-leger

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

Maar dat kwam later pas. Op een heel andere plek, met een heel andere man en een heel andere baas. Voorlopig stonden we nog met z'n allen in het Swinefeller Auditorium, en Fitz ging aan het werk om die stoel te repareren. Met een koortsachtige haast haalde hij schroevendraaiers, lijm, naald en draad, een las-apparaat, plakband en koperdraad te voorschijn en toog aan het werk. Hij bleek heel erg handig te zijn; zijn vlugge vingers dansten over de leuning van de stoel, van naald naar draad naar lijm naar schroef en weer terug. Binnen een kwartier was de stoel zo goed gerepareerd, dat je nergens aan kon merken dat hij ooit kapot was geweest.
Wij stonden er vol bewondering naar te kijken. Of, in mijn geval, halfvol bewondering. Fitz was en bleef tenslotte een suffe, snotterige slijmbal.
Meneer Clusjes vond het nog minder interessant dan ik. Al na een halve minuut keek hij op zijn horloge en zei: 'Over negenentwintig en een halve minuut ben jij hier klaar, Fitz. Dan doet alles het weer. Daarna mag je deze mensen de weg wijzen. En als het niet klaar is roep je een collega. Die leidt dan de gasten rond. Daarna ga je naar juffrouw Ellen. Die zorgt voor je ontslag-papieren.' Hij wendde zich tot ons. 'Ik heb het druk. Ik spreek jullie later op de avond weer.' Haastig beende hij de deur uit.
Zodra hij vertrokken was doken er honderden mensen op uit de duisternis van de vergaderzaal. Ze waren allemaal bleek, en allemaal hadden ze donkere kringen rondom hun ogen, zodat ik heel eventjes dacht dat de grote zombieplaag, die ik in zoveel computerspelletjes had bestreden, werkelijkheid geworden was. Had ik nu maar een kettingzaag, dacht ik.
Maar het viel mee. Het waren gewoon de collega's van Fitz, bleek geworden van het altijd binnen zitten en met wallen onder hun ogen van zorgen en slaapgebrek.
Waarschijnlijk lagen ze de hele nacht wakker, piekerend over nieuwe manieren om zich te vernederen voor meneer Clusjes.
'We hebben alles gehoord, meneer Fitzpedro!' riepen ze. 'We vinden het heel erg voor u! We zullen u helpen, net zoals u ons altijd helpt. We gaan alles op alles zetten om die stoelen weer aan de praat te krijgen, ook al moeten we er een heel nieuw computerprogramma voor schrijven!'
'Daar is het te laat voor,' gromde Fitz (die blijkbaar Fitzpedro heette. Dat is een beetje een rare naam, dus ik kon me wel voorstellen dat meneer Clusjes er Fitz van maakte). 'Over het eerste programma hebben we met z'n allen drie weken gedaan!'
'We zullen het doen, meneer Fitzpedro! Ook al kan het niet! Want het moet. Meneer Clusjes wil het!' Met die woorden haalden ze overal computers vandaan en ze gingen aan het werk.
De meesten werkten gewoon op kleine, draagbare computers, maar er waren er ook veel die op hun telefoons werkten. Sommigen begonnen op hun horloges te typen, of op de stoelen, op hun brillen en een enkeling zelfs op zijn schoen of zijn broekriem.
Eén van de zombies, een dikke mevrouw die een soort knot op haar hoofd had waar drie balpennen uit staken, riep na twintig minuten: 'Ik denk dat we het gaan halen, meneer Fitzpedro! Ik wete het niet zeker, maar ik denk dat we het gaan halen!'

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 10 december 2012

De Parel van Zuid-Mallotië

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We hadden nog nooit zo een lelijke, droevige stad gezien. Zelfs niet in onze ergste dromen. De huizen waren verschrikkelijk armoedig, gemaakt van modder en vuilnis, sommige waren kleiner dan mijn kamertje aan boord van de Tsaar Peter, andere waren juist weer heel erg groot want de hele wereld zat erin. Dat wil zeggen: ze hadden geeneens vier muren, dus je kon niet zien waar het huis precies ophield en waar de rest van de wereld begon. Overdekte hoekjes, meer waren het niet, en in die overdekte hoekjes woonde een heel gezin plus een oma en opa. Kleuters scharrelden rond in hun blote gat, spelend met een paar lege batterijen die ze langs de weg hadden gevonden of knagend op een appelkroosje. Oma kookte eten op een vuurtje, gestookt van een oude autoband.
Wat ze kookte was kennelijk zó vies dat haar kinderen en kleinkinderen liever dood gingen dan het op te eten. Of het was gewoon heel erg weinig. Of allebei. In ieder geval waren alle mensen hier zo afschuwelijk mager, dat je bijna door ze heen kon kijken.
Met holle ogen doolden ze rond tussen hun huizen, op zoek naar iets te eten. Iets dat door alle andere Jalskers over het hoofd was gezien; dat zou bijna toverij moeten zijn, want er waren heel veel Jalskers. Heel, heel erg veel. De smerige krotten bedekten het land zo ver als je maar kon zien.
'Zozo,' zei papa ontdaan. 'Dus dit is de Parel van Zuid-Mallotië.'
Daar moest de journalist om lachen. 'Ik begrijp wat u bedoelt, meneer! Ziet er niet fraai uit, he? Maar dit zijn alleen maar de buitenwijken, waar de armen wonen. Wacht maar tot u de paleizen van de rijkelui ziet! Schit-te-rend gewoon!'
'Hm,' deed mama.
De journalist vertelde van alles over de rijkelui van Zuid-Mallotië: over een voetballer bijvoorbeeld, die krankzinnig veel geld verdiende terwijl hij nog veel dommer was dan alle andere voetballers. En over de sultan, die altijd de rijkste man van het land was geweest maar die nu op de tweede plaats stond, omdat zijn kroonjuwelen vorig jaar gestolen waren.
'En die waren een hoop geld waard,' zei de journalist. 'Ik heb nog nooit iemand zo hard horen schreeuwen als de Sultan toen. En weet je? Het geld kon hem niet eens zo veel schelen. Maar dat hij nu niet meer de rijkste is, daar kon hij niet tegen.'
'Wie is er nu dan de rijkste?' vroeg ik.
'Iemand die niet eens uit Zuid-Mallotië komt,' vertelde de journalist. 'Hij woont hier alleen maar, omdat hij dan geen belasting hoeft te betalen. Het is de baas van de Cockel oliemaatschappij, daar heb je misschien wel eens van gehoord.'
'Van hem gehoord?' riep Kwetter. 'Ik zul jou eens wat vertellen... auwie!'
'Sorry Kwetter,' zei mama.
'Jullie hebben dus van hem gehoord,' glimlachte de journalist. Dan zul je het wel interessant vinden dat die torenflat aan onze rechterkant, daar in de verte, zijn hoofdkantoor is.
Papa, Kwetter, Michael en ik probeerden allemaal tegelijk door de raampjes aan de rechterkant te kijken. We drukten zo plotseling onze neuzen tegen het glas, dat de auto bijna omviel.
'Vinden jullie dat interessant?' vroeg de journalist geamuseerd. 'Ik kan er wel wat dichter langs rijden, als jullie dat willen...'
Nou en of wij dat wilden!


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

zondag 15 april 2012

Sukkels!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Kijk eens even naar beneden?' fluisterde Gaby.
'Ik kijk wel mooi uit. Misschien staan ze daar beneden wel te wachten tot één van ons zijn hoofd over de rand steekt.'
'Oh ja. Wat nu?'
'Nu wachten we.'
'Waarop?'
Ik haalde mijn schouders op. 'Weet ik het. Gewoon, wachten tot er iets gebeurt.'
Dat moment kwam snel genoeg. We hoorden het gejank van een kettingzaag, en nog een kettingzaag, en de tak waarop wij zaten begon – bijna onmerkbaar – te trillen.
'Ze gaan ons omzagen,' concludeerde mijn zusje.
'Dan kunnen we beter een andere boom zoeken,' zei ik.
We zochten allebei een stevige liaan uit. 'En als ze nou klaar staan om op ons te schieten?' vroeg Gaby.
'Dan weet ik wel wat wij gaan doen,' antwoordde ik. 'Dan gaan we namelijk heel erg hard hopen dat ze missen. Klaar? Een... twee...'
Bij 'drie' zwierden we precies tegelijk naar de volgende boom. Er werd wel een paar keer geschoten, maar dat was niet langer het takke-takke-tak van een mitrailleur. Dat was een droog 'pang pang'.
'Een snaiper!' legde ik uit aan mijn zusje. Die weet dat soort dingen niet, namelijk.
'Wat is een snaiper?'
'Dat is een scherpschutters-geweer,' zei ik.
'Nou, zo scherp schiet-ie anders niet,' schamperde Gaby. 'Het is allemaal mis.'
'Ik ga daar niet over klagen,' zei ik.
We waren intussen aangeland in de volgende boom. Geen seconde te vroeg, want onze oude boom stortte krakend achter ons op de grond.
'Haha,' lachte Gaby.
'Sukkels,' grinnikte ik.
Toen begonnen de houthakkers aan boom nummer twee.
Die ging ook tegen de vlakte, en ik grinnikte weer: 'Sukkels,' terwijl de houthakkers het bladerdek van de gevallen nummer twee doorzochten. Naar ons. Tevergeefs. Want wij zaten niet in boom nummer twee. Hadden we nooit ingezeten.
Boom nummer twee stond naast die van ons. De buurboom, zou je kunnen zeggen.
Na een tijdje kregen de houthakkers door dat ze het verkeerde bladerdek doorzochten en ze stortten zich op boom nummer drie. Waar wij óók niet inzaten.
Sukkels.
In boom vier zaten we ook niet, en in boom vijf, zes en zeven ook niet.
Sukkels!
In boom acht zaten we wel.
'Hehe,' zei ik tegen Gaby, 'ze hebben het door.'
'Ja,' zei Gaby. 'Tijd om een liaantje te nemen naar een andere boom.
'Inderdaad,' want de kettingzagen beten zich al brullend een weg door de stam.
We zochten een andere boom uit.
Drie seconden later keken we elkaar aan. Bleek van schrik en ontzetting.
Want er was geen andere boom. Tenminste, niet dicht in de buurt. Alle bomen op zwier-afstand waren omgezaagd.
Dat hadden de houthakkers precies zo uitgerekend.
We konden niet meer ontsnappen.
'Sukkels,' gromde ik. Maar dit keer doelde ik niet op de houthakkers.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE