BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Fitz, die klaar was met het repareren van de leuning, nam nu de leiding over het programmeren van de stoelen. Dat wil zeggen, hij praatte een beetje tegen zijn bril en begon zich daarna met iedereen te bemoeien. Hij maakte onbegrijpelijke opmerkingen zoals: 'Pas op Marianne, geen lussen!' en 'Dat is geen valide subset, Hendricx!'
De mensen leken het niet vervelend te vinden dat hij voortdurend hun werk zat af te kraken. Integendeel, ze zeiden dingen als: 'Dankjewel voor de tip' en en 'Verhip, je hebt gelijk'. Maar toen er vijf minuten voorbij waren kreeg iedereen zoveel haast, dat ze alleen nog maar reageerden met een hoofdknik of een beetje gebrom.
'Het kan nog lukken, mensen,' riep Fitz toen er nog maar twee minuten over waren.
De zombies typten nu zo snel dat je hun vingers bijna niet meer zag. Sommigen vergaten adem te halen, zó hard waren ze aan het werk.
'Nog zeven seconden!' riep Fitz. 'Nog drie! Nog... Ja! Ja! We hebben het gehaald. Nét op tijd! Hoera!!'
'Hoera!!' antwoordde iedereen. Tranen van opluchting stroomden langs hun wangen.
Ik keek even om me heen. Meneer Clusjes was nergens te zien.
'Sorry hoor,' zei ik tegen Fitz, 'maar wat maakt het uit of jullie een paar seconden eerder of later klaar zijn? Denk je dat Clusjes het zou merken als je twee seconden langer dan een half uur bezig was geweest?'
'Het gaat er niet om, of hij het merkt,' legde Fitz uit. 'Het gaat erom dat... dat... dat je altijd precies moet doen wat hij zegt, snap je wel? Dat willen we zelf gewoon graag. Meneer Clusjes verwacht elke dag weer het onmogelijke van ons. En dat vinden wij fijn. Want dan weten we dat wij het soort mensen zijn, dat onmogelijke dingen kan doen. En dat maakt ons bijzonder. Ja, dat is het. Meneer Clusjes maakt ons bijzonder!'
'Ik weet wat u bedoelt,' knikte mama. 'Ik mag morgen een BOF-praatje houden, en...'
Ontroerd nam Fitz haar handen in de zijne. 'Wij begrijpen elkaar,' sprak hij met een brok in zijn keel.
Om ons heen was het zombieleger nog bezig met elkaar op de schouders te kloppen en te omhelzen. Degenen die vergeten waren te ademen, deden nu hun best om de afgelopen twee minuten in te halen.
'Dit is Josephine Laarmans!' riep Fitz tegen zijn collega's. 'Ze mag morgen een BOF-praatje houden! Ze begrijpt ons, ze is één van ons!'
'Hoera,' riep iedereen weer, en ze kwamen naar mama toe om haar handen te schudden en haar te omhelzen.
'Hm,' zei papa.
'En dan nu,' zei Fitz, 'zal ik jullie je hotelkamers laten zien.' Hij vroeg aan zijn bril in welke kamers wij sliepen. Kennelijk gaf zijn bril hem een indrukwekkend antwoord, want Fitz floot zachtjes tussen zijn tanden en zei: 'Nou nou, jullie boffen maar!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 39. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 39. Alle posts tonen
maandag 31 maart 2014
woensdag 12 december 2012
Kerken, kastelen en moderne gebouwen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was een heel eind rijden. De wijken met arme mensen bléven maar voortduren. Het gekke is: hoe droevig en akelig de aanblik ook was, na een tijdje wenden we eraan.
'Jaja,' mompelde Michael zelfs na een half uurtje, 'nou weten we het wel.'
Niet lang daarna reden we de rijke buurt binnen. Blinkend witte Villa's stonden daar achter grote hekken van prikkeldraad. Er stonden bewakers bij de poorten en het prikkeldraad stond onder stroom.
Tenslotte kwamen we in de zakenwijk. Daar stonden torenhoge flats met spiegelende ruiten, groot en glimmend, alsof ze een wedstrijdje hielden wie het het hoogst was, en wie er het meeste blonk.
Het was wel duidelijk wie dat wedstrijdje won. Het allerhoogste, meest glanzende gebouw was dat van Cockels Olie Maatschappij.
'Sodeju,' fluisterde mama.
'Niet vloeken,' fluisterde papa. 'Maar ik begrijp wat je bedoelt, schat.'
'Indrukwekkend he?' glimlachte de journalist. 'Al dat spiegelglas! Maar laat je niet voor de gek houden, hoor. Dat is geen gewóón glas, dat is dertiendubbel staalglas. Het sterkste glas ter wereld, sterker dan een betonnen muur. Daar zou je zelfs met een bom nog geen gat in kunnen maken. Niet dat iemand Cockels Olie Maatschappij zou willen bombarderen, natuurlijk.'
'Nee,' zei mama 'natuurlijk niet.'
'Auw!' riep Kwetter. 'Ik zegde geeneens wat! Waarom hoeft jij mij dan te schoppen?'
'Ging per ongeluk, Kwettertje-lief,' zei mama. 'Ik ben ook zo, eh, onder de indruk!'
'Houdt u van mooie gebouwen?' vroeg de journalist. 'Is dat het?'
' Eh, ja, nou en of,' zei mama vlug. 'Oude kerken en zo. Daar gaan we op vakantie altijd naar kijken, he jongens?'
'Ja,' zuchtten wij, want het was helaas maar al te waar. Wij hadden in ons leven al tientallen keren door kerken moeten sjokken. In verre landen, op prachtige zonnige dagen waarop ieder verstandige vakantieganger naar het strand ging, moesten wij weer zo'n kerk in. Mama had dan altijd boekjes, waarin stond wanneer de kerk gebouwd was, en met wat voor steen enzovoort. Die boekjes wilde ze hélemaal lezen. En het allerergste was dat ze daarna alles aan ons wilde vertellen. Vele uren van ons leven waren verspild aan die onzin.
'Met kastelen heb ik dat ook,' vertelde mama. Wij knikten. Was ook waar, helaas. Hoewel Michael de kastelen nog wel mooi vond, vooral als er oude wapens te zien waren of, als-ie heel erg geluk had, martel-werktuigen.
Jongens zijn namelijk ziek in hun hoofd.
'Maar dus ook,' ging mama verder, 'dit soort dingen. Moderne gebouwen.'
'Dan heeft u geluk,' zei de journalist. 'Dit is het modernste van het modernste! Zeg, daar bedenk ik me opeens iets. Een vriend van mij werkt hier. Hij zou u vast een rondleiding kunnen geven, als u dat wilt. Lijkt u dat wat?'
'Ach,' zei mama, 'waarom ook niet?'
De journalist reed van de hoofdweg af, naar een weggetje dat onder het Cockel-gebouw verdween. En parkeergarage, onder de grond.
Bij de ingang van de garage stond een bewaker. Een grote kerel met een spiegelzonnebril en een uniform dat strak stond van de spieren. De journalist stapte uit om met hem te praten. In het Zuid-Mallotisch, dus we verstonden hen niet, maar blijkbaar zat het wel goed, want de bewaker pratte met een luidsprekertje in de muur en even later kwam de journalist met een zeer tevreden gezicht op ons af.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was een heel eind rijden. De wijken met arme mensen bléven maar voortduren. Het gekke is: hoe droevig en akelig de aanblik ook was, na een tijdje wenden we eraan.
'Jaja,' mompelde Michael zelfs na een half uurtje, 'nou weten we het wel.'
Niet lang daarna reden we de rijke buurt binnen. Blinkend witte Villa's stonden daar achter grote hekken van prikkeldraad. Er stonden bewakers bij de poorten en het prikkeldraad stond onder stroom.
Tenslotte kwamen we in de zakenwijk. Daar stonden torenhoge flats met spiegelende ruiten, groot en glimmend, alsof ze een wedstrijdje hielden wie het het hoogst was, en wie er het meeste blonk.
Het was wel duidelijk wie dat wedstrijdje won. Het allerhoogste, meest glanzende gebouw was dat van Cockels Olie Maatschappij.
'Sodeju,' fluisterde mama.
'Niet vloeken,' fluisterde papa. 'Maar ik begrijp wat je bedoelt, schat.'
'Indrukwekkend he?' glimlachte de journalist. 'Al dat spiegelglas! Maar laat je niet voor de gek houden, hoor. Dat is geen gewóón glas, dat is dertiendubbel staalglas. Het sterkste glas ter wereld, sterker dan een betonnen muur. Daar zou je zelfs met een bom nog geen gat in kunnen maken. Niet dat iemand Cockels Olie Maatschappij zou willen bombarderen, natuurlijk.'
'Nee,' zei mama 'natuurlijk niet.'
'Auw!' riep Kwetter. 'Ik zegde geeneens wat! Waarom hoeft jij mij dan te schoppen?'
'Ging per ongeluk, Kwettertje-lief,' zei mama. 'Ik ben ook zo, eh, onder de indruk!'
'Houdt u van mooie gebouwen?' vroeg de journalist. 'Is dat het?'
' Eh, ja, nou en of,' zei mama vlug. 'Oude kerken en zo. Daar gaan we op vakantie altijd naar kijken, he jongens?'
'Ja,' zuchtten wij, want het was helaas maar al te waar. Wij hadden in ons leven al tientallen keren door kerken moeten sjokken. In verre landen, op prachtige zonnige dagen waarop ieder verstandige vakantieganger naar het strand ging, moesten wij weer zo'n kerk in. Mama had dan altijd boekjes, waarin stond wanneer de kerk gebouwd was, en met wat voor steen enzovoort. Die boekjes wilde ze hélemaal lezen. En het allerergste was dat ze daarna alles aan ons wilde vertellen. Vele uren van ons leven waren verspild aan die onzin.
'Met kastelen heb ik dat ook,' vertelde mama. Wij knikten. Was ook waar, helaas. Hoewel Michael de kastelen nog wel mooi vond, vooral als er oude wapens te zien waren of, als-ie heel erg geluk had, martel-werktuigen.
Jongens zijn namelijk ziek in hun hoofd.
'Maar dus ook,' ging mama verder, 'dit soort dingen. Moderne gebouwen.'
'Dan heeft u geluk,' zei de journalist. 'Dit is het modernste van het modernste! Zeg, daar bedenk ik me opeens iets. Een vriend van mij werkt hier. Hij zou u vast een rondleiding kunnen geven, als u dat wilt. Lijkt u dat wat?'
'Ach,' zei mama, 'waarom ook niet?'
De journalist reed van de hoofdweg af, naar een weggetje dat onder het Cockel-gebouw verdween. En parkeergarage, onder de grond.
Bij de ingang van de garage stond een bewaker. Een grote kerel met een spiegelzonnebril en een uniform dat strak stond van de spieren. De journalist stapte uit om met hem te praten. In het Zuid-Mallotisch, dus we verstonden hen niet, maar blijkbaar zat het wel goed, want de bewaker pratte met een luidsprekertje in de muur en even later kwam de journalist met een zeer tevreden gezicht op ons af.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 18 april 2012
Hebbes!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Na een paar minuten zagen viel de boom om, en Gaby en ik vielen mee. De boom waarin we zaten was een echte woudreus, die al honderden jaren fier overeind had gestaan. Nu moest hij wennen aan een heel ander soort activiteit, namelijk op de grond liggen, en dat ging maar moeilijk. Heel langzaam, en onder luid krakend protest, bewoog de boom richting de grond.
Hadden wij even mazzel.
Niet alleen vielen we vrij zachtjes, we hadden bovendien nog de tijd om ons vast te grijpen.
'Iets buigzaams!' riep ik naar Gaby. 'houd je vast aan iets ...'
Toen raakten we de grond. Ikzelf klemde me vast aan een buigzame jonge tak, ongeveer zo dik als je arm maar nog wel groen, en die deed precies wat ik gehoopt had. Hij veerde een paar keer op en neer zodat ik lelijk door elkaar geschud werd, maar geen hele harde klap te verduren kreeg. Een paar schrammen en krassen, meer had ik eigenlijk niet.
Gaby was er slechter aan toe. Ze had een paar lianen vastgegrepen, maar die waren iets te buigzaam geweest. Mijn zusje was een tijdlang van tak naar tak gestuiterd en nu hing haar arm er een beetje scheefjes bij. Haar gezicht was zo grijs als de lucht in november.
'Mijn arm doet een beetje pijn,' piepte ze.
Maar die arm, dat was het probleem niet.
Het probleem was de grijnzende houthakker doe achter haar opdook en die haar met zijn grote graaiers van jatten vastgreep en tussen de bladeren uit hees.
'Hebbes,' gromde hij.
En 'Hebbes' gromde een tweede stem. Die klonk vlak achter mij en dat beviel me niks.
Twee grote grijpers van klauwen pakten mij bij de schouders en hesen me tussen de bladeren vandaan.
Triomfantelijk slingerden de houthakkers ons over hun schouders en ze droegen ons naar hun armetierige kamp. Daar klopten ze eerbiedig aan de deur van de grootste container.
Meneer Hakmaranman deed open.
'Is dit alles?' snauwde hij. 'Twee kindertjes? Moesten jullie daarvoor zoveel moeite doen? Nou ja, beter dan niks. Gooi ze maar op de vloer.'
Gooien? Moest dat nou echt?
De houthakkers vonden kennelijk van wel.
Oempf, deed ik.
Gaby piepte, maar daar lette ik niet op want ze piepte de hele tijd al. Vooral als haar arm bewoog, of als iemand hem aanraakte of zo.
Ik ben geen dokter, dus ik kan dat soort dingen niet zeker weten, maar als je mij op dat moment gevraagd had of mijn zusje een gebroken arm had, dan had ik zonder aarzelen 'Ja' gezegd.
Als een zielig hoopje ellende lag mijn zus op de vloer. Zelf was ik er niet veel beter aan toe. Ik had weliswaar geen gebroken arm, maar ik was behoorlijk hard neergekwakt door de houthakker en alles deed me zeer.
Meneer Hakmaranman snoof laatdunkend. 'Wat zijn de inboorlingen hier ongelooflijk achterlijk zijn. Moet je zien, Smek! Geen draad aan hun lijf, ongewassen en smerig, hun haren één groot tapijt van klitten en knopen – en luizen en vlooien ongetwijfeld. Je zou bijna niet geloven dat het mensen waren! Vind je wel, Smek? Hee, Smek! Moet je nou eens kijken joh!'
Met tegenzin kwam de majmburgerbaas onze kant op gelopen. Met een blik vol verveelde minachting keek hij ons aan.
Maar al snel werden zijn ogen zo groot als tennisballen, en hij keek woedend en stomverbaasd tegelijk – een hele prestatie, eigenlijk – en hij begon te blazen en te sputteren als een kat waar emand een emmer water overheen heeft gekeild.
Het duurde even voor hij weer kon praten. Toen siste hij: 'Jullie!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Na een paar minuten zagen viel de boom om, en Gaby en ik vielen mee. De boom waarin we zaten was een echte woudreus, die al honderden jaren fier overeind had gestaan. Nu moest hij wennen aan een heel ander soort activiteit, namelijk op de grond liggen, en dat ging maar moeilijk. Heel langzaam, en onder luid krakend protest, bewoog de boom richting de grond.
Hadden wij even mazzel.
Niet alleen vielen we vrij zachtjes, we hadden bovendien nog de tijd om ons vast te grijpen.
'Iets buigzaams!' riep ik naar Gaby. 'houd je vast aan iets ...'
Toen raakten we de grond. Ikzelf klemde me vast aan een buigzame jonge tak, ongeveer zo dik als je arm maar nog wel groen, en die deed precies wat ik gehoopt had. Hij veerde een paar keer op en neer zodat ik lelijk door elkaar geschud werd, maar geen hele harde klap te verduren kreeg. Een paar schrammen en krassen, meer had ik eigenlijk niet.
Gaby was er slechter aan toe. Ze had een paar lianen vastgegrepen, maar die waren iets te buigzaam geweest. Mijn zusje was een tijdlang van tak naar tak gestuiterd en nu hing haar arm er een beetje scheefjes bij. Haar gezicht was zo grijs als de lucht in november.
'Mijn arm doet een beetje pijn,' piepte ze.
Maar die arm, dat was het probleem niet.
Het probleem was de grijnzende houthakker doe achter haar opdook en die haar met zijn grote graaiers van jatten vastgreep en tussen de bladeren uit hees.
'Hebbes,' gromde hij.
En 'Hebbes' gromde een tweede stem. Die klonk vlak achter mij en dat beviel me niks.
Twee grote grijpers van klauwen pakten mij bij de schouders en hesen me tussen de bladeren vandaan.
Triomfantelijk slingerden de houthakkers ons over hun schouders en ze droegen ons naar hun armetierige kamp. Daar klopten ze eerbiedig aan de deur van de grootste container.
Meneer Hakmaranman deed open.
'Is dit alles?' snauwde hij. 'Twee kindertjes? Moesten jullie daarvoor zoveel moeite doen? Nou ja, beter dan niks. Gooi ze maar op de vloer.'
Gooien? Moest dat nou echt?
De houthakkers vonden kennelijk van wel.
Oempf, deed ik.
Gaby piepte, maar daar lette ik niet op want ze piepte de hele tijd al. Vooral als haar arm bewoog, of als iemand hem aanraakte of zo.
Ik ben geen dokter, dus ik kan dat soort dingen niet zeker weten, maar als je mij op dat moment gevraagd had of mijn zusje een gebroken arm had, dan had ik zonder aarzelen 'Ja' gezegd.
Als een zielig hoopje ellende lag mijn zus op de vloer. Zelf was ik er niet veel beter aan toe. Ik had weliswaar geen gebroken arm, maar ik was behoorlijk hard neergekwakt door de houthakker en alles deed me zeer.
Meneer Hakmaranman snoof laatdunkend. 'Wat zijn de inboorlingen hier ongelooflijk achterlijk zijn. Moet je zien, Smek! Geen draad aan hun lijf, ongewassen en smerig, hun haren één groot tapijt van klitten en knopen – en luizen en vlooien ongetwijfeld. Je zou bijna niet geloven dat het mensen waren! Vind je wel, Smek? Hee, Smek! Moet je nou eens kijken joh!'
Met tegenzin kwam de majmburgerbaas onze kant op gelopen. Met een blik vol verveelde minachting keek hij ons aan.
Maar al snel werden zijn ogen zo groot als tennisballen, en hij keek woedend en stomverbaasd tegelijk – een hele prestatie, eigenlijk – en hij begon te blazen en te sputteren als een kat waar emand een emmer water overheen heeft gekeild.
Het duurde even voor hij weer kon praten. Toen siste hij: 'Jullie!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)