Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 40. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 40. Alle posts tonen

woensdag 2 april 2014

Help! Ik lig op niks!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Het Swinefeller auditorium was niet alleen een grote vergaderzaal, het was ook een groot hotel. Groot genoeg om alle vijfduizend vergaderaars te laten logeren. Het was bovendien een luxe hotel. Er lag tapijt op de grond, zo dik en zo zacht dat je dacht dat je op een wolk liep. Zelfs het behang op de muren was zacht en glad. Bovendien was het een beetje warm. Als je de muur aanraakte, voelde dat ongeveer net zo als het aaien van een poes. Toen Kwetter dat ontdekte, was ze niet meer van de muur weg te slaan en ze bleef er met allebei haar handen plus één wang overheen aaien, terwijl we door de eindeloze gangen van het hotel wandelden.
Daar had ze al haar lenigheid bij nodig; de gangen stonden vol met antieke tafeltjes met bloemstukken en kostbare Chinese vazen erop. Er stonden dienstmeisjes met stofzuigers. Er stonden karretjes met dampende schalen vol soep en salade en dure hapjes. Kwetter klom en sprong over alles en iedereen heen zonder de muur ook maar één keer los te laten, en zonder ook maar één soepkommetje om te stoten.
De kamers waren nog luxer dan de gangen. En de allermeest luxe kamer was...
Nou ja, dat was natuurlijk die van meneer Clusjes.
Maar twee deuren verder lag die van ons, en die was ook niet mis.
Om te beginnen was het geen kamer. Ik bedoel: het was niet één kamer, het waren er vijf. Eén zitkamer en vier slaapkamers. De zitkamer had een open haard en de slaapkamers hadden allemaal een eigen badkamertje en een grote televisie. Er waren twee koelkasten: één met lekker hapjes en één met lekkere drankjes.
Het tapijt was zó dik en zó zacht, dat erin zou verzuipen als je niet uitkeek. Gewoon, serieus, kopje onder en nooit meer teruggevonden worden.
En de bedden waren nog zachter. Als je een tijdje op zo'n bed gelegen had, schrok je plotseling op omdat je dacht: help! Ik lig op niks! Ik hang gewoon in de lucht! Straks val ik nog te pletter!
Maar dan voelde je het dekbed, en dan was je weer gerustgesteld. Het dekbed was niet zweterig warm en ook niet rillerig dun; het was precies goed.
'Joewieie!' riep Kwetter. 'Hier gaat ik een hut van bouwen!' en ze begon te slepen met stoelen en dekbedden en handdoeken.
'Goed,' zei Fitz. 'U vindt het verder wel, denk ik. Als u nog iets nodig heeft, zoals bijvoorbeeld iets te eten, belt u dan even met de mevrouw achter de balie?'
Papa knikte schaapachtig en keek om zich heen.
'Waar is hier de telefoon?' vroeg hij.
Fit barstte uit in een smakelijk gelach.
'Bellen met een telefóón!'hikte hij. 'Het idee alleen al! Bellen doe je toch gewoon met je computer?'
Papa knikyte nog schaapachtiger. 'En waar is hier de computer?'
Nu stond Fitz echt te schateren van het lachen. 'Waar is de computer, vraagt-ie? Nee, die is goed!'

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 14 december 2012

Een man met belangrijke vrienden

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

'Het is voor elkaar,' zei hij. 'Het kan nu meteen, zelfs. Mijn vriend heeft het wel druk, want hij is een belangrijk man, maar hij is dol op bouwkunst, net als u, en hij wil er graag over praten.'
'Geweldig,' zei mama. En dat was het inderdaad. Het is de droom van elke terrorist: een gebouw dat je op wilt blazen, op je gemak van binnen bekijken terwijl iemand je precies vertelt hoe het allemaal in elkaar zit. Waar de belangrijkste balken lopen, en zo. Een klein gebouwtje, zoals een tankstation of een mjamburger-bar, dat is makkelijk genoeg op te blazen. Gewoon een grote bom erin, en knal boem klaar. Maar zo'n torenflat als Cockel's hoofdkantoor is een heel ander verhaal. Daarvan moet je heel zorgvuldig de belangrijkste balken opblazen, zodat het gebouw zijn eigen gewicht niet meer kan dragen en instort. Gewoon ergens een bommetje plaatsen heeft geen enkel nut, dan maak je alleen maar een gat in een paar muren. Of je moet een kernbom nemen, maar daar begint mijn moeder niet aan. Kernbommen zijn verschrikkelijk moeilijk te maken, heel erg duur, en ze geven enorm veel troep die je bijna niet meer opgeruimd krijgt. Daar is mijn moeder veel te netjes voor.
We stapten uit de wagen en de journalist bracht ons naar een lift. We zwaaiden nog even naar de bewaker en stapten in. De journalist drukte op het knopje voor 'omhoog'.
'Wat raar,' zei ik. 'Deze lift heeft maar twee knopjes, één voor omhoog en één voor omlaag. Terwijl dit gebouw minstens veertig verdiepingen heeft!'
'Vijftig,' zei de journalist. 'Maar deze lift gaat alleen naar de bovenste. Daar werken de belangrijkste mensen, zoals die vriend van mij. Belangrijke mensen willen graag een eigen lift. Dat vinden die lui fijn.'
'U keek zelf ook behoorlijk tevreden, toen u op het knopje duwde,' grinnikte papa. 'Volgens mij zou u best een eigen lift willen hebben.'
'Oh, ik hoef geen eigen lift,' glimlachte de journalist. 'Maar ik vind het wel leuk als ik de lift van belangrijke mensen mag gebruiken. Want dan weet ik: in dit gebouw is meneer Cockel belangrijk, maar voor meneer Cockel ben ik belangrijk.'
'Meneer Cockel?' schrok mama. 'Is dat uw vriend? Meneer Cockel zelf?'
'Ik geloof niet, dat meneer Cockel mijn vriend is,' zei de journalist kalm. 'Meneer Cockel heeft geen vrienden. Maar hij is inderdaad degene naar wie we nu op weg zijn.'
Daar wedden wij even stil van. Bezorgd keken we elkaar aan. In een ontmoeting met meneer Cockel – de meest gewetenloze man die je je voor kunt stellen – hadden we niet erg veel zin.
Michael zei zwakjes: 'M... maar u was toch tégen meneer Cockel? U ging toch schrijven over de vieze troep, die...'
'Lieve schat,' zei mama somber, 'misschien is deze meneer niet helemaal eerlijk tegen ons geweest. Ik denk eerlijk gezegd dat hij niet eens een journalist is.'
'Dat denkt u dan goed, mevrouw Laarmans! En jullie zijn geen onschuldige toeristen. Maar ik had u meteen al door, en u merkt het nu pas...'
Op dat moment zei de lift 'Ping' en de deuren schoven open.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 20 april 2012

Boegoeneesje, me hoela!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Ken jij die kinderen, smek?' vroeg Hakmaranman verwonderd.
'Nou en of,' zei Smek met een stem waar de haat vanaf droop. 'En jij kent ze ook.'
'Dat lijkt me sterk,' glimlachte Hakmaranman. Hij liet zich achterover vallen op het luxe, superzachte bankstel dat in de container stond (van binnen zag je trouwens niet dat het een container was, het leek meer een luxe hotelkamer). Tevreden legde hij zijn voeten op een duur salontafeltje en stak een sigaar op. 'In mijn kennissenkring,' ging hij verder, 'komen tienjarige, poedelnaakte, stinkende luizenbolletjes niet voor. Hoewel ik een neefje heb, dat... maar nee, die heeft meestal kleren aan.'
'Je kent ze wel,' hield Smek vol. 'Niet persoonlijk. Maar hun foto's heb je vaak genoeg gezien. Die hangen op elk treinstation en elk politiebureau ter wereld.'
'Ik kom nooit op een politiebureau, wat denk je wel,' snoof Hakmaranman. 'Als ik iets wil van de politie, dan komen ze naar mij. En met de trein ga ik ook nooit.'
'Dat doet er niet toe,' stampvoette Smek. 'Dit zijn de kinderen Laarmans, idioot. De kinderen van de Donderkat!'
Hakmaranman ging recht overeind zitten. 'Wat? Die terroristen? Zijn zij dat?'
Hij pakte mijn gezicht vast en blies de haren eruit.
Dat was ook wel nodig als je mij gezicht wilde zien: mijn haren waren heel wat langer dan vroeger. Ze zaten ook wat meer in de knoop, en ze waren wat viezer en sliertiger, en er zaten misschien hier of daar ook wel wat beestjes in.
In elk geval: toen mijn haren niet meer voor mijn gezicht hingen bekeek hij me nauwkeurig.
'Zou kunnen,' zei hij tenslotte. 'Zou heel goed kunnen.'
'Ze zijn het,' gromde Smek, 'ik weet het zeker. Zij hebben, samen met die duivelse moeder van ze, mijn mooie vleeshakker vernield. Daarna zijn ze met een tank door mijn prachtige fabriek gereden. Om nog maar te zwijgen van al mijn restaurants. Zevenendertig hebben ze er opgeblazen. Ze-ven-en-der-tig! Boem, van de aardbodem. Denk je dat ik hun gezichten ooit nog vergeet?'
'Okee, okee,' zei Hakmaranman. Hij wendde zich tot mij. 'En, wat heb je daarop te zeggen? Ben jij een van die terroristen?' Hij pakte me ruw bij mijn arm; kneep me bijna fijn, eigenlijk.
'Ikke niet begrijpen,' kermde ik. 'Mij zijn maar eenvoudig Boegoeneesje.'
Je kunt het altijd proberen, nietwaar?
'Boegoeneesje, me hoela!' schreeuwde Smek. 'Eenvoudige Boegoeneesjes rijden niet met tanks door fabrieken heen.'
'Was misschien iemand anders?' piepte ik. 'Is misverstand? Ik nu uitlegen, wij allemaal naar huis, van je haha, met de schrik vrij? Zoiets?'
'Niks ervan,' zei Smek. 'Jij gaat niet naar huis. Jij gaat naar SmikSmeks Mobiele Mjamburger-Maak Machine. Deze keer zul je niet ontsnappen!'
'Welles!' riep ik. Zo hard als ik kon beet ik in de hand van Hakmaranman. Die liet mij los, brullend van de pijn, en ik sprintte naar de deur, rukte die open en sprong naar buiten. Vrij! Ik zette het op een hollen, zo hard als ik kon. Ik vlóóg. Ik moest hulp halen voordat Gaby in de Mjamburger-maak-machine verdween. Ik rende zo ongelooflijk hard – het leek wel of mijn voeten de grond niet raakten. Het duurde even voordat ik snapte dat dat kwam, doordat mijn voeten de grond inderdaad niet raakten.
Ik stond nog steeds in de deuropening.
Of nou ja – stond niet, ik hing.

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE