Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 46. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 46. Alle posts tonen

woensdag 16 april 2014

Mjamburgers kennen geen spijt

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Wij doken haastig weg tussen de stoelen van het Swinefeller Auditorium. Net op tijd; Snoet liep langs ons heen zonder ons te zien.
'Er achter aan,' fluisterde ik toen hij ons goed en wel voorbij was.
'Hier gaan we zooooo veel spijt van krijgen,' mopperde Gaby.
'En als we het niet doen, krijgen we nooit meer ergens spijt van. Dan slaat hij ons bewusteloos in onze bedjes en gooit ons meteen in een of andere gehaktmolen. Dan worden we wakker als mjamburger. En mjamburgers hebben geen spijt.'
Gaby zei niks. Ze wist dat Snoet ertoe in staat was om zoiets te doen. Ze wist het, omdat hij het al eens gedaan had. En geloof me: zoiets vergeet je niet.
Dus we stonden op en slopen achter hem aan.
Tenminste, dat was de bedoeling. Maar bij het opstaan raakte ik per ongeluk één van de computerstoelen aan. Of misschien was het Gaby. Ja, nu ik er over na denk, weet ik eigenlijk wel zeker dat het Gaby was. Ik bedoel: per ongeluk een computer-stoel aanraken, precies op de enige manier waarop de computer aan springt, dat is toch niks voor een grote jongen die alles van computers weet? Dat is toch veel meer iets voor een klein zusje? Dacht ik wel, ja. Dus het moet Gaby's schuld geweest zijn.
In elk geval, de stoel naast ons vroeg opeens: 'Heeft u honger, of lekkere trek? Dan is dit ons dagmenu. Mjamburger, één vijftig. Dubbele Mjamburger, twee vijftig. Mjamburger met kaas, één vijfenzeventig. Dubbele Mjamburger met kaas...' enzovoort.
Gelukkig stond het geluid van de stoel niet op z'n aller-hardst. Snoet leek het niet te horen. Of hij hoorde wel iets, maar dacht dat het iets was uit het BOF-praatje van meneer Clusjes.
Hij wandelde rustig verder naar de hal van het hotel.
Wij slopen stilletjes achter hem aan. Gelukkig kunnen wij heel stil sluipen. Wij hebben een half jaar lang in het oerwoud van Boegoe-Boegoe gewoond, en daar leer je wel sluipen. Soms moeten we bijvoorbeeld langs een boom lopen waarin reuzen-springspinnen woonden, die op de minste trilling en het minste geluidje reageren door uit hun boom te springen en je dood te bijten, of je nou een mens bent of een Boomkonijntje of een olifant. Dus... ja...
We maakten echt helemaal geen enkele geluidje toen we achter Snoet aanslopen naar de hal van het hotel. Daar hoorden we hem tegen de computer zeggen: 'Mijn naam is Snoet. Er is een kamer voor mij gereserveerd.'
'Het spijt ons,' antwoordde de computer, 'wij hebben geen reservering op de naam Snoek.'
'Nee,' bromde Snoet, 'het is ook een reservering op de naam Snoet.'
'Het spijt ons,' herhaalde de computer, 'wij hebben geen reservering op de naam Sproet.'
Om een lang verhaal kort te maken: de computer verstond ook nog Snoep, Sloep, Snoer, Soet, Sploets en Snoet-Stom Sloteding. En toen hij dan eindelijk de goede naam had, zei hij: 'Welkom, meneer Snoet. Wilt u een kamer boeken?'
Nee, dat wilde Snoet niet. Hij had immers een resevering?
'Aha. U heeft dus een reservering. Op welke naam staat de reservering?' En daar begon het hele circus weer van voren af aan.

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 28 december 2012

Papa vindt het niet eerlijk

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Mama,' zei Michael, 'dit meen je niet. Je hebt een bom die je overal meeneemt, en een lont, en je neemt niet de moeite er een doosje lucifers bij te doen? Hoe dom kun je zijn?'
'Hoho, jongeman,' zei papa streng. 'Zo praat je niet tegen je moeder.'
'Dit is een noodbom, Michael,' legde mama uit. 'Ik bewaar hem in mijn beha. Daar is niet zo heel veel ruimte; ik kan daar niet zomaar alles bewaren wat ik wil. Snap je?'
'Ja maar,' protesteerde Michael, 'geen lucifers? Ik bedoel: geen lucifers? Waarom zou je de moeite nemen een bom in je beha te bewaren, als je hem toch niet kunt aansteken?'
'Hoor eens even,' zei mama boos. 'Wat is er nou verstandiger: Een bom meenemen in de hoop dat je ergens een rondslingerend doosje lucifers vindt, óf een doosje lucifers meenemen in de hoop dat je een rondslingerende bom vindt? Rondslingerende bommen zijn tamelijk zeldzaam, weet je.'
'Nou,' snoof Michael, 'doosjes lucifers komen ook niet zomaar uit de lucht vallen.'
Op dat moment viel er een zware, zilveren aansteker uit de lucht.
Sprakeloos keken we elkaar aan.
'Dat zijn dus geen lucifers,' mompelde Michael zwakjes.
Papa legde een hand op zijn schouder. 'Ik weet hoe je je voelt, jongen. Het overkomt mij ook altijd. Dit soort dingen. Je moeder heeft meestal gelijk, omdat ze slimmer is dan ik. Daar kan ik mee leven. Maar dat ze soms – héél soms – de domste wartaal uitslaat, die je je maar bedenken kunt, en dan door stom toeval toch weer gelijk krijgt, dat is niet eerlijk.'
Ik had toevallig gezien waar de aansteker vandaan was gekomen. 'Het was Kwetter. Ze heeft Michael zijn geschreeuw over lucifers gehoord, denk ik, en toen heeft ze tijdens een radslag op Cockels bureau even gauw zijn sigaren-aansteker gepakt en onze kant op gegooid.'
'Dank je wel, Kwettertje-lief,' riep mama.
Kwetter zei niks terug.
Kwetter zat in de problemen.
Door het gooien van die aansteker was ze even afgeleid. Heel even maar, een halve seconde of zo.
Dat is niet lang.
Helaas was het lang genoeg voor de twee totaal getrainde vechtjassen.
Ze wisten Kwetter niet meteen vast te grijpen, maar ze konden haar wel in een hoekje drijven. Een hoekje waaruit ze niet meer kon ontsnappen. Behalve als ze vlák langs het plafond sprong, buiten het bereik van de kerels hun graaiende handen.
Ga maar eens op de grond liggen, en maak je zo plat mogelijk. Armen en benen gespreid, hoofd opzij gedraaid zodat je hoofd niet uitsteekt... lig je al? Ja? Nou kijk: zo dicht als jij nu bij de vloer bent, zó dicht moest Kwetter langs het plafond springen.
Zonder aanloop, en zonder haar hoofd te stoten.
Ik kon me niet voorstellen dat iemand dat zou kunnen. Zelfs Kwetter niet.
Maar ze sprong en daar vloog ze, langs het plafond, armen en benen gespreid en het hoofd opzij gedraaid.
Ik kon mijn ogen niet geloven.
Helaas hadden de twee bullebakken haar kansen wat beter ingeschat. Ze wisten wat Kwetter van plan was, en ze reageerden als een geoliede machine. De ene knielde neer, en de ander zette zijn voeten in twee razendsnelle stappen op de knie en de schouder van zijn kameraad. Dat bracht hem dicht genoeg bij het plafond om Kwetter te grijpen. Bijna was hij te laat, maar bijna is niet helemaal en zijn hand klemde zich om haar enkel. Zo vast als een bankschroef.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 7 mei 2012

Nu even niet knuffelen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Hoezo, je weet de weg niet? Weet je wel waar je heen wilt, of loop je maar wat?'
'Ik bedoelt,' legde Kwetter uit, 'dat ik de weg wel weet als wij door bomen gaat. Met zwieren en klauteren. Maar als wij over de grond loopt, dan weet ik het niet zo goed.'
We liepen dus in het wilde weg door het nachtzwarte oerwoud, gewoon op de grond, of liever gezegd half ín de grond, zo drassig was het. Een perfecte plek voor alligators. Die waren misschien wel vlakbij, niet meer dan een meter bij ons vandaan. Of tien centimeter. Of één.
We konden geen centimeter ver kijken, dus het zou zomaar kunnen.
Kon ook een sissipi-slang wezen. Of een gifspin. Of noem maar op.
'Waarom gaan we dan niet door de bomen?' riep ik wanhopig.
'Kunt jij Gaby dragen?'
'Ik niet, maar jij kunt dat makkelijk. Jij kan toch zo ongeveer alles?'
Opeens sprong er vanuit het duister iets tegen me op. Ik voelde duidelijk de gladde, gruwelijke schubben van een alligator.
Van schrik liet ik Gaby vallen.
Toen pas bedacht ik dat Kwetter nog steeds haar alligator-vel aan had.
'Meent jij dat echt?' riep ze blij. 'Dat ik alles kunt, meent jij dat echt? Dat is lief! Daar moet wij van kuffelen!'
'Eh, ja, nee,' stamelde ik. 'Nu even niet knuffelen alsjeblieft, ik heb mijn zusje in de modder laten donderen en ik wil graag haar hoofd boven water houden...'
'Daar hebt jij gelijk in,' zei Kwetter vastberaden maar met spijt in haar stem. De volgende twee minuten zochten we, steeds wanhopiger, naar het hoofd van Gaby.
Of naar welk ander stukje van Gaby dan ook, want we gingen er even van uit dat haar hoofd nog aan de rest vast zat.
We vonden niks.
'Heb je nou je zin, met je geknuffel?' vroeg ik.
Eigenlijk vroeg ik het best wel hard. Of nou ja, eerlijk gezegd: ik stond gewoon te schreeuwen.
Moet je eigenlijk niet doen, in het nachtelijk oerwoud.
Het oerwoud is vol beesten op zoek naar lekkere hapjes, en het is geen goed idee om ze te laten merken dat er ergens een lekker hapje rondloopt. In ieder geval niet als je zelf dat lekkere hapje bent.
En ja hoor, meteen hoorde ik het zachte splotsj van een groot beest dat stilletjes door de modder bewoog.
Het klonk heel, heel dichtbij.
Nou, dacht ik, dat was het dan.
Ik heb wel vaker drukke dagen gehad, en ook wel dagen waarop mijn leven ernstig in gevaar was, maar zo'n dag als vandaag... Mama's laboratorium afgefikt, Gaby en ik gevangen door Smek en Hakmaranman, Gaby's arm gebroken, bijna tot mjamburgers gemalen, verdwaald in het oerwoud, Gaby verzopen, zelf opgevroten door een of ander oerwoudbeest...
Nee, ik durfde wel te zeggen dat dit zo ongeveer de grootse rotdag uit mijn leven was geweest.
Toen begon het oerwoudbeest te praten.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE