BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Tien minuten later had de computer het eindelijk begrepen. Het ding vertelde Snoet zijn kamernummer en haf hem de sleutel – die natuurlijk geen sleutel was, maar een code. De deuren van dit hotel waren een soort computers namelijk; ze hadden geen sleutelgaten, maar codes die je moest intoetsen.
Chagrijnig slofte Snoet weg, op zoek naar zijn kamer. Wij slopen stilletjes achter hem aan.
Snoets kamer lag ergens ver weg, helemaal aan de andere kant van het hotel. Hij dwaalde van gang naar gang, ging een paar trappen op en dwaalde verder, ging via andere trappen weer naar beneden en dwaalde weer door..
'Hij bent de weg kwijt, denkt ik,' fluisterde Kwetter. 'In deze gang bent wij al drie keer geweest.'
Ik geloofde Kwetter meteen. Maar als ze me had gezegd dat we hier voor de tiende keer waren, of voor de eerste, dan had ik haar ook geloofd. Alle gangen hier leken verschrikkelijk veel op elkaar. Dezelfde deuren, hetzelfde zachte tapijt, hetzelfde behang... zelfs de antieke tafeltjes met bloemen en Chinese vazen leken op elkaar. Maar niet als je Kwetter bent. Kwetter is niet alleen heel lenig en vlug, en best wel sterk, ze is ook nog heel opmerkzaam. Ze ziet bijna alles; veel meer dan ik of Gaby.
'Om precies te zijn,' fluisterde Gaby: 'we zijn hier al vier keer geweest.'
'Oh ja,' snauwde ik fluisterend. 'Alsof jij het verschil ziet tussen twee dezelfde antieke tafeltjes. Je bent Kwetter niet.'
'Inderdaad,' bitste Gaby terug, 'Ik ben Kwetter niet. Om te beginnen heb ik betere ogen dan Kwetter. Maar die heb je helemaal niet nodig om de kamer-nummers te zien, want die staan met koeienletters op de deuren...'
'Koeiencijfers,' verbeterde ik haar. Ze had gelijk, natuurlijk: aan de kamernummers kon je de gangen makkelijk herkennen.
Ik weet niet of je het weet, want misschien heb je geen klein zusje, maar het is echt heel erg verschrikkelijk als je zusje slimmer doet dan jij. Als ze bijvoorbeeld iets slims zegt, wat je zelf ook al lang had kunnen bedenken. Wat je ook bedacht zou hebben, als je niet toevallig net even aan iets anders dacht. Dat kan toch? Dat is gewoon toeval. Dat zegt nog niks over wie er de slimste is. Maar het lijkt dan net alsof je zusje slimmer is. In ieder geval ziet je zusje het zo. Dat wéét je gewoon, dat hoeft ze je niet eens te vertellen. Dan is het dus van het grootste belang, dat je onmiddellijk laat merken dat jij hier de slimste bent. Bijvoorbeeld door een onbenullig taalfoutje te verbeteren. Zoals koeienletters die eigenlijk cijfers zijn. Dat het meteen even duidelijk is wie het écht de slimste is, als het erop aan komt.
Gaby ging door alsof ze me niet gehoord had: '...op de deuren, wat zelfs jij had kunnen zien als je niet de hele tijd zin zwijmele bewondering naar je vriendinnetje had gekeken.'
'Ze is mijn vriendinnetje niet,' gilde ik.
Ik kan op een fluisterende manier gillen namelijk. Knap he?
'Bent ik wel,' zei Kwetter afwezig. 'Ik bent het vriendinnetje van jullie allebei. Maar dat bedoelt jij niet. Jij denk nog steeds dat jij niet verliefd is op mij, dát bedoelt jij. Maar dat bent nu even niet de vraag. De vraag bent: Waar bent Snoet?'
Inderdaad. We waren Snoet uit het oog verloren.
Oepsie.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 47. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 47. Alle posts tonen
vrijdag 18 april 2014
maandag 31 december 2012
Wat je allemaal van aardolie kunt maken
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Hebbes,' hijgde bullebak nummer één.
Kwetter kronkelde als een paling, maar wist zich niet los te wurmen.
'Wat doen we met haar?' vroeg bullebak nummer twee. 'Ik heb ontzetten veel zin om haar een flink te meppen, namelijk.'
'Niks d'r van,' antwoordde de eerste. 'Deze gaat regelrecht naar buiten. Meppen is allemaal leuk en aardig, maar ik wil geen enkel risico lopen dat ze ontsnapt. Moet je zien hoe ze spartelt! Ze is geeneens moe, terwijl ik... pfff...'
'Je hebt gelijk,' zei zijn makker.
'Lieve schatten,' fluisterde mama ondertussen tegen ons, 'ik wil dat jullie zo snel mogelijk naar de andere kant van het kantoor sluipen en daar plat op de grond gaan liggen.'
Dat deden we.
'Sneller,' fluisterde mama toen ik mij liet afleiden doordat Kwetter vreselijk begon te schelden tegen de twee schurken. In het Boegoenees, dus ze verstonden haar niet, maar dat maakte niet uit: ze kon hen toch niet op andere gedachten brengen.
Op hun dooie gemak liepen ze met haar naar de openstaande schuifdeuren.
'Plat!' siste mama, en we lieten ons plat op de grond vallen.
BOEM!
Het was geen slechte bom, die mama in haar beha bewaard had. Hij knalde behoorlijk, en alle glazen muren en het glazen plafond werden in scherven naar buiten geblazen. In de vloer zat een enorm gat, waardoor we konden ontsnappen naar een lagere verdieping. Een verdieping met liften. We waren nog niet gered, maar we waren ook niet langer ten dode opgeschreven.
Dat was fijn.
Maar nóg fijner was het, dat de twee schurken vlák voor de schuifdeuren tegen de grond waren gesmeten door de ontploffing. Daas en wazig lagen ze op de grond, en Kwetter lag onder hen. Papa en Michael sleurden haar onder de twee akelige kerels vandaan. Ze had geluk gehad: de twee kerels hadden tussen haar en de bom in gestaan, dus ze was niet eens geschroeid. Maar na de klap waren de twee kerels bovenop haar gevallen, en ze waren zwaar en gespierd dus onze arme vriendin was half bewusteloos.
Papa droeg haar naar het gat in de vloer, en voorzichtig klommen we naar beneden.
We kwamen terecht in een verlaten gang. Een brede, lichte gang met aande3 ene kant net zoveel glas als de bovenverdieping had gehad, en aan de andere kant een witte muur waaraan talloze plankjes waren vastgemaakt. Daarop stonden allerlei potjes en flesjes en in die potjes en flesjes zaten roze korreltjes, bruine prutjes, heldere vloeistofjes en alles daartussenin (heldere prutjes, paarse vloeistofjes enzovoort). Boven de plankjes stond met grote letters: WAT JE ALLEMAAL VAN AARDOLIE KUNT MAKEN.
'Oooh,' zei papa. 'Wat mooi! Wat schitterend!'
'Het is prachtig,' beaamde mama. 'Zóveel chemische stofjes bij elkaar!' Ze liep naar de muur en bestudeerde de potjes en flesjes. 'Ze staan op alfabetische volgorde,' stelde ze vast. 'Dit is nog maar een klein deel, natuurlijk. Van aardolie kun je ontzéttend veel maken, namelijk. Ik denk dat jke elke gang in elke verdieping van het gebouw zou kunnen volhangen met...'
'Réken maar dat alle gangen volhangen met dat spul,' zei papa. 'Dat nou juist het mooie. Ik ben diep geraakt, dat mag je rustig weten.'
'Nooit geweten dat jij zo van chemische stofjes hield,' zei mama.
'Hè? Wat chemische stofjes? Oh, wacht, ik weet wat je bedoelt. Ach, chemische stofjes, die zijn oké wat mij betreft. Maar zie je niet wat voor moois meneer Cockel hier heeft gedaan? Hij heeft van zijn hele kantoor een museum gemaakt! Een aardolie-museum. Snap je niet hoe briljant dat is? Hoe gedurfd? Het wil namelijk zeggen, dat hij over dit hele, gigantische gebouw geen kantorenbelasting betaalt! Het is...' hij schudde zijn hoofd. Zijn ogen waren een beetje vochtig. 'Ik ben diep geroerd, dat mogen jullie gerust weten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Hebbes,' hijgde bullebak nummer één.
Kwetter kronkelde als een paling, maar wist zich niet los te wurmen.
'Wat doen we met haar?' vroeg bullebak nummer twee. 'Ik heb ontzetten veel zin om haar een flink te meppen, namelijk.'
'Niks d'r van,' antwoordde de eerste. 'Deze gaat regelrecht naar buiten. Meppen is allemaal leuk en aardig, maar ik wil geen enkel risico lopen dat ze ontsnapt. Moet je zien hoe ze spartelt! Ze is geeneens moe, terwijl ik... pfff...'
'Je hebt gelijk,' zei zijn makker.
'Lieve schatten,' fluisterde mama ondertussen tegen ons, 'ik wil dat jullie zo snel mogelijk naar de andere kant van het kantoor sluipen en daar plat op de grond gaan liggen.'
Dat deden we.
'Sneller,' fluisterde mama toen ik mij liet afleiden doordat Kwetter vreselijk begon te schelden tegen de twee schurken. In het Boegoenees, dus ze verstonden haar niet, maar dat maakte niet uit: ze kon hen toch niet op andere gedachten brengen.
Op hun dooie gemak liepen ze met haar naar de openstaande schuifdeuren.
'Plat!' siste mama, en we lieten ons plat op de grond vallen.
BOEM!
Het was geen slechte bom, die mama in haar beha bewaard had. Hij knalde behoorlijk, en alle glazen muren en het glazen plafond werden in scherven naar buiten geblazen. In de vloer zat een enorm gat, waardoor we konden ontsnappen naar een lagere verdieping. Een verdieping met liften. We waren nog niet gered, maar we waren ook niet langer ten dode opgeschreven.
Dat was fijn.
Maar nóg fijner was het, dat de twee schurken vlák voor de schuifdeuren tegen de grond waren gesmeten door de ontploffing. Daas en wazig lagen ze op de grond, en Kwetter lag onder hen. Papa en Michael sleurden haar onder de twee akelige kerels vandaan. Ze had geluk gehad: de twee kerels hadden tussen haar en de bom in gestaan, dus ze was niet eens geschroeid. Maar na de klap waren de twee kerels bovenop haar gevallen, en ze waren zwaar en gespierd dus onze arme vriendin was half bewusteloos.
Papa droeg haar naar het gat in de vloer, en voorzichtig klommen we naar beneden.
We kwamen terecht in een verlaten gang. Een brede, lichte gang met aande3 ene kant net zoveel glas als de bovenverdieping had gehad, en aan de andere kant een witte muur waaraan talloze plankjes waren vastgemaakt. Daarop stonden allerlei potjes en flesjes en in die potjes en flesjes zaten roze korreltjes, bruine prutjes, heldere vloeistofjes en alles daartussenin (heldere prutjes, paarse vloeistofjes enzovoort). Boven de plankjes stond met grote letters: WAT JE ALLEMAAL VAN AARDOLIE KUNT MAKEN.
'Oooh,' zei papa. 'Wat mooi! Wat schitterend!'
'Het is prachtig,' beaamde mama. 'Zóveel chemische stofjes bij elkaar!' Ze liep naar de muur en bestudeerde de potjes en flesjes. 'Ze staan op alfabetische volgorde,' stelde ze vast. 'Dit is nog maar een klein deel, natuurlijk. Van aardolie kun je ontzéttend veel maken, namelijk. Ik denk dat jke elke gang in elke verdieping van het gebouw zou kunnen volhangen met...'
'Réken maar dat alle gangen volhangen met dat spul,' zei papa. 'Dat nou juist het mooie. Ik ben diep geraakt, dat mag je rustig weten.'
'Nooit geweten dat jij zo van chemische stofjes hield,' zei mama.
'Hè? Wat chemische stofjes? Oh, wacht, ik weet wat je bedoelt. Ach, chemische stofjes, die zijn oké wat mij betreft. Maar zie je niet wat voor moois meneer Cockel hier heeft gedaan? Hij heeft van zijn hele kantoor een museum gemaakt! Een aardolie-museum. Snap je niet hoe briljant dat is? Hoe gedurfd? Het wil namelijk zeggen, dat hij over dit hele, gigantische gebouw geen kantorenbelasting betaalt! Het is...' hij schudde zijn hoofd. Zijn ogen waren een beetje vochtig. 'Ik ben diep geroerd, dat mogen jullie gerust weten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 11 mei 2012
De geluidjes van onze vochtige voeten
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was een eigenaardige stem, die daar uit de duisternis opklonk.
Ze sprak in het Boegoenees – allicht – en ze was oud, stokoud. Ze deed me denken aan het trage voorbijgaan van de tijd onder in een grot, waar om de paar minuten een druppeltje van de zoldering valt en in elk druppeltje zit een heel klein, een piepklein beetje kalk opgelost. Heb ik op televisie gezien. Na honderden jaren van druppelen ontstaat er dan een druipsteentorentje ontstaan, en na duizenden jaren heeft die toren het dak van de grot bereikt om een zuil te vormen. Zo langzaam-maar-zeker gaat de tijd daar onder de aarde. Aan dat soort zuilen deed de stem mij denken.
Je zou denken dat zo'n eeuwenoude, eerbiedwaardige stem iets heel geheimzinnigs en wijs zou zeggen, maar ze zei gewoon: 'Hallo,' en Kwetter zei: 'Hallo oma!' en nou, ja, dat viel dus een beetje tegen.
Daarna zei Oma iets heel fijns: 'Er heeft hier iemand een kindje laten slingeren. Hoort ze misschien bij jullie?'
'Ja,' juichte ik in mijn beste Boegoenees (wat niet heel erg goed is) 'ja, dat eh... zijn... eh, dat zijn mijn eh.. het kind van mijn mama?'
'Zusje,' hielp Kwetter. Haar Nederlands is een stuk beter dan mijn Boegoenees, eerlijk gezegd.
'Dat zijn mijn zusje,' knikte ik enthousiast. 'Niet verdronken?'
'Nee,' zei de stem. 'Maar er is iets mis met haar arm, geloof ik.'
'Oh, dat,' zei ik. 'ja, dat weten wij al hoor. Ik denken: dat gaan wel over.'
'Kom,' zei de stem, en slpotsj splotsj splotsj, daar ging Oma.
Wij splotsjten achter haar aan.
Het ging een stuk sneller dan daarstraks, want ik hoefde Gaby niet meer te dragen. Dat deed Oma, en Oma was kennelijk nogal een krachtpatser.
We liepen een tijdje zo door, en opeens deden onze voeten niet langer splotjs splotjs maar plet-plet-plet, want we baggerden niet meer door de drassige bosbodem maar voelden koele, stevige steen onder onze tenen.
Het was nog even donker als daarstraks, maar we liepen niet langer in het bos. Het was koel hier, een beetje koud zelfs, en het plet plet plet van onze vochtige voeten had een vreemde echo.
'Kwetter,' fluisterde ik, 'zitten we hier toevallig in een grot?'
'Jazeker,' antwoordde Kwetter, 'zit wij in.'
Naarmate we dieper de grot ingingen leek het om ons heen wat lichter te worden.
Of nou ja, lichter is een groot woord... het duister werd wat zachter, fluwelig lag het over ons heen, alsof er al wel lichtstraaltjes waren, maar dat ze nog te klein waren om te kunnen zien.
Na nog een minuutje was het onmiskenbaar: het werd een heel klein beetje lichter.
Dat was raar, want het was pas een paar uur donker. Nog lang geen tijd voor daglicht.
En een lamp kon het ook niet wezen, want in Boegoe-Boegoe waren geen lampen of kaarsen of open haarden of, nou ja, noem maar iets wat licht geeft. Wat je ook verzint: in Boegoe-Boegoe hebben ze het niet.
Dacht ik.
Had ik even ongelijk.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was een eigenaardige stem, die daar uit de duisternis opklonk.
Ze sprak in het Boegoenees – allicht – en ze was oud, stokoud. Ze deed me denken aan het trage voorbijgaan van de tijd onder in een grot, waar om de paar minuten een druppeltje van de zoldering valt en in elk druppeltje zit een heel klein, een piepklein beetje kalk opgelost. Heb ik op televisie gezien. Na honderden jaren van druppelen ontstaat er dan een druipsteentorentje ontstaan, en na duizenden jaren heeft die toren het dak van de grot bereikt om een zuil te vormen. Zo langzaam-maar-zeker gaat de tijd daar onder de aarde. Aan dat soort zuilen deed de stem mij denken.
Je zou denken dat zo'n eeuwenoude, eerbiedwaardige stem iets heel geheimzinnigs en wijs zou zeggen, maar ze zei gewoon: 'Hallo,' en Kwetter zei: 'Hallo oma!' en nou, ja, dat viel dus een beetje tegen.
Daarna zei Oma iets heel fijns: 'Er heeft hier iemand een kindje laten slingeren. Hoort ze misschien bij jullie?'
'Ja,' juichte ik in mijn beste Boegoenees (wat niet heel erg goed is) 'ja, dat eh... zijn... eh, dat zijn mijn eh.. het kind van mijn mama?'
'Zusje,' hielp Kwetter. Haar Nederlands is een stuk beter dan mijn Boegoenees, eerlijk gezegd.
'Dat zijn mijn zusje,' knikte ik enthousiast. 'Niet verdronken?'
'Nee,' zei de stem. 'Maar er is iets mis met haar arm, geloof ik.'
'Oh, dat,' zei ik. 'ja, dat weten wij al hoor. Ik denken: dat gaan wel over.'
'Kom,' zei de stem, en slpotsj splotsj splotsj, daar ging Oma.
Wij splotsjten achter haar aan.
Het ging een stuk sneller dan daarstraks, want ik hoefde Gaby niet meer te dragen. Dat deed Oma, en Oma was kennelijk nogal een krachtpatser.
We liepen een tijdje zo door, en opeens deden onze voeten niet langer splotjs splotjs maar plet-plet-plet, want we baggerden niet meer door de drassige bosbodem maar voelden koele, stevige steen onder onze tenen.
Het was nog even donker als daarstraks, maar we liepen niet langer in het bos. Het was koel hier, een beetje koud zelfs, en het plet plet plet van onze vochtige voeten had een vreemde echo.
'Kwetter,' fluisterde ik, 'zitten we hier toevallig in een grot?'
'Jazeker,' antwoordde Kwetter, 'zit wij in.'
Naarmate we dieper de grot ingingen leek het om ons heen wat lichter te worden.
Of nou ja, lichter is een groot woord... het duister werd wat zachter, fluwelig lag het over ons heen, alsof er al wel lichtstraaltjes waren, maar dat ze nog te klein waren om te kunnen zien.
Na nog een minuutje was het onmiskenbaar: het werd een heel klein beetje lichter.
Dat was raar, want het was pas een paar uur donker. Nog lang geen tijd voor daglicht.
En een lamp kon het ook niet wezen, want in Boegoe-Boegoe waren geen lampen of kaarsen of open haarden of, nou ja, noem maar iets wat licht geeft. Wat je ook verzint: in Boegoe-Boegoe hebben ze het niet.
Dacht ik.
Had ik even ongelijk.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)