BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Hij moet één van deze kamers zijn binnengegaan,' redeneerde ik. 'Als we nu eens aan alle deuren luisterden?'
'Dat is een plan,' zei mijn zusje. 'En dan bedoel ik: echt weer zo'n superdom Michael-plan.'
'Oh,' zei ik. 'En wat is jouw plan?'
'Mijn plan?' vroeg Gaby luchtig. 'Eh... nou... gewoon'
'En “gewoon terug naar bed gaan” telt niet als een plan,' waarschuwde ik.
Gaby probeerde te kijken alsof ze iets heel anders had willen zeggen.
Op dat moment hoorden we een geluidje aan onze linkerkant. Een heel zacht geluidje, alsof er een knuffelbeer van één meter hoogte op een donzen dekbed viel.
We keken opzij. Geen knuffelbeer en geen dekbed, natuurlijk. Het was alleen maar Kwetter, die op de grond gevallen was. Op het zijdezachte, dikke tapijt van het Swinefeller auditorium.
'Kwetter?' vroeg ik bezorgd. 'Gaat het wel goed met jou?'
Kwetter zei niks terug. Ze leek bewusteloos.
Op dat moment hoorde ik hetzelfde geluidje weer, dit keer aan mijn rechterkant. De kant waar Gaby stond. Behalve dan dat ze niet stond, natuurlijk. Ze lag op de grond. Net als Kwetter.
Toen pas begreep ik wat er aan de hand was. Ik probeerde me om te draaien, maar al halverwege mijn draai voelde ik een doffe dreun tegen mijn achterhoofd. Terwijl ik in elkaar zakte zag ik nog net het tevreden gezicht van Snoet, de kinderdief.
Je blijft nooit lang bewusteloos. In films en boeken en dergelijke is dat anders, daar kun je een klap op je kop krijgen en een dag later wakker worden. En dan heb je de hele nacht in een steegje gelegen. Of je bent meegenomen en ligt in het hoofdkwartier van de schurken. Vastgebonden op een griezelige tafel, terwijl de meester-schurk zich over je heen buigt en zegt: 'ik houd niet van nieuwsgierige kinderen. Vertel me alles wat je weet, of anders...' en daarna vertelt hij je alles wat je moet weten, terwijl jij intussen ongemerkt je handen uit hun boeien wriemelt voor een spectaculaire ontsnapping.
Zo gaat het in het echt dus niet. Helaas.
In het echt blijf je maar een paar seconden bewusteloos, hooguit een halve minuut. En daarna moet je naar het ziekenhuis voor je gebutste hersentjes.
Als je door een echte vakman op je kop wordt getikt, dan is het wat anders. Een echte vakman slaat niet te hard, zodat je hersentjes redelijk heel blijven. Dat is fijn.
Helaas heeft hij ook altijd een flesje met spul in zijn zak. Spul waarvan je, zeg maar, in slaap valt. Of bewusteloos blijft – als je toevallig net bewusteloos bent geraakt. Het soort spul dat ze in ziekenhuizen gebruiken, als de dokter je moet opereren en hij geen zin heeft in een patiënt die de hele tijd ligt te gillen en te spartelen van de pijn. Dat opereert niet prettig, namelijk.
Snoet was een echte vakman, en hij wist ons alle drie bewusteloos te houden terwijl hij ons stiekempjes mee smokkelde uit het Swinefeller auditorium, het duisterste deel van de nacht in.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 48. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 48. Alle posts tonen
maandag 21 april 2014
woensdag 2 januari 2013
Jacques de Knacques de Hoepsiepoepsie
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Zou dat geluid er ook bij horen?' vroeg ik me af. 'Bij de museum-kunst, zeg maar?'
Michael begreep meteen wat ik bedoelde. 'Dat mwoeiii, mwoeiiii, mwoeiiiii, wil je zeggen? Ik denk het wel. Het is een kunstzinnige en belastingvrije weergave van de hupseflups de hatseflats.'
'Inderdaad,' zei ik, 'dit is, als ik mij niet vergis, een muziekstuk van de bekende componist Jacques de Knacques de Hoepsiepoepsie. Het heet: Inbraakalarm.'
'Zou daar geen mensen op af komen?' vroeg Kwetter zich af. 'Mensen van de beveiliging?'
'Jullie hebben gelijk, lieve schatten,' zei papa. 'We moeten hier weg, en snel ook. Vanaf deze verdieping gaan er vast liften. Echte liften, met knopjes die het doen. Schat! Kom je?'
Mama leek ons niet te horen. Liefdevol aaide ze de potjes en flesjes met chemische spulletjes, alsof het huisdieren waren die ze na een vakantie van drie maanden voor 't eerst weer zag. 'Jij bent giftig,' mompelde ze, 'maar jij smaakt naar aardbeien, en jou gebruiken ze als raketbrandstof maar van jou maken ze nylonkousen, en jij...' Ze keek verliefd naar een flesje met doorzichtige, blauwe vloeistof. '...kom jij maar met mij mee!'
'Mama,' zei ik, 'er is een tijd voor chemische stofjes, en er is een tijd om te rennen. En nu wordt het langzamerhand tijd om te gaan rennen. Het inbraakalarm gaat af, hoor je wel? Nou, de mensen van de beveiliging horen dat dus ook.'
'En zelfs als ze het niet hoorden,' vulde Michael aan, 'dan zouden ze vast wel een kijkje komen nemen. De bovenste verdieping is namelijk ontploft, en het zou best kunnen dat ze dat gemerkt hebben.'
'Hm-hm,' deed mama, en ze pakte nog een potje van de plank.
'Ma-ham, kom nou! Ze kunnen elk moment hier zijn!'
'Hm-hm. Nu even niet storen jongens, mama is met iets belangrijks bezig. Dit zijn heel wetenschappelijke stofjes, weten jullie dat wel?'
In de verte hoorden we het geluid van een liftdeur die openschoof. En van rennende voeten. Ze kwamen onze kant op.
'MA-HAM' brulden wij.
'Geef het maar op, jongens,' zei papa. 'Ze is geheel in de greep van de wetenschap.'
En inderdaad. Met een achteloos gebaar veegde mama de potjes en flesjes, die ze zojuist nog had staan liefkozen, van hun plankje af. Ze goot een paar potjes leeg (het begon verschrikkelijk te stinken) en gebruikte het glaswerk om de stofjes van haar keuze zorgvuldig te mengen. Vrolijk neuriënd liet ze een blauwe vloeistof en een fijn wit poeder samen een gele smurrie worden. Daarna veranderde ze glimmende korrels, samen met een bruine drab, in een paars wolkje dat ze handig opving in een glazen flesje. Enzovoort.
'Oh jongens,' zei ze. 'Dit is nog eens genieten! De zeldzaamste, zuiverste stofjes zó voor het grijpen. Ik zou wel uren lang door kunnen gaan!'
'Integendeel,' zei een stem achter ons. 'Het speelkwartier is voorbij. En dat niet alleen, u bent zélf bijna voorbij. Mannen! Ik tel tot drie en dan schieten jullie!'
We draaiden ons om.
Daar stond de Moeflon, met zijn akelige, platte pistooltje. Naast hem stonden vijf kerels in bewakings-uniformen. Ze hadden grote, akelige geweren. 'Sjotkuns,' mompelde Michael. Dat is geloof ik jongenstaal voor 'grote, akelige geweren'.
'Eén,' zei de Moeflon, 'twee...'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Zou dat geluid er ook bij horen?' vroeg ik me af. 'Bij de museum-kunst, zeg maar?'
Michael begreep meteen wat ik bedoelde. 'Dat mwoeiii, mwoeiiii, mwoeiiiii, wil je zeggen? Ik denk het wel. Het is een kunstzinnige en belastingvrije weergave van de hupseflups de hatseflats.'
'Inderdaad,' zei ik, 'dit is, als ik mij niet vergis, een muziekstuk van de bekende componist Jacques de Knacques de Hoepsiepoepsie. Het heet: Inbraakalarm.'
'Zou daar geen mensen op af komen?' vroeg Kwetter zich af. 'Mensen van de beveiliging?'
'Jullie hebben gelijk, lieve schatten,' zei papa. 'We moeten hier weg, en snel ook. Vanaf deze verdieping gaan er vast liften. Echte liften, met knopjes die het doen. Schat! Kom je?'
Mama leek ons niet te horen. Liefdevol aaide ze de potjes en flesjes met chemische spulletjes, alsof het huisdieren waren die ze na een vakantie van drie maanden voor 't eerst weer zag. 'Jij bent giftig,' mompelde ze, 'maar jij smaakt naar aardbeien, en jou gebruiken ze als raketbrandstof maar van jou maken ze nylonkousen, en jij...' Ze keek verliefd naar een flesje met doorzichtige, blauwe vloeistof. '...kom jij maar met mij mee!'
'Mama,' zei ik, 'er is een tijd voor chemische stofjes, en er is een tijd om te rennen. En nu wordt het langzamerhand tijd om te gaan rennen. Het inbraakalarm gaat af, hoor je wel? Nou, de mensen van de beveiliging horen dat dus ook.'
'En zelfs als ze het niet hoorden,' vulde Michael aan, 'dan zouden ze vast wel een kijkje komen nemen. De bovenste verdieping is namelijk ontploft, en het zou best kunnen dat ze dat gemerkt hebben.'
'Hm-hm,' deed mama, en ze pakte nog een potje van de plank.
'Ma-ham, kom nou! Ze kunnen elk moment hier zijn!'
'Hm-hm. Nu even niet storen jongens, mama is met iets belangrijks bezig. Dit zijn heel wetenschappelijke stofjes, weten jullie dat wel?'
In de verte hoorden we het geluid van een liftdeur die openschoof. En van rennende voeten. Ze kwamen onze kant op.
'MA-HAM' brulden wij.
'Geef het maar op, jongens,' zei papa. 'Ze is geheel in de greep van de wetenschap.'
En inderdaad. Met een achteloos gebaar veegde mama de potjes en flesjes, die ze zojuist nog had staan liefkozen, van hun plankje af. Ze goot een paar potjes leeg (het begon verschrikkelijk te stinken) en gebruikte het glaswerk om de stofjes van haar keuze zorgvuldig te mengen. Vrolijk neuriënd liet ze een blauwe vloeistof en een fijn wit poeder samen een gele smurrie worden. Daarna veranderde ze glimmende korrels, samen met een bruine drab, in een paars wolkje dat ze handig opving in een glazen flesje. Enzovoort.
'Oh jongens,' zei ze. 'Dit is nog eens genieten! De zeldzaamste, zuiverste stofjes zó voor het grijpen. Ik zou wel uren lang door kunnen gaan!'
'Integendeel,' zei een stem achter ons. 'Het speelkwartier is voorbij. En dat niet alleen, u bent zélf bijna voorbij. Mannen! Ik tel tot drie en dan schieten jullie!'
We draaiden ons om.
Daar stond de Moeflon, met zijn akelige, platte pistooltje. Naast hem stonden vijf kerels in bewakings-uniformen. Ze hadden grote, akelige geweren. 'Sjotkuns,' mompelde Michael. Dat is geloof ik jongenstaal voor 'grote, akelige geweren'.
'Eén,' zei de Moeflon, 'twee...'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 14 mei 2012
Veilig in het Boegoenees
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik heb in mijn leven al best veel dingen gezien. Meer dan de meeste jongens van twaalf jaar. Wonderlijke dingen: een man die zichzelf per ongeluk opblies met een bazooka. De binnenkant van een Mjamburger-Maak-Machine, met draaiende messen op een halve centimeter afstand van mijn neus. Een boom vol blote Boegoenezen, die noko-nootjes in elkaars keel spogen. Een alligator die een boomleeuw opat, die een sissipi-slang opat die een Stoeiaapje opat, En nog wel zo het een en ander.
Ik ben dus, dacht ik, wel wat gewend.
Maar zoiets wonderlijks als dit had ik nog nooit gezien. We kwamen in een immense grot, die baadde in een zacht, blauw-wit licht. Als maanlicht. Maar het kwam niet van de maan; het kwam van de wanden, die waren overdekt met een dikke laag spul. Een dikke laag van - ja, wat was het? Mos? Schimmel? In elk geval: het gaf licht. Niet veel, maar genoeg om te zien wat er op de vloer lag.
Het spul dat op de muren zat was wonderlijk, en een beetje spookachtig, maar wat er op de vloer lag was zo ongelooflijk, en zo angstaanjagend, dat mijn hart begon te slaan alsof het door mijn oren naar buiten wilde springen.
De vloer lag bezaaid met... Alligators. Honderden alligators, hutje-mutje naast elkaar, of zelfs bovenop elkaar, traag zwaaiend met hun staarten, nu en dan eens klapperend met hun kaken.
'Kom,' zei Oma.
Oma was een stokoud Boegoenees dametje, met dun grijs haar, overal rimpels en bijna nergens tanden. Gewoon een omaatje zoals je ze bij ons ook ziet, alleen had deze geen kleren en geen kunstgebit. En wel een bewusteloze Gaby, die ze over haar schouder had gelegd alsof het een donzen kussen was.
'Kom,' wenkte ze nog eens, en ze begon te lopen in de richting van de alligators.
'Eh...' zei ik nerveus, 'zijn dat, eh, zijn dat wel helemaal... Kwetter, wat is “veilig” in het Boegoenees?'
Kwetter dacht even na en zei opgewekt: 'Daar heeft wij geen woord voor, geloof ik. Dat heeft wij ook helemaal niet nodig, want er is toch nooit iets veilig dus daar hoeft wij het niet over te hebben. Komt jij nog?'
Laat ik het maar heel eerlijk zeggen: daar had ik niet zo'n zin in. Een grot waar de alligators tweehoog opgestapeld liggen te wachten tot er iets eetbaars voorbij komt? Daar hoef ik niet zo heel per se naar binnen, dank je hartelijk.
Aan de andere kant: vlak voor mij liepen een stokoud vrouwtje en een klein meisje de grot binnen. Zij durfden wél. Dan kon ik toch niet achterblijven?
Het is niet altijd makkelijk om een jongetje te zijn. Als een meisje iets niet durft, dan geeft dat niks. Ze hoeft ook niks te durven, daar is ze immers een meisje voor.
En als je een volwassen man bent, dan telt het soms zelfs als dapper wanneer je eerlijk toegeeft, dat je iets niet durft. Vaak genoeg, als mijn moeder iets gevaarlijks doet, zegt papa vol bewondering: 'Die moeder van jou, die durft toch maar alles.'
Hij geeft gewoon toe dat hij minder dapper is dan mama – en toch lacht ze hem nooit uit!
Wat is maar groot. Of een meisje.
Maar nee, ik was een jongen, dus ik moest durven. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem en stapte de grot in.
Dat was niet zo verstandig. Vooral dat van die dichte ogen niet, want ik stapte meteen al bovenop een alligator.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik heb in mijn leven al best veel dingen gezien. Meer dan de meeste jongens van twaalf jaar. Wonderlijke dingen: een man die zichzelf per ongeluk opblies met een bazooka. De binnenkant van een Mjamburger-Maak-Machine, met draaiende messen op een halve centimeter afstand van mijn neus. Een boom vol blote Boegoenezen, die noko-nootjes in elkaars keel spogen. Een alligator die een boomleeuw opat, die een sissipi-slang opat die een Stoeiaapje opat, En nog wel zo het een en ander.
Ik ben dus, dacht ik, wel wat gewend.
Maar zoiets wonderlijks als dit had ik nog nooit gezien. We kwamen in een immense grot, die baadde in een zacht, blauw-wit licht. Als maanlicht. Maar het kwam niet van de maan; het kwam van de wanden, die waren overdekt met een dikke laag spul. Een dikke laag van - ja, wat was het? Mos? Schimmel? In elk geval: het gaf licht. Niet veel, maar genoeg om te zien wat er op de vloer lag.
Het spul dat op de muren zat was wonderlijk, en een beetje spookachtig, maar wat er op de vloer lag was zo ongelooflijk, en zo angstaanjagend, dat mijn hart begon te slaan alsof het door mijn oren naar buiten wilde springen.
De vloer lag bezaaid met... Alligators. Honderden alligators, hutje-mutje naast elkaar, of zelfs bovenop elkaar, traag zwaaiend met hun staarten, nu en dan eens klapperend met hun kaken.
'Kom,' zei Oma.
Oma was een stokoud Boegoenees dametje, met dun grijs haar, overal rimpels en bijna nergens tanden. Gewoon een omaatje zoals je ze bij ons ook ziet, alleen had deze geen kleren en geen kunstgebit. En wel een bewusteloze Gaby, die ze over haar schouder had gelegd alsof het een donzen kussen was.
'Kom,' wenkte ze nog eens, en ze begon te lopen in de richting van de alligators.
'Eh...' zei ik nerveus, 'zijn dat, eh, zijn dat wel helemaal... Kwetter, wat is “veilig” in het Boegoenees?'
Kwetter dacht even na en zei opgewekt: 'Daar heeft wij geen woord voor, geloof ik. Dat heeft wij ook helemaal niet nodig, want er is toch nooit iets veilig dus daar hoeft wij het niet over te hebben. Komt jij nog?'
Laat ik het maar heel eerlijk zeggen: daar had ik niet zo'n zin in. Een grot waar de alligators tweehoog opgestapeld liggen te wachten tot er iets eetbaars voorbij komt? Daar hoef ik niet zo heel per se naar binnen, dank je hartelijk.
Aan de andere kant: vlak voor mij liepen een stokoud vrouwtje en een klein meisje de grot binnen. Zij durfden wél. Dan kon ik toch niet achterblijven?
Het is niet altijd makkelijk om een jongetje te zijn. Als een meisje iets niet durft, dan geeft dat niks. Ze hoeft ook niks te durven, daar is ze immers een meisje voor.
En als je een volwassen man bent, dan telt het soms zelfs als dapper wanneer je eerlijk toegeeft, dat je iets niet durft. Vaak genoeg, als mijn moeder iets gevaarlijks doet, zegt papa vol bewondering: 'Die moeder van jou, die durft toch maar alles.'
Hij geeft gewoon toe dat hij minder dapper is dan mama – en toch lacht ze hem nooit uit!
Wat is maar groot. Of een meisje.
Maar nee, ik was een jongen, dus ik moest durven. Ik sloot mijn ogen, haalde diep adem en stapte de grot in.
Dat was niet zo verstandig. Vooral dat van die dichte ogen niet, want ik stapte meteen al bovenop een alligator.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)