BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik dacht aan eten.
Geloof me: het laatste waar je aan denkt, als je zeeziek bent, is eten. Als je zeeziek bent, is je maag voortdurend op zoek naar redenen om zichzelf binnenstebuiten te keren. Schommelt de boot? Ha, kotsen! Ruikt het hier vies? Ha, kotsen! Heb je net gegeten? Sta je met je buik tegen de reling geleund? Denk je alleen al aan eten, of schommelen, of aan je buik? Hoera! Kotsen, kotsen, kotsen!
Een normaal mens denkt dus niet aan eten als hij zeeziek is. Maar ik ben natuurlijk geen normaal mens, ik ben de zoon van de Donderkat, en ik lijk wel een beetje op haar. Een deel van mijn moeders algehele geweldigheid, dat heb ik ook.
Bovendien had ik nu geen tijd voor misselijkheid. Ik zat in een donker hok met Gaby en Kwetter, en ik was hier de oudste dus ik was verantwoordelijk. Bovendien was ik de enige jongen, en hoewel ik heel goed weet dat mannen en vrouwen even slim zijn en even veel waard en bla bla bla, legde dat toch een extra druk op mijn schouders. Voor zeeziekte had ik dus domweg geen tijd.
'Eten,' zei ik met mijn zwaarste, meest mannelijke stem. Met een stem die de toehoorders meteen geruststelt, terwijl je ook hoort dat de spreker donders goed weet hoe ernstig de situatie is
Dat was de bedoeling, in ieder geval. Maar het kwam, als ik heel eerlijk moet zijn, uit mijn keel als een schor gepiep waar de wanhoop vanaf droop.
'Eten?' vroeg Gaby. 'Je eten ligt hier op de grond!'
Wat er op der grond lag was eten én het rook vies, dus... ja...
Het leven is niet makkelijk, als je een man bent in het lichaam van een jongetje.
'Eten en drinken,' piepte ik toen ik weer kon praten. 'Als we hier drie weken zitten zonder eten en drinken, dan gaan we hartstikke...'
'Er bent water en beschuit,'zei Kwetter. 'In de hoek. Voor elke dag twee beschuiten en een halve fles water. Tenminste, dat bende de vorige keer zo.'
Gelukkig hoefde ik niet over te geven, toen zij het over beschuit had. Niet alleen omdat ik niks meer hád, maar omdat er aan beschuit niks vet of zoets is waar je maag op reageert. Dus dat is het fijne aan scheepsbeschuit.
Het jammere aan beschuit is dan weer dat het nergens naar smaakt. Dus het idee dat we drie weken beschuit moesten eten, daar werd ik een beetje verdrietig van.
Nou ja. Is weer eens wat anders dan misselijk.
'Er bent ook ergens een paar emmers, denkt ik.'
'Emmers? Wat moeten we daarmee?' vroeg ik me af.
'Wat denk je, slimmerd?' zei Gaby. 'Dat eten en drinken moet er ook weer uit, hoor! Dat zal na een weekje of drie wel behoorlijk gaan...'
Toen ontdekte ik dat je altijd nog wel wat overgeefsel hebt, als je maar hard genoeg je best doet.
'Okee,' rochelde ik toen ik klaar was. 'Tijd om het te hebben over de positieve dingen. Ik weet er al één.'
'Dat is dan één meer dan ik,' zei Gaby somber.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 50. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 50. Alle posts tonen
vrijdag 25 april 2014
maandag 7 januari 2013
Fatsoenlijke terroristen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Vangen!' riep ze. Ze draaide een potje met geel spul open en gooide het naar de agenten. De middelste agent ving het op. Zoiets doe je zonder erbij na te denken. Gelukkig maar want als hij erbij nagedacht had, had hij dat potje nooit aangeraakt. Want dat was best wel dom. Zijn collega's begonnen woedend tegen hem te schreeuwen. Maar dat duurde niet lang, want binnen vijf seconden vielen ze allemaal in slaap.
Mama gaf mij de deksel van het potje. 'Knijp je neus goed dicht,' zei ze.
'Moet ik dat potje ophalen?' vroeg ik verontwaardigd.
'Ja, wat denk je,' zei mama. 'En doe het een beetje snel, anders komt het slaapgas bij ons en dat zou jammer zijn.'
'Waarom ik?' protesteerde ik.
'Omdat ik anders boos word,' legde mama uit. 'Vooral als je niet heel erg opschiet,' voegde ze er behulpzaam aan toe.
Ik schoot heel erg op.
Op de volgende verdieping, waar we agenten tegenkwamen, was Michael aan de beurt om het potje terug te halen, en daarna Kwetter en daarna papa. Zo ging het verder, om de beurt tot we bijna beneden waren.
Alleen papa hoefde niet meer, op het laatst, want die sjouwde een enorme lading potjes en flesjes mee. Allemaal chemische spulletjes die mama vrolijk bij elkaar had geknutseld in het aardolie-museum.
'Wat ís dit toch allemaal, schat?' vroeg hij een beetje zenuwachtig.
'Oh, van alles,' zei mama luchtig. 'Allerlei handige dingen. Slaapgas, traangas, dat soort spul, weet je wel? Maar vooral veel explosieven. Ja, genoeg om dit gebouw wel vijf keer op te blazen, schat ik.'
'Mooi,' zei Michael. 'Laten we dat meteen doen, dan is dat alvast klaar en anders komt het er misschien niet meer van.'
Mama stond stokstijf stil. 'Heb jij even geluk,' zei ze tegen Michael, 'dat ik nooit kinderen sla. Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Wij. Blazen. Geen. Mensen. Of. Dieren. Op. Het ligt hierboven vol slapende agenten en bewakers. Die mensen hebben allemaal een moeder, die nu al bezig is om eten voor haar brave, dappere jongen te koken. Of kindjes, die wachten tot papa thuiskomt zodat ze kunnen paardjerijden op zijn knie. Kijk: er zijn verschillende soorten terroristen. De gewone terrorist is iemand met een ideaal, een idee over hoe het moet gaan in de wereld, en dat idee is zo belangrijk voor hem dat hij daar alles aan opoffert. Hij blaast onschuldige mensen op, bijvoorbeeld. Hun levens vindt hij niet belangrijk. Hij vindt alleen zijn idee belangrijk, en verder niets. Dus ook niet, en nu komt het: eten met mes en vork, en elke dag onder je oksels wassen en schone sokken en al dat soort dingen. Ik meen het, hoor! Het begint met mensen opblazen, en als je niet uitkijkt eindigt het met in je neus peuteren. Neuspeuteren in gezelschap. Neem het maar van mij aan: gewone terroristen zijn vies en ongemanierd. Dat zijn wij dus niet. Wij zijn fatsoenlijke terroristen, onthoud dat goed.'
'Ja mama,' zei Michael kleintjes.
'Eh... schat?' zei papa bezorgd. 'Kijk eens uit dit raam?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Vangen!' riep ze. Ze draaide een potje met geel spul open en gooide het naar de agenten. De middelste agent ving het op. Zoiets doe je zonder erbij na te denken. Gelukkig maar want als hij erbij nagedacht had, had hij dat potje nooit aangeraakt. Want dat was best wel dom. Zijn collega's begonnen woedend tegen hem te schreeuwen. Maar dat duurde niet lang, want binnen vijf seconden vielen ze allemaal in slaap.
Mama gaf mij de deksel van het potje. 'Knijp je neus goed dicht,' zei ze.
'Moet ik dat potje ophalen?' vroeg ik verontwaardigd.
'Ja, wat denk je,' zei mama. 'En doe het een beetje snel, anders komt het slaapgas bij ons en dat zou jammer zijn.'
'Waarom ik?' protesteerde ik.
'Omdat ik anders boos word,' legde mama uit. 'Vooral als je niet heel erg opschiet,' voegde ze er behulpzaam aan toe.
Ik schoot heel erg op.
Op de volgende verdieping, waar we agenten tegenkwamen, was Michael aan de beurt om het potje terug te halen, en daarna Kwetter en daarna papa. Zo ging het verder, om de beurt tot we bijna beneden waren.
Alleen papa hoefde niet meer, op het laatst, want die sjouwde een enorme lading potjes en flesjes mee. Allemaal chemische spulletjes die mama vrolijk bij elkaar had geknutseld in het aardolie-museum.
'Wat ís dit toch allemaal, schat?' vroeg hij een beetje zenuwachtig.
'Oh, van alles,' zei mama luchtig. 'Allerlei handige dingen. Slaapgas, traangas, dat soort spul, weet je wel? Maar vooral veel explosieven. Ja, genoeg om dit gebouw wel vijf keer op te blazen, schat ik.'
'Mooi,' zei Michael. 'Laten we dat meteen doen, dan is dat alvast klaar en anders komt het er misschien niet meer van.'
Mama stond stokstijf stil. 'Heb jij even geluk,' zei ze tegen Michael, 'dat ik nooit kinderen sla. Hoe vaak moet ik het nog zeggen? Wij. Blazen. Geen. Mensen. Of. Dieren. Op. Het ligt hierboven vol slapende agenten en bewakers. Die mensen hebben allemaal een moeder, die nu al bezig is om eten voor haar brave, dappere jongen te koken. Of kindjes, die wachten tot papa thuiskomt zodat ze kunnen paardjerijden op zijn knie. Kijk: er zijn verschillende soorten terroristen. De gewone terrorist is iemand met een ideaal, een idee over hoe het moet gaan in de wereld, en dat idee is zo belangrijk voor hem dat hij daar alles aan opoffert. Hij blaast onschuldige mensen op, bijvoorbeeld. Hun levens vindt hij niet belangrijk. Hij vindt alleen zijn idee belangrijk, en verder niets. Dus ook niet, en nu komt het: eten met mes en vork, en elke dag onder je oksels wassen en schone sokken en al dat soort dingen. Ik meen het, hoor! Het begint met mensen opblazen, en als je niet uitkijkt eindigt het met in je neus peuteren. Neuspeuteren in gezelschap. Neem het maar van mij aan: gewone terroristen zijn vies en ongemanierd. Dat zijn wij dus niet. Wij zijn fatsoenlijke terroristen, onthoud dat goed.'
'Ja mama,' zei Michael kleintjes.
'Eh... schat?' zei papa bezorgd. 'Kijk eens uit dit raam?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 18 mei 2012
Zee van alligators
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was nogal een lange dag geweest. Het leek een eeuwigheid geleden dat ik mama's laboratorium in brand had gestoken – toch was dat diezelfde ochtend nog gebeurd!
Ik was daar niet verbaasd over.
Want ik viel dus in slaap.
Toen ik wakker werd was het dag. Dat kon ik zien, want er zat een gat in de zoldering van de grot waardoor het zonlicht naar binnen kwam. Dus ik kon nu nog meer van de grot zien dan de vorige avond. Maar zo leuk was dat niet, want het was gewoon meer van hetzelfde. Meer alligators, namelijk.
Dus ja.
Op het randje van de nis, met hun benen bungelend, zaten Gaby en Kwetter noko-nootjes te eten.
'Waar is Oma?' vroeg ik.
'Weg,' zei Kwetter.
'Komt ze ook weer terug?'
'Ik hoop het,' zei Gaby. 'Anders weet ik niet hoe we hier ooit uit moeten komen.'
Ik kreeg plotseling het gevoel dat mijn maag in mijn voeten zakte. Ze had gelijk, natuurlijk. Hoe konden wij ooit naar buiten, als we door die zee van alligators moeten waden? Alleen Oma kon dat. Ja, en de knieënman dus, maar die wist niet dat we hier zaten...
Op dat moment ontstond er opschudding aan de andere kant van de grot. De zee van alligators begon kleine golfjes te vertonen, die door de zaal trokken als rimpels in een vijver. Het middelpunt van de golven verplaatste zich langzaam door de zaal. Het was Oma, natuurlijk, en de golven waren reuzenalligators die een goed heenkomen zochten terwijl zij zich een weg door de grot heen sloeg.
'Wilt jij ontbijt?' vroeg Kwetter.
'Ja, lekker.' En flatsj, daar kwam een lading noko-nootjes mijn kant op.
Mjam mjam!
We zaten rustig te ontbijten terwijl Oma door de grot naar ons toe kwam.
'Wat heeft ze nou onder haar arm?' vroeg ik. 'Een voetbal?'
'Alligator-ei,' zei Kwetter. 'Wij hebt haar verteld dat wij die moest halen. Oma zegde: dat doet ik wel, past jullie maar op zielige jongetje die zo vreselijk hard snurkt.' Ik keek fronsend de nis in, op zoek naar een zielig jongetje dat vreselijke snurkte. Het duurde even voordat ik begreep dat ik dat zielige jongetje was.
'Hoezo, zielig?' vroeg ik verontwaardigd.
'Oh gewoon,' zei Gaby, 'je lag een beetje te huilen in je slaap. Je zult wel gedroomd hebben.'
'Was heel schattig,' giechelde Kwetter.
Oh ja. Nou dat weer. Had ik mezelf voor schut gezet terwijl ik sliep. Ik kon er niet eens een smoesje voor verzinnen want ik wist er niks meer van.
'Hoe zit dat eigenlijk met die alligators?' vroeg ik snel. 'Waarom zijn die beesten hier? Het zijn toch geen holbewoners, eigenlijk?'
'Weet ik het,' zei Gaby. 'Moet je aan Oma vragen.'
Dat deed ik. Toen ze met het ei onder haar arm naar boven geklommen was en naast ons op de rand zat.
'Ik heb ze hierheen gejaagd,' zei Oma. 'Buiten is het nu te gevaarlijk voor ze, vanwege de slechte mannen.'
'Oh,' zei ik. 'Mooi stom. Het enige goede wat die kerels deden was nou juist dat ze die monsters om zeep hielpen.'
Oma glimlachte. 'Misschien moet ik je iets uitleggen,' zei ze.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was nogal een lange dag geweest. Het leek een eeuwigheid geleden dat ik mama's laboratorium in brand had gestoken – toch was dat diezelfde ochtend nog gebeurd!
Ik was daar niet verbaasd over.
Want ik viel dus in slaap.
Toen ik wakker werd was het dag. Dat kon ik zien, want er zat een gat in de zoldering van de grot waardoor het zonlicht naar binnen kwam. Dus ik kon nu nog meer van de grot zien dan de vorige avond. Maar zo leuk was dat niet, want het was gewoon meer van hetzelfde. Meer alligators, namelijk.
Dus ja.
Op het randje van de nis, met hun benen bungelend, zaten Gaby en Kwetter noko-nootjes te eten.
'Waar is Oma?' vroeg ik.
'Weg,' zei Kwetter.
'Komt ze ook weer terug?'
'Ik hoop het,' zei Gaby. 'Anders weet ik niet hoe we hier ooit uit moeten komen.'
Ik kreeg plotseling het gevoel dat mijn maag in mijn voeten zakte. Ze had gelijk, natuurlijk. Hoe konden wij ooit naar buiten, als we door die zee van alligators moeten waden? Alleen Oma kon dat. Ja, en de knieënman dus, maar die wist niet dat we hier zaten...
Op dat moment ontstond er opschudding aan de andere kant van de grot. De zee van alligators begon kleine golfjes te vertonen, die door de zaal trokken als rimpels in een vijver. Het middelpunt van de golven verplaatste zich langzaam door de zaal. Het was Oma, natuurlijk, en de golven waren reuzenalligators die een goed heenkomen zochten terwijl zij zich een weg door de grot heen sloeg.
'Wilt jij ontbijt?' vroeg Kwetter.
'Ja, lekker.' En flatsj, daar kwam een lading noko-nootjes mijn kant op.
Mjam mjam!
We zaten rustig te ontbijten terwijl Oma door de grot naar ons toe kwam.
'Wat heeft ze nou onder haar arm?' vroeg ik. 'Een voetbal?'
'Alligator-ei,' zei Kwetter. 'Wij hebt haar verteld dat wij die moest halen. Oma zegde: dat doet ik wel, past jullie maar op zielige jongetje die zo vreselijk hard snurkt.' Ik keek fronsend de nis in, op zoek naar een zielig jongetje dat vreselijke snurkte. Het duurde even voordat ik begreep dat ik dat zielige jongetje was.
'Hoezo, zielig?' vroeg ik verontwaardigd.
'Oh gewoon,' zei Gaby, 'je lag een beetje te huilen in je slaap. Je zult wel gedroomd hebben.'
'Was heel schattig,' giechelde Kwetter.
Oh ja. Nou dat weer. Had ik mezelf voor schut gezet terwijl ik sliep. Ik kon er niet eens een smoesje voor verzinnen want ik wist er niks meer van.
'Hoe zit dat eigenlijk met die alligators?' vroeg ik snel. 'Waarom zijn die beesten hier? Het zijn toch geen holbewoners, eigenlijk?'
'Weet ik het,' zei Gaby. 'Moet je aan Oma vragen.'
Dat deed ik. Toen ze met het ei onder haar arm naar boven geklommen was en naast ons op de rand zat.
'Ik heb ze hierheen gejaagd,' zei Oma. 'Buiten is het nu te gevaarlijk voor ze, vanwege de slechte mannen.'
'Oh,' zei ik. 'Mooi stom. Het enige goede wat die kerels deden was nou juist dat ze die monsters om zeep hielpen.'
Oma glimlachte. 'Misschien moet ik je iets uitleggen,' zei ze.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)