BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat bent dat?' vroeg Kwetter ongerust. 'Hoorde jullie dat ook? Die knal? Hebt wij een lekke band?'
'Ik heb het ook gehoord,' zei Gaby somber, 'en het is geen lekke band. Dat was een geweer.'
Op dat moment hoorden we nog meer knallen. Sommigen klonken dichtbij, andere ver weg. Hier en daar klonk het geratel van een machinegeweer.
'Dat zou dan een machine-lekke-band moeten zijn,' merkte ik op.
'Jullie hebt gelijk,' zei Kwetter. 'Wij bent in een oorlog terechtgekomen, lijk het wel. Gelukkig zit wij in een ijzeren container!' Op dat moment verscheen er boven ons een klein, rond gaatje in de wand. De container galmde van de inslag, en galmde nog een keer toen de kogel, die het gaatje gemaakt had, ook nog een deukje in het dak sloeg.
'Zoek dekking!' riep ik.
'Achter wat?' vroeg Gaby. 'Achter dit pak beschuit? Of achter deze lege plastic waterfles?'
'Plat op de grond gaan liggen, bedoel ik natuurlijk. Dan ben je moeilijke te raken.'
'Lieve broer,' zei Gaby, 'ik snap wel dat het leven van een jongetje niet altijd makkelijk is. Je wilt ons commanderen – want jongetjes willen nou eenmaal de baas zijn, en al helemaal als het over vechten gaat – maar je hebt geen enkel zinnig idee. Een meisje zoals ik houdt in zo'n geval gewoon haar mond. Maar jongetjes geven liever een onzinnig commando dan helemaal geen commando. Dus je roept 'plat op de grond' tegen mensen die al twee dagen lang plat op de grond liggen. En dan moet je jezelf ook nog overtuigen van 'het is maar goed, dat ik er bij ben.' Heel ingewikkeld allemaal. En jij kunt er ook niks aan doen, dat je een jongetje bent. Maar ik voel me op dit moment niet zo heel prettig. Dus zou je het heel erg vinden mij even niet lastig te vallen met je jongetjes-flauwekul? Dank je wel.'
'Nou, maar jij bedoel het goed, hoor, Michael!' zei Kwetter troostend. 'Weet je wat ik gaat doen? Ik gaat dekking zoeken! Achter, eh, eh, achter de emmers!'
Ze doelde op de emmers waarin we gepoept en geplast hadden, de afgelopen weken. Het waren hele gewone emmers, niks met doortrekken of luchtjes wegmaken of zo, dus ze waren intussen niet echt fris meer. Vooral niet omdat de boel, in de hitte van de afgelopen dagen, nogal was gaan gisten.
'Of eigenlijk,' vervolgde Kwetter met een klein stemmetje, 'gaat ik liever niet achter de emmer. Ik krijgt liever een kogel in mijn bolletje, geloof ik.'
'Groot gelijk,' zei ik.
En Gaby zei: 'Stil eens! Horen jullie wat ik hoor?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 54. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 54. Alle posts tonen
woensdag 14 mei 2014
maandag 12 mei 2014
Hitte, kuilen en een derde ding
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
We merkten het maar nauwelijks. Het vage brommen van de scheepsmotoren, dat ons de hele reis begeleid had, hield op. Daarna moet onze container uit de boot zijn gehesen en op een vrachtwagen geladen. Er is weinig verschil tussen een container die aan een hijskraan hangt te schommelen in de wind en een container die in het ruim van een dobberend schip staat. Je kunt dat verschil wel voelen, maar dan moet je heel erg je best doen. Je moeten weten waar je op moet letten, en niet tegelijkertijd een gesprek voeren over ammoniumnitraat.
Wij merkten er dus niks van. Maar toen we eenmaal op de vrachtwagen stonden, toen zei Kwetter: 'Ik voelt mij een beetje raar. In mijn buik.'
Na even peinzen zei Gaby: 'Ik ook, geloof ik. Het is een beetje zoals zeeziek, maar dan anders. Aan zeeziekte ben ik inmiddels wel gewend geraakt, maar...'
'Nou,' zei ik, 'ik ben er niet aan gewend geraakt, de hele afgelopen twee weken niet.'
'Dat hebben we gemerkt,' zei Gaby droogjes. Ik begreep wel waar ze op doelde: ik had misschien wel heel af en toe nog een keertje overgegeven tijdens de reis. Maar nooit vaker dan twee keer per dag, hoor, dus... ja...
'Ik kan je vertellen,' zei ik, 'dat dit géén zeeziekte is. Ik ben voor het eerst niet meer zeeziek namelijk.'
'Dat bent het!' riep Kwetter. 'Wij schommelt niet meer! Wij staat op vaste grond!'
'Je hebt gelijk,' zei ik. 'Weten jullie wat dat betekent? Dat betekent dat de reis voorbij is!'
Op dat moment sloeg de motor van de vrachtwagen aan en begonnen we te rijden.
'Hm,' deed Gaby. 'Het betekent in elk geval dat de bóótreis voorbij is. Maar wie weet, waar ze ons nu weer heenbrengen.'
Twee dingen ontdekten we al snel. Ten eerste waren we op een plaats waar het warm was. Erg warm. Vooral in een metalen container kon de temperatuur erg oplopen. Zwetend en hijgend lagen we op de vloer van de container. We dronken ieder een hele fles water per dag. Dat wilde misschien zeggen dat we te weinig water zouden hebben om het einde van de reis te halen, maar als we nú niet dronken zouden we het einde ook niet halen.
Ten tweede: we waren op een plaats gekomen met hele slechte autowegen. Veel kuilen en bulten en zo. We werden heen en weer geslingerd en op en neer gestuiterd tot we bont en blauw zagen.
Na anderhalve dag ontdekten we nog een derde ding. Een ding dat nog veel akeliger was dan de hitte en de kuilen.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
/ VOLGENDE
We merkten het maar nauwelijks. Het vage brommen van de scheepsmotoren, dat ons de hele reis begeleid had, hield op. Daarna moet onze container uit de boot zijn gehesen en op een vrachtwagen geladen. Er is weinig verschil tussen een container die aan een hijskraan hangt te schommelen in de wind en een container die in het ruim van een dobberend schip staat. Je kunt dat verschil wel voelen, maar dan moet je heel erg je best doen. Je moeten weten waar je op moet letten, en niet tegelijkertijd een gesprek voeren over ammoniumnitraat.
Wij merkten er dus niks van. Maar toen we eenmaal op de vrachtwagen stonden, toen zei Kwetter: 'Ik voelt mij een beetje raar. In mijn buik.'
Na even peinzen zei Gaby: 'Ik ook, geloof ik. Het is een beetje zoals zeeziek, maar dan anders. Aan zeeziekte ben ik inmiddels wel gewend geraakt, maar...'
'Nou,' zei ik, 'ik ben er niet aan gewend geraakt, de hele afgelopen twee weken niet.'
'Dat hebben we gemerkt,' zei Gaby droogjes. Ik begreep wel waar ze op doelde: ik had misschien wel heel af en toe nog een keertje overgegeven tijdens de reis. Maar nooit vaker dan twee keer per dag, hoor, dus... ja...
'Ik kan je vertellen,' zei ik, 'dat dit géén zeeziekte is. Ik ben voor het eerst niet meer zeeziek namelijk.'
'Dat bent het!' riep Kwetter. 'Wij schommelt niet meer! Wij staat op vaste grond!'
'Je hebt gelijk,' zei ik. 'Weten jullie wat dat betekent? Dat betekent dat de reis voorbij is!'
Op dat moment sloeg de motor van de vrachtwagen aan en begonnen we te rijden.
'Hm,' deed Gaby. 'Het betekent in elk geval dat de bóótreis voorbij is. Maar wie weet, waar ze ons nu weer heenbrengen.'
Twee dingen ontdekten we al snel. Ten eerste waren we op een plaats waar het warm was. Erg warm. Vooral in een metalen container kon de temperatuur erg oplopen. Zwetend en hijgend lagen we op de vloer van de container. We dronken ieder een hele fles water per dag. Dat wilde misschien zeggen dat we te weinig water zouden hebben om het einde van de reis te halen, maar als we nú niet dronken zouden we het einde ook niet halen.
Ten tweede: we waren op een plaats gekomen met hele slechte autowegen. Veel kuilen en bulten en zo. We werden heen en weer geslingerd en op en neer gestuiterd tot we bont en blauw zagen.
Na anderhalve dag ontdekten we nog een derde ding. Een ding dat nog veel akeliger was dan de hitte en de kuilen.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
woensdag 16 januari 2013
Bravo voor de gordels
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Mama keek achter ons.
'Ik zie niks,' zei ze.
Ze keek vóór ons. Niks. Rechts niks en links niks.
'Niks,' herhaalde ze.
'Ma-ham,' deed Michael. 'Ben je nou doof, of doe je alsof? Hoor je dat geluid niet? Dat Rrrrrrrr?'
'Ik vind het eigenlijk meer klinken als d-d-d-d-d-d-d-d,' zei ik.
'Welnee, het is tjoef-tjoef-tjoef-tjoef,' zei papa
'Nou, dat is het in elk geval niet,' zeiden Michael en ik tegelijk.
Mama keek uit het raampje. 'Oh, het is een helikopter! Dan hebben jullie allemaal ongelijk hoor, helikopters, dat weet iedereen, die doen van...'
Ze kon helaas haar zin niet afmaken, want de helikopter maakte opeens een heel nieuw geluid: het whoesjjjjjjj-BOEM dat je krijgt als je een raket afschiet.
Vlak vóór ons sloeg de raket in. Papa wist hem nog net te ontwijken, door zo hard aan het stuur te draaien dat we even op twee wielen reden.
'Woeoehoeoe!' riep Michael, 'op twee wielen! Woeoeoe! Ik wist niet eens dat je dat kon, pap!'
'Ik ook niet,' mompelde papa bleekjes. 'Ik weet trouwens ook niet hoe ik 'm weer recht moet krijgen.'
'Toch is het knap van je,' ze mama. 'Kom hier schat, dan krijg je een zoen.' Ze leunde in zijn richting voor een zoen en dat was niet slim. De auto zakte uit zijn evenwicht en viel om. Als-ie op zijn wielen terecht was gekomen had mama ongetwijfeld 'dat is dat' gezegd, alsof het allemaal precies de bedoeling was geweest.
Maar we vielen dus de andere kant op.
Over de kop en van de weg af.
De snelweg waarop we reden lag iets hoger dan de straten ernaast, en we tuimelden wel tien misselijk makende meters naar beneden, ondersteboven en bovenste-onder, terwijl met een akelig kraken de sirene eraf brak.
En de zijspiegels ook.
Als door een wonder kwamen we op onze wielen terecht.
Mama keek even om zich heen. Toen ze zag dat niemand van ons erg gewond was, zei ze op tevreden toon: 'Dat is dat,' alsof ze het allemaal precies zo bedoeld had.
Papa klapte in zijn handen. 'Bravo voor de politie,' riep hij. 'Vanwege hun uitstekende autogordels.'
'Ja,' zei Michael, 'en weg met de smerissen, vanwege hun helikopter. Ik bedoel: wat moet een politiehelikopter nou met een raketwerper? Is dat voor als er een tank door rood rijdt of zo? Voor een straaljager zonder achterlichtje?'
Op dat moment hoorden we het ge-d-d-d-d-d-d-d van de helikopter weer, en meteen daarna een oorverdovend geknal en geratel.
'Wat is dat?' vroeg Kwetter nieuwsgierig.
Ik keek uit het raampje. 'Zo te zien is het een groepje mensen met een hekel aan politiehelikopters,' zei ik. 'En met automatische wapens en granaatwerpers.'
Het d-d-d-d-d klonk steeds zachter. De heli vertrok.
'Nou,' zei papa, 'daar komen we wel héél erg goed mee weg.'
'Ik ben bang dat je ongelijk hebt, schat,' fluisterde mama. 'Die mensen die een hekel hebben aan politiehelikopters, zijn waarschijnlijk ook niet al te dol op politie-auto's. Zoals die waar wij op dit moment in zitten. Heeft er iemand van jullie iets bij zich, wat we als witte vlag kunnen gebruiken?'
'Nee,' zei ik. Papa had ook niks, en Kwetter ook niet.
'Alleen mijn onderbroek,' zuchtte Michael. 'Die moet ik zeker uitdoen?'
'Graag,' zei mama. 'En het liefst vóórdat ze beginnen te schieten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Mama keek achter ons.
'Ik zie niks,' zei ze.
Ze keek vóór ons. Niks. Rechts niks en links niks.
'Niks,' herhaalde ze.
'Ma-ham,' deed Michael. 'Ben je nou doof, of doe je alsof? Hoor je dat geluid niet? Dat Rrrrrrrr?'
'Ik vind het eigenlijk meer klinken als d-d-d-d-d-d-d-d,' zei ik.
'Welnee, het is tjoef-tjoef-tjoef-tjoef,' zei papa
'Nou, dat is het in elk geval niet,' zeiden Michael en ik tegelijk.
Mama keek uit het raampje. 'Oh, het is een helikopter! Dan hebben jullie allemaal ongelijk hoor, helikopters, dat weet iedereen, die doen van...'
Ze kon helaas haar zin niet afmaken, want de helikopter maakte opeens een heel nieuw geluid: het whoesjjjjjjj-BOEM dat je krijgt als je een raket afschiet.
Vlak vóór ons sloeg de raket in. Papa wist hem nog net te ontwijken, door zo hard aan het stuur te draaien dat we even op twee wielen reden.
'Woeoehoeoe!' riep Michael, 'op twee wielen! Woeoeoe! Ik wist niet eens dat je dat kon, pap!'
'Ik ook niet,' mompelde papa bleekjes. 'Ik weet trouwens ook niet hoe ik 'm weer recht moet krijgen.'
'Toch is het knap van je,' ze mama. 'Kom hier schat, dan krijg je een zoen.' Ze leunde in zijn richting voor een zoen en dat was niet slim. De auto zakte uit zijn evenwicht en viel om. Als-ie op zijn wielen terecht was gekomen had mama ongetwijfeld 'dat is dat' gezegd, alsof het allemaal precies de bedoeling was geweest.
Maar we vielen dus de andere kant op.
Over de kop en van de weg af.
De snelweg waarop we reden lag iets hoger dan de straten ernaast, en we tuimelden wel tien misselijk makende meters naar beneden, ondersteboven en bovenste-onder, terwijl met een akelig kraken de sirene eraf brak.
En de zijspiegels ook.
Als door een wonder kwamen we op onze wielen terecht.
Mama keek even om zich heen. Toen ze zag dat niemand van ons erg gewond was, zei ze op tevreden toon: 'Dat is dat,' alsof ze het allemaal precies zo bedoeld had.
Papa klapte in zijn handen. 'Bravo voor de politie,' riep hij. 'Vanwege hun uitstekende autogordels.'
'Ja,' zei Michael, 'en weg met de smerissen, vanwege hun helikopter. Ik bedoel: wat moet een politiehelikopter nou met een raketwerper? Is dat voor als er een tank door rood rijdt of zo? Voor een straaljager zonder achterlichtje?'
Op dat moment hoorden we het ge-d-d-d-d-d-d-d van de helikopter weer, en meteen daarna een oorverdovend geknal en geratel.
'Wat is dat?' vroeg Kwetter nieuwsgierig.
Ik keek uit het raampje. 'Zo te zien is het een groepje mensen met een hekel aan politiehelikopters,' zei ik. 'En met automatische wapens en granaatwerpers.'
Het d-d-d-d-d klonk steeds zachter. De heli vertrok.
'Nou,' zei papa, 'daar komen we wel héél erg goed mee weg.'
'Ik ben bang dat je ongelijk hebt, schat,' fluisterde mama. 'Die mensen die een hekel hebben aan politiehelikopters, zijn waarschijnlijk ook niet al te dol op politie-auto's. Zoals die waar wij op dit moment in zitten. Heeft er iemand van jullie iets bij zich, wat we als witte vlag kunnen gebruiken?'
'Nee,' zei ik. Papa had ook niks, en Kwetter ook niet.
'Alleen mijn onderbroek,' zuchtte Michael. 'Die moet ik zeker uitdoen?'
'Graag,' zei mama. 'En het liefst vóórdat ze beginnen te schieten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 28 mei 2012
Een goeie kano is waterdicht
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wat het blussen ook veel gemakkelijker maakte, was dat het niet met kokosnoten hoefde. De knieënman had een kano vol spullen bij zich: potten en pannen, een jerrycan, een emmertje, een tropenhelm, muskietengaas... Al die dingen konden worden gebruikt om water naar boven te dragen. Behalve het muskietengaas. En de tent die ernaast lag. En de schone onderbroeken eronder.
De Boegoenezen probeerden het allemaal wel, want je weet tenslotte maar nooit, Alles waar water in bleef zitten, werd enthousiast gebruikt. De rest werd op een grote hoop gegooid naast de kano.
Dus niet: teruggelegd in de kano. Want de kano moest leeg.
Een goeie kano is waterdicht, he?
Dus ja.
De Boegoenezen lieten de kano vol met water lopen, onder luid protest van de knieënman, en daarna hesen ze het gevaarte zo hoog mogelijk een naastgelegen boom in. En flats. Vonden ze heel erg grappig. De Boegoenezen dan; de knieënman dacht er anders over. Handenwringend stond hij toe te kijken, en hij riep klaaglijk van 'pas toch op' en 'straks gaat het stuk' en 'hoho, heb ik gezegd dat dat mocht?' en meer van dat soort dingen. De Boegoenezen besteedden niet de minste aandacht aan hem, en mijn moeder leek het een reuze grap te vinden. Ze stond er in elk geval hardop lachend naar te kijken.
'Vrolijke boel,' merkte Gaby op.
'Ja,' zuchtte papa.
'Is er iets?' vroeg Gaby voorzichtig.
Typische meidenvraag.
Wie vraagt er nou 'is er iets' aan een groot mens? Dat is toch niet slim? Er is altijd iets, met grote mensen. Meestal is het 'gewoon iets op hun werk', of het is iets met geld (dat er dan niet is, of te weinig of zo). Of er ligt een oude tante in het ziekenhuis. En als dat het allemaal niet is, dan is het wel de politiek.
Meestal snap je er toch niks van, van het iets dat er is. En als je het wel snapt, dan wil je het liever niet weten. Je wilt gewoon dat je ouders het oplossen; daar zijn ze toch ouders voor?
Kortom: 'Is er iets' is precies, maar dan ook precies de verkeerde vraag.
Echt een meidenvraag.
En als papa nou een fatsoenlijke vader was geweest, gewoon zo'n flinke vader die alles zelf oplost en zijn kinderen niet lastig valt met zijn problemen, dan was die meidenvraag niet zo'n probleem.
Dana had hij gewon gezegd: 'Er is niks, meidje,' en dan hadden we lekker verder kunnen kijken naar de Boegoenezen die een brand wilden blussen met een brillenkoker vol blubberwater. En de knieënman die probeerde zijn brillenschoonmaakdoekje te redden.
Maar nee hoor, papa was het soort vader dat vindt dat zijn kinderen alles mogen weten. Dat geen geheimen wil hebben voor zijn eigen vlees en bloed.
Dus hup, daar kwam het hele verhaal eruit.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wat het blussen ook veel gemakkelijker maakte, was dat het niet met kokosnoten hoefde. De knieënman had een kano vol spullen bij zich: potten en pannen, een jerrycan, een emmertje, een tropenhelm, muskietengaas... Al die dingen konden worden gebruikt om water naar boven te dragen. Behalve het muskietengaas. En de tent die ernaast lag. En de schone onderbroeken eronder.
De Boegoenezen probeerden het allemaal wel, want je weet tenslotte maar nooit, Alles waar water in bleef zitten, werd enthousiast gebruikt. De rest werd op een grote hoop gegooid naast de kano.
Dus niet: teruggelegd in de kano. Want de kano moest leeg.
Een goeie kano is waterdicht, he?
Dus ja.
De Boegoenezen lieten de kano vol met water lopen, onder luid protest van de knieënman, en daarna hesen ze het gevaarte zo hoog mogelijk een naastgelegen boom in. En flats. Vonden ze heel erg grappig. De Boegoenezen dan; de knieënman dacht er anders over. Handenwringend stond hij toe te kijken, en hij riep klaaglijk van 'pas toch op' en 'straks gaat het stuk' en 'hoho, heb ik gezegd dat dat mocht?' en meer van dat soort dingen. De Boegoenezen besteedden niet de minste aandacht aan hem, en mijn moeder leek het een reuze grap te vinden. Ze stond er in elk geval hardop lachend naar te kijken.
'Vrolijke boel,' merkte Gaby op.
'Ja,' zuchtte papa.
'Is er iets?' vroeg Gaby voorzichtig.
Typische meidenvraag.
Wie vraagt er nou 'is er iets' aan een groot mens? Dat is toch niet slim? Er is altijd iets, met grote mensen. Meestal is het 'gewoon iets op hun werk', of het is iets met geld (dat er dan niet is, of te weinig of zo). Of er ligt een oude tante in het ziekenhuis. En als dat het allemaal niet is, dan is het wel de politiek.
Meestal snap je er toch niks van, van het iets dat er is. En als je het wel snapt, dan wil je het liever niet weten. Je wilt gewoon dat je ouders het oplossen; daar zijn ze toch ouders voor?
Kortom: 'Is er iets' is precies, maar dan ook precies de verkeerde vraag.
Echt een meidenvraag.
En als papa nou een fatsoenlijke vader was geweest, gewoon zo'n flinke vader die alles zelf oplost en zijn kinderen niet lastig valt met zijn problemen, dan was die meidenvraag niet zo'n probleem.
Dana had hij gewon gezegd: 'Er is niks, meidje,' en dan hadden we lekker verder kunnen kijken naar de Boegoenezen die een brand wilden blussen met een brillenkoker vol blubberwater. En de knieënman die probeerde zijn brillenschoonmaakdoekje te redden.
Maar nee hoor, papa was het soort vader dat vindt dat zijn kinderen alles mogen weten. Dat geen geheimen wil hebben voor zijn eigen vlees en bloed.
Dus hup, daar kwam het hele verhaal eruit.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)