BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ik hoor niks,' zei ik.
'Inderdaad,' zei Kwetter, 'ik hoort ook niks. Het schieten bent opgehouden.'
Wij haalden opgelucht adem, tenminste, voor zover dat kon binnen tien meter van onze emmers. Later die dag kwamen we nog een keer langs een schietpartij, maar dat kon ons niet meer schelen. Wij hadden een heel ander probleem: ons water was op.
De laatste paar dagen waren zo verschrikkelijk warm geweest, en we hadden zoveel gezweet, dat we twee keer zoveel water hadden gedronken als normaal. Nu hadden we droge tongen van de dorst, onze kelen deden pijn en onze hoofden bonsden alsof erop gestampt werd.
We hadden geen van drieën nog de puf om iets te zeggen.
Pas toen het nacht werd, zei Kwetter weer iets. Of nou ja, het was niet echt praten wat ze deed. Meer een soort hees mompelen, krakerig als een ouwe zoldertrap. Ze kreunde: 'Er zit druppeltjes aan de muur.'
Met alle inspanning van mijn laatste krachten rolde ik me naar de zijkant van de container. Kwetter had gelijk. De nacht buiten was koud, en lucht in onze container was nogal vochtig. Toen de stalen wanden afkoelden, sloeg het water uit de lucht in kleine druppeltjes neer op het ijzer.
Dankbaar likten we zoveel druppeltjes op als we konden.
Het was niet genoeg om onze dorst te lessen, maar wel genoeg om vannacht nog even niet dood te gaan.
De volgende dag reden we verder. Het werd weer snel warmer in ons hok, en ik voelde me net zo uitgedroogd als de vorige dag. Misschien nog wel erger.
Maar na twee uur rijden, net toen ik dacht: nú ga ik dan uiteindelijk dood, stopte de auto en werd de container opengemaakt. Helaas was het niet ons hokje, dat geopend werd. Wij zaten immers in de dubbele bodem, en die kon allen bereikt worden als de container verder helemaal leeg was. Dus we hoorden eerst een uur lang het geschraap en geschuif van dozen die uitgeladen werden.
Daarna klapte de wand van ons hok omhoog en zonlicht stroomde naar binnen.
Dit is trouwens helemaal niet waar. Wat naar binnen stroomde was geen zonlicht, het was het schemerige duister dat je helemaal achterin een container vindt als de zon hoog aan de hemel staat – te hoog om rechtstreeks naar binnen te schijnen.
Maar na de bijna volkomen duisternis van de afgelopen dagen was het net alsof iemand in ons gezicht scheen met de sterkste zaklamp ter wereld.
Twee gedaanten stapten ons wereldje binnen – en ze sloegen haast achterover van de stank.
'Ik ben toch heel wat gewend,' zei de eerste, 'maar dit ruikt écht vies.'
'Zouden die dingen nog leven?' vroeg nummer twee zich af.
'Uhhhhnnn,' zei ik.
'Dat betekent Ja,' dacht de eerste.
Hm. Eigenlijk betekende het: ik weet niet wie je bent en wat je met ons van plan bent, maar als je mij of Gaby of Kwetter ook maar één haartje krenkt dan spring ik op en bijt je de strot af.
Dat had ik willen zeggen, maar ik was niet sterk genoeg voor iets anders dan 'Uhhhhnnn', en dat was maar goed ook. Ik bedoel: als ik ets had gezegd over opspringen en doorbijten, dan had ik mooi voor joker gestaan. Ik was zelfs te zwak om mijn hoofd op te tillen en aan de muur te likken. Dus... Ja...
'Wat doen we nou?' vroeg de tweede.
'Oppakken en naar buiten brengen, wat dacht je?'
'Nou, ik hoopte eigenlijk dat ik ze niet zou hoeven aan te raken... ongelooflijk, wat zijn díe dingen smerig.'
'Wij zijn geen dingen!' wilde ik roepen. 'Wij zijn mensen!' Maar er kwam, niks anders uit dan 'Uhhhnnn'.
'Hij zegt weer ja,' ginnegapte de eerste gedaante. 'Hij geeft toe dat-ie stinkt!'
'Wat moet-ie anders,' grinnikte nummer twee. 'Hij kan het moeilijk ontkennen. Grote hemel, wat een stank. Nou ja, daar gaat-ie!'
En daar ging ik.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 55. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 55. Alle posts tonen
vrijdag 16 mei 2014
vrijdag 18 januari 2013
Een slecht moment voor misverstanden
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Even later wapperde mama met een witte onderbroek.
'Ik hoop maar dat ze begrijpen dat dit een vlag is,' zei mama, 'en geen belediging.'
'Ze?' vroeg Kwetter. 'Welke ze?'
Goeie vraag. Er was niemand te zien.
We stonden op een stoffige zandweg. Bovenaan de helling naast ons was de snelweg waar we vanaf geduikeld waren. Daartegenover lagen huizen. Of nou ja, huizen... Ik moest denken aan ons oude huis, toen papa nog bij de bank werkte en alles nog gewoon was. Dat was een echt huis geweest, van bakstenen en dakpannen, niet te groot en niet te klein, maar precies goed. En nergens lek.
Het leek in geen enkel opzicht op de huisjes tegenover ons. Die hadden stuk voor stuk in onze oude woonkamer gepast, zo klein waren ze, en ze waren gemaakt van... nou ja, van álles eigenlijk. Het zag eruit alsof er iemand over een vuilnisbelt was gelopen en alles had meegenomen wat hij met twee handen kon dragen: autobanden, stukken hout, golfplastic, kartonnen dozen, metalen buizen, een oude badkuip en nog een hele hoop troep waarvan je niet eens meer kon zien wat het was. Daarna had die iemand een enorme berg klei en modder bij elkaar geschept, eens flink in zijn handen gespuugd en tegen zichzelf gezegd: 'Alles wat aan de bovenkant dicht is, telt als een huis. Aan de slag!'
Het was een wirwar van de vreemde, kleine huisjes, zo warrig door elkaar geplempt dat je niet eens kon zien of er weggetjes tussen liepen of dat dat tuintjes waren. Er groeide onkruid. Er scharrelden kippen, en hier en daar een geit of een varkentje, en halfblote, graatmagere kinderen speelden in het stof met stukjes ijzerdraad en steentjes.
Nergens een groot mens. Nergens een geweer of een bazooka.
'Rijden maar,' zei mama.
Papa startte de wagen.
'Ongelooflijk dat dat ding het nog doet,' mompelde hij. 'Kwaliteit, hoor! Vast een hele dure auto. Ik kende dit merk nog niet, maar...'
Op dat moment sprong er opeens iemand tussen de huizen vandaan. Het was een jongen van een jaar of vijftien, met in zijn handen een enorm groot geweer.
De loop van het geweer wees min of meer onze kant op.
Papa zette onmiddellijk de motor stil.
De jongen glimlachte en knikte.
Daarna floot hij drie korte tonen.
Tussen de huisjes kwamen nog zeven jongens tevoorschijn. Vijf van hen hadden geweren. Twee hadden er een granaatwerper over hun schouder.
Mama wapperde nog maar eens met Michaels onderbroek.
Ik hoopte heel erg dat de jongens begrepen dat het een witte vlag moest voorstellen; dit was een slecht moment voor misverstanden.
De jongens deden klik-klak met hun geweer.
Mama haalde vlug de onderboek naar binnen.
Ik deed mijn ogen stijf dicht en probeerde aan thuis te denken; als ze nu gingen schieten, zou ik in ieder geval een mooie laatste gedachte hebben.
Maar ze gingen niet schieten. Ze begonnen te praten. In het Zuid-Mallotisch weliswaar, dus we verstonden er geen bal van, maar wat je ook zegt: praten is altijd beter dan schieten.
'Volgens mij wilt zij dat wij uitstapt,' zei Kwetter.
Ik deed mijn ogen open en inderdaad: de jongens wezen met hun geweren naar ons, naar de deuren van de auto en naar een plekje vlak náást de auto.
'Schat,' zei papa, 'heb je nog wat van dat slaapspul? Of iets van rook of zo? Dan stel ik voor dat we...'
Voordat hij zijn zin kon afmaken, haalde de voorste jongen zijn trekker over.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Even later wapperde mama met een witte onderbroek.
'Ik hoop maar dat ze begrijpen dat dit een vlag is,' zei mama, 'en geen belediging.'
'Ze?' vroeg Kwetter. 'Welke ze?'
Goeie vraag. Er was niemand te zien.
We stonden op een stoffige zandweg. Bovenaan de helling naast ons was de snelweg waar we vanaf geduikeld waren. Daartegenover lagen huizen. Of nou ja, huizen... Ik moest denken aan ons oude huis, toen papa nog bij de bank werkte en alles nog gewoon was. Dat was een echt huis geweest, van bakstenen en dakpannen, niet te groot en niet te klein, maar precies goed. En nergens lek.
Het leek in geen enkel opzicht op de huisjes tegenover ons. Die hadden stuk voor stuk in onze oude woonkamer gepast, zo klein waren ze, en ze waren gemaakt van... nou ja, van álles eigenlijk. Het zag eruit alsof er iemand over een vuilnisbelt was gelopen en alles had meegenomen wat hij met twee handen kon dragen: autobanden, stukken hout, golfplastic, kartonnen dozen, metalen buizen, een oude badkuip en nog een hele hoop troep waarvan je niet eens meer kon zien wat het was. Daarna had die iemand een enorme berg klei en modder bij elkaar geschept, eens flink in zijn handen gespuugd en tegen zichzelf gezegd: 'Alles wat aan de bovenkant dicht is, telt als een huis. Aan de slag!'
Het was een wirwar van de vreemde, kleine huisjes, zo warrig door elkaar geplempt dat je niet eens kon zien of er weggetjes tussen liepen of dat dat tuintjes waren. Er groeide onkruid. Er scharrelden kippen, en hier en daar een geit of een varkentje, en halfblote, graatmagere kinderen speelden in het stof met stukjes ijzerdraad en steentjes.
Nergens een groot mens. Nergens een geweer of een bazooka.
'Rijden maar,' zei mama.
Papa startte de wagen.
'Ongelooflijk dat dat ding het nog doet,' mompelde hij. 'Kwaliteit, hoor! Vast een hele dure auto. Ik kende dit merk nog niet, maar...'
Op dat moment sprong er opeens iemand tussen de huizen vandaan. Het was een jongen van een jaar of vijftien, met in zijn handen een enorm groot geweer.
De loop van het geweer wees min of meer onze kant op.
Papa zette onmiddellijk de motor stil.
De jongen glimlachte en knikte.
Daarna floot hij drie korte tonen.
Tussen de huisjes kwamen nog zeven jongens tevoorschijn. Vijf van hen hadden geweren. Twee hadden er een granaatwerper over hun schouder.
Mama wapperde nog maar eens met Michaels onderbroek.
Ik hoopte heel erg dat de jongens begrepen dat het een witte vlag moest voorstellen; dit was een slecht moment voor misverstanden.
De jongens deden klik-klak met hun geweer.
Mama haalde vlug de onderboek naar binnen.
Ik deed mijn ogen stijf dicht en probeerde aan thuis te denken; als ze nu gingen schieten, zou ik in ieder geval een mooie laatste gedachte hebben.
Maar ze gingen niet schieten. Ze begonnen te praten. In het Zuid-Mallotisch weliswaar, dus we verstonden er geen bal van, maar wat je ook zegt: praten is altijd beter dan schieten.
'Volgens mij wilt zij dat wij uitstapt,' zei Kwetter.
Ik deed mijn ogen open en inderdaad: de jongens wezen met hun geweren naar ons, naar de deuren van de auto en naar een plekje vlak náást de auto.
'Schat,' zei papa, 'heb je nog wat van dat slaapspul? Of iets van rook of zo? Dan stel ik voor dat we...'
Voordat hij zijn zin kon afmaken, haalde de voorste jongen zijn trekker over.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 30 mei 2012
Die beslissing respecteren wij
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het kwam er niet in één keer uit, natuurlijk. Het ging met kleine beetjes, met horten en stoten, met gezucht en gestaar in de verte, en van onze kant met veel geduw en gepeuter.
Of nou ja, “onze” kant... het was vooral Gaby die het naadje van de kous wilde weten.
'Ach jongens,' zei mijn vader bijvoorbeeld, 'ik weet niet of ik jullie ermee moet lastig vallen..'
'Die beslissing respecteren wij!' riep ik haastig. 'Het is wel jammer dat we je niet kunnen, eh, steunen en, eh, helpen en zo, maar ja – als het voor jou niet goed voelt om ons ermee lastig te...'
'Doe niet zo raar, papa!' kirde Gaby. 'We hebben je gezien dat je verdrietig bent - denk je dat we ons daar geen zorgen over maken? Daar gaan we van piekeren, hoor! Wie weet wat we ons allemaal in het hoofd halen. Nee, het is echt maar beter als je het gewoon vertelt.'
Gaby won.
'Het komt gewoon een beetje door die Alexander,' legde papa uit.
Alexander? Wie was dat nou weer?
Bleek de knieeënman te wezen.
'We zaten gisteravond wat te praten,' vertelde papa. 'Die man, je moeder en ik. Over van alles en nog wat. Plotseling – ik weet zelf ook niet hoe het kwam – ging het gesprek over dinosaurussen.'
'Oh-oh,' deden Gaby en ik. Papa heeft nogal een hekel aan dinosaurussen.
Hij houdt heel erg van de Bijbel namelijk.
Nou houd ik ook wel eens van boeken, vooral van boeken met schieten erin, of zwaardgevechten, en soms ook wel van die interessante-weetjes-boeken, maar bij papa en zijn Bijbel is dat toch anders.
Hij gelooft dat alles wat er in de Bijbel staat helemaal honderd procent echt waar is. Echt gebeurd en zo.
Ja, dat kan natuurlijk niet. Want de dinosaurussen zijn wel echt gebeurd, en ze staan er niet in.
Dus ja.
Dat geeft nog wel eens gedoe, bij ons thuis. Best wel grote ruzies, eigenlijk. Meestal praten papa en mama er gewoon niet over, en dan gaat het allemaal prima. En als ik een interessante-weetjes-boek over dino's wilde lezen – ik was toen dus acht he, nu lees ik dat niet meer want ik ben al twaalf en dan ben je een beetje te oud voor dino's, maar áls ik zo'n boek wilde lezen dan deed ik dat gewoon op mijn kamer. Of als papa niet thuis was. Had niemand last van. Behalve als ik zo'n boek liet slingeren waar mijn vader het kon zien. Dan konden mijn ouders wel eens een hele avond ruzie maken, en wel zo hard dat ik het op mijn slaapkamer kon horen.
In de dagen daarna las mijn vader vaak voor uit de Bijbel, om ons te overtuigen wat een mooi boek dat wel niet was. En er staan ook echt wel spannende gevechten in, vooral in het eerste deel. Dat tweede deel, met Jezus en zo, daar vond ik niet zo gek veel aan. Die hele Jezus heeft volgens mij niet één keer iemand de kop ingeslagen.
Gaby vindt dat nou juist het mooie d'r aan, die vindt al die bloederige gevechten heel akelig. Maar ja, Gaby is een meisje, dus daar is weinig van te snappen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het kwam er niet in één keer uit, natuurlijk. Het ging met kleine beetjes, met horten en stoten, met gezucht en gestaar in de verte, en van onze kant met veel geduw en gepeuter.
Of nou ja, “onze” kant... het was vooral Gaby die het naadje van de kous wilde weten.
'Ach jongens,' zei mijn vader bijvoorbeeld, 'ik weet niet of ik jullie ermee moet lastig vallen..'
'Die beslissing respecteren wij!' riep ik haastig. 'Het is wel jammer dat we je niet kunnen, eh, steunen en, eh, helpen en zo, maar ja – als het voor jou niet goed voelt om ons ermee lastig te...'
'Doe niet zo raar, papa!' kirde Gaby. 'We hebben je gezien dat je verdrietig bent - denk je dat we ons daar geen zorgen over maken? Daar gaan we van piekeren, hoor! Wie weet wat we ons allemaal in het hoofd halen. Nee, het is echt maar beter als je het gewoon vertelt.'
Gaby won.
'Het komt gewoon een beetje door die Alexander,' legde papa uit.
Alexander? Wie was dat nou weer?
Bleek de knieeënman te wezen.
'We zaten gisteravond wat te praten,' vertelde papa. 'Die man, je moeder en ik. Over van alles en nog wat. Plotseling – ik weet zelf ook niet hoe het kwam – ging het gesprek over dinosaurussen.'
'Oh-oh,' deden Gaby en ik. Papa heeft nogal een hekel aan dinosaurussen.
Hij houdt heel erg van de Bijbel namelijk.
Nou houd ik ook wel eens van boeken, vooral van boeken met schieten erin, of zwaardgevechten, en soms ook wel van die interessante-weetjes-boeken, maar bij papa en zijn Bijbel is dat toch anders.
Hij gelooft dat alles wat er in de Bijbel staat helemaal honderd procent echt waar is. Echt gebeurd en zo.
Ja, dat kan natuurlijk niet. Want de dinosaurussen zijn wel echt gebeurd, en ze staan er niet in.
Dus ja.
Dat geeft nog wel eens gedoe, bij ons thuis. Best wel grote ruzies, eigenlijk. Meestal praten papa en mama er gewoon niet over, en dan gaat het allemaal prima. En als ik een interessante-weetjes-boek over dino's wilde lezen – ik was toen dus acht he, nu lees ik dat niet meer want ik ben al twaalf en dan ben je een beetje te oud voor dino's, maar áls ik zo'n boek wilde lezen dan deed ik dat gewoon op mijn kamer. Of als papa niet thuis was. Had niemand last van. Behalve als ik zo'n boek liet slingeren waar mijn vader het kon zien. Dan konden mijn ouders wel eens een hele avond ruzie maken, en wel zo hard dat ik het op mijn slaapkamer kon horen.
In de dagen daarna las mijn vader vaak voor uit de Bijbel, om ons te overtuigen wat een mooi boek dat wel niet was. En er staan ook echt wel spannende gevechten in, vooral in het eerste deel. Dat tweede deel, met Jezus en zo, daar vond ik niet zo gek veel aan. Die hele Jezus heeft volgens mij niet één keer iemand de kop ingeslagen.
Gaby vindt dat nou juist het mooie d'r aan, die vindt al die bloederige gevechten heel akelig. Maar ja, Gaby is een meisje, dus daar is weinig van te snappen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)