Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 56. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 56. Alle posts tonen

maandag 19 mei 2014

Roodbruin en stoffig

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE



Ik werd opgetild en naar buiten gedragen. Dat was geen pretje, want buiten scheen de zon fel en heet en dat deed pijn aan mijn ogen, zelfs als ik ze stijf dicht kneep.
Ik hoorde hoe Gaby en Kwetter naast mij neer werden gelegd.
Daarna zei een stem: 'Jullie hebben het alledrie overleefd, zie ik. Mooi. Meer winst voor mij. Hoewel... zoals jullie er nu uitzien, zou ik jullie nog niet eens cadeau willen geven. Hier, drink dit!'
Er werd wat een beker met water tegen mijn lippen gezet zodat ik kon drinken, maar ik kon mijn hoofd niet optillen dus goten ze het water gewoon in mijn keel.
Wat heel dom was. Want als je keel helemaal droog is, dan kun je niet slikken. Dus hun water, daar stikte ik bijna in. Ze moeten me aan mijn enkels ondersteboven houden en flink heen en weer schudden om het water weer uit mijn keel te krijgen.
Daarna deden ze het netjes zoals het hoort: een paar druppels op mijn lippen en mijn tong, daarna nog een paar druppels, en zo verder tot mijn mond vochtig genoeg was om te slikken. Ik kreeg maar kleine slokjes, maar grote kon ik nog niet gebruiken dus dat was prima.
Intussen wenden mijn ogen aan het licht, en langzaam probeerde ik ze open te doen. Na een paar minuten knipperen en knijpen kon ik om me heen kijken.
Ik lag in de schaduw van een grote boom. De aarde was roodbruin en stoffig. Er groeiden gele plukjes prikgras, hier en daar. Een eind verderop stonden huizen, die wel uit de grond gegroeid leken: ze waren net zo stoffig en hadden dezelfde roodbruine kleur. Tussen mijn boom en de huizen stond een vrachtwagen met een grote stapel kratten ernaast. De kratten werden door mannen in legeruniform de huizen binnen gedragen.
Mannen in dezelfde uniformen stonden om mij heen.
Er was er één bij die geen uniform aanhad. Dat was onze oude bekende, meneer Snoet. Hij zat op een linnen klapstoeltje en keek verveeld naar ons.
Toen hij zag dat ik mijn ogen open had, snauwde hij: 'Sta toch op, rotjong! Sta op en sleur die grietjes mee. Doe eens een beetje je best – denk je soms dat de generaal mij zal betalen voor een stel scharminkels dat niet eens rechtop kan staan?'
Ik kon mijn oren niet geloven. Hij wilde ons verkopen, kennelijk, en nu moesten wij ook nog helpen om de prijs hoog te houden! Waarom zouden wij –
'Ik weet wat jij denkt,' grijnsde meneer Snoet. 'Je denkt: waarom zouden wij hem dat plezier doen? Nou, dat kan ik je wel uitleggen, knaap. Generaal Killa heeft altijd jongens nodig, voor zijn leger. Meisjes ook trouwens. En het is geen pretje om bij zijn leger te horen. Maar vieze scharminkels zoals jullie gebruikt hij ergens anders voor. En dat is veel, veel erger!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 21 januari 2013

Een onvriendelijke uitnodiging

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Twee keer schoot hij.
Allebei de keren was het raak.
Gelukkig schoot hij op de banden van onze politiewagen.
Daarna zei hij een enkel zinnetje in het Zuid-Mallotisch en gebaarde weer met zijn geweer.
'Volgens mij wilt zij echt heel graag dat wij uitstapt,' zei Kwetter.
'Een vriendelijke uitnodiging mag je niet zo maar afslaan,' zei mama. 'Kwestie van beleefdheid.'
'Ik vond dit eigenlijk een nogal onvriendelijke uitnodiging,' mopperde ik. 'Ongeveer de minst vriendelijke uitnodiging aller tijden.'
'Die mogen we al helemaal niet afslaan,' zei mama. 'Kwestie van lijfsbehoud. Stap jij als eerste uit, schat?'
Papa stapte uit en stak zijn handen in de lucht. De geweer-jongens keken tevreden, maar al snel begon de voorste naar ons te wijzen en boos te roepen. Eén voor één stapten we uit de auto. We deden het zo langzaam mogelijk, zodat mama nog even de tijd had om iets te doen: ze had onder haar stoel een zwarte, leren schoudertas gevonden en daar propte ze nu haastig haar hele voorraad flesjes en potjes in. Als laatste stapt zij uit, met haar handen in de lucht en de tas om haar schouder.
De jongens leken zo tevreden, dat ze vergaten in haar tas te kijken.
De voorste jongen keek ons doordringend aan, grijnsde en maakte toen een kleine buiging met zijn hoofd. Daarna zei hij iets tegen mama.
We konden er maar één woord van verstaan, maar van dat ene woord werden we tamelijk zenuwachtig.
Want het woord was 'Donderkat'.
'Hm,' deed papa. 'Je bent een beetje te beroemd geworden, schat,' zei papa.
'Ach ja,' glimlachte mama, 'dat hoort er nou eenmaal bij. Ik ben natuurlijk ook best wel interessant, dus...'
'Ik vind dat niet iets om te lachen,' zei papa. 'Als deze knapen weten wie jij bent, dan weten ze ook dat ze tien miljoen krijgen als ze jou inleveren bij de Doggersbank. Levend of dood.'
'Maakt maar geen zorgen, hoor papa,' zei Kwetter opgewekt. 'Mama kunt alles, dus wij gaat heus niet naar de Doggersbank. Niet levend en ook niet dood. Wij gaat gewoon ontsnappen strak, he mama?'
'Zo is het, Kwettertje-lief,' zei mama. 'Maar nu nog niet, anders gaan die meneren op ons schieten. Kijk, ze willen dat we met ze mee lopen. Zullen we dat maar doen?'
Natuurlijk deden we dat.
De jongens namen ons mee tussen de armelijke huisjes, diep de sloppenwijk in door een doolhof van paadjes en steegjes en weggetjes. Het stonk hier naar van alles: vuilnis, varkens, geiten, zweet, pies, houtvuur, knoflook en weet ik wat nog meer.
Er was geen mens te zien.
Als de jongens langskwamen ging iedereen toevallig nét even naar binnen, met de deur en de gordijnen dicht.
'Wat zou dat te betekenen hebben?' vroeg ik me af. 'Dat iedereen naar binnen rent als wij langskomen?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 1 juni 2012

Terwijl de wetenschappers kibbelen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Papa zuchtte nog eens. 'Jullie moeder, ' zei hij, 'is niet altijd even makkelijk in de omgang. Weet je wat ze deed, gisteravond? Ze noemde mij dom! Alleen maar omdat ik niet in dino's geloof.'
'Eh, pap....' zei ik. 'Dat is ook dom. Niet in dino's geloven is net zoiets als niet in haaien geloven.' Ik had nog meer te zeggen, maar Gaby viel mij in de rede: 'Nou, maar ik vind het naar voor je, hoor papa! Dat was helemaal niet aardig van mama, en bovendien klopt het niet. Ik bedoel als je één enkel keertje iets doms zegt, dan ben je toch niet meteen dom? Ik bedoel: je bent heus niet van-top-tot-teen en van-voor-naar-achter dom om één zo'n dingetje.'
Papa keek naar beneden, waar mama bezig was het bluswerk te organiseren. Tenminste, dat probeerde ze. De Boegoenezen deden echter gewoon waar ze zin in hadden. Sommigen speelden zelfs een soort van tikkertje tussen de brandende takken. Achter haar stond Alexander, die handenwringend toekeek hoe al zijn bezitting drijfnat werden of juist in de brand vlogen. 'Niet die kist,' riep hij bijvoorbeeld. 'Kist is niet voor het blussen, ja? Kist is voor het bewaren van hele dure meet-instrumenten, en...'
Ranggg, daar ging de inhoud van de kist aan diggelen op de grond. Sprakeloos van ellende zakte Alexander op zijn knieën in de modder.
Mama wierp een blik over zijn schouder. 'Oho, wat zie ik daar? Een spectrometer? Tut tut tut, dat is niet erg netjes van je, om die achter te houden. Die hadden we goed kunnen gebruiken in ons laboratorium...'
'Ja,' zei de knieënman bitter, terwijl hij in de modder rondgrabbelde naar de resten van zijn spectrometer, 'in ons laboratorium ja, dan was-ie nu ontploft. En/of verbrand.'
'Oh, daar heb je waarschijnlijk gelijk in,' glimlachte mama. 'En dat zou heel erg zijn, want als-ie verbrand was had hij nu niet kapot kunnen vallen. En dat zou jammer zijn, he? Want het is natuurlijk heel fijn dat het ding nu in gruzels op de grond ligt. Veel beter dan ontploft. Aan de andere kant: misschien was ons lab niet eens ontploft als we de juiste apparatuur hadden gehad. Zoals, bijvoorbeeld, een spectrometer.'
Terwijl de twee wetenschappers zo kibbelden, blusten de Boegoenezen er lustig op los. Nu mijn moeder hen niet meer vertelde wat ze moesten doen, ging het eigenlijk steeds minder op blussen lijken. En steeds meer op een soort watergevecht.
Lachend en joelend zaten de Boegoenezen elkaar achterna in en om het brandende laboratorium. Behendig sprongen ze onder vlammende takken door en over hoopjes gloeiende sintels. Het zag er levensgevaarlijk uit, maar ze hadden de grootste pret en terwijl ze elkaar met water bekogelden, blusten ze bij toeval ook netjes de brand.
Sterker nog: het leek wel of net blussen sneller ging nu mijn moeder het overzicht niet meer hield. Elke plens water kwam – door een wonderlijk toeval? - steeds precies terecht op die plek waar-ie het hardst nodig was. Na een kwartiertje was het grootste deel van het vuur verdwenen.
Dat liet mijn moeder niet zomaar gebeuren.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE