BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het spel heette 'Moleculen Maken' en ik mocht het als eerste proberen.
Je zag een scherm vol stuiterende balletjes. Grote en kleine, snelle en langzame, in achttien verschillende kleuren. Er stonden letters in. De balletjes hadden een soort haakjes, waarmee je ze aan elkaar vast kon maken. Je moest een balletje kiezen, dat je daarna een beetje kon besturen. Je kreeg een vormpje te zien, en dat moest je dan maken door je balletje tegen een ander balletje aan te stuiteren.
De balletjes zagen er op één of andere manier heel grappig uit, maar verder was het een beetje een suf en simpel spelletje.
'Is dit het mooiste wat jouw vrienden konden verzinnen?' vroeg ik schamper.
'Ik ben bang van wel,' zuchtte mama. 'Zou je het niet even een minuutje willen spelen? Om mij een plezier te doen?'
'Mwah,' zei ik.
'Luister jongeman, de afspraak was dat jullie drie tot vier uur per dag computerspelletjes zouden doen. Aan het werk jij.'
Zuchtend ging ik zitten.
De eerste opdracht heette 'O2: Zuurstof'. Daarvoor moest je een witte stuiterbal met een O erin vastmaken aan een andere O-bal. Het was moeilijker dan ik gedacht had, vooral omdat die O-bal zo lastig te besturen was. Er stuiterden voortdurend ballen tegen hem aan, waardoor hij steeds van richting veranderde, en soms bleven er kleine blauwe rot-balletjes aan hem hangen en die kon je er alleen weer afkrijgen door op precies de goede manier te botsen met weer een ander balletje, zodat de haakjes losschoten.
Toen het eindelijk gelukt was kwam er een juichend aapje in beeld, dat er zó dom uitzag dat ik onwillekeurig in de lach schoot.
Het aapje veegde met een doekje de naam van de opdracht uit en schreef ervoor in de plaats: 'H2O: Water'.
Makkie, dacht ik. Want die kleine blauwe rotballetjes, die daarnet steeds aan mijn O bleven haken, dat waren de H-balletjes. Daarvan moesten er nu twee aan mijn O vast, en daarnet gebeurde dat de hele tijd vanzelf. Dus... ja...
Makkie, dacht ik.
Maar nu bleef er een rooie C aan mijn O hangen. Aan de andere kant van de C kwam ook een O, en toen klonk zo'n pesterig wah-wah-wah waaaah geluidje en het lollige aapje lachte me keihard in mijn gezicht uit.
Wacht maar, dacht ik. Jij bent nog niet van mij af, lelijk beest.
Even later tikte Gaby op mijn schouder. 'Kwetter en ik mogen ook nog.'
'Huh? Is dat minuutje al voorbij dan? Ik vind het goed hoor, ik maak nog even deze opdracht af en dan zijn jullie.'
'Michael, er bent geen minuutje voorbij, er bent drie uur voorbij. Jij probeert nou al meer dan een kwartier om die 'C6H6: Benzeen' te maken. Dus die kunt jij helemaal niet even afmaken. En nou mag wij ook eens.'
'Oh, best hoor,' zei ik. 'Ik vind er toch niet zoveel aan.'
Daar moest mijn zusje heel erg overdreven hard om lachen. 'Nee, dat hebben we gezien, de afgelopen drie uur. Weet je nog Kwetter, met die bak chips?'
Bleek dat ze een bak met mijn favoriete chips onder mijn neus hadden gehouden. En dat ik daar niks van gemerkt had omdat ik zo druk bezig was met 'HNO3: salpeterzuur'. Flauw hoor.
En nog flauwer was het dat mijn zusje al binnen twee uur de 'C6H6: Benzeen' had gemaakt. Terwijl die heel moeilijk was, want de C-ballen moesten daarbij in een of andere vage ring aan elkaar vast worden gezet.
'Tadaah!' riep Gaby.
'Nou ik!' riep Kwetter.
'Stom spel,' mompelde ik. Maar daar luisterde niemand naar.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 6. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 6. Alle posts tonen
vrijdag 10 januari 2014
maandag 24 september 2012
Een plek waar iets niet bestaat
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vandaag zou ons zwemtochtje een sombere bedoening worden, en het begin van veel narigheid.
Vol goede moed zwommen we naar het rif. Na een paar weken in een onderzeeër kun je dolgelukkig worden van alles wat niet staalgrijs en rechthoekig is. Dus dat feest van kleuren en vormen, waar mama over verteld had, zou onze dorstige zielen goed doen.
Maar dat viel behoorlijk tegen.
Het koraalrif was wit. Vaalwit, zoals het gezicht van mijn oudtante Mathilde toen ze dood was gegaan.
De scholen van kleurige vissen waren nergens te bekennen.
De enige kleur kwam van het slijmerige wier, dat overal tussen het rif dreef, en van een glibberig bleekgroen laagje dat zich her en der over het rif had verspreid. Als je goed keek, zag je dat de bleekgroene glibber op sommige plekken werd onderbroken door plakkerig zwart.
En dat, wat kleuren betreft, was dat.
Met de vormen was het weinig beter gesteld.
Op de meeste plekken waren ze prachtig hoor, daar niet van. Nog mooier dan mama beloofd had, nu eens zacht glooiend als een duinlandschap, dan weer ingewikkeld als de takken van een braamstruik in de winter. Maar er zat een groot gat in. Een gat met ruwe, scherpe randen en overal brokstukken koraal.
Mama wees op het gat en op Michael.
Dat heb jij gedaan, bedoelde ze. Met je stomme torpedo.
Michael schudde van nee en wees naar links. Daar zat nog een gat. En honderd meter verder nog een.
Mama krabde op haar hoofd.
Niet echt natuurlijk, want ze had een rubberen duikpak aan dus ze kon haar hoofd niet niet aanraken, maar dat gaf niet want waarschijnlijk had ze geeneens jeuk.
Waarschijnlijk snapte ze er gewoon niks van.
Kom, gebaarde ze, we gaan terug naar de Tsaar Peter.
En dat deden we.
Halverwege draaide mama zich om en maakte van die kst-vort gebaartjes met haar hand. Ze wilde dat wij verder zwommen. Zelf ging ze terug naar het rif.
Wij haalden onze schouders op en gingen terug naar de boot.
Even later zaten we om de kombuistafel. We dronken chocolademelk en papa bakte pannenkoeken.
'Zo, jongen,' zei hij tegen Michael. 'Heb je nou gezien wat je gedaan hebt? Ik hoop dat je je schaamt.'
'Nou, ik weet niet hoor,' zei Michael. 'Ik heb wel een gat in de boel geschoten, natuurlijk, maar er zaten al gaten genoeg dus zo'n ramp was het nou ook weer niet.'
'Gaten?' zei papa. 'Hoezo, gaten? Wat bedoel je?'
'Een gat, papa, is een... ja hoe leg ik dat uit? Een plek waar iets niet bestaat, zeg maar. Iets wat op de plekken eromheen wel bestaat. Mijn spijkerbroek, bijvoorbeeld, hier op de knie, zie je wel? Hier bij mijn knie is geen spijkerbroek. Maar op de plekken eromheen is-ie er wel. Een gat in je broek, noem je dat. Snap je? Graag gedaan, hoor, en als je me nog een keer niet kunt volgen dan hoef je het maar even te zeggen. Leg ik het weer uit.'
Papa zuchtte diep.
Ik ook. Michael heeft soms zó'n stom gevoel voor humor.
Op dat moment kwam mama binnen. Ze had haar druipende duikpak nog aan en stapte met flippers en al de kombuis binnen.
'Ik heb hier vanmorgen nog gedweild,' klaagde papa.
Maar ze leek hem niet te horen. Haar gezicht stond woedend.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vandaag zou ons zwemtochtje een sombere bedoening worden, en het begin van veel narigheid.
Vol goede moed zwommen we naar het rif. Na een paar weken in een onderzeeër kun je dolgelukkig worden van alles wat niet staalgrijs en rechthoekig is. Dus dat feest van kleuren en vormen, waar mama over verteld had, zou onze dorstige zielen goed doen.
Maar dat viel behoorlijk tegen.
Het koraalrif was wit. Vaalwit, zoals het gezicht van mijn oudtante Mathilde toen ze dood was gegaan.
De scholen van kleurige vissen waren nergens te bekennen.
De enige kleur kwam van het slijmerige wier, dat overal tussen het rif dreef, en van een glibberig bleekgroen laagje dat zich her en der over het rif had verspreid. Als je goed keek, zag je dat de bleekgroene glibber op sommige plekken werd onderbroken door plakkerig zwart.
En dat, wat kleuren betreft, was dat.
Met de vormen was het weinig beter gesteld.
Op de meeste plekken waren ze prachtig hoor, daar niet van. Nog mooier dan mama beloofd had, nu eens zacht glooiend als een duinlandschap, dan weer ingewikkeld als de takken van een braamstruik in de winter. Maar er zat een groot gat in. Een gat met ruwe, scherpe randen en overal brokstukken koraal.
Mama wees op het gat en op Michael.
Dat heb jij gedaan, bedoelde ze. Met je stomme torpedo.
Michael schudde van nee en wees naar links. Daar zat nog een gat. En honderd meter verder nog een.
Mama krabde op haar hoofd.
Niet echt natuurlijk, want ze had een rubberen duikpak aan dus ze kon haar hoofd niet niet aanraken, maar dat gaf niet want waarschijnlijk had ze geeneens jeuk.
Waarschijnlijk snapte ze er gewoon niks van.
Kom, gebaarde ze, we gaan terug naar de Tsaar Peter.
En dat deden we.
Halverwege draaide mama zich om en maakte van die kst-vort gebaartjes met haar hand. Ze wilde dat wij verder zwommen. Zelf ging ze terug naar het rif.
Wij haalden onze schouders op en gingen terug naar de boot.
Even later zaten we om de kombuistafel. We dronken chocolademelk en papa bakte pannenkoeken.
'Zo, jongen,' zei hij tegen Michael. 'Heb je nou gezien wat je gedaan hebt? Ik hoop dat je je schaamt.'
'Nou, ik weet niet hoor,' zei Michael. 'Ik heb wel een gat in de boel geschoten, natuurlijk, maar er zaten al gaten genoeg dus zo'n ramp was het nou ook weer niet.'
'Gaten?' zei papa. 'Hoezo, gaten? Wat bedoel je?'
'Een gat, papa, is een... ja hoe leg ik dat uit? Een plek waar iets niet bestaat, zeg maar. Iets wat op de plekken eromheen wel bestaat. Mijn spijkerbroek, bijvoorbeeld, hier op de knie, zie je wel? Hier bij mijn knie is geen spijkerbroek. Maar op de plekken eromheen is-ie er wel. Een gat in je broek, noem je dat. Snap je? Graag gedaan, hoor, en als je me nog een keer niet kunt volgen dan hoef je het maar even te zeggen. Leg ik het weer uit.'
Papa zuchtte diep.
Ik ook. Michael heeft soms zó'n stom gevoel voor humor.
Op dat moment kwam mama binnen. Ze had haar druipende duikpak nog aan en stapte met flippers en al de kombuis binnen.
'Ik heb hier vanmorgen nog gedweild,' klaagde papa.
Maar ze leek hem niet te horen. Haar gezicht stond woedend.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 30 januari 2012
Relatief rustig en veilig
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vanuit een hoge boom zaten we naar het gebergte te kijken. Kwetter zag het meteen: er was een hap uit de bergwand genomen. Een klein hapje maar; een gaatje niet groter dan je vuist. Zo leek het, maar in het gat verscheen een graafmachine zo klein als je duimnagel.
Dus.
Er zwermde een groepje minuscule mensjes rond het graafmachientje. Ze waren druk bezig, maar we konden niet zien met wat.
We konden het wel raden. Want toen de mensjes en het machientje weer verdwenen waren klonk er een knal en plotseling was het gat weer ietsje groter. Rotsblokken stortten van de bergwand. Een paar bleven er liggen in het gat en al snel kwam de graafmachine weer, om ze naar beneden te duwen.
'Waarom maakt zij de bergen stuk?' vroeg Kwetter ongerust. 'Heeft de bergen iets verkeerd gedaan?'
'Integendeel,' zei mijn vader ernstig. 'De bergen hebben juist iets goeds gedaan. Ze hebben ons beschermd. Ons, en heel Boegoe-Boegoe. Het leven hier is rustig en veilig, en dat komt door...'
'Er zit een Boegoenese Boomleeuw achter je, pap,' zei ik.
'Ja, heel grappig. Het leven is hier rustig en veilig doordat...'
'Was geen grapje,' zei ik.
'Brul,' zei de boomleeuw. 'Brul brul.'
'Help help,' reageerde papa, 'een Boegoenese boomleeuw, help help.'
Zie je wel, dacht ik, maar ik zei het niet. Ten eerste omdat dat sneu zou zijn voor papa en ten tweede omdat ik al mijn adem nodig had bij het vluchten. Als een boomleeuw je te pakken krijgt ben je zo goed als dood. Gelukkig krijgt-ie je meestal niet te pakken. Hij kan supergoed klimmen en heel ver springen, maar aan lianen zwieren kan hij niet. En wij wel.
Dus.
Als je een boomleeuw ziet, moet je drie dingen doen: liaan zoeken, wegzwieren en tong uitsteken van neh neh neh-neh neh.
Doe dit trouwens wel in de goede volgorde! Niet als eerste de tong uitsteken, want dan pakt-ie je. Ook niet proberen weg te zwieren vóórdat je een liaan gevonden hebt. Geloof me: dat werkt niet.
Weet je dat ook weer.
Mama, papa, Gaby en ik zwierden ons haastig in veiligheid.
Kwetter niet.
Kwetter bleef staan, stak haar tong uit en deed neh neh neh-neh neh.
'Verkeerde volgorde,' riep ik nog, maar het was al te laat.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vanuit een hoge boom zaten we naar het gebergte te kijken. Kwetter zag het meteen: er was een hap uit de bergwand genomen. Een klein hapje maar; een gaatje niet groter dan je vuist. Zo leek het, maar in het gat verscheen een graafmachine zo klein als je duimnagel.
Dus.
Er zwermde een groepje minuscule mensjes rond het graafmachientje. Ze waren druk bezig, maar we konden niet zien met wat.
We konden het wel raden. Want toen de mensjes en het machientje weer verdwenen waren klonk er een knal en plotseling was het gat weer ietsje groter. Rotsblokken stortten van de bergwand. Een paar bleven er liggen in het gat en al snel kwam de graafmachine weer, om ze naar beneden te duwen.
'Waarom maakt zij de bergen stuk?' vroeg Kwetter ongerust. 'Heeft de bergen iets verkeerd gedaan?'
'Integendeel,' zei mijn vader ernstig. 'De bergen hebben juist iets goeds gedaan. Ze hebben ons beschermd. Ons, en heel Boegoe-Boegoe. Het leven hier is rustig en veilig, en dat komt door...'
'Er zit een Boegoenese Boomleeuw achter je, pap,' zei ik.
'Ja, heel grappig. Het leven is hier rustig en veilig doordat...'
'Was geen grapje,' zei ik.
'Brul,' zei de boomleeuw. 'Brul brul.'
'Help help,' reageerde papa, 'een Boegoenese boomleeuw, help help.'
Zie je wel, dacht ik, maar ik zei het niet. Ten eerste omdat dat sneu zou zijn voor papa en ten tweede omdat ik al mijn adem nodig had bij het vluchten. Als een boomleeuw je te pakken krijgt ben je zo goed als dood. Gelukkig krijgt-ie je meestal niet te pakken. Hij kan supergoed klimmen en heel ver springen, maar aan lianen zwieren kan hij niet. En wij wel.
Dus.
Als je een boomleeuw ziet, moet je drie dingen doen: liaan zoeken, wegzwieren en tong uitsteken van neh neh neh-neh neh.
Doe dit trouwens wel in de goede volgorde! Niet als eerste de tong uitsteken, want dan pakt-ie je. Ook niet proberen weg te zwieren vóórdat je een liaan gevonden hebt. Geloof me: dat werkt niet.
Weet je dat ook weer.
Mama, papa, Gaby en ik zwierden ons haastig in veiligheid.
Kwetter niet.
Kwetter bleef staan, stak haar tong uit en deed neh neh neh-neh neh.
'Verkeerde volgorde,' riep ik nog, maar het was al te laat.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)