Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 19. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 19. Alle posts tonen

maandag 10 februari 2014

Een grof schandaal. Superleuk!

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Het is een grote hit op het internet,' zei de mevrouw van het Journaal. 'Het spelletje Donderkat. Wereldwijd wordt het elke dag door een miljoen mensen gespeeld. Dat aantal groeit nog elke dag. Maar veel mensen vragen zich af of dat wel goed is: een spelletje maken over een beruchte terrorist. We vroegen het aan een paar experts...'
Er kwam een groepje kinderen in beeld dat, keurig in koor, riep dat ze het een superleuk spelletje vonden.
Daarna was er een wetenschapper, die zei dat het heel erg leerzaam was, over moleculen en scheikunde, en dat het trouwens ook een superleuk spel was.
Daarna een enge politicus met blondgeverfd haar, die zei dat het een grof schandaal was dat er spelletjes waren waarin terroristen, jawel, terroristen! de goeieriken waren. Hij ging de minister vragen stellen, zei hij.
Daarna een lieve mevrouw die veel van kinderen wist, en die zei dat kinderen helemaal niet agressief werden van computerspelletjes, en dat er bovendien in dit spel geen mensen dood werden gemaakt, wat zeer zeldzaam was, en dat het gewoon een superleuk spel was.
Toen een politieman, die zei dat al de bommen uit het spel echt werkten en heel makkelijk te maken waren, en dat het allemaal levensgevaarlijk was en dat ouders het hun kinderen moesten verbieden.
En de lieve mevrouw weer, die zei dat kinderen heus niet zo stom waren om die bommen echt te gaan máken, en had ze al gezegd dat het een superleuk spel was?
Daarna werd het scherm gevuld door het akelige, asgrauwe gezicht van meneer Dogger. 'Het is verschrikkelijk,' schreeuwde hij. 'Kinderen worden opgejut tot het plegen van aanslagen. Tegen onschuldige bankiers! Nonde-nonde-hier-en-gunter! Al die kinderen moesten worden opgepakt! In de cel gegooid! Om te voorkomen dat ze de spullen van bankiers kapot maken. En om ze te leren dat er met bankiers niet te spotten valt! Nonde-nonde-nonde!' Zijn gezicht werd helemaal paars. In zijn woede sputterde hij zo veel druppeltjes spuug in het rond, dat de lens van de camera onder het kwijl kwam te zitten. Het hele beeld werd er wazig van.
Tot slot werd er nog aan zo maar wat mensen op straat gevraagd, wat zij er eigenlijk van vonden. Eentje vond het een grof schandaal, drie vonden het een superleuk spel en vier zeiden er: 'Ach, er gaan geeneens mensen dood, is dat nou zo erg?'
De nieuwslezeres kwam weer in beeld, die voor de grap deed alsof ze niet wist dat ze in beeld was, omdat ze helemaal verdiept was in mama's computerspel. Ze was een molecuul Trinitrotolueen aan het maken, zo te zien.
'Even een voorraadje TNT aanleggen,' zei ze met een knipoog naar de camera. 'En dan nu het weerbericht...'
We keken elkaar eventjes aan.
Papa floot zachtjes tussen zijn tanden.
'Wat bende dat een stom televisieprogramma, zeg!' foeterde Kwetter. 'De helft van de mensen vindde het een gevaarlijk spelletje. Nou, dat bent het helemáál niet!'
'Maak je maar niet druk, Kwettertje-lief,' zei mama zachtjes. 'Dit was de beste reclame die we ons maar konden wensen.'
Papa stond op. 'Ik ga nog gauw even twintig miljoen overmaken. Dat zullen we nodig hebben!'
En ja hoor: de volgende ochtend had het spel er twee miljoen spelers bij.
En dat zouden er nog veel, veel meer worden.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 24 oktober 2012

Het wereldwijde gespreksonderwerp

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We scheurden naar de kano toe. Michael zat bij papa achterop, Kwetter en ik bij mama. Uit sjaggerijn ging papa een stuk harder dan nodig was, tot grote vreugde van Michael.
'En waar,' riep hij op hoge toon tegen de vissers, 'denken wij dat we mee bezig zijn?'
De vissers mompelden zachtjes tegen elkaar.
'Beseffen jullie dan niet wat je doet?' vroeg papa boos. 'Weten jullie niet wat je kapot maakt?'
De vissers haalden hun schouders op.
'Zeg kunnen jullie niet fatsoenlijk antwoord geven?'
Op dit moment kwamen wij naast papa's Jet Ski dobberen en mama zei: 'Als je wilt dat ze fatsoenlijk antwoord geven, moet je ook fatsoenlijk vragen, schat.' Ze wendde zich tot de vissers en zei: 'Goedemiddag, heren! Onze excuses voor het storen tijdens uw ongetwijfeld drukke werkzaamheden, maar mogen wij misschien iets aan u vragen?'
De mannen zeiden niets.
'Ach wat dom,' zei mama hartelijk, 'nu vergeet ik mij voor te stellen! Mijn fout, helemaal mijn fout. Josephine Laarmans, met pee haa, en een ee op het eind. Hoe maakt u het?'
De mannen glimlachten beleefd en maakten een kleine buiging.
'Dus... mogen wij u iets vragen?'
De mannen zeiden niets.
'U bent natuurlijk heel druk met uw werk, dat snap ik wel...'
De mannen zwegen.
'Wat een lekker weer, he?'
Geen reactie.
'Nou jaaa, zeg!' Mama keek ons aan met hoog opgetrokken wenkbrauwen. 'Ze zeggen helemaal niks! Zelfs niet over het weer! Terwijl het weer toch zo'n beetje het beleefdste gespreksonderwerp ter wereld is. Altijd en overal kun je over het weer praten, van de armste hut tot het duurste paleis: de zon schijnt op iedereen en als gespreksonderwerp is dat voor niemand kwetsend. Dat geldt over de hele wereld: als je een beleefd gesprekje wilt hebben, dan begin je met het weer.'
'Oh ja?' zei ik. 'Geldt dat over de hele wereld?'
'Jazeker,' zei mama.
'Dat je over het weer moet praten in het Nederlands, geldt dat over de hele wereld?'
'Oh! Eh, haha,' zei mama. 'Wat dom van mij.' Tegen de vissers zei ze: 'Lekker weertje, he?' maar dan in het Engels. En daarna in het Duits. En in het Frans en het Spaans.
Dat verstonden de vissers allemaal niet.
Gelukkig kent mama nog achtentwintig andere talen. Of nou ja, 'kennen', dat is misschien een beetje een groot woord. Ze kent al die talen een beetje. Een heel klein beetje. Een enkel zinnetje, om precies te zijn. Het zinnetje gaat zo: 'Het spijt mij, ik versta uw taal niet, is er hier iemand die Engels spreekt?' of liever gezegd, zo gaat het zinnetje niet, want dit is een Nederlands zinnetje en in het Nederlands is het niet waar. Maar in de achtentwintig talen, in het Russisch en het Arabisch en het Pidgin en het Boegoenees en het Zuid-Mallotisch enzovoort, is het een heel handig zinnetje.
In tweeëntwintig talen zei mama haar zinnetje en tweeëntwintig keer haalden de mannen hun schouders op. Maar bij keer nummer drieëntwintig keken ze elkaar aan, begonnen enthousiast te knikken en wezen naar het palmenstrand.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 2 maart 2012

Meneer Hakmaranman

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Dat klopt,' zei papa, 'we hebben geen enkel idee. Voornamelijk omdat jij de verrekijker de hele tijd voor jezelf houdt.'
'Dat komt,' legde ik uit, 'omdat ik er nog niet klaar mee ben. Daar kan ik toch niks aan doen?'
'Vertel nou maar gewoon wat je ziet,' bitste Gaby. 'Als we moeten wachten tot jij iets eerlijk deelt, zitten we hier morgen nog.'
Oohhh...keej?
'Ik zie houthakkers,' zei ik, 'maar het zijn wel hele rare houthakkers. Ze hebben meer geweren dan zagen. Kennelijk hebben ze net een veldslag geleverd met de alligators. Er ligt een grote stapel reuzenalligors en de houthakkers zijn druk bezig de velletjes eraf te halen.'
'Dat zal ze al een aardige winst opleveren, ' zei papa. 'Krokodillenleer is duur spul.'
Een paar houthakkers was bezig de lekkerste stukjes van de krokodillen af te snijden en in vrieskisten te stoppen. Vier anderen zochten alle overgebleven stukken alligator bij elkaar en sjouwden ze naar de mjamburger-machine.
Op dat moment kwam er een dure Jeep over de fonkelnieuwe alsfaltweg gereden. Je kon zien dat het een dure wagen was, geen ik-ben-een-houthakker-en-ik-cross-door-het-bos-jeep, maar een kijk-mij-eens-ik-heb-super-veel-geld-auto. Van een duur Duits merk, glimmend, zonder een spatje modder, met een grote gouden H op de zijkant.
Eruit stapte een wonderlijke man. Hij was klein en dik, maar zijn schouders waren breed en hij zag er sterk uit. Hij droeg een duur wit pak, laarzen van slangenleer en een spiegelbril. Zijn gezicht was bruin en hij had een klein, zwart snorretje.
Maar dat was niet het wonderlijke.
De man had geen linkerhand. Ieder mens maakt wel eens een foutje. Dat is op zich niet erg. Maar als je houthakker bent is het toch een stuk erger dan wanneer je, ik noem maar wat, in een gezellig winkeltje pluchen beesten staat te verkopen.
En deze kerel zag er niet uit alsof hij pluche beesten verkocht.
Dus ja.
Dat zijn linkerarm vlak onder de elleboog ophield, dat was ook nog niet zo heel wonderlijk.
Het wonderlijke was wat hij op de plaats van zijn linkerhand had laten zetten. Dat was geen nep-hand. Het was geen piraten-haak. Nee, vanaf de elleboog was zijn linkerarm niets anders dan een kettingzaag.
Achter hem stapte nog een man de auto uit. Een magere man met een grauw-gele gelaatskleur. Hij droeg een gitzwart pak, en hoewel hij er lang niet zo angstaanjagend uitzag als de kettingzaag-man sloeg de koude schrik mij om het hart. Want dit was meneer Smek, die ooit hoogstpersoonlijk had geprobeerd mij en mijn familie in een stapel mjamburgers te veranderen. Dat was hem niet gelukt, natuurlijk, maar het had maar weinig gescheeld. En geloof me, als je de draaiende kartelmessen van de vleeshakker op een paar centimeter van je gezicht hebt gezien, dan vergeet je dat van je leven niet meer.
Smek liep naar de mjamburger-machine en gaf er een paar liefhebbende klopjes op. Daarna riep hij iets tegen de mannen die met de stukken alligator sjouwden. Ik was te ver weg om het te horen, maar waarschijnlijk ging het over snel doorwerken want ze werkten snel door.
De man met de zaag-arm (later vertelde papa dat dat meneer Hakmaranman was. Alsof ik dat zelf niet al bedacht had.) liep naar de rand van de asfaltweg, waar de dooie alligators lagen. Hij begon zijn houthakkers uit te kafferen. Tenminste, ik kon niet horen wat hij zei maar zijn gezicht stond alsof hij mensen uitkafferde en zijn houthakkers keken of ze uitgekafferd werden.
Dus ja.
Hakmaranman wees naar de bomen. Blijkbaar wilde hij dat zijn houthakkers hout gingen hakken. De houthakkers wezen op de modderige, moerassige bosgrond. Hun baas werd heel erg rood, begon te schreeuwen en wees nog eens op de bomen. Voorzichtig stapte een houthakker van de weg af en liep naar het bos.
Al snel zakte hij tot voorbij zijn kuiten weg in de het modderwater. Toen tot boven zijn knieën. En toen, plotseling, dook er een reuzenalligator op uit de modder en hap! Daar ging het linkerbeen van de houthakker. Het ging zo snel dat zijn vrienden, die met hun geweren in de aanslag hadden gestaan, niet eens de tijd hadden om te schieten. Ze schoten het beest wel overhoop, natuurlijk, maat ton was het been al verdwenen. Ze sleepten eerst hun kameraad op het droge en zeulden daarna de dooie alligator bij de rest op de stapel. Er volgde een woedende woordenwisseling met meneer Hakmaranman. Het draaide erop uit dat hij zelf van de weg af stapte, met een gezicht van ik-zal-jullie-eens-wat-laten-zien.
Hij had nog geen tien stappen gelopen toen hij werd aangevallen door de grootste alligator die ik ooit gezien had.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE