BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Je wilt toch niet zeggen, dat hij daar een computer van gemaakt heeft?' vroeg Gaby.
'Dat wil ik wél zeggen, mijn lieve kind. Dat is nou precies wat ik wil zeggen. Is het niet geniaal? Is het niet buitengewoon briljant?'
'Hoe past een computer nou in een bril? Dat kan toch helemaal niet?'
'Dat is nou juist het geniale,' straalde mama. 'Iedereen snapt onmiddellijk dat het niet kan, een computer in een bril stoppen. Maar meneer Clusjes heeft maling aan wat er wel kan en wat niet. Daar denkt hij niet eens over na. Hij vraagt zich alleen maar af: zou het niet geweldig zijn, als ik een computer-bril kon maken? En als het antwoord daarop “ja” is – en dat is het – dan maakt hij die bril gewoon! Als ik in magie zou geloven – maar dat doe ik niet, want ik ben een wetenschapper en alleen al het gelóóf in magie heeft invloed op de resultaten – dan zou ik denken, dat hij een tovenaar was.'
'Bent dat niet gevaarlijk?' vroeg Kwetter bezorgd. 'Brillen bent toch gemaakt om doorheen te kijken? Als je er een computer van maakt, kunt je er niet meer doorheen kijken, toch?'
'Jawel hoor,' zei papa. 'Dat kan best. Je kunt er gewoon doorheen kijken. Dat doe je natuurlijk niet, want je wilt veel te graag op je prachtige nieuwe bril-computer kijken, maar het kan wel. Dus het is best wel gevaarlijk, maar niet veel gevaarlijker dan een telefoon. Er zijn immers ook mensen, die op hun telefoon gaan zitten computeren terwijl ze achter het stuur van een rijdende auto zitten.'
'Niet waar,' zei Gaby. 'Zo dom zijn mensen niet.'
'Ho. Wacht even. Hier moet ik, als wetenschapper, even iets zeggen,' kondigde mama aan. 'Namelijk dat we altijd respect moeten hebben voor de feiten. Feiten, Gaby, feiten! Feiten zijn de bouwstenen van de menselijke kennis. Als we geen respect hebben voor de feiten, dondert de hele wereld in elkaar. Dus ik wil jou nooit meer iets horen zeggen, dat regelrecht in tegenspraak is met de keiharde feiten. Feiten die vierduizend jaar geleden al werden waargenomen, en die nog steeds worden waargenomen, en die in al die tijd niet één keer veranderd zijn.'
Gaby kon het niet helemaal meer volgen.
'Mama bedoelt: zo dom zijn mensen wél,' legde ik uit.
'Precies,' knikte mama. 'Zo dom zijn ze altijd al geweest. Vroeger hadden ze nog geen auto's en geen mobiele telefoons, maar als ze die hadden gehad, reken maar dat ze dan zouden computeren achter het stuur! En dat doen ze nu dus ook. Ze doen spelletjes en sturen elkaar geinige berichtjes over niks, terwijl ze eigenlijk op de weg zouden moeten letten.'
'Krijgt je daar geen ongelukken van?' vroeg Kwetter.
'Nou en of je daar ongelukken van krijgt!' zei papa. 'De ene botsing na de andere. Fietsers, egeltjes, moeders met kinderwagens, niets of niemand is meer veilig in de buurt van een auto. Opletten in het verkeer was altijd al belangrijk, maar nu is het echte een slachthuis geworden op de weg. De snelwegen liggen bezaaid met autowrakken. Wrakken die vroeger bestuurd werden door idioten, die dachten dat ze wel even een berichtje konden intikken terwijl ze stuurden met hun ellebogen. Trouwens ook veel wrakken die bestuurd werden door verstandige, verantwoordelijke mensen, en die vervolgens tóch nog te pletter werden gebeukt door die computerende imbecielen.'
'En dat is allemaal de schuld van meneer Clusjes!' riep Gaby verontwaardigd.
'Tuurlijk niet,' zei ik. 'Clusjes wil alleen mooie computers maken. Hij kon toch ook niet weten dat de mensen er zulke domme dingen mee zouden doen?'
'Maar de feiten...' begon Gaby.
Mama onderbrak haar op gerust stellende toon: 'Trouwens, meneer Clusjes heeft al aangekondigd dat hij het probleem van die auto-ongelukken op gaat lossen. De hele wereld wacht in spanning af, wat voor iets briljants hij nú weer zal verzinnen.'
'Pffft,' deed Gaby. 'Dat is toch niet moeilijk te raden?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 23. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 23. Alle posts tonen
vrijdag 21 februari 2014
zaterdag 3 november 2012
Spullen van schurken
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael en ik keken elkaar aan. Waren wij genoemd naar twee engelen? Dat wisten we helemaal niet.
Mama trouwens ook niet, begreep ik toen ik haar naar papa zag kijken. Ze keek half boos en half bewonderend. Boos omdat papa haar voor de gek had willen houden, en bewonderend omdat het gelukt was.
Willem tilde Michael, Kwetter en mij in één keer op en zette ons in de hangmat.
'Ik ga die limonade halen,' zei hij. 'Niet wiebelen, jongens!'
Michael wiebelde.
Boink.
In de vijf minuten die volgden, ontdekten wij hoe moeilijk het is om met drie kinderen tegelijk in een hangmat te klimmen. Toen Willem terugkwam, zag hij mij en Michael in een ordeloze hoop op de grond liggen, terwijl Kwetter zich met handen en tenen vasthield aan de onderkant van de hangmat.
Daar moest Willem weer om lachen. Hij had een schallende, vrolijke lach die uit het diepst van zijn gemoed kwam en die me nu al vreselijk irriteerde. Moest dat nou echt zo hard?
Even later zaten we allemaal te drinken in de schaduw Wij drieën zaten op de hangmat en dronken limo met een rietje. Ma dronk thee in een ligstoel, wat eigenlijk een hele prestatie is, en papa en Willem zaten op twee keukenstoelen. Papa dronk koffie en Willem bier.
'Vertel eens,' zei Willem. 'Wat brengt jullie hierheen?'
'Terrorisme,' zei mama.
Met een verbaasde grijns keek Willem haar aan. 'Wat zegt u me daar?'
'Toerisme,' gilde papa in paniek, 'toerisme zei ze, we zijn toeristen namelijk, en helemaal geen terroristen of zo. Haha, mijn vrouw zegt soms rare dingen, hoor! Terrorisme, haha, alsof wij ooit bankgebouwen en wapenfabrieken opblazen. Zien wij er soms uit als terroristen?'
'Jazeker,' zei Willem kalm. 'Jullie zien er precies uit als terroristen. Als de Donderkat en haar gezin, om precies te zijn.' Wij keken hem stomverbaasd aan, en hij liet zijn lach weer schallen. 'Ik had jullie allang herkend,' bulderde hij. 'Vind je het gek? Jullie gezichten zijn bekender dan de president van Amerika! Is het jullie werkelijk nog niet opgevallen dat jullie overal worden aangestaard? Dan ben ik benieuwd in welke uithoek van de wereld jullie ondergedoken hebben gezeten, de afgelopen maanden.'
'Grappig dat u “ondergedoken” zegt,' stamelde papa. 'Wij wonen namelijk in een AAAUW!'
Mama had haar hete thee over zijn been gegooid.
'Sorry, schat,' zei ze koeltjes. 'Nou knoei ik toch per ongeluk mijn thee over je heen. Ik had mezelf even niet onder controle, ben ik bang. Dat komt: ik schrok toch zó toen jij bijna zei waar wij ons verborgen houden. Dat mag natuurlijk niemand weten, dus...'
'Auw je hebt gelijk liefje, auw auw, en dat van die thee geeft auw auw niks, ongelukjes gebeuren soms.'
'Reken maar,' zei mama, 'hoewel ik hoop dat het niet te vaak nodig zal zijn dat dit soort ongelukjes gebeurt.' Ze wendde zich tot Willem. 'Toen ik terrorisme zei, bedoelde ik niet wat wij doen. Wij zijn helemaal geen terroristen, namelijk. We blazen af en toe wat dingen op, dat wel natuurlijk. Vooral gebouwen. Maar we blazen alleen spullen van schurken op. Geen spullen van gewone mensen. En wat we nooit doen is levende wezens opblazen.'
Ik fluisterde in Michaels oor: 'Behalve af en toe een walvis.' Hij gaf mij een stiekeme stomp, maar dat was het wel waard.
'Alleen spullen van schurken?' herhaalde Willem met een vreemd glimlachje. 'En wie bepaalt wie er een schurk is? U?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael en ik keken elkaar aan. Waren wij genoemd naar twee engelen? Dat wisten we helemaal niet.
Mama trouwens ook niet, begreep ik toen ik haar naar papa zag kijken. Ze keek half boos en half bewonderend. Boos omdat papa haar voor de gek had willen houden, en bewonderend omdat het gelukt was.
Willem tilde Michael, Kwetter en mij in één keer op en zette ons in de hangmat.
'Ik ga die limonade halen,' zei hij. 'Niet wiebelen, jongens!'
Michael wiebelde.
Boink.
In de vijf minuten die volgden, ontdekten wij hoe moeilijk het is om met drie kinderen tegelijk in een hangmat te klimmen. Toen Willem terugkwam, zag hij mij en Michael in een ordeloze hoop op de grond liggen, terwijl Kwetter zich met handen en tenen vasthield aan de onderkant van de hangmat.
Daar moest Willem weer om lachen. Hij had een schallende, vrolijke lach die uit het diepst van zijn gemoed kwam en die me nu al vreselijk irriteerde. Moest dat nou echt zo hard?
Even later zaten we allemaal te drinken in de schaduw Wij drieën zaten op de hangmat en dronken limo met een rietje. Ma dronk thee in een ligstoel, wat eigenlijk een hele prestatie is, en papa en Willem zaten op twee keukenstoelen. Papa dronk koffie en Willem bier.
'Vertel eens,' zei Willem. 'Wat brengt jullie hierheen?'
'Terrorisme,' zei mama.
Met een verbaasde grijns keek Willem haar aan. 'Wat zegt u me daar?'
'Toerisme,' gilde papa in paniek, 'toerisme zei ze, we zijn toeristen namelijk, en helemaal geen terroristen of zo. Haha, mijn vrouw zegt soms rare dingen, hoor! Terrorisme, haha, alsof wij ooit bankgebouwen en wapenfabrieken opblazen. Zien wij er soms uit als terroristen?'
'Jazeker,' zei Willem kalm. 'Jullie zien er precies uit als terroristen. Als de Donderkat en haar gezin, om precies te zijn.' Wij keken hem stomverbaasd aan, en hij liet zijn lach weer schallen. 'Ik had jullie allang herkend,' bulderde hij. 'Vind je het gek? Jullie gezichten zijn bekender dan de president van Amerika! Is het jullie werkelijk nog niet opgevallen dat jullie overal worden aangestaard? Dan ben ik benieuwd in welke uithoek van de wereld jullie ondergedoken hebben gezeten, de afgelopen maanden.'
'Grappig dat u “ondergedoken” zegt,' stamelde papa. 'Wij wonen namelijk in een AAAUW!'
Mama had haar hete thee over zijn been gegooid.
'Sorry, schat,' zei ze koeltjes. 'Nou knoei ik toch per ongeluk mijn thee over je heen. Ik had mezelf even niet onder controle, ben ik bang. Dat komt: ik schrok toch zó toen jij bijna zei waar wij ons verborgen houden. Dat mag natuurlijk niemand weten, dus...'
'Auw je hebt gelijk liefje, auw auw, en dat van die thee geeft auw auw niks, ongelukjes gebeuren soms.'
'Reken maar,' zei mama, 'hoewel ik hoop dat het niet te vaak nodig zal zijn dat dit soort ongelukjes gebeurt.' Ze wendde zich tot Willem. 'Toen ik terrorisme zei, bedoelde ik niet wat wij doen. Wij zijn helemaal geen terroristen, namelijk. We blazen af en toe wat dingen op, dat wel natuurlijk. Vooral gebouwen. Maar we blazen alleen spullen van schurken op. Geen spullen van gewone mensen. En wat we nooit doen is levende wezens opblazen.'
Ik fluisterde in Michaels oor: 'Behalve af en toe een walvis.' Hij gaf mij een stiekeme stomp, maar dat was het wel waard.
'Alleen spullen van schurken?' herhaalde Willem met een vreemd glimlachje. 'En wie bepaalt wie er een schurk is? U?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 12 maart 2012
Een bijna liefdevolle stoeipartij
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Natuurlijk kunt jij dat wel, mama,' lachte Kwetter. 'Jij kunt alles. En boemen maken kunt jij het beste van alles!'
Mijn moeder glimlachte dankbaar. 'Ach ja,' zei ze, 'ik kan het natuurlijk wel, Kwettertje, maar wat ik bedoel is: kan ik het ook binnen een week? Ik moet een goeie voorraad bommen maken voordat de schurken hier zijn...'
'Mama,' fluisterde ik, 'ik vrees dat je te laat bent. Kijk maar eens naar beneden. We hebben bezoek.'
'Verhip' zei papa. 'Je hebt gelijk. Ik zie hem ook.'
'Wie? Wat?' Mama en de meiden verdrongen zich aan de rand van het laboratorium, zo nieuwsgierig dat ze mij bijna naar beneden duwden. Gelukkig greep Kwetter me net op tijd vast; hoewel het daarna wel weer even moeite kostte voor ze me los liet. Voorzichtig keken we naar beneden,
Diep onder ons zagen we een kano. In de kano zat een man. Zijn gezicht konden we niet zien, want hij had een tropenhelm op. Zijn knieën zagen we wél, want hij had een korte broek aan. Het waren vlezige, roze knieën.
'Hee,' zei ik, 'Niemand van de houthakkers had zulke knieën. Dat weet ik heel zeker.'
'Wie is dit dan?' vroeg Gaby.
'Weet ik veel. Iemand anders.'
Goed. Dat raadsel was dus opgelost. Maar dan nu het volgende: wat deed die meneer hier?
In de eerste plaats was hij aan het peddelen. Een hele klus, want kano's zijn bedoeld om mee op rivieren te varen, en op meren en zo, en dit was geen rivier of meer of zo. Dit was een oerwoud. Een heel vochtig, drassig, modderig oerwoud, dat wel. Dus je kón er wel peddelen. Maar erg snel ging het niet. Zelfs wij, tientallen meters boven hem in de lawaaiïge jungle, konden zijn gesteun en gepuf duidelijk horen. Dat peddelen was kennelijk een hele klus.
En hij was ook nog met iets anders bezig, iets veel moeilijkers zelfs: hij probeerde te ontsnappen aan de alligators. Een volkomen onmogelijke opgave, dachten wij, maar de man in de kano leek er geen enkele moeite mee te hebben. Een monsterlijk grote alligator sprong half de kano in - sperde zijn bek open – wierp zich op de kanovaarder... maar die lachte: 'Hoho, kleine deugniet!' en gaf hem met zijn peddel een lichte tik op de neus. Het monster dook piepend het moeras in. Maar daar kwam alweer een tweede alligator aan. De man kneep de bek van het ondier dicht met de duim en wijsvinger van zijn linkerhand, en stak ondertussen zijn rechterwijsvinger in het oog van nummer drie.
Met grote ogen van verbazing keken we naar de kano-man, die met speels gemak de ene alligator na de andere van zich af werkte. Monsters van zes, zeven meter zaten ertussen. De man lachte erom en noemde ze deugniet, boefje en rakkertje. Ja, de beheerste tikjes die hij uitdeelde hadden bijna iets liefdevols. Zoals papa zou stoeien met Gaby en mij, zo vocht de kanoman met de dodelijke alligators.
Wij durfden nauwelijks te ademen. De alligators werden steeds nijdiger, en het waren er zo veel... dat kon toch niet goed blijven gaan?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Natuurlijk kunt jij dat wel, mama,' lachte Kwetter. 'Jij kunt alles. En boemen maken kunt jij het beste van alles!'
Mijn moeder glimlachte dankbaar. 'Ach ja,' zei ze, 'ik kan het natuurlijk wel, Kwettertje, maar wat ik bedoel is: kan ik het ook binnen een week? Ik moet een goeie voorraad bommen maken voordat de schurken hier zijn...'
'Mama,' fluisterde ik, 'ik vrees dat je te laat bent. Kijk maar eens naar beneden. We hebben bezoek.'
'Verhip' zei papa. 'Je hebt gelijk. Ik zie hem ook.'
'Wie? Wat?' Mama en de meiden verdrongen zich aan de rand van het laboratorium, zo nieuwsgierig dat ze mij bijna naar beneden duwden. Gelukkig greep Kwetter me net op tijd vast; hoewel het daarna wel weer even moeite kostte voor ze me los liet. Voorzichtig keken we naar beneden,
Diep onder ons zagen we een kano. In de kano zat een man. Zijn gezicht konden we niet zien, want hij had een tropenhelm op. Zijn knieën zagen we wél, want hij had een korte broek aan. Het waren vlezige, roze knieën.
'Hee,' zei ik, 'Niemand van de houthakkers had zulke knieën. Dat weet ik heel zeker.'
'Wie is dit dan?' vroeg Gaby.
'Weet ik veel. Iemand anders.'
Goed. Dat raadsel was dus opgelost. Maar dan nu het volgende: wat deed die meneer hier?
In de eerste plaats was hij aan het peddelen. Een hele klus, want kano's zijn bedoeld om mee op rivieren te varen, en op meren en zo, en dit was geen rivier of meer of zo. Dit was een oerwoud. Een heel vochtig, drassig, modderig oerwoud, dat wel. Dus je kón er wel peddelen. Maar erg snel ging het niet. Zelfs wij, tientallen meters boven hem in de lawaaiïge jungle, konden zijn gesteun en gepuf duidelijk horen. Dat peddelen was kennelijk een hele klus.
En hij was ook nog met iets anders bezig, iets veel moeilijkers zelfs: hij probeerde te ontsnappen aan de alligators. Een volkomen onmogelijke opgave, dachten wij, maar de man in de kano leek er geen enkele moeite mee te hebben. Een monsterlijk grote alligator sprong half de kano in - sperde zijn bek open – wierp zich op de kanovaarder... maar die lachte: 'Hoho, kleine deugniet!' en gaf hem met zijn peddel een lichte tik op de neus. Het monster dook piepend het moeras in. Maar daar kwam alweer een tweede alligator aan. De man kneep de bek van het ondier dicht met de duim en wijsvinger van zijn linkerhand, en stak ondertussen zijn rechterwijsvinger in het oog van nummer drie.
Met grote ogen van verbazing keken we naar de kano-man, die met speels gemak de ene alligator na de andere van zich af werkte. Monsters van zes, zeven meter zaten ertussen. De man lachte erom en noemde ze deugniet, boefje en rakkertje. Ja, de beheerste tikjes die hij uitdeelde hadden bijna iets liefdevols. Zoals papa zou stoeien met Gaby en mij, zo vocht de kanoman met de dodelijke alligators.
Wij durfden nauwelijks te ademen. De alligators werden steeds nijdiger, en het waren er zo veel... dat kon toch niet goed blijven gaan?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)