Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 31. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 31. Alle posts tonen

woensdag 12 maart 2014

Mama is ontzettend menselijk.

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Daarna was ze dus een heel dag bezig met het uitzoeken van swisj-geluidjes.
Grappig genoeg bleken die écht veel wetenschappelijker te klinken dan whoesj-geluidjes. Ik had zomaar het eerste gezegd wat in me opkwam, om mama af te leiden van onze opvoeding. Maar het bleek nog te kloppen ook. Kennelijk had ik er gevoel voor.
Dat heb je hè, als je een jongen bent. Dan heb je automatisch gevoel voor computers en zo.
Meisjes hebben dat niet. Die hebben meer gevoel voor ponies. En voor alles wat schattig is. Kijk, dat heb ik dan weer niet. Als je mij een foto laat zien van, pak 'm beet, een jong katje dat onder een kerstboom ligt te stoeien met een babypanda, dan zeg ik alleen maar 'Goh. Pluizige boel, daaro.'
Dus... ja...
Ik was de aangewezen persoon om mama te helpen met haar BOF-praatje. Papa had het ook wel gekund, misschien, maar die was te druk met de pannenkoeken en dergelijke. Trouwens, mama was nu klaar met de geluidjes en ging over naar de grapjes. Er moeten ook een paar grapjes in zo'n praatje namelijk, anders is het geen echt BOF-praatje.
Nu heeft mijn moeder, jammer genoeg, een heel erg slecht gevoel voor humor. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ze is al super-slim, en stoer, en lief – als ze dan ook nog eens grappig was, dan zou het niet meer menselijk zijn.
Nou, ze is menselijk, hoor!
Ze is ontzettend menselijk.
In de zin van: niet grappig.
Haar idee van een grap is bijvoorbeeld dat ze 'Mooie kuultjes' zegt in plaat van 'Molecuultjes'. Zogenaamd per ongeluk, als verspreking.
Of dat ze zegt: 'de meeste cómputerspelletjes zijn eigenlijk domputerspelletjes'.
Brrr.
Dat lijkt niet eens op een grap. Het is niet eens in de verte familie van een grap. Als grappen mensen waren, zouden ze die opmerking van mijn moeder een donker steegje binnensleuren en compleet in mekaar beuken, omdat-ie alle fatsoenlijke grappen te schande maakt.
En de humor van mijn vader is al niet veel beter.
Dus waar ik het dan van heb, dat is mij een raadsel.
Veel kinderen leren hun humor van de televisie, maar ik mag maar heel weinig televisie kijken.
Ik las altijd veel strips, toen we nog thuis woonden. Maar nu we midden op de oceaan ronddobberen zijn er geen boekwinkels of bibliotheken in de buurt, dus ik zit al maanden zonder.
Ik denk dat ik het mezelf geleerd heb. Dat is knap, hoor!
Misschien komt het ook een beetje doordat er hier zo weinig te doen is. Als je je echt hard zit te vervelen, dan ga je vanzelf grappen verzinnen. Zelfs Gaby heeft een soort van humor ontwikkeld, de laatste jaren.
Maar niet zo goed als dat van mij.
Ik was dus degene die de grappen moest verzinnen voor mama's praatje.
Dat bleek nog best wel ingewikkeld, want het praatje moest min of meer hetzelfde blijven, dus ik had steeds maar één zinnetje voor een grap.
Het moeilijkste was het, om grappen te verzinnen die óók nog leuk waren als mama ze vertelde. Het vertellen is net zo belangrijk als het verzinnen, ontdekte ik nu. Maar we zetten door, mama en ik. We zaten hele dagen de puzzelen en te oefenen, soms werkten we een dag lang aan één zinnetje. Maar die was dan ook helemaal goed.
Het bijzondere was: als mama die grappen 's avonds aan tafel uitprobeerde, moesten we alle vijf lachen. Mama en ik, omdat we hem bedacht hadden. Gaby en Kwetter, omdat die een leuke grap herkennen als ze er een zien. Maar ook papa, die nog geen grap zou kunnen verzinnen als hij er zijn leven mee kon redden, snapte vanzelf hoe leuk onze grappen waren. Snappen is makkelijker dan verzinnen, kennelijk.
Na drie weken was het praatje helemaal klaar.
En dat was maar goed ook, want de dag van het praatje stond op aanbreken.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 21 november 2012

Mama is geen hond

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Mama keek heel erg tevreden. Niet alleen omdat ze iets heel fijns mocht doen, maar vooral omdat het iets fijns was waar ze recht op had. En ze had er recht op, niet omdat ze het verdiend had, maar omdat ze was wie ze was; omdat ze zo bijzonder was, en zo geweldig, dat ze automatisch recht had op alle leuke dingen ter wereld. Zo moet een poes zich voelen, die voor de open haard een schoteltje room leeg mag likken terwijl zijn favoriete mens op zijn knieën naast haar blijft zitten om haar de hele tijd te aaien.
'En wat,' zo spinde mama, 'zou je willen dat ik opblies?'
'Oh,' zei Willem gul, 'doe maar wat. Een olieleiding, een paar boortorens, net wat je leuk vindt.'
Mama keek nog steeds als een tevreden poes. Maar wie haar goed kende, zag een kleine maar belangrijke verandering in haar ogen. Dit was niet langer een poes die voor de haard zat te spinnen. Dit was een poes die een hele dikke, domme muis had gevonden om langzaam en op een vermakelijke manier dood te maken.
'Olieleiding, boortorens, staat genoteerd,' antwoordde ze. Willem knikte blij. 'Trouwens,' ging mijn moeder verder, 'als ik even tussendoor een vraagje mag stellen: wat denk je precies dat er gebeurt, als ik een olieleiding opblaas? Denk je dat de vervuiling dan plotseling ophoudt? Of denk je dat er opeens duizenden en duizenden liters ruwe olie over jullie veldjes zullen stromen?'
'Eh,' zei Willem, 'eh, dat laatste, denk ik. Nu je het zo zegt.'
'Zo zo, denk je dat, nu ik het zeg? Dus uit jezelf had je het nog niet bedacht?'
Willem's hoofd werd rood.
'En nu ik toch vragen aan het stellen ben: jullie hebben toch dynamiet? Waarom blazen jullie de boel niet zelf op? Begrijp me goed: ik ben blij dat jullie het niet doen, hoor, want daar moet je goed bij nadenken en dat is duidelijk niet jouw sterkste punt. Maar in zijn algemeenheid zou ik zeggen: als je flink genoeg bent om een koraalrif op te blazen, wees dan een vent en blaas ook wat van Cockel's spulletjes op.'
'Ik?' schrok Willem. 'Maar ik... ik... ik ben een man van de kerk! Wij mogen dat niet doen.'
'En ik,' zei mama, 'ik wil het niet doen. Ten eerste heb ik geen zin om iedereen z'n problemen op te lossen, en ten tweede lossen bommen niks op. Maar ze luchten wel enorm op, als je kwaad bent bijvoorbeeld. Wees maar blij dat ik niet kwaad genoeg ben om dingen op te blazen, meneertje man-van-de-kerk die te beroerd is om zelf een vinger uit te steken, en die denkt dat-ie mij kan commanderen als een valse hond, want als ik op dit moment iets op zou blazen, dan zou het jouw mooie kerkgebouw zijn. Dan zou niks je meer tegenhouden om zelf eens aan de slag te gaan. Maar je hebt geluk, mijn man is dol op kerken en hij wil niet dat ik ze opblaas. Kom, lieverds, we gaan terug naar de Tsaar Peter.'
'Niet boem?' vroeg Kwetter teleurgesteld.
'Ander keertje weer boem,' troostte mama. 'Weet je wat? We halen een paar torpedo's en we knallen die Engel des Doods uit het water. Vinden we dat leuk?'
'Jeueuh!' deden wij.
Maar er wachtte ons een onaangename verrassing


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

zaterdag 31 maart 2012

Het slechtste idee aller tijden

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Een uurtje later was het donker. De houthakkers, moe van een hele dag knokken met de alligators, gingen naar bed.
Hun bedden stonden in een paar grote ijzeren containers, die op het uiteinde van de asfaltweg waren geplaatst. De containers waren aan alle kanten dicht, en er zaten geen raampjes in. Alleen een soort luchtroostertjes.
Natuurlijk was er één – de grootste – waarin wel raampjes zaten. Die raampjes hadden zelfs gordijnen, en tussen de kieren daarvan piepte een vriendelijk geel licht naar buiten. In dit huisje waren de mensen nog wakker. Ik kon wel raden wie die mensen waren: de bazen zorgen altijd het beste voor zichzelf. Zou ik ook doen.
De deur van de bazenbak ging open en meneer Hakmaranman verscheen in de deuropening. In gedachten verzonken haalde hij een werkelijk gigantische sigaar uit zijn binnenzak. Met enige moeite - hij had maar één hand, tenslotte – stak hij de brand erin en hij ging 'm eens op zijn gemakje op staan roken, leunend tegen de deurpost.
'Kan wij nou onderhand eens gaan?' vroeg Kwetter. 'Ik wil zo snel mogelijk klaar zijn. Dan kan wij daarna eindelijk naar bed, als wij nog niet is opge-eten door een alligator.'
'Hakmaranman is nog wakker,' fluisterde ik.
'Waarom fluistert jij eigenlijk? Hij is tweehonderd meter ver weg, en alle oerwoudbeestjes zit te krieken en te tjirpen. Hij kan ons niet horen, ook al gilt wij ZO HARD ALS WIJ KUNT!' Ze gilde zo hard dat mijn oren er pijn van deden. Hakmaranman leek haar, inderdaad niet te horen.
'Goed,' zei ik. Ik hing de verrekijker zolang aan een boomtak, en we gingen op pad. We klauterden zachtjes van tak naar tak. Geen gezwier dit keer, want dat geeft altijd geruis en gesuis en het was niet de bedoeling dat meneer Hakmaranman ons zou horen.
Na een half uurtje voorzichtig kruipen kwamen we in de buurt van het kamp. Meneer Hakmaranman z'n sigaar was op en hij was allang weer naar binnen gegaan. Er was nog wel licht achter zijn gordijntjes, dus we bewogen stiller als muizen toen we tussen de slaapcontainers door slopen naar Smiksmek's Mobiele Mjamburger-Maak Machine.
Want naast dat verschrikkelijke apparaat lag een grote stapel. Die stapel, daar moesten we wezen. Het was de stapel waarop de houthakkers de alligatorhuiden hadden gegooid. De huiden die ze wilden verkopen om laarzen en tassen en portemonnees van te maken.
'Dit is zo'n slecht idee,' mompelde Gaby achter mij. 'Dit gaat zo ontzettend niet goed aflopen.'
'Ssst,' deed ik. 'Als je nou niet stil bent, loopt het zeker niet goed af! Dan horen ze ons, en dan lig je voor je het weet in de vleeshakker!'
'De vleeshakker is nog een relatief rustig en veilig plekje, vergeleken met wat jij van plan bent.'
'Sssst,' deed ik weer. 'We zijn er. Help even zoeken.'
We graaiden in de stapel, op zoek naar drie kleine alligatorvelletjes. Eén voor elk van ons.
Er waren, helaas, geen kleine alligatorvelletjes.
Alleen grote.
We gaan met zijn drieën in één huid, besloot ik.
'Oh ja,' fluisterde Gaby, 'een enorme dooie krokodil waar drie paar armpjes en drie paar beentjes onderuit komen. Nee, dat gaat helemaal niet opvallen, hoor. Daar merken die alligators niks van.'
'Heb jij een beter idee?' vroeg ik boos.
'Nou, ik heb in elk geval geen slechter idee,' antwoordde mijn zusje vinnig. 'Dat zou trouwens ook niet kunnen, want dit is zo ongeveer het slechtste idee aller tijden.'
'Weet je wat een slecht idee is?' zei ik. 'Nog slechter dan dat van mij? Dat is jouw idee om midden in het kamp van de vijand te gaan staan bekvechten!'
Daar had ik gelijk in, ontdekten we al snel.
Want een stem riep: 'Hee! Wie is daar?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE