Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 35. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 35. Alle posts tonen

vrijdag 21 maart 2014

Een ontmoeting met meneer Clusjes

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'De stoelen zijn vastgelopen,' zei de meneer. 'Je kunt er geen filmpjes meer op kijken. Je kunt er geen berichten meer mee versturen, je kunt er geen drankjes mee bestellen. Kortom, je hebt er helemaal niets meer aan.'
'Je kunt er toch nog op zitten?' vroeg Gaby brutaal.
De man keek haar aan alsof er opeens groene antennes uit haar hoofd groeiden.
'Eh... eh... ja, natuurlijk kun je er op zitten. Het zijn stoelen. Ze zitten heerlijk. Maar zitten kun je ook op de grond. Of op een omgekeerd sinaasappelkistje. Maar de mensen kunnen toch niet naar de BOF-praatjes kijken op sinaasappelkistjes?'
'Het zijn ook geen sinaasappelkistjes,' hield Gaby koppig vol.
'Dat denk jij,' zei de meneer. Hij keek schichtig om zich heen, of niemand hem kon horen, en toen fluisterde hij: 'En ik vind dat eigenlijk ook. Maar meneer Clusjes denkt daar héél anders over. En het is bijna drie uur. Dan komt hij kijken. Of alles in orde is voor de BOF-dag morgen. We willen hem niet teleurstellen, snap je?'
Mama knikte ernstig. Wie wil er nou meneer Clusjes teleurstellen? Daarna vroeg ze bezorgd: 'Krijgt u het wel weer in orde? De BOF-praatjes gaan toch wel dóór, he?'
De meneer gaf geen antwoord. De meneer was weg. In de paar seconden die we naar mama keken (omdat het onbeleefd is om degene die praat niet aan te kijken) was de meneer spoorloos verdwenen.
'Waar bent-ie nou?'
'Ja, waar is-ie?'
'Hij rende plotseling weg,' zei mama. Ze gebaarde vaag naar de grote zaal. Daar waren nog niet veel lampen aan; het leek een immense donkere grot, en in die duisternis waren alle honderden mensen, die we daarnet nog als mieren door elkaar zagen krioelen, weggevlucht.
'Nou jaaaaa,' zei mama verontwaardigd. 'Hij ging er midden in mijn zin vandoor! Dat is... dat is...' ze zocht naar een woord dat sterk genoeg was om te beschrijven hoe verschrikkelijk fout dat was. Hoe afschuwelijk laag-bij-de-gronds, achterbaks en gemeen. 'Dat is... onbeleefd!'
'We zijn hier in Amerika, schat,' zei papa. 'Ze doen de dingen hier anders.'
'Onzin,' snauwde mama. 'Amerikanen zijn de beleefdste mensen op aarde. Ze wensen je altijd met een vriendelijke glimlach goedendag. Wat wil een mens nog meer?'
Papa wilde iets terugzeggen, maar op dat moment kwam er een lange, magere man naar ons toe. Zijn haar was kort geschoren en zijn gezicht was hoekig. Hij droeg en klein, rond brilletje. 'Waar is iedereen?' vroeg hij wantrouwig. 'Waarom is hier niemand aan het werk? Waarom hangen de posters er nog niet? Wie zijn jullie?'
'Wij zijn de familie Laarmans,' zei mama.
Die woorden hadden op de lange man een bijzonder effect. Zij hele gezicht klaarde op, tot hij zo enthousiast keek als een kleuter met een ballon. Hij pakte mijn moeders hand vast en schudde die zo krachtig en langdurig, dat het leek alsof hij water uit haar oor probeerde te pompen.
'Wat geweldig!' riep hij opgetogen. 'Wat leuk om u te ontmoeten! Eindelijk. Ik kan niet wachten op uw praatje! Het wordt fantástisch. Dat weet ik zeker. Nu al. Nu al weet ik het zeker!' Hij liet mama's hand los en pakte die van papa met allebei zijn handen vast. En daar begon het pompen weer, terwijl hij uitriep : 'En u moet meneer Laarmans zijn. Dat móet gewoon! Wat past u goed bij haar! Wat een leuk stel bent u! U bent het financiële brein he? Nee, ontken het maar niet. U levert het geld voor dat fan-tás-tische spel. En weet u wat ik gehoord heb? U ben een beetje ondeugend!' Hij gaf papa een dikke knipoog. 'Dat geld heeft u gestolen. Nee, ontken het maar niet! Ik weet er alles van. Meneer Dogger heeft me erover verteld. Ik houd niet van bankovervallers. Maar wel van u. U bent anders. U overvalt banken op de goede manier. Op de béste manier. U overvalt banken met...' Plotseling veranderde zijn gezicht. Hij keek als een monnik, die God op bezoek krijgt, terwijl hij zei: 'een computer.'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 30 november 2012

In Zuid-Mallotië weet men niet beter

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We keken elkaar aan. Zouden we dooreten of niet? We hadden machtig veel zin om weer op ontploffen te gaan, maar we beseften ook dat we daarvoor een lange reis in het helse busje zouden moeten maken. Een moeilijke keuze!
Op dat moment werd er aangebeld. Willem ging opendoen en kwam even later terug met een bezoeker. Een tenger mannetje met glad, achterovergekamd haar en een heel dun snorretje. Op zijn neus stond een zonnenbril met grote, spiegelende glazen.
'Goedemorgen,' zei hij vriendelijk, 'en sorry dat ik stoor. Eet u vooral rustig verder. Prettige voortzetting.'
Willem schoof en extra stoel bij de tafel en gaf de man een kop koffie. Aan ons vroeg hij: 'Weten jullie iets van auto's? Deze meneer heeft motorpech, namelijk.'
Inderdaad,' zei het mannetje. 'Een gloednieuwe wagen, ruim en comfortabel, maar rijden? Ho maar!'
'Wat vervelend voor u,' zei mama.
'Ja, nou en of, want ik moet nog een heel eind. Helemaal naar Jalsk namelijk. De hoofdstad, weet u wel? Ik ben journalist voor De Zuid-Mallotische Beschouwer, de grootste krant hier, en ik heb onderzoek gedaan voor een artikel over de olie-problemen hier. Wist u dat die vervuiling echt verschrikkelijk is?'
Wij knikten. Wisten we.
'Er zijn veel mensen die dat niet weten,' zei de journalist. 'Daarom heb ik er een stuk over geschreven. Zodat iedereen boos wordt, en de regering er iets aan doet. Ik weet alleen niet of mijn baas het stuk in de krant zal willen zetten. Onze krant krijgt veel geld van meneer Cockel. Voor advertenties en zo. Weten jullie wie meneer Cockel is?'
Wij knikten. Wisten we.
'Dan weten jullie ook wel, dat hij niet blij zal zijn als ik iedereen vertel over de smerige troep, die hij maakt. En mijn baas wil graag dat Cockel blij is, want dan geeft-ie meer geld. Ik zal enorm moeten slijmen en zeuren bij mijn baas, om dat stuk in de krant te krijgen. Maar ik kan er niet heen, want de auto is dus stuk. Weet u iets van auto's, meneer?'
'Ik weet heel veel van auto's,' antwoordde papa. 'Ik weet niet alleen hoe duur ze zijn, ik weet zelfs hoe duur de fabrieken zijn, waarin ze gemaakt worden! Maar hoe ze gemaakt worden, of hoe de motor precies werkt – nee, dat weet ik helaas niet.'
'Och toch, wat jammer,' zuchtte de journalist. 'Ik ook niet, en meneer Willem ook niet. Het is ook allemaal zo technisch en wetenschappelijk en zo! Nou ja, dan zal ik moeten lopen...'
Om mama's mond verscheen een dun, strak glimlachje. 'U kunt er natuurlijk niets aan doen,' zei ze kalm, 'want hier in Zuid-Mallotië weet men niet beter, maar er is geen enkele reden om te denken dat dames niet minstens even zo goed zijn in wetenschap en techniek als heren. Ik zou zeggen, laat u mij dat autootje van u maar eens zien.'
'Ach,' zei de journalist, 'wat dom van mij! Mijn excuses, mevrouw, u heeft helemaal gelijk.'
Na het ontbijt liepen we met z'n allen naar de wagen van de journalist, die een klein eindje buiten het dorp stond.
De journalist deed de motorkap open en mama, die een gereedschapskist van Willem had geleend, ging aan het werk. Ze trok draadjes los, draaide moertjes van hun plek, peuterde onderdeeltjes uit elkaar en stalde alles uit op de grond. Ze neuriede een vrolijk liedje, af en toe onderbroken door gemompel van 'Ahaaa!' of 'Eigenaardig' of 'Wat is dit nu weer voor een ding?'
'Eh... mevrouw?' vroeg de journalist na drie kwartier. 'Hoeveel weet u eigenlijk precies van, eh... van auto's?'
'Helemaal niet,' antwoordde mama opgewekt. 'Maar ik dacht: ach zo'n auto, hoe ingewikkeld kan dat nou helemaal zijn? Nou, best ingewikkeld eigenlijk, ontdek ik nu! Maar geen zorgen, hoor, ik heb nu wel zo'n beetje door hoe het allemaal werkt, dus ik denk wel dat ik de boel weer netjes in mekaar gezet krijg.'
En zo was het ook. Na een half uur zat de motor weer in elkaar, en mama had maar drie schroefjes en een rubber slangetje over.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

dinsdag 10 april 2012

Op ruistervoeten. Zeg maar slennend.

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Veel van de houthakkers misten een been, dus die waren kansloos in de achtervolging. Anderen misten een of twee handen, dus die konden mijn zusje niet eens grijpen, zelfs als ze haar hadden ingehaald. Een enkeling miste een oog. Die liep de verkeerde kant op.
Zelfs de houthakkers die nog min of meer heel waren konden weinig uitrichten. Als ze hun kettingzagen hadden gehad... ja, dan had het er slecht voor mijn zusje uitgezien. Maar ze kwamen recht uit hun bed. En zelfs de meest fanatieke houthakker neemt zijn kettingzaag niet mee naar bed. Dat doet alleen een maniak.
Helaas zaten er twee maniakken tussen de houthakkers. Die renden rond met een verwilderde blik in de ogen en een kettingzaag in de hand, op zoek naar een excuus om iets of iemand doormidden te zagen.
Nu is voor een echte maniak alles een reden om wie of wat dan ook doormidden te zagen. Door de verwarring in het duister werden ze zo opgewonden dat ze woest uithaalden naar iedereen die in hun buurt kwam.
Daarmee maakten ze het voor de rest niet eenvoudiger.
Mijn zusje kon dan ook zonder veel moeite aan haar achtervolgers ontglippen.
'Pssst!' deed ik. 'Deze kant op!' Ik probeerde te fluisteren en te roepen tegelijkertijd. Het moest heel hard, anders zou Gaby me niet horen. Maar het moest tegelijkertijd heel zacht, anders zouden de houthakkers het óók horen.
Dat, fluisteren-en-roepen tegelijkertijd dus – laat ik het even afkorten tot fl-oepen, alhoewel dat misschien niet zo'n goed idee is want floepen is al iets, eh, ruisteren dan maar? – dat is dus heel moeilijk. Maar ik deed het goed. Ik ruisterde als de beste, ik was de ruisterkoning, Gaby hoorde mij luid en duidelijk en de houthakkers hoorden mij helemaal niet.
Ze kwam op mijn boom af op ruistervoeten, zou je kunnen zeggen: ze sloop zo stilletjes mogelijk, zodat de houthakkers haar niet hoorden, en tegelijkertijd zo snel als ze maar kon.
Ze deed het prima. Zullen we het slennen noemen, van sluipen-en-rennen? Okee, dan slende ze naar mijn boom en hees zich op aan de laagste tak.
En dat was dat.
En als dat ene kleine kreupele houthakkertje haar niet gezien had, dan was dat alles geweest. Dan was het allemaal gewoon goed afgelopen.
Maar hij zag haar dus wél.
'Daar,' riep hij, 'daar gaat ze!'
Gelukkig was het een oud, beverig houthakkertje met een stem die het tegenovergestelde deed van ruisteren: hij riep zo hard als hij kon, maar niemand hoorde hem.
De eerste drie keer.
De vierde keer daarentegen keken allebei de maniakken in de richting die het oudje met zijn beverige vinger aanwees. Daar zaten wij. In de boom. De maniakken stormden in onze richting en lieten hun kettingzagen loeien. De rest van de houthakkers, die nu niet meer zo hoefden op te passen, kwam ofwel rechtstreeks naar ons toe ofwel ging hun eigen zaag halen.
Al snel hadden ze onze boom omsingeld.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE