BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De volgende avond wilde mama het Engelse nieuws graag zien. En twee dagen later het Koreaanse, drie dagen later het Japanse én het Duitse, en daarna het Italiaanse, Wit-Russische, Guatemalteekse, Zuid-Mallotische enzovoort. Meestal konden we het niet verstaan, maar dat gaf niks want ze lieten altijd wel wat beelden uit het spelletje zien. Dan wisten we vanzelf waar het over ging.
Het Donderkat-spelletje was trouwens niet het enige, wat op al die journaals te zien was. Ook de oorlog in Armoestan kwam telkens weer in beeld. Tot groot verdriet van Kwetter en Gaby, want die vonden het zo zielig voor al die Armoestaanse mensen. En het wás ook zielig, natuurlijk, maar ik had er minder last van want jongens kunnen daar tegen. Ik moest alleen af en toe een beetje overgeven, als het erg akelig werd. Op sommige van die buitenlandse journaals laten ze echt de meest verschrikkelijke dingen zien, dus... ja...
Na tweeëneenhalve week kwamen we op het Amerikaanse journaal. De nieuwslezer vertelde dat er nu al 350 miljoen mensen waren, die dagelijks het spelletje speelden. Daarna waren er weer vraaggesprekjes met een politieman, een politicus, een wetenschapper en een lieve mevrouw die veel van kinderen wist. Die waren er op al die journaals. Wij konden inmiddels precies zien wie wie was, ook al konden we ze niet verstaan. We zagen het gewoon aan de manier waarop ze keken en hoe hard ze schreeuwden.
Na het Amerikaanse journaal kwam papa zuchtend uit zijn stoel en zei: 'Nou, ik zal maar weer eens een miljoentje of vijftig overmaken, hè?'
'Heel fijn, lieverd,' zei mama. 'Kom hier, dan krijg je een zoen.'
Gelukkig kondigt mama altijd op die manier aan dat ze papa gaat zoenen. Dan weet je dat jij, als kind, even de andere kant op moet kijken. Zoenende grote mensen, dat kan er behoorlijk walgelijk uitzien.
De zoen duurde veel langer dan nodig was, maar gelukkig ging na een tijdje de telefoon en toen moest mama papa loslaten.
'Met Josephine Laarmans,' zei ze, en daarna werden haar ogen zo groot als tennisballen. 'Met wie, zegt u?' vroeg ze zenuwachtig.
Toen de stem aan de andere kant antwoord gaf, werd mama's gezicht een heel klein beetje bleker. 'Ik... ik... wat een eer!' stamelde ze. 'Maar... hoe komt u aan dit telefoonnummer? Niemand heeft ooit... Ja... nee... dat zal ook wel, ja...' Nerveus draaide ze krulletjes in haar haren.
Verbijsterd kijken Gaby, Kwetter, pap en ik elkaar aan. Zo hadden we mama nog nooit meegemaakt. Wie had ze in hemelsnaam aan de lijn?
'Misschien is het de koning,' dacht Gaby.
'Welnee,' zei ik. 'Eerder de president van Amerika. Die is veel en veel belangrijker. En we waren net nog op het Amerikaanse journaal, vergeet dat even niet.'
'De koning en de president, die zijn het in ieder geval niet,' zei papa. 'Josephine vindt de koning een lachertje, en de president een irritant stuk onbenul. En ze zou er echt niet zenuwachtig van worden, als één van die twee haar belde. Ze zou maar wat blij zijn, dat ze hen eens goed de waarheid kon zeggen.'
'Oh, wat fijn, meneer!' hoorden we mama roepen. 'Ja, dat zou ik heel graag willen, als het mag.'
Papa schudde zijn hoofd. 'Zo onderdanig heb ik haar nog nooit horen doen. Ik kan het ook niet goed geloven. Ja, als Albert Einstein haar zou bellen, dan misschien... Maar die beste man is al bijna zestig jaar dood. Die belt niemand meer. Of Leonardo da Vinci, of Newton of Nikola Tesla. Die zijn ook dood. Maar verder? Wie kan het in hemelsnaam wezen?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 20. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 20. Alle posts tonen
woensdag 12 februari 2014
vrijdag 26 oktober 2012
Slecht geprogrammeerde robots
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat vind jij, schat?' vroeg mama. 'Zullen we maar eens aan land gaan?'
'Zeker niet,' zei papa. 'Veel te gevaarlijk.'
Mama knikte.
Michael en ik keken elkaar aan. Gingen wij hiermee akkoord? Dacht het niet, he?
'Mahaaaam,' vroeg ik, 'Mogen wij zeuren?'
'Natuurlijk lieverds,' glimlachte mama. 'Daar zijn jullie kinderen voor. Kinderen die niet zeuren zijn geen echte kinderen; dat zijn slecht geprogrammeerde robots. Er zijn natuurlijk momenten dat het eventjes niet uitkomt als jullie zeuren, en dan moeten jullie gewoon je lieve smoeltjes dichthouden, maar dit is niet zo'n moment. Want we gaan rustig terug naar de Tsaar Peter om weer lekker veilig en saai onder water te gaan varen. Toch, schat?”
'Nou en of,' mompelde papa. Zijn stem klonk gelaten, verslagen, alsof hij er zelf al niet meer in geloofde.
En terecht.
Want mama zei: 'Nou, je hoort het, we hebben niks bijzonders op het programma staan. Tijd genoeg voor een lekker potje zeuren. Geniet van je kindertijd, lieverds! Zet hem op!'
En daar gingen we. Zeuren. En wij zijn goed, hoor.
Niet alle kinderen kunnen zeuren. Ik bedoel: ieder kind is wel geboren met het vermogen om te zeuren, maar dat vermogen moet getraind worden. Anders blijft het goedbedoeld geklungel.
Gelukkig hebben wij papa.
Papa is ideaal als je wilt leren zeuren. Heel anders dan mama. Van mama krijg je nooit je zin, namelijk. Wat je ook zegt, en wat je ook doet: van haar win je het nooit. Dus bij haar zeuren, dat heeft helemaal geen zin. We proberen het wel eens, maar we geloven zelf niet eens dat het zal lukken. En als je er niet in gelooft, dan wordt het niks. Zeuren moet je vol overtuiging doen, anders lachen je ouders je gewoon uit.
En dat is dan ook precies wat mama doet.
Heel akelig.
Nee, dan papa! Bij papa lukt het altijd. Het kan tien minuten duren, of een half uur, of drie uur, maar uiteindelijk breekt hij.
Kijk, dat houdt de moed erin.
Het leuke is dat papa een beetje jaloers is op mama. Omdat we bij haar zelden zeuren, en van haar nooit winnen. Dat wil papa ook wel. Dus hij probeert altijd zijn poot stijf te houden. Op allerlei verschillende manieren. Soms wordt hij boos. Soms lacht hij ons uit. Soms legt hij uit waarom het niet kan. Soms zegt hij helemaal niks.
Dat is allemaal reuze fijn voor ons, want zo worden we tenminste degelijk getraind. Dankzij papa zijn we regelrecht zeur-kampioenen. Grootmeesters. Toen we nog op school zaten, keek iedereen naar ons als er gezeurd moest worden bij de juf. Als we bij vriendjes gingen spelen, en er mocht iets niet van hun ouders, dan fluisterden die vriendjes: 'Kun jij niet even...?'
Zeuren bij je eigen ouders is natuurlijk veel makkelijker dan bij je juf, of bij andere grote mensen. Die denken al snel: bah, wat een slecht opgevoed en vervelend zeurkind, zeg.
Zie dan je zin nog maar eens te krijgen.
Maar, zoals gezegd: wij behoren tot de absolute wereldtop en voor ons is zoiets geen probleem.
En vandaag ging het wel heel gemakkelijk.
We waren nauwelijks begonnen, of papa zei al: 'Okee, jullie je zin. We gaan aan land.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat vind jij, schat?' vroeg mama. 'Zullen we maar eens aan land gaan?'
'Zeker niet,' zei papa. 'Veel te gevaarlijk.'
Mama knikte.
Michael en ik keken elkaar aan. Gingen wij hiermee akkoord? Dacht het niet, he?
'Mahaaaam,' vroeg ik, 'Mogen wij zeuren?'
'Natuurlijk lieverds,' glimlachte mama. 'Daar zijn jullie kinderen voor. Kinderen die niet zeuren zijn geen echte kinderen; dat zijn slecht geprogrammeerde robots. Er zijn natuurlijk momenten dat het eventjes niet uitkomt als jullie zeuren, en dan moeten jullie gewoon je lieve smoeltjes dichthouden, maar dit is niet zo'n moment. Want we gaan rustig terug naar de Tsaar Peter om weer lekker veilig en saai onder water te gaan varen. Toch, schat?”
'Nou en of,' mompelde papa. Zijn stem klonk gelaten, verslagen, alsof hij er zelf al niet meer in geloofde.
En terecht.
Want mama zei: 'Nou, je hoort het, we hebben niks bijzonders op het programma staan. Tijd genoeg voor een lekker potje zeuren. Geniet van je kindertijd, lieverds! Zet hem op!'
En daar gingen we. Zeuren. En wij zijn goed, hoor.
Niet alle kinderen kunnen zeuren. Ik bedoel: ieder kind is wel geboren met het vermogen om te zeuren, maar dat vermogen moet getraind worden. Anders blijft het goedbedoeld geklungel.
Gelukkig hebben wij papa.
Papa is ideaal als je wilt leren zeuren. Heel anders dan mama. Van mama krijg je nooit je zin, namelijk. Wat je ook zegt, en wat je ook doet: van haar win je het nooit. Dus bij haar zeuren, dat heeft helemaal geen zin. We proberen het wel eens, maar we geloven zelf niet eens dat het zal lukken. En als je er niet in gelooft, dan wordt het niks. Zeuren moet je vol overtuiging doen, anders lachen je ouders je gewoon uit.
En dat is dan ook precies wat mama doet.
Heel akelig.
Nee, dan papa! Bij papa lukt het altijd. Het kan tien minuten duren, of een half uur, of drie uur, maar uiteindelijk breekt hij.
Kijk, dat houdt de moed erin.
Het leuke is dat papa een beetje jaloers is op mama. Omdat we bij haar zelden zeuren, en van haar nooit winnen. Dat wil papa ook wel. Dus hij probeert altijd zijn poot stijf te houden. Op allerlei verschillende manieren. Soms wordt hij boos. Soms lacht hij ons uit. Soms legt hij uit waarom het niet kan. Soms zegt hij helemaal niks.
Dat is allemaal reuze fijn voor ons, want zo worden we tenminste degelijk getraind. Dankzij papa zijn we regelrecht zeur-kampioenen. Grootmeesters. Toen we nog op school zaten, keek iedereen naar ons als er gezeurd moest worden bij de juf. Als we bij vriendjes gingen spelen, en er mocht iets niet van hun ouders, dan fluisterden die vriendjes: 'Kun jij niet even...?'
Zeuren bij je eigen ouders is natuurlijk veel makkelijker dan bij je juf, of bij andere grote mensen. Die denken al snel: bah, wat een slecht opgevoed en vervelend zeurkind, zeg.
Zie dan je zin nog maar eens te krijgen.
Maar, zoals gezegd: wij behoren tot de absolute wereldtop en voor ons is zoiets geen probleem.
En vandaag ging het wel heel gemakkelijk.
We waren nauwelijks begonnen, of papa zei al: 'Okee, jullie je zin. We gaan aan land.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 5 maart 2012
Niks lekkere wriemelende vingertjes!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het monster sprong van onder een struik vandaan – die beesten kunnen verrassend ver springen – tot vlak voor de neus van meneer Hakmaranman. Bek wijd open, tanden glanzend van scherpte en in zijn oogjes een valse, bloeddorstige blik.
En wat denk je dat meneer Hakmaranman deed?
Nou – wat zou jij doen, als er ineens zo'n monster op je af sprong? Een soepele zijwaartse salto maken, zodat je nét op tijd weg was als het beest zijn kaken dichtklapte? Een watervlugge, mokerharde karatetrap waarmee je zijn hele muil ontwrichtte? Als versteend blijven staan en in paniek een beetje met je armen voor je uit wapperen als een bange idioot, met als enige resultaat dat je armen het eertse zijn wat door de alligator wordt opgeslokt?
Geef maar toe: het is dat laatste. Dat van die bange idioot, dát zou je doen.
En dat is ook wat meneer Hakmaranman deed. Tenminste, zo zag het eruit door de verrekijker. Hij stond daar maar een eind raak te wapperen.
Nu was één van zijn wapperende armen geen arm, maar een kettingzaag.
Dat is best een groot verschil.
Daar kwam de alligator ook achter. Hap, zei hij, in de hoop op een paar smakelijke armpjes. Met van die lekkere angstvingertjes, die nog doorkriebelen en -wriemelen terwijl ze al door je slokdarm naar beneden glijden.
Helaas. Niks lekkere stevige armpjes. Niks verukkelijk wriemelende vingertjes. Nee, een kettingzaag.
Nnjjjjjennnng!
De alligator keek lelijk op zijn neus. Wat nog geen eenvudige klus was, want die neus was inmiddels keurig in twee helften gehakt. De linkerhelft zwalpte naar links en de rechter wiebelde naar rechts en de alligator brulde van de pijn. Had hij beter niet kunnen doen, want brullen die je met je bek en die bek, daar was dus iets mee. Hoe harder hij brulde, hoe zeerder het deed. En hoe meer zeer, hoe harder de brul. Op het laatst stonden de bomen te schudden van het lawaai. En daarna, plostseling: stilte.
De alligator maakte geen enkel geluidje meer.
Dat kwam waarschijnlijk doordat meneer Hakmaranman zijn kop eraf had gehakt.
'Wat is er, knul?' vroeg papa. 'Gaat het wel goed met je?'
'Je ziet een beetje groen,' giechelde Gaby.
'Ja, lach maar,' zei ik. 'Ik ben niet bepaald dol op alligators, maar wat Hakmaranman daarnet deed, dat gaat zelf mij een beetje te ver.'
'Is het iets waar je misselijk van wordt?' vroeg Gaby nieuwsgierig. 'Je ziet eruit alsof je moet overgeven.'
Ik zei niks.
'Mijn broer moet best vaak overgeven namelijk,' vertelde Gaby aan Kwetter. 'Hij is heel gevoelig. Ik denk dat het zo gaat beginnen. Zie je dat zijn wangen al een beetje bol staan?'
'Zit je broer niet te plagen,' zei papa. 'Hij kan er niks aan doen: als een alligator een kettingzaag tegenkomt, is het resultaat gegarandeerd onsmakelijk.'
Toen kon ik mij niet langer inhouden.
'Hee!' riep Gaby. 'Kijk even uit waar je kotst, ja?'
'Jakkes, knul, toch niet over de verrekijker! En jij, jongedame, let een beetje op je woorden, ja?'
'Jullie mag niet Michael plagen,' zei Kwetter boos. Ze keerde zich naar mij en zei vastbesloten: 'Ik gaat jou troosten.'
'Hee,' riep ik snel, 'wat zie ik daar?'
'Is niks,' zei Kwetter. 'Kom, kuffelen!'
Maar er was gelukkig wél iets. Of nou ja, gelukkig...
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het monster sprong van onder een struik vandaan – die beesten kunnen verrassend ver springen – tot vlak voor de neus van meneer Hakmaranman. Bek wijd open, tanden glanzend van scherpte en in zijn oogjes een valse, bloeddorstige blik.
En wat denk je dat meneer Hakmaranman deed?
Nou – wat zou jij doen, als er ineens zo'n monster op je af sprong? Een soepele zijwaartse salto maken, zodat je nét op tijd weg was als het beest zijn kaken dichtklapte? Een watervlugge, mokerharde karatetrap waarmee je zijn hele muil ontwrichtte? Als versteend blijven staan en in paniek een beetje met je armen voor je uit wapperen als een bange idioot, met als enige resultaat dat je armen het eertse zijn wat door de alligator wordt opgeslokt?
Geef maar toe: het is dat laatste. Dat van die bange idioot, dát zou je doen.
En dat is ook wat meneer Hakmaranman deed. Tenminste, zo zag het eruit door de verrekijker. Hij stond daar maar een eind raak te wapperen.
Nu was één van zijn wapperende armen geen arm, maar een kettingzaag.
Dat is best een groot verschil.
Daar kwam de alligator ook achter. Hap, zei hij, in de hoop op een paar smakelijke armpjes. Met van die lekkere angstvingertjes, die nog doorkriebelen en -wriemelen terwijl ze al door je slokdarm naar beneden glijden.
Helaas. Niks lekkere stevige armpjes. Niks verukkelijk wriemelende vingertjes. Nee, een kettingzaag.
Nnjjjjjennnng!
De alligator keek lelijk op zijn neus. Wat nog geen eenvudige klus was, want die neus was inmiddels keurig in twee helften gehakt. De linkerhelft zwalpte naar links en de rechter wiebelde naar rechts en de alligator brulde van de pijn. Had hij beter niet kunnen doen, want brullen die je met je bek en die bek, daar was dus iets mee. Hoe harder hij brulde, hoe zeerder het deed. En hoe meer zeer, hoe harder de brul. Op het laatst stonden de bomen te schudden van het lawaai. En daarna, plostseling: stilte.
De alligator maakte geen enkel geluidje meer.
Dat kwam waarschijnlijk doordat meneer Hakmaranman zijn kop eraf had gehakt.
'Wat is er, knul?' vroeg papa. 'Gaat het wel goed met je?'
'Je ziet een beetje groen,' giechelde Gaby.
'Ja, lach maar,' zei ik. 'Ik ben niet bepaald dol op alligators, maar wat Hakmaranman daarnet deed, dat gaat zelf mij een beetje te ver.'
'Is het iets waar je misselijk van wordt?' vroeg Gaby nieuwsgierig. 'Je ziet eruit alsof je moet overgeven.'
Ik zei niks.
'Mijn broer moet best vaak overgeven namelijk,' vertelde Gaby aan Kwetter. 'Hij is heel gevoelig. Ik denk dat het zo gaat beginnen. Zie je dat zijn wangen al een beetje bol staan?'
'Zit je broer niet te plagen,' zei papa. 'Hij kan er niks aan doen: als een alligator een kettingzaag tegenkomt, is het resultaat gegarandeerd onsmakelijk.'
Toen kon ik mij niet langer inhouden.
'Hee!' riep Gaby. 'Kijk even uit waar je kotst, ja?'
'Jakkes, knul, toch niet over de verrekijker! En jij, jongedame, let een beetje op je woorden, ja?'
'Jullie mag niet Michael plagen,' zei Kwetter boos. Ze keerde zich naar mij en zei vastbesloten: 'Ik gaat jou troosten.'
'Hee,' riep ik snel, 'wat zie ik daar?'
'Is niks,' zei Kwetter. 'Kom, kuffelen!'
Maar er was gelukkig wél iets. Of nou ja, gelukkig...
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)