BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Een BOF-praatje,' vertelde mama, 'gaat als volgt. Er is een zaal in Amerika, waar heel veel publiek in past. Normaal treden daar popsterren op, maar één keer per jaar komen er mensen die iets te vertellen hebben. Die iets weten, of iets kunnen, en die daar tien minuten lang over praten. Nou, en... Ja. Dat is eigenlijk alles.'
'En dat bent heel fijn?' vroeg Kwetter onzeker.
'Oh jazeker,' zei papa enthousiast. 'Want die BOF-praatjes zijn heel erg populair. Niet alleen zit die hele grote zaal afgeladen vol publiek, maar de praatjes worden ook gefilmd. Die filmpjes worden ontzettend veel bekeken. En dat is nog niet alles. Als je namelijk een leuk praatje houdt over, zeg maar, inbreken in de computers van de bank, dan ben jij vanaf dat moment dé expert op de wereld over dat onderwerp. Als er dan ergens een bank-computer wordt gekraakt, denken alle televisiestations: wie kunnen we hier nou eens over interviewen? Het liefst zouden ze natuurlijk de computerkraker interviewen, maar ze weten niet wie dat is dus dat gaat niet. Hee, denken de televisie-mensen dan, wacht eens even! Was er niet iemand die een BOF-praatje had over dat onderwerp? Ja hoor, die was er! Nou, dan interviewen we die toch gewoon?
Je wordt dus voortdurend gevraagd voor televisie-interviews. En dat is nóg niet alles. Want omdat jij de hele tijd op tv bent, denkt iedereen dat jij er het meeste vanaf weet van de hele wereld. Dus als de regering iets wil doen aan alle computerinbraken, wie bellen ze dan? Jou! En dan mag jij de regering zo'n beetje vertellen wat ze moeten doen. Kortom: zo'n praatje levert je niet alleen roem op, maar ook nog rijkdom en macht.'
'Mmmmja,' zei mama. Ze wiegelde een beetje met haar hoofd. 'Dat is allemaal wel waar, maar... dat is niet precies wat er zo fijn is aan een BOF-praatje. Het fijne is, dat je wordt uitverkoren door meneer Clusjes. Dat hij jou interessant vindt. En dat alle interessante, leuke, spannende, belangrijke mensen ter wereld zeggen: kom er maar bij. Je hoort bij ons.'
'Dat bedoelde ik ook, geloof ik,' zei papa. 'Je legt het een stuk beter uit dan ik, schat! Maar ja... ' Hij gaf haar een dikke vette knipoog, 'jij wordt ook voor een BOF-praatje gevraagd. Dat is niet voor niks, natuurlijk!'
'Ik snap het,'knikte Gaby. 'Het gaat om de eer.'
Papa en mama knikten. Ik deed er nog een schepje bovenop: 'Het is niet zo maar een béétje eer. Je wordt gevraagd door meneer Clusjes zelf! Door het grootste genie van de laatste vijftig jaar.'
'Dat snap ik heus wel, hoor,' snauwde Gaby. En ik vind het ook heel jammer voor mama, dat ze er niet heen kan.'
'Er niet heen kan?' lachte ik. 'Waarom zou ze er niet heen kunnen? Natúúrlijk kan ze er wel heen, suffe...'
Toen zag ik dat papa en mama ernstig knikten. Ze keken alsof Gaby echt een beetje gelijk had. Nou jááá, zeg! De hele tijd wist ik overal meer vanaf dan mijn zus, of ik wist even weinig maar ik wist het verborgen te houden, en nu op het laatste moment kreeg zij gelijk van onze ouders. Dingen snappen is geen wedstrijd, natuurlijk, maar het was wel heel ergerlijk dat mijn zusje nu toch nog leek te gaan winnen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 25. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 25. Alle posts tonen
woensdag 26 februari 2014
woensdag 7 november 2012
Wij komen op alle journaals
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij nam een grote slok van zijn bier en leunde achterover. 'Kijk,' zei hij. 'Het zit zo.' Hij liet een best wel harde boer. 'Sorry. Het zit zo: ik ben de baas van deze kerk. Er zijn bepaalde dingen die je niet mag doen als je de baas van een kerk bent, en één van die dingen is: spullen opblazen. En dat is jammer, want er is hier in Zuid-Mallotië een hoop mis. Misschien dat een paar goed geplaatste staafjes dynamiet daar verandering in zou kunnen brengen. Ik geloof niet dat het zo makkelijk is, trouwens, maar het zou kunnen. Het zou in elk geval een behoorlijke opluchting zijn om eens het een en ander de lucht in te laten vliegen. Alsof je even kunt krabben aan een plekje waar je heel veel jeuk hebt, snap je?'
'Ik begrijp precies wat u bedoelt,' zei mama. Ze keek helemaal niet blij. Ze keek een beetje streng. Niet alsof ze boor was op Willem, maar alsof ze vond dat de wereld in het algemeen er een potje van maakte. 'Maar daar gaat het nu niet over. Het gaat nu over de drie meneren die het koraalrif kapot maken. Waarom doen ze dat?'
Willem haalde zijn schouders op. 'Ze moeten eten,' zei hij. 'Vroeger gingen ze een heel eidn de zee op, om met netten te vissen. Dat was beter. Maar in de zee zit niks meer, sinds de komst van...'
'De Engel des Doods,' viel papa hem in de rede.
Willem keek verbaasd op. 'Kent u die?'
Papa lachte bitter. 'Of ik de Engel des Doods ken? Ik heb hem helpen bouwen! Niet met mijn eigen handen, natuurlijk, maar ik ben degene die het geld heeft geleend aan meneer Leeghwater.'
Ik kreeg het gevoel dat ik wist waar dit verhaal heen ging. 'Dat is zeker weer een vriendje van meneer Dogger?'
'Inderdaad,' zuchtte papa. 'U moet weten, meneer Willem, dat ik vroeger...'
Nu was het Willems beurt om een zin af te maken. 'Werkte voor de Doggersbank,' grijnsde hij. Toen papa hem verbaasd aankeek, lachte hij weer zijn vrolijke, aanstekelijke, veel te harde rot-lach. 'Jullie begrijpen nog steeds niet hoe beroemd je bent, geloof ik. Er hoeft maar ergens ter wereld iets te exploderen of op alle journaals gaat het over de vraag: zit de Donderkat hierachter? En dan komen er weer interviews met oude collega's en klasgenootjes en zo.'
Het was grappig om te zien hoe mijn ouders op dit nieuws reageerden. Papa keek heel ongelukkig. Hij vond het niet leuk dat iedereen bij terrorisme meteen aan hem dacht. Mama daarentegen keek zo tevreden als een poes op een schoot bij de open haard.
Ik wilde iets aardigs tegen papa zeggen. Iets wat niet ging over het opblazen van dingen. En ook niet over de schurkenstreken waar hij aan had meegeholpen toen hij nog bij de Doggersbank werkte. Maar ik kon niks bedenken.
'Nou,' zei Michael, 'dan moeten we die Engel des Doods maar eens gaan opblazen, dacht ik zo. Vertel er eens wat meer over, pap? Jij weet er het meeste van, want jij was vroeger een schurk.'
Ik schopte Michael tegen zijn been, zó hard dat we met ons drieën uit de hangmat donderden. Willem lachte zó hard dat ik even dacht dat hij zou ontploffen. Maar nee. Hij stond op en tilde ons terug in de mat.
Daarna zei papa met een zuur gezicht: 'Goed. Ik zal jullie vertellen over de Engel des Doods.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij nam een grote slok van zijn bier en leunde achterover. 'Kijk,' zei hij. 'Het zit zo.' Hij liet een best wel harde boer. 'Sorry. Het zit zo: ik ben de baas van deze kerk. Er zijn bepaalde dingen die je niet mag doen als je de baas van een kerk bent, en één van die dingen is: spullen opblazen. En dat is jammer, want er is hier in Zuid-Mallotië een hoop mis. Misschien dat een paar goed geplaatste staafjes dynamiet daar verandering in zou kunnen brengen. Ik geloof niet dat het zo makkelijk is, trouwens, maar het zou kunnen. Het zou in elk geval een behoorlijke opluchting zijn om eens het een en ander de lucht in te laten vliegen. Alsof je even kunt krabben aan een plekje waar je heel veel jeuk hebt, snap je?'
'Ik begrijp precies wat u bedoelt,' zei mama. Ze keek helemaal niet blij. Ze keek een beetje streng. Niet alsof ze boor was op Willem, maar alsof ze vond dat de wereld in het algemeen er een potje van maakte. 'Maar daar gaat het nu niet over. Het gaat nu over de drie meneren die het koraalrif kapot maken. Waarom doen ze dat?'
Willem haalde zijn schouders op. 'Ze moeten eten,' zei hij. 'Vroeger gingen ze een heel eidn de zee op, om met netten te vissen. Dat was beter. Maar in de zee zit niks meer, sinds de komst van...'
'De Engel des Doods,' viel papa hem in de rede.
Willem keek verbaasd op. 'Kent u die?'
Papa lachte bitter. 'Of ik de Engel des Doods ken? Ik heb hem helpen bouwen! Niet met mijn eigen handen, natuurlijk, maar ik ben degene die het geld heeft geleend aan meneer Leeghwater.'
Ik kreeg het gevoel dat ik wist waar dit verhaal heen ging. 'Dat is zeker weer een vriendje van meneer Dogger?'
'Inderdaad,' zuchtte papa. 'U moet weten, meneer Willem, dat ik vroeger...'
Nu was het Willems beurt om een zin af te maken. 'Werkte voor de Doggersbank,' grijnsde hij. Toen papa hem verbaasd aankeek, lachte hij weer zijn vrolijke, aanstekelijke, veel te harde rot-lach. 'Jullie begrijpen nog steeds niet hoe beroemd je bent, geloof ik. Er hoeft maar ergens ter wereld iets te exploderen of op alle journaals gaat het over de vraag: zit de Donderkat hierachter? En dan komen er weer interviews met oude collega's en klasgenootjes en zo.'
Het was grappig om te zien hoe mijn ouders op dit nieuws reageerden. Papa keek heel ongelukkig. Hij vond het niet leuk dat iedereen bij terrorisme meteen aan hem dacht. Mama daarentegen keek zo tevreden als een poes op een schoot bij de open haard.
Ik wilde iets aardigs tegen papa zeggen. Iets wat niet ging over het opblazen van dingen. En ook niet over de schurkenstreken waar hij aan had meegeholpen toen hij nog bij de Doggersbank werkte. Maar ik kon niks bedenken.
'Nou,' zei Michael, 'dan moeten we die Engel des Doods maar eens gaan opblazen, dacht ik zo. Vertel er eens wat meer over, pap? Jij weet er het meeste van, want jij was vroeger een schurk.'
Ik schopte Michael tegen zijn been, zó hard dat we met ons drieën uit de hangmat donderden. Willem lachte zó hard dat ik even dacht dat hij zou ontploffen. Maar nee. Hij stond op en tilde ons terug in de mat.
Daarna zei papa met een zuur gezicht: 'Goed. Ik zal jullie vertellen over de Engel des Doods.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 16 maart 2012
Het maakt niet uit, wat je bestudeert
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wij hebt een lab gebouwd,´ zei Kwetter trots. 'Voor de mama van Michael. Dan maakt zij boemen voor ons.'
Een tijdje later zat de kanoman op een tak naast ons.
Hij was ongeveer zo oud als mijn ouders en een beetje te dik. Zijn gezicht was vriendelijk en zijn blauwe ogen zaten achter een dikke bril. Niet bepaald het type dat met één hand een reuzenalligator van zich af mept.
'Och,' zei de man, 'dat is niet moeilijk, hoor. Je moet alleen even weten waar hun zwakke plekken zitten. Kijk, als je 'm hier op z'n snuit mept... (hij tikte met zijn wijsvinger in de lucht, op een denkbeeldige snuit) dan gaat-ie kapot van de pijn, en dan durft hij de rest van z'n leven niet meer in je buurt te komen. Maar geef je 'm daar een tik, dan voelt-ie niks. En hap, weg ben je. Ja, echt hoor, in één hap ben je weg! Ongelooflijk, he? Zijn het geen prachtige beesten?'
'Het is maar wat je prachtig noemt,' zei ik.
'Oh, neem maar van mij aan dat ze schitterend zijn! Ik bestudeer ze al dertien jaar lang, dus ik kan het weten.'
'Hoe komt u in 's hemelsnaam op het idee deze monsters te bestuderen?' vroeg mijn vader. Er lag een soort afkeuring in zijn stem.
De man glimlachte: 'Ik ben een wetenschapper, moet u weten. Ons wetenschappers maakt het niet uit wát je bestudeert – zolang je maar studeert.'
'U, een wetenschapper?' riep mijn moeder smalend. 'Nou toevallig ben ik zélf een wetenschapper, en ik herken mijn collega's op twintig meter afstand. Ha! U hebt niet eens een witte jas!' Dat klopte. De meneer had een lichtgekleurd pak aan met een vies bruinig-groenig kleurtje.
'Mijn excuses,' schrok de man. 'Ik had natuurlijk mijn witte jas aan moeten doen. Ja. Maar een tropisch regenwoud worden ze zo snel vies, he? Vandaar. Excuses. Trouwens, dame...' Hij bekeek mijn moeder van top tot teen. Of ze misschien ergens een witte jas had. Achter haar rug misschien? Zat ze erop? Maar hoe langer hij keek, hoe duidelijker het werd dat ze geen witte jas aanhad. Ze had zó ontzettend geen witte jas aan, dat de man ervan ging blozen.
'U hebt gelijk,' zei mijn moeder grootmoedig. 'Er is een tijd voor de witte jas en er is een tijd voor andere kledij. Hartelijk welkom in Boegoe Boegoe, collega!'
'Dank U wel,' zei de man.
'En als wij u ergens mee kunnen helpen, dan horen wij het graag. Wat komt u hier eigenlijk doen?'
'Ik ben op zoek,' zei de man, 'naar een ei. Een alligator-ei. Het is nu namelijk het broedseizoen – ik weet niet of u het gemerkt hebt, maar de alligators zijn een stuk agressiever dan normaal...'
'Dat was ons nog niet opgevallen,'zei mijn vader.
'Misschien omdat het normaal óók al van die rotbeesten zijn,' opperde ik.
'De verschillen zijn vrij subtiel,' gaf de kanoman toe. 'Maar hoe dan ook: ik moet zo'n ei hebben. Of nog liever een paar eieren. Zoveel mogelijk.'
'Waarom?' vroeg Gaby. 'Wat gaat u er mee doen?'
De man keek naar zijn schoenen en mompelde iets over 'zuiver wetenschappelijke doelstellingen, kan ik u verzekeren'. Daarna keek hij ons indringend aan. Zijn fletse blauwe ogen leken plotseling te branden als de blauwe vlam van een snijbrander.
'En er is haast bij. Heel veel haast.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wij hebt een lab gebouwd,´ zei Kwetter trots. 'Voor de mama van Michael. Dan maakt zij boemen voor ons.'
Een tijdje later zat de kanoman op een tak naast ons.
Hij was ongeveer zo oud als mijn ouders en een beetje te dik. Zijn gezicht was vriendelijk en zijn blauwe ogen zaten achter een dikke bril. Niet bepaald het type dat met één hand een reuzenalligator van zich af mept.
'Och,' zei de man, 'dat is niet moeilijk, hoor. Je moet alleen even weten waar hun zwakke plekken zitten. Kijk, als je 'm hier op z'n snuit mept... (hij tikte met zijn wijsvinger in de lucht, op een denkbeeldige snuit) dan gaat-ie kapot van de pijn, en dan durft hij de rest van z'n leven niet meer in je buurt te komen. Maar geef je 'm daar een tik, dan voelt-ie niks. En hap, weg ben je. Ja, echt hoor, in één hap ben je weg! Ongelooflijk, he? Zijn het geen prachtige beesten?'
'Het is maar wat je prachtig noemt,' zei ik.
'Oh, neem maar van mij aan dat ze schitterend zijn! Ik bestudeer ze al dertien jaar lang, dus ik kan het weten.'
'Hoe komt u in 's hemelsnaam op het idee deze monsters te bestuderen?' vroeg mijn vader. Er lag een soort afkeuring in zijn stem.
De man glimlachte: 'Ik ben een wetenschapper, moet u weten. Ons wetenschappers maakt het niet uit wát je bestudeert – zolang je maar studeert.'
'U, een wetenschapper?' riep mijn moeder smalend. 'Nou toevallig ben ik zélf een wetenschapper, en ik herken mijn collega's op twintig meter afstand. Ha! U hebt niet eens een witte jas!' Dat klopte. De meneer had een lichtgekleurd pak aan met een vies bruinig-groenig kleurtje.
'Mijn excuses,' schrok de man. 'Ik had natuurlijk mijn witte jas aan moeten doen. Ja. Maar een tropisch regenwoud worden ze zo snel vies, he? Vandaar. Excuses. Trouwens, dame...' Hij bekeek mijn moeder van top tot teen. Of ze misschien ergens een witte jas had. Achter haar rug misschien? Zat ze erop? Maar hoe langer hij keek, hoe duidelijker het werd dat ze geen witte jas aanhad. Ze had zó ontzettend geen witte jas aan, dat de man ervan ging blozen.
'U hebt gelijk,' zei mijn moeder grootmoedig. 'Er is een tijd voor de witte jas en er is een tijd voor andere kledij. Hartelijk welkom in Boegoe Boegoe, collega!'
'Dank U wel,' zei de man.
'En als wij u ergens mee kunnen helpen, dan horen wij het graag. Wat komt u hier eigenlijk doen?'
'Ik ben op zoek,' zei de man, 'naar een ei. Een alligator-ei. Het is nu namelijk het broedseizoen – ik weet niet of u het gemerkt hebt, maar de alligators zijn een stuk agressiever dan normaal...'
'Dat was ons nog niet opgevallen,'zei mijn vader.
'Misschien omdat het normaal óók al van die rotbeesten zijn,' opperde ik.
'De verschillen zijn vrij subtiel,' gaf de kanoman toe. 'Maar hoe dan ook: ik moet zo'n ei hebben. Of nog liever een paar eieren. Zoveel mogelijk.'
'Waarom?' vroeg Gaby. 'Wat gaat u er mee doen?'
De man keek naar zijn schoenen en mompelde iets over 'zuiver wetenschappelijke doelstellingen, kan ik u verzekeren'. Daarna keek hij ons indringend aan. Zijn fletse blauwe ogen leken plotseling te branden als de blauwe vlam van een snijbrander.
'En er is haast bij. Heel veel haast.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)