BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Verbaasd keken we onze moeder aan.
'N... niet?' stamelde papa. 'Maar... terug naar de wetenschap, dat was toch altijd wat je het liefste wilde?'
'Nee hoor,' riep Kwetter. 'Boemen maken, dat doede jij het allerliefste, he mam?'
'Jullie hebben allebei een beetje gelijk,' glimlachte mama toegeeflijk. 'Dingen laten ontploffen, dat vind ik héérlijk. Het is verslavend. Het enige wat je denkt na het maken van een ontploffing, is: wat zal ik nú eens gaan opblazen. Liefst iets heel groots!'
'Jaaa! Joewieie! Boemmmm!'
'Maar op de lange duur,' ging mama verder, 'is dat niet echt bevredigend. Er komt een moment waarop je denkt: wat laat ik de wereld eigenlijk na? Wat heb ik gemáákt, in mijn leven? En dan is het antwoord: een hoop kuilen in de grond, gevuld met brokken beton en metselwerk. Dat is niet iets om trots op te zijn. Maar als je aan wetenschap doet, en je vindt een nieuw stof je uit, of een nieuwe manier om een oud stofje te maken, of je ontdekt dat een oud stofje eigenlijk helemaal niet kón, dan kun je tevreden sterven. Dan heb je de wereld iets gegéven.'
'Dus: terug naar de wetenschap,' zei ik.
'Misschien...' zei mama. 'Maar er is ook nog zoiets als... plicht. Ik bedoel: als er iets is wat gedaan moet worden, en jij bent de enige die het kan doen, dan moet je het doen, snap je wel? Als er bijvoorbeeld een kleuter de weg oploopt, en jij bent de enige die hem weg kan graaien voordat er een tien-tons vrachtwagen overheen dendert, dan heb je geen keuze. Je moet die kleuter redden. Waar of niet?'
'Ja, natuurlijk bent dat waar!' riep Kwetter vurig. 'Maar er bént hier geen kleuter. Anders hebde ik die al lang gered, hoor!'
'Daar twijfel ik niet aan, lieve Kwetter. Maar het gaat om het idee. Het idee dat er dingen zijn die je moet doen, omdat jij de enige bent die ze kan doen.'
'En... war hebben we het hier precies over?' vroeg Gaby voorzichtig. 'Toch niet toevallig over zoiets als: dat jij, door je BOF-praatje, fijn reclame kunt maken voor de wetenschap? En dat je daar dan heel beroemd en populair mee zou kunnen worden, zodat je veel op televisie komt en in kranten mag schrijven, zodat je nog meer reclame kunt maken voor de wetenschap, enzovoort?'
'Jij snapt het,' riep mama opgetogen.
'Puh,' zei ik, 'ik snap het toevallig ook, hoor. En ik vind het wél een goed idee. Terwijl Gaby...'
We keken allemaal naar Gaby. Die keek alsof ze op bezoek was bij mensen, en tijdens het eten opeens een slak ontdekt had in de sla.
Ze keek, kortom, alsof ze mama's idee maar stom vond.
Ja, als je nog maar elf bent, dan snap je nog niet hoe de wereld in elkaar zit, en hoe balngrijk een BOF-praatje wel niet kan zijn. Daar kun je de wereldgeschiedenis mee veranderen!
Probeer dat maar eens met een bom.
Nou is dat een beetje een slecht voorbeeld, want de geschiedenis is vaak genoeg veranderd met behulp van bommen, maar werd het daar allemaal beter van? Dat is nog maar de vraag, he?
Terwijl niemand kan beweren dat de wereldgeschiedenis ooit slechter is geworden van een BOF-praatje. Dus... ja...
'Maak je maar niet druk, lieve schat,' zei mama met een aai over Gaby's bol. 'Ik zal eerst dat praatje maar eens gaan houden. Dan zien we daarna wel weer verder.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 29. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 29. Alle posts tonen
vrijdag 7 maart 2014
vrijdag 16 november 2012
De Tegenboog
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Voorzichtig stapten we uit.
'Lieve help,' zei papa, 'wat is hier gebeurd? Waar zijn we?'
'We zijn,' vertelde Willem, 'op het vruchtbare boerenland van Zuid-Mallotië.'
'Is het werkelijk?' vroeg mama. 'Ik geloof niet dat ik iets zou willen eten wat hier groeit.'
'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouw. Er groeit hier niks.'
Inderdaad. Het landschap om ons heen zag er akelig en spookachtig uit. Zover je kon zien was de grond overdekt met een dikke laag drab. Zwarte prut, die vreselijk stonk, een beetje zoals benzine ruikt maar dan veel viezer. De smurrie glansde vettig; waar de zon erop scheen leek het spul alle kleuren van de regenboog te hebben. Of nou ja, niet van de regenboog, want regenbogen zijn mooi en goed. Maar als je een regenboog zou maken van lelijke kleuren - snot-groen, puist-geel, verrotte-aubergine-bruin enzovoort - dan kreeg je de glans van de zwarte smurrie die hier de grond bedekte. Een soort anti-regenboog: een tegenboog.
Niet alleen was de drab lelijk en vies-ruikend, hij was blijkbaar ook giftig. Er waren maar weinig planten hier, en bijna geen dieren. Her en der zag je een dode boom uit de gore modder steken, of een polletje zieltogend onkruid aan de rand van een glanzende poel staan. Af en toe zoemde of kroop er een insect voorbij; in de verte was een onvoorzichtig eendje geland op een van de plassen, die als zwerende wonden in het verwoeste landschap lagen. Het eendje was overdekt geraakt met de plakkerige, zwarte troep en worstelde om los te komen.
'Gezellige boel hier,' merkte Michael op.
'Wat is er aan de hand?' vroeg ik. 'Wat is dat zwarte spul?'
'Olie,' zei mama. Ze snoof. 'Ruwe aardolie. Waar benzine van gemaakt wordt. En plastic en nog duizend andere nuttige dingen. In onbewerkte vorm, zoals hier, is het gevaarlijk spul. Giftig en zo. Het zat ook op het koraalrif, weten jullie nog? Eén van de redenen waarom dat koraal dood is, denk ik.'
'Ga daar maar van uit,' zei Willem. 'Alles gaat dood door dat spul.'
Ik keek nog even, vol medelijden, naar het eendje. Maar dat was nergens meer te zien.
'Wat ik niet snap, ' zei mama, 'is wat dat spul hier doet. Meestal zit het diep onder de aarde, en het kost een hoop geld en moeite om het eruit te halen. Waarom zou iemand die moeite doen, om vervolgens de troep hier op de grond te laten lopen?'
'Dat kan papa je wel vertellen,' mompelde ik.
'Hoezo?' vroeg papa fronsend.
'Nou,' zei ik. 'Dit is iet heel naars, iets afschuwelijks, iets wat alleen een echte schurk zou doen. En als het over schurkenstreken gaat, is papa de expert. Want hij heeft bij de bank gewerkt.'
Papa knikte traag. 'Ik geloof niet dat ik het helemaal eens ben met je redenering,' zei hij. 'Maar toevallig weet ik inderdaad wel zo'n beetje wie dit gedaan heeft, en waarom.'
Mama keek me streng aan. 'En jij, jongedame, zou dat ook weten als je die hersentjes van je een beetje gebruikte.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Voorzichtig stapten we uit.
'Lieve help,' zei papa, 'wat is hier gebeurd? Waar zijn we?'
'We zijn,' vertelde Willem, 'op het vruchtbare boerenland van Zuid-Mallotië.'
'Is het werkelijk?' vroeg mama. 'Ik geloof niet dat ik iets zou willen eten wat hier groeit.'
'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouw. Er groeit hier niks.'
Inderdaad. Het landschap om ons heen zag er akelig en spookachtig uit. Zover je kon zien was de grond overdekt met een dikke laag drab. Zwarte prut, die vreselijk stonk, een beetje zoals benzine ruikt maar dan veel viezer. De smurrie glansde vettig; waar de zon erop scheen leek het spul alle kleuren van de regenboog te hebben. Of nou ja, niet van de regenboog, want regenbogen zijn mooi en goed. Maar als je een regenboog zou maken van lelijke kleuren - snot-groen, puist-geel, verrotte-aubergine-bruin enzovoort - dan kreeg je de glans van de zwarte smurrie die hier de grond bedekte. Een soort anti-regenboog: een tegenboog.
Niet alleen was de drab lelijk en vies-ruikend, hij was blijkbaar ook giftig. Er waren maar weinig planten hier, en bijna geen dieren. Her en der zag je een dode boom uit de gore modder steken, of een polletje zieltogend onkruid aan de rand van een glanzende poel staan. Af en toe zoemde of kroop er een insect voorbij; in de verte was een onvoorzichtig eendje geland op een van de plassen, die als zwerende wonden in het verwoeste landschap lagen. Het eendje was overdekt geraakt met de plakkerige, zwarte troep en worstelde om los te komen.
'Gezellige boel hier,' merkte Michael op.
'Wat is er aan de hand?' vroeg ik. 'Wat is dat zwarte spul?'
'Olie,' zei mama. Ze snoof. 'Ruwe aardolie. Waar benzine van gemaakt wordt. En plastic en nog duizend andere nuttige dingen. In onbewerkte vorm, zoals hier, is het gevaarlijk spul. Giftig en zo. Het zat ook op het koraalrif, weten jullie nog? Eén van de redenen waarom dat koraal dood is, denk ik.'
'Ga daar maar van uit,' zei Willem. 'Alles gaat dood door dat spul.'
Ik keek nog even, vol medelijden, naar het eendje. Maar dat was nergens meer te zien.
'Wat ik niet snap, ' zei mama, 'is wat dat spul hier doet. Meestal zit het diep onder de aarde, en het kost een hoop geld en moeite om het eruit te halen. Waarom zou iemand die moeite doen, om vervolgens de troep hier op de grond te laten lopen?'
'Dat kan papa je wel vertellen,' mompelde ik.
'Hoezo?' vroeg papa fronsend.
'Nou,' zei ik. 'Dit is iet heel naars, iets afschuwelijks, iets wat alleen een echte schurk zou doen. En als het over schurkenstreken gaat, is papa de expert. Want hij heeft bij de bank gewerkt.'
Papa knikte traag. 'Ik geloof niet dat ik het helemaal eens ben met je redenering,' zei hij. 'Maar toevallig weet ik inderdaad wel zo'n beetje wie dit gedaan heeft, en waarom.'
Mama keek me streng aan. 'En jij, jongedame, zou dat ook weten als je die hersentjes van je een beetje gebruikte.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 26 maart 2012
De allerslechtste plek
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat merkten we toen Kwetter ons meenam naar de Krokocrêche.
'Ik weet heus wel waar de alligators hun eieren legt, hoor,' had ze verteld. 'Dat weet wij allang, Boegoenezen is heus niet gek. Alle peuters en kleuters van Boegoe-Boegoe krijgt de hele dag te horen: past jij maar op, gaat niet daar-en-daar heen, daar is allergemeenste alligators. Heel veel. Ik gaat jullie laten zien. Maar jullie moet niet eieren gaan pakken, hoor. Dan wordt jullie vreselijk gehapt. Helemaal in stukjes. Waarom moet jullie roze-knieën-man pleziertje doen? Mama kan zelf prachtige boemen maken. Heeft knieënman helemaal niet nodig.'
Dat wisten wij nog niet zo zeker.
Wij hadden onze moeder zien twijfelen, en dat hadden we nooit eerder gezien. Het was een beetje... eng. Mama was altijd degene die alles in orde maakte, zonder aarzelen of haperen. De gedachte dat er dingen waren die ze niet kon - of zelfs maar: dingen die ze misschien niet kon – joeg ons behoorlijk de schrik aan. Nu stond er niets of niemand meer tussen ons en de meedogenloze wereld in. Nooit meer zouden we ons helemaal veilig kunnen voelen. De rest van ons leven zou een keiharde strijd zijn om te overleven.
Eieren onder een alligator uit stelen? Dat was nog meer het begin! Een onnozele vingeroefening. Precies wat je kon verwachten als je een twijfelende moeder had, die sommige dingen – misschien – niet kon.
Zo voelde dat.
Dus wij zeiden: 'ja hoor, dat kan er ook nog wel bij,' toen Kwetter ons liet zien waar de krokocrêche te vinden was.
Want wáár denk je dat die stomme alligators hun eieren hadden gelegd?
Nou? Wat zou de allerslechtste plek zijn?
Ja hoor: precies naast Smiksmek's Mobiele Mjamburger-Maak Machine.
Okee, eerlijk is eerlijk, dat was niet helemaal de schuld van de alligators. De eieren lagen er het eerst, tenslotte, en die stomme beesten konden ook niet weten dat er een bende schurken dwars door de bergen zou komen geknald. Laat staan dat ze konden weten waar die schurken hun kamp op zouden zetten.
'Okee,' zei ik. 'Dat verklaart in ieder geval waarom die houthakkers zo enorm veel ruzie hadden met de alligators.'
We zaten ernaar te kijken vanuit een boomtop, door de verrekijker. Het was vroeg in de avond. De houthakkers zaten mismoedig rond een paar kampvuurtjes hun eten te koken. Ze rrosterden mjamburgers, die recht uit Smiksmek's machine kwamen.
In de oorlog tussen de allkigators en de houthakkers was het voorlopig gelijk spel, zo te zien. Er lag een enorme stapel alligators klaar om verburgerd te worden; daar stond tegenover dat bijna alle houthakkers gewond waren. Sommigen misten een oor of een pink, maar de meesten misten één of meer armen of benen.
Er was nog niet één boom omgehakt.
'Ze houden mekaar lekker bezig,' zei ik. 'Da's mooi, want ik heb aan allebei een hekel. Maar het is ook jammer, want ze hebben elkaar nog niet uitgeroeid. Dat zou het voor ons heel wat gemakkelijker maken.'
'Hebt jij al een plan?' vroeg Kwetter nieuwsgieirg. 'Jij is de oudste van ons drieën, en de verstandigste...' (mijn zusje keek of ze moest kotsen) '...en ik hebt echt geen idee hoe wij het moet aanpakken.'
Hm. Dat was jammer, want mijn beste plan was eigenlijk: Kwetter de boel op laten lossen. Zij was supersterk en razendsnel, dus ik dacht: dat lukt haar wel.
Maar daar dacht ze zelf dus anders over.
Dat was helaas jammer.
Nog jammerder was dat ze mij zó vol vetrouwen aankeek, dat ik mij niet kon inhouden. Ik had moeten zeggen: nee, ik heb ook geen idee, laten we teruggaan naar mama. Maar in plaats daarvan hoorde ik mezelf zeggen: 'Natuurlijk heb ik een plan. Luister goed...'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat merkten we toen Kwetter ons meenam naar de Krokocrêche.
'Ik weet heus wel waar de alligators hun eieren legt, hoor,' had ze verteld. 'Dat weet wij allang, Boegoenezen is heus niet gek. Alle peuters en kleuters van Boegoe-Boegoe krijgt de hele dag te horen: past jij maar op, gaat niet daar-en-daar heen, daar is allergemeenste alligators. Heel veel. Ik gaat jullie laten zien. Maar jullie moet niet eieren gaan pakken, hoor. Dan wordt jullie vreselijk gehapt. Helemaal in stukjes. Waarom moet jullie roze-knieën-man pleziertje doen? Mama kan zelf prachtige boemen maken. Heeft knieënman helemaal niet nodig.'
Dat wisten wij nog niet zo zeker.
Wij hadden onze moeder zien twijfelen, en dat hadden we nooit eerder gezien. Het was een beetje... eng. Mama was altijd degene die alles in orde maakte, zonder aarzelen of haperen. De gedachte dat er dingen waren die ze niet kon - of zelfs maar: dingen die ze misschien niet kon – joeg ons behoorlijk de schrik aan. Nu stond er niets of niemand meer tussen ons en de meedogenloze wereld in. Nooit meer zouden we ons helemaal veilig kunnen voelen. De rest van ons leven zou een keiharde strijd zijn om te overleven.
Eieren onder een alligator uit stelen? Dat was nog meer het begin! Een onnozele vingeroefening. Precies wat je kon verwachten als je een twijfelende moeder had, die sommige dingen – misschien – niet kon.
Zo voelde dat.
Dus wij zeiden: 'ja hoor, dat kan er ook nog wel bij,' toen Kwetter ons liet zien waar de krokocrêche te vinden was.
Want wáár denk je dat die stomme alligators hun eieren hadden gelegd?
Nou? Wat zou de allerslechtste plek zijn?
Ja hoor: precies naast Smiksmek's Mobiele Mjamburger-Maak Machine.
Okee, eerlijk is eerlijk, dat was niet helemaal de schuld van de alligators. De eieren lagen er het eerst, tenslotte, en die stomme beesten konden ook niet weten dat er een bende schurken dwars door de bergen zou komen geknald. Laat staan dat ze konden weten waar die schurken hun kamp op zouden zetten.
'Okee,' zei ik. 'Dat verklaart in ieder geval waarom die houthakkers zo enorm veel ruzie hadden met de alligators.'
We zaten ernaar te kijken vanuit een boomtop, door de verrekijker. Het was vroeg in de avond. De houthakkers zaten mismoedig rond een paar kampvuurtjes hun eten te koken. Ze rrosterden mjamburgers, die recht uit Smiksmek's machine kwamen.
In de oorlog tussen de allkigators en de houthakkers was het voorlopig gelijk spel, zo te zien. Er lag een enorme stapel alligators klaar om verburgerd te worden; daar stond tegenover dat bijna alle houthakkers gewond waren. Sommigen misten een oor of een pink, maar de meesten misten één of meer armen of benen.
Er was nog niet één boom omgehakt.
'Ze houden mekaar lekker bezig,' zei ik. 'Da's mooi, want ik heb aan allebei een hekel. Maar het is ook jammer, want ze hebben elkaar nog niet uitgeroeid. Dat zou het voor ons heel wat gemakkelijker maken.'
'Hebt jij al een plan?' vroeg Kwetter nieuwsgieirg. 'Jij is de oudste van ons drieën, en de verstandigste...' (mijn zusje keek of ze moest kotsen) '...en ik hebt echt geen idee hoe wij het moet aanpakken.'
Hm. Dat was jammer, want mijn beste plan was eigenlijk: Kwetter de boel op laten lossen. Zij was supersterk en razendsnel, dus ik dacht: dat lukt haar wel.
Maar daar dacht ze zelf dus anders over.
Dat was helaas jammer.
Nog jammerder was dat ze mij zó vol vetrouwen aankeek, dat ik mij niet kon inhouden. Ik had moeten zeggen: nee, ik heb ook geen idee, laten we teruggaan naar mama. Maar in plaats daarvan hoorde ik mezelf zeggen: 'Natuurlijk heb ik een plan. Luister goed...'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)