Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Posts tonen met het label 53. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 53. Alle posts tonen

vrijdag 9 mei 2014

In het echt zijn er geen levels

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Zo praatten we urenlang over alles wat er maar ontploffen kon, en langzaam werd het een heel klein beetje licht in de container.
'Wat is dat?' vroeg ik.
'Er bent een soort lucht-gaatjes,' zei Kwetter, 'anders stikt wij, en door die gaatjes kunt ook een beetje licht binnenkomen.'
'Maar dat is geweldig!' riep ik. 'Zo kunnen we zien of het dag is of nacht!'
'Verbazend, wat zo'n gevangenis met je doet,' mijmerde Gaby. Je bent blij met de kleinste dingen. Drie dagen geleden wilde je nog een nieuwe computer, en nu ben je blij met een streepje licht...'
'Dat licht is van levensbelang,' vond ik. 'Weet je nog toen Kwetter zei dat we twee beschuiten per dag hadden?'
'Ja, natuurlijk.'
'Als we het verschil tussen dag en nacht niet kunnen zien, hoe moeten we dan weten wanneer we een nieuwe beschuit mogen? Dat streepje licht lijkt me best belangrijk.'
Daar had ik gelijk in, natuurlijk, en we telden onze beschuiten. Ze waren veel groter en zwaarder dan gewone beschuiten. Gelukkige maar; stel je voor dat je maar twee gewone beschuitjes kreeg per dag! Het waren er honderdentwintig. Delen door zes, en dan wist je dat we hier twintig dagen zouden blijven. Waarschijnlijk.
De twintig dagen die volgden, waren saai. Heel erg saai. Bij het eerste streepje licht namen we een beschuit en een paar slokken water, en daarna praatten we over bommen.
Dat klinkt misschien spannend, maar dat viel in het echt behoorlijk tegen
Gooien met bommen is best leuk, en praten over het gooien met bommen al helemaal, maar het maken van bommen, dat is iets heel anders. Dat is gevaarlijk en toch saai. En praten over het maken van bommen, dat is niet eens gevaarlijk. Dat is alleen maar saai. Onze gesprekken gingen ongeveer zo:
'Oké, stel dat we ergens wilgenbast vinden. Hoe maken we daar een bom van?'
'Makkie. In wilgenbast zit salicylzuur, en als je dat verhit zonder lucht erbij, verandert het in picrinezuur.'
'Inderdaad Maar picrinezuur is link spul. Misschien kunnen we dat beter omzetten in picraminezuur?'
'Ja, of nog beter: diazodinitrofenol. Moet je wel salpeterzuur bij je hebben. En water en elektriciteit, natuurlijk.'
'Salpeterzuur moet wij so wie so hebben. Dan kunt wij op level 15...'
'Lieve Kwetter, ik leg het nog één keer uit. Dat met die levels, die je kunt halen, dat komt wel uit mama's computerspelletje, maar in het echt zijn er geen levels. In het echt moet je het maar doen met wat je toevallig vindt. Snap je?'
'Jahaa, dat snapt ik heus wel, maar als we toevallig ergens kwik én ethanol én salpeterzuur vindt, dan maakt wij kwikfulminaat. Afgespreekt?'
'Ja hoor, beloofd. Vind je het erg als we nu even verder denken over die wilgenbast? Dank je wel!'

Dodelijk saai, maar we werden in ieder geval niet gek van de angst, de verveling en de duisternis. En dat is ook wat waard.
Maar na vijftien dagen stopte de boor met varen, en we werden uitgeladen.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 14 januari 2013

Papa lost het file-probleem op

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

'De pistolen van de politie,' ging hij verder, 'die laten we natuurlijk liggen. Maar die mensen hebben harstikke geinige auto's, die gaan heel hard en dat is handig.'
'Jeuh!' riep Michael, 'we pikken een politiewagen! Mag dan ook de sirene aan?'
'Ach ja, dat kunnen we wel doen,' zei papa. Hij probeerde een gezicht te trekken alsof de sirene hem eigenlijk helemaal niet interesseerde.
'Adem inhouden, jongens,' zei mama terwijl ze naar de deur stapte. 'Misschien hangt er buiten nog een beetje slaapgas.'
De deur schoof open en met dichtgeknepen neuzen liepen we naar buiten. De grond was bezaaid met glasscherven van de ontplofte bovenverdieping, en op een parkeerplaatsje vlak bij de ingang zagen we de auto van meneer Cockel. Tenminste, ik neem aan dat het zijn auto was want het was een krankzinnig dure, luxe, glimmende wagen en op het nummerbord stond C0-CK-E1. Tot ons grote genoegen zagen we dat de wagen in puin lag. Hij zag eruit alsof er vanaf de vijftigste verdieping een krankzinnig dure, luxe, glimmende bureaustoel op gegooid was.
En dat was ook zo.
Niet expres – Kwetter had wel iets anders aan haar hoofd gehad dan mikken – maar het toeval kan soms een heel mooi ding zijn.
Papa zocht een mooie politieauto uit aan de rand van de slapende menigte. Het eerste wat hij deed, toen we waren ingestapt, was de sirene aanzetten.
Dat was niet zo slim, want door de herrie werd de helft van de politiemensen weer wakker.
'Oeps,' zei papa, 'wegwezen maar.' En daar gingen we, ta-tuu ta-tuu op topsnelheid door de stad. We konden lekker doorscheuren, want iedereen ging voor ons aan de kant.
'Heerlijk,' zei papa. 'Wat ben ik hier toch dol op zeg. Rijden met sirene is het mooiste wat er is. Nooit meer last van files! Hé zeg, daar los ik me toch ineens het file-probleem op... Ze moeten niet de wegen verbreden, ze moeten gewoon iedereen een sirene geven!'
'Schat,' zei mama streng. 'Je praat pure onzin. Als iedereen een sirene heeft, dan moet iedereen voor iedereen opzij. Dat wordt gegarandeerd een zootje. De hele snelweg één groot verkeersongeluk. Een ongeluk is geen file, dus de files zijn dan inderdaad weg, in zekere zin, maar... '
Michael onderbrak haar: 'Trouwens, iedereen hier in Zuid-Mallotië hééft al een sirene. Kijk maar eens achter ons. Alleen maar auto's met sirenes!'
'Dat zijn allemaal politiewagens, sukkel,' zei ik, 'volgens mij zit de hele politiemacht van Jalsk ons op de hielen.'
'Weet ik ook wel. Ik maakte een grapje.'
'Oh. Ha. Ha. Ha,' deed ik.
'Nou, ík vond hem leuk hoor,' troostte Kwetter. 'Kijk maar, nu gaat ik lachen: hihihihi!'
Achter ons klonken knallen.
Er werd vanuit de politiewagens op ons geschoten.
'Duiken, jongens,' zei mama. We doken weg. Net op tijd, want boven ons werd de achterruit tot gruis geschoten.
Mama deed de inhoud van twee van haar potjes bij elkaar, en het resultaat gooide ze het raam uit. Dikke zwarte rookwolken rolden over het wegdek.
Ze gooide er nog een flesje achteraan.
BOEM.
Vlak achter de rookwolken zat nu een diepe krater in de weg.
'Ik hoop maar dat die agenten hun gordel aanhebben,' zei ze luchtig.
'Vast wel,' zei papa. 'De politie moet het goede voorbeeld geven, nietwaar?'
Achter ons klonk het geluid van dertig politiewagens die in een krater donderden en tegen elkaar aan botsten.
'En dat is dat,' zei mama tevreden.
'Eh... niet helemáál, ben ik bang,' zei ik.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 25 mei 2012

Een vrolijke, vakantie-achtige sfeer

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We roken het, lang voordat we het zagen. In het oerwoud kun je niet ver vooruit kijken, want er zitten altijd bladeren in de weg, maar geuren laten zich daardoor niet tegenhouden. Die kronkelen zich een langzame weg om hoekjes en door kieren tot je ze op kilometers afstand ruikt. Tenminste als je een hondje bent. Mensen hebben niet zo'n sterke neus. Iets moet echt heel, heel erg stinken wil het een mens opvallen.
Nu waren er in Boegoe-Boegoe genoeg stinkende dingen te vinden. Om te beginnen de Boegoenezen, die zich nooit wasten en geen wc-papier gebruikten. Elke Boegoenees was zijn eigen kleine stinkbom. Niet dat je daar veel last van had, want de rest van het oerwoud stonk nog erger, er waren stinkende beesten, stinkende planten (zelfs stinkende bloemen) en stinkende insekten. De grond lag bezaaid met stinkende dingen. Dooie, rottende dingen. De resten van omgevallen stinkplanten bijvoorbeeld. En de poep van stinkbeesten.
Maar deze geur was iets heel anders.
'Ruik jij wat ik ruik?' riep ik tegen Gaby.
'Ik ben bang van wel,' antwoordde ze. 'Ga eens kijken.'
Ik zocht een hoge boom uit en klom naar de top voor het uitzicht. En... ja hoor!
Dikke zwarte rook wolkte boven de bomen uit.
'De boel staat weer in de hens!' riep ik naar Gaby en Kwetter.
Kwetter verdubbelde meteen haar snelheid. Ze leek niet eens te merken dat Gaby op haar rug hing. Ik haastte me achter haar aan.
Al snel kwamen we bij het brandende laboratorium.
Daar zat papa op een boomtak naar de blus-werkzaamheden te kijken. Zijn gezicht stond somber.
'Moet je niet helpen blussen?' vroeg ik.
'Neuh,' zuchtte hij. 'Ze redden het wel alleen.'
'Alleen?' Mama en de knieënman en de Boegoenezen waren allemaal druk bezig. Niet zo koortsachtig als gisteren, toen het eerste lab afbrandde. Dat was een grote ramp, en alle Boegoenezen werkten verbeten om te zorgen dat de rest van het oerwoud gespaard zou blijven.
Vandaag werd er heel anders geblust. iets meer, hoe zeg je dat... meer ontspannen? Er hing een vrolijke, vakantie-achtige sfeer. De Boegoenezen hadden zich er kennelijk bij neergelegd dat 'laboratorium blussen' een deel van hun dagelijkse bezigheden zou worden, en ze hadden besloten er dan maar het beste van te maken.
Bijvoorbeeld door op nieuwe en spannende manieren te blussen.
Ze hadden de tropenhelm van de knieënman afgepakt en gebruikten die als emmer (in plaats van een halve kokosnoot). Ze zwierden aan lianen tot vlak bij de brand en piesten in de vlammen. Sommigen vingen een Schattig Pluisbeestje, hielden het dier onder water tot hun vacht zo vol vocht zat als een spons en smeten de diertjes daarna in het vuur.
Toen Gaby dat zag was het natuurlijk tranen met tuiten geblazen, maar ik kon er wel om lachen.
Vooral toen bleek dat het water in hun vacht hen beschermde, zodat ze er ongedeerd weer uit kwamen rennen.
Later vertelden de Boegoenezen mij dat je dit trucje alleen met Pluisbeestjes kunt doen. Heeft te maken met de speciale pluizigheid van hun velletje, of zo. Met andere dieren, zoals Boomkonijntjes, lukte het niet. Die gingen gewoon in de fik. Dat wisten ze zeker, want ze hadden het geprobeerd.
Dit laatste heb ik maar niet aan mijn zusje verteld.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE