Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!

maandag 15 april 2013

Een ongelooflijke bocht

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Het wijzertje dat daarstraks op nul stond, stond nu helemaal aan de andere kant. Blijkbaar gingen we zo hard als we konden.
Maar nu was er weer een ander wijzertje dat bijna op nul stond.
'De benzine?' gokte ik.
'De benzine,' knikte mama. 'Gepantserde wagens zijn nogal zwaar, natuurlijk, dus het kost een hoop benzine om ze vooruit te krijgen. En het kost nog meer om ze snel vooruit te krijgen. Hoe sneller, hoe meer, eigenlijk. Het lichte wagentje van de Moeflon heeft dat probleem niet. Dat is speciaal gemaakt voor snel. Dus wij staan zometeen stil, en dan kan hij rustig naar ons toe rijden.'
'Nou en?'zei Michael. 'Laat hem maar lekker zijn pistooltje op ons leeg schieten, wij zitten hier goed.'
'Ja, slimmerik, wij zitten hier uitstekend,' zei ik. 'Enneh... hoe lang wilde jij hier blijven zitten? Uitstekend en wel? Straks staat de Moeflon rustig voor onze neus, met zijn pistooltje klaar om te schieten. Staat-ie te wachten tot één van ons z'n neus naar buiten steekt. En dan...'
'We wachten gewoon tot hij in slaap valt. Hij kan niet eeuwig wakker blijven, en...'
'...en als hij doet alsof hij slaapt, dan zijn wij het bokje! Weet je wat? Jij gaat straks als eerste naar buiten. Met een beetje geluk mikt-ie op je hersens – dan raakt-ie lekker niks!'
'Jullie moet niet ruzie maken,' zei Kwetter streng. 'Wij hebt een probleempje – nou en? Wij hebt ook mama bij ons, en mama kunt alle probleempjes wegmaken. Toch, mama?'
'Nou, Kwetter,' fronste mama, 'ik weet niet hoe ik...'
'Jij maakt grapjes,' giechelde Kwetter. 'Natuurlijk weet jij wel! Jij lost altijd alle probleempjes op, en altijd op dezelfde manier. Gooit nou maar gewoon een boem op de weg, anders haalt de spion ons nog in en dan moet jij een boem op zijn hoofd gooien. En dat doet jij niet, want dat is niet netjes. Ja, ik kent jou langer dan vandaag!'
'Ach ja,' zei mama, 'natuurlijk. Michael, wil jij even in mijn tassen kijken? Daar vind je wel iets, denk ik.'
Nou, inderdaad. Je moest wel blind, doof en dom zijn om in die tassen geen bom te vinden. Ze puilden uit van de staven dynamiet, kneedbommen, flesjes met vloeibare springstof en nog allerlei andere ontplofbare dingen.
Michael draaide het raampje open terwijl ik een lontje aanstak, en even later zat er een grote krater in het wegdek.
'Jongens,' zei mama streng, 'dat moeten jullie voortaan aan mij overlaten. Ik wil niet dat jullie met bommen spelen, dat weet je nou toch zo onderhand wel.'
'Let jij nou maar op de weg,' zei ik streng, en Michael voegde toe: 'Wij weten nou onderhand heus wel hoe het moet, hoor. Wij zijn de kinderen van een internationale superster, weet je nog?'
Daarna keken we achter ons, om te zien hoe de Moeflon in onze mooie nieuwe krater lazerde.
Maar dat viel een beetje tegen.
De Moeflon was een uitstekende chauffeur, en maakte een bocht die je niet zou geloven als je hem niet zelf had gezien. Hij rukte zijn stuur nét op tijd naar links, en scheurde op twee wielen precies langs de rand van de krater.
'Hm,' zei ik, 'we hadden nog een stukje weg overgelaten, mam, en nou komt-ie weer achter ons aan. We zullen nog een keer moeten knallen.'
'Joewieieie!' riep Kwetter, en ook Jamal keek opgetogen toen hij zag hoe we dit keer twéé staven dynamiet uit de tas haalden.
Dit keer was de krater net zo groot als de weg breed was. Daar kon de Moeflon onmogelijk omheen, want er was geen 'omheen'. Er was alleen een diepe krater. Een hele diepe krater. Of eigenlijk was het niet echt een krater, want we reden toevallig net over een hoge brug. Dus in plaats van een krater was er gewoon een stuk weg, dat weg was. De grond was ongeveer dertig meter lager.
'Oepsie,' grijnsde Michael. 'Ik hoop maar dat-ie op tijd kan remmen, anders valt-ie hartstikke dood.'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 12 april 2013

Je mag het wel hopen maar niet hardop zeggen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Pling,' klonk het om ons heen. 'Pling, pling!'
Pling is niet helemaal het goede woord, maar het geluid dat ik bedoel was het geluid van kogels die afketsen op een dikke stalen pantserlaag, en/of een dikke ruit van kogelvrij gepantserd glas.
'Lachen, dit!' merkte Michael op.
'Ja,' grijnsde Kwetter, 'de pistooltje van de Moeflon is zo slap, dat hij niet eens door een auto heen kan schieten.”
'Het is nog veel leuker dan je denkt, lieve Kwetter,' grijnsde mama. 'Het pistooltje is niet heel slap, maar deze auto is heel sterk. Het is natuurlijk ook de auto van een terroristische drugshandelaar. Zulke mensen hebben veel vijanden. Beschoten worden, dat hoort gewoon bij hun beroep. Staat waarschijnlijk in hun contract: “tot uw taken behoren het omverwerpen van de regering, het verkopen van drugs en het beschoten worden”. Ik stel me zo voor dat Miguel zei: “dat vind ik allemaal prima, maar dan wil ik wel een kogelvrije auto van de zaak.” Ja, onze veldmaarschalk keek niet op een paar centen, als het om zijn eigen veiligheid ging. En de grap is dat hij naar het ziekenhuis moet, met een voet die hij hoogstpersoonlijk in puin heeft geschoten, terwijl wij lekker veilig in zijn gepantserde wagen zitten.
'Weet je,' ging ze verder terwijl de auto moeiteloos door een kleine boom heen reed, 'ik had al zo'n idee dat dit geen gewone terreinwagen was. Ik bedoel: de huisjes hier zijn misschien niet zo stevig gebouwd, maar een halve wijk in stukken rijden zonder krasjes op de lak? Dat lukt je niet met een gewone auto.
En het mooiste van alles vind ik nog wel dat Miguel deze wagen waarschijnlijk gekocht heeft met geld, dat hij van meneer Dogger heeft geleend.'
'Zou Dogger het weten?' giechelde ik. 'Dat wij veilig voor hem zijn dankzij zijn eigen zaakjes?'
'Ik denk het wel,' zei Michael. 'Het zou me niks verbazen als hij naast de Moeflon in die auto zat, vloekend van nond-nonde-hier-en-gunter.'
Even waren dachten we allemaal in een gelukzalige stilte aan het kwabbige, grauwe hoofd van meneer Dogger, dat zo'n mooie ongezonde paarse kleur kon krijgen als hij zich echt kwaad maakte.
'Misschien stikt hij er wel in,' mijmerde ik.
'Foei Gaby,' zei mama. 'Hopen dat mensen dood gaan is he-le-maal niet netjes. Ik bedoel natuurlijk: je mag dat wel hopen, maar het is bepaald onfatsoenlijk om het hardop te zeggen. Dus dat soort dingen wil ik niet meer horen, begrepen?'
'Ja mama.'
Intussen hadden we de snelweg bereikt. Nu we niet meer door huizen heen hoefden te rijden, drukte mama het gaspedaal eens lekker diep in, en nu bleek dat de wagen van de veldmaarschalk niet alleen heel sterk was, maar ook heel erg snel.
Met een noodgang denderden we over het wegdek. Gelukkig was het niet druk op de weg, omdat het midden in de nacht was, anders hadden we ongetwijfeld vreselijke ongelukken veroorzaakt.
Jammer genoeg was dat ook in het voordeel van de Moeflon.
Onze terreinwagen was heel geschikt om door huizen en over brokstukken te rijden; de auto van de Moeflon had daar veel meer moeite mee gehad. Maar nu, nu we op een mooi glad recht stuk weg reden, begon hij behoorlijk op ons in te lopen.
Nou ja, dat was geen ramp natuurlijk: wij zaten lekker veilig in onze gepantserde wagen. Laat die Moeflon ons maar inhalen, dacht ik! Wat kan hij nou helemaal doen? Onze weg blokkeren, met dat sportwagentje van hem? Haha! Daar rijden we dwars doorheen!
Maar mama dacht er anders over.
'Lieverds,' zei ze met een zorgelijk gezicht, 'we hebben een probleem,' en ze wees op het dashboard.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 10 april 2013

Een puik plan

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Gedwee stapte Jamal uit de wagen. Mama klom op de bestuurdersstoel, vroeg om Michael's zakmes (waar, onder andere, een schroevendraaiertje op zit. Een stuk of drie schroevendraaiertjes, om precies te zijn – het is zo'n zakmes) en begon aan het stuur te prutsen.
En te prutsen.
En te prutsen.
'Eh, mam,' vroeg ik voorzichtig, 'ben je alleen maar aan het repareren? Of maak je tegelijkertijd een paar, eh... verbeteringen?'
'Wat denk je?' vroeg mama terwijl ze geconcentreerd verder werkte. 'Dat ik helemaal krankzinnig ben? Ik weet heus wel dat we geen tijd hebben voor dat soort dingen – hoewel een klein kind nog kan zien dat dit mechaniekje veel beter kan. Als ik bijvoorbeeld... nou eens... dit schroefje...'
'Ma-ham!' riep Michael ongeduldig.
'Jaja, je hebt gelijk, ik zal er niet aan beginnen.' Ze zette vlot het stuur op zijn plek en tien seconden later konden we vertrekken.
Dat was helaas nét een paar seconden teveel.
In de verte kwam een auto aangereden. De auto van de Moeflon.
Kwetter en ik sleurden Jamal naar binnen en mama gaf gas.
Jamal leunde met een grote grijns tussen de stoelen door naar voren om het stuur vast te grijpen, net zoals mama bij hem had gedaan. Kwetter en ik wisten hem nog net op tijd tegen te houden.
Daardoor kon mama ongehinderd proberen om geen enkel huisje omver te rijden.
Soms waren de straatjes domweg te smal, en dan kon het even niet anders. Ze draaide het raampje naar beneden, en elke keer als ze iemands huisje in puin reed riep ze heel hard 'Sorry!' Dat dan weer wel.
'Waar is eigenlijk het plan, mam?' vroeg Michael.
'Goeie vraag,' zei mama. 'Om te beginnen wilde ik maar eens op weg naar de snelweg. Die is tenminste breed genoeg voor deze wagen, dus dan hoef ik niet de hele tijd huizen te vergruizen. Eigenlijk is huizen kapot beuken heel onbeleefd, namelijk. Wisten jullie dat?'
'Ik wist het niet zeker,' zei ik, 'maar ik dacht wel al zoiets.'
Michael mompelde iets onverstaanbaars. Het klonk verdacht veel als 'ja, er zal ook eens iets leuks zijn wat beleefd is'.
Jamal keek regelrecht teleurgesteld. Niet dat hij kon verstaan wat mama zei, maar ik vermeld het toch even. Want hij keek naar de huizen die we volledig intact achter ons lieten; het was duidelijk dat zijn teleurstelling veroorzaakt werd door een jammerlijk gebrek aan botsingen en brokstukken.
'Via de snelweg,' ging mama verder, 'wilde ik gewoon teruggaan naar Willem. Want dat is de enige plek in Zuid-Mallotië waar we met z'n allen zijn geweest, dus ik denk dat Eduard daar vroeg of laat heen zal komen om ons te zoeken.'
'Goed plan,' zei ik. 'Ik vroeg me al af hoe papa ons ooit weer terug moest vinden.'
'Da's inderdaad een puik plan voor het terugvinden van papa,' zei Michael. 'Maar wat ik eigenlijk bedoelde', is...'
Achter ons klonk een knal.
De knal van een pistool.
'...wat doen we met Dogger en de Moeflon?'
'Oh, bedoelde je dát,' zei mama. 'Daar heb ik nog geen idee voor, eerlijk gezegd.'
'Pang,' klonk het achter ons. 'Pang, pang!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 8 april 2013

De roestvrij-stalen neushoorn

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Sommige kinderen van tien zijn dol op auto's. Ze kennen alle merken uit hun hoofd en weten precies hoe een motor eruit ziet en waar elk dingetje voor dient.
Zo'n kind ben ik niet.
Ik kan nog geen voorwiel van een achterwiel onderscheiden.
Ja, het voorwiel zit vooraan en het achterwiel achteraan, zover kom ik ook nog wel, maar als je ze van de auto afhaalt zie ik geen verschil meer.
Misschien is er dan ook geen verschil meer. Dat zou kunnen. Maar dat weet ik dus niet.
Toch zijn er dingen die zelfs ik je kan vertellen over auto's.
Een van die dingen is dat je het stuur niet los moet rukken tijdens het rijden.
Daar komen namelijk ongelukken van.
En ja hoor, we botsten al meteen tegen een huis aan. Op zich was dat niks nieuws, want we deden al een kwartier lang niks anders; ook dit hutje, gemaakt van oude pallets en sloophout, ging finaal aan splinters onder de voorwielen van onze terreinwagen.
Wij zaten niet in een auto, we zaten in een roestvrij-stalen neushoorn.
Een op hol geslagen neushoorn, om precies te zijn, want zonder stuur doet zo'n wagen lekker wat-ie zelf wil. In een kaarsrechte lijn doorrijden, dwars door alles en iedereen heen.
Of, als je toevallig net aan een bocht bezig was: in een grote kring rondjes rijden, dwars door alles en iedereen heen.
Wij gingen dus in rondjes.
Het eerste rondje was het ergst. Want tijdens het eerste rondje knalden we tegen allerlei huizen en hokken en weet ik veel wat.
Het tweede rondje was al beter; toen botsten we alleen nog maar tegen de brokstukken van de huizen die we de eerste keer hadden gesloopt.
Tijdens het derde rondje reden we alleen nog maar de restjes van de brokstukken tot gruis.
Na een rondje of vijf reden we over een cirkelvormige weg, precies even breed als onze auto, keurig netjes geplaveid met aangeplempte stukjes huis.
Na het zesde rondje stopten we.
'Hehe,' zei ik, 'eindelijk! Ik begon al te denken dat de benzine nooit op zou raken.'
'De benzine ís ook niet op,' zei Michael. 'Kijk maar naar het wijzertje.'
Hij wees op het dashboard. Daar zaten vier of vijf verschillende wijzertjes, allemaal druk bezig met wijzen.
Één wijzertje wees naar het getal nul. Dat was dus waarschijnlijk het wijzertje voor hoe hard we gingen, want we gingen nul hard. De andere wijzertjes wezen ongeveer naar het midden van hun wijzerplaatjes, en dat is meestal niet nul, dus waarschijnlijk hadden we meer dan nul benzine. Waarom waren we dan gestopt?
Verveeld en sjaggerijnig keek Jamal voor zich uit.
Aha.
Kennelijk vond hij het saai om steeds hetzelfde rondje te rijden.
Mama stapte uit, deed Jamal's deur open en trok hem aan zijn oor van de bestuurdersstoel.
Niet heel hard, hoor. Kinderen pijn doen, daar houdt ze niet van. Daar is ze heel erg tegen. Als ze ziet dat iemand kindren pijn doet dan wordt ze zó boos, dat ze dingen op gaat blazen.
Nee, ze trok hem zachtjes aan zijn oor omdat het geen zin had om te zeggen: ga eens opzij, want ik wil het stuur repareren.
Dat verstond hij toch niet. En mama wilde wél het stuur repareren, want de schurken konden ieder moment achter ons opduiken.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 5 april 2013

Het feest van vernietiging

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


We ramden een piepklein huisje – of nou ja, eigenlijk was het geen huisje. Het was een openbare plee. Een openbare wc die niet goed werkte, om precies te zijn. Vooral niet wat doortrekken betreft. Ergens in het binnenste van het hokje lag een enorme voorraad van, nou ja, je-weet-wel. Je-weet-wel die al dagen geleden doorgetrokken had moeten zijn. In een stinkende bruin-met-gele fontein kwam de viezigheid naar buiten, toen wij eenmaal de leidingen kapot hadden geramd.
Wijzelf hadden daar helemaal geen last van, want wij waren alweer een heel eind verderop. In de worsteling had Jamal zó hard op het gaspedaal getrapt dat we door de straten vlógen.
En als ik zeg: door de straten, dan bedoel ik eigenlijk: door de huizen. Dwars door keukentjes, eetkamers, voorraadkasten en achtertuinen. Potten, pannen en beddengoed vlogen ons om de oren. Waslijnen knapten af, konijnenhokken versplinterden – heel even zat er een stomverbaasd konijn op de motorkap, met zijn neus tegen de voorruit en een onderbroek op zijn hoofd.
Waarom ik? zag je het beest denken. Waarom een onderbroek? Waarom... maar toen werd het door een plotselinge bocht van de motorkap geslingerd.
We schoten een steegje in van het soort waar Michael over verteld had. Een steegje dat veel te krap was voor de grote, brede terreinwagen waar wij in zaten. Dat was geen probleem voor ons.
Dat was een probleem voor het steegje.
De muren aan weerszijden kreukelden in elkaar als bordkarton. Ze wáren trouwens ook van bordkarton, zag je als je goed keek.
Ja, zo arm waren de mensen hier – hun muren waren van bordkarton!
En dat was maar goed ook.
Want daardoor konden de drugshandelaren, die het steegje bevolkten, gemakkelijk een veilig heenkomen zoeken toen wij op hen af kwamen gedenderd. Ze sprongen gewoon opzij, nauwelijks gehinderd door de kartonnen wanden van de steeg.
Die nu een soort boulevard was.
'Laat me los,' riep Michael tegen Kwetter. 'Straks vallen er nog dooien,' en het was inderdaad een godswonder dat onze wagen nog niet één van de arme Jalskenaren onder zijn machtige wielen verpletterd had.
'Nou ja,' ging Michael verder toen de rust weer een beetje was weergekeerd – de rust in de auto bedoel ik dan hè, daarbuiten ging het feest van vernietiging gewoon door – 'ik ging dus op zoek naar een deur, en de eerste deur die ik vond was een garagedeur. Die was gewoon open. Binnen stonden zeven auto's. De ene nog duurder en patseriger dan de andere. In de grootste wagen, dezelfde gepantserde patser-bak waar we nu in rijden, zat Jamal. “Maikool!” riep hij enthousiast, en hij vertelde me wat er allemaal aan de hand was. In het Mallotisch, dus daar had ik verder niks aan, maar dat geeft niet want daden spreken duidelijker dan woorden. En de daden zijn duidelijk: wij hebben jullie gered!'
'Inderdaad,' zei ik. 'En nu? Wat is het plan?'
'Dat moet je aan Jamal vragen,' zei Michael. 'Veel succes. Hij spreekt alleen Mallotisch. En hij is de baas, want hij heeft het stuur.'
'Nee hoor,' zei mama triomfantelijk. 'Ik heb het stuur.' Ze hield het ding omhoog alsof het een voetbal-cup was. 'Het zit weliswaar niet meer vast aan de wagen,' voegde ze er peinzend aan toe, 'maar goed: ik heb het stuur.'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 3 april 2013

De akelige steegjes van Jalsk

BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE


'Gewoon, uit de garage gepakt,' zei Michael. 'Het hoofdkwartier heeft een garage namelijk. Hád een garage. Ik was ervandoor geslopen, weet je wel, toen de Veldmaarschalk jou had vastgegrepen. Ik had geen idee waar ik heen moest, natuurlijk, want ik ken hier de weg niet, maar ik dacht: hoe verder ik van het ZMB vandaan ben, hoe beter het is. Dus ik begon gewoon te rennen. Steegje in, steegje uit. Binnen dertig seconden al hopeloos verdwaald natuurlijk, maar ik dacht: okee, als ik al niet meer weet waar ik ben, dan weten zij het al helemaal niet! Maar zo werkt het natuurlijk niet, met verdwalen.
Ten eerste waren al die steegjes best wel griezelig. Zo donker als ik weet niet wat, en er slopen ratten rond zo lang als mijn onderarm. En ook nog andere beesten: verwilderde katten, en honden die leefden van vuilnis – wat je ook kon zien, aan hun schurftplekken, hun kapotte oren, hun afgebroken tanden en de verschrikkelijke valse blik in hun gele ogen – en beesten die ik niet kende maar die eruit zagen alsof ze graag kinderen beten.
Af en toe kwam ik er ook mensen tegen, en die waren nog veel enger: drugshandelaren met messen en pistolen. En drugsgebruikers ook, natuurlijk. Sommigen liepen liepen rond als zombies, alsof hun geest was doodgemaakt. Anderen begonnen zomaar te krijsen en met hun armen te zwaaien en schuimbekkend achter me aan te hollen. Alsof hun geest niet dood was, maar wel gebroken zodat ze dingen zagen die er niet waren. Akelige dingen, die het op hen hadden gemunt. Kennelijk dachten ze dat ik ook zo'n akelig ding was, maar dan een kleintje – eentje waarvan ze het wel konden winnen. Dara ging ik niet op wachten natuurlijk.
Al met al was ik blij toen ik weer terugkwam bij het hoofdkwartier van het ZMB.
Want dat is het andere probleem met verdwalen: als je niet weet waar je bent, weet je ook niet waar je heen gaat. En dan loop je soms je vijanden recht in de armen.
Dat viel mee, gelukkig: ik kwam uit aan de andere kant van het hoofdkwartier, waar geen mens te zien was. Er was alleen de grote, blinde muur.
Ik herkende hem onmiddellijk, want we hebben al een week tegen die muur aan zitten kijken, maar dan vanaf de binnenkant. Bovendien was het de enige muur waarachter voortdurend dingen ontploften, dus het was duidelijk dat mama er aan de gang was.
Ik besloot om naar binnen te gaan.
Binnen waren misschien meneer Dogger en zijn trawanten, maar buiten was het ook geen pretje. En mama was ook binnen, dat was duidelijk te horen. Misschien kon ik haar wel helpen. Of jou of Kwetter.'
'Wou jij mij redden?' vroeg Kwetter blij. 'Jij is lief!' Ze worstelde zich tussen de autostoelen door naar voren, om mijn broer eens flink te knuffelen.
Dat had ze beter niet kunnen doen, want er hing al iemand schuin tussen de stoelen in: mijn moeder, die nog steeds met Jamal om het stuur aan het vechten was.
Het werd een heel gedrang daar tussen die stoelen, en dat betekende onder andere dat het stuur nu nog wilder heen en weer werd gerukt. De gevolgen kun je waarschijnlijk wel raden.


BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE

maandag 1 april 2013

Huisjes, berekend op aardbevingen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Zo gaat het de hele tijd,' zei Michael. 'Gelukkig is dit een hele stevige auto. En de gebouwen hier in de buurt zijn heel erg gammel. Huizen van golfplaat, daar rijd je dwars door heen als het moet. En het moet heel vaak.'
Precies op dat moment nam Jamal een iets te krappe bocht. Onder luid gekraak brak onze grote sterke bumper de hoek van een huisje in stukken. Wij reden ongedeerd verder, maar een huisje zonder hoek – dat blijft niet staan. In onze achteruitkijkspiegels zagen we hoe het huisje langzaam maar zeker scheef overhelde en instortte.
'Zouden er geen mensen in dat huisje zitten?' vroeg ik me bezorgd af.
'Nee, natuurlijk zitten daar geen mensen in,' antwoordde Michael. 'Ze liggen erin. Ze slapen, het is midden in de nacht.'
'Maar... Dan krijgen ze het dak op hun hoofd!'
'Ach,' zei Michael, 'dat dak, dat weegt zo goed als niks. Geen probleem. Golfplaten huisjes hebben niet alleen maar nadelen, hoor. Je moet rekenen: er zijn hier vaak aardbevingen en zo, dus die huisjes zijn min of meer gemaakt om in te storten zonder de inwoners te verwonden.'
'Hoe weet jij dat allemaal?' vroeg Kwetter.
'Ik weet het helemaal niet,' zei Michael. 'Maar ik hoop het wel heel erg.'
'Juist,' zei mama vastberaden. 'Ik ben hier de enige met een rijbewijs, dus...' Ze leunde tussen de twee voorstoelen door en nam het stuur van Jamal over.
Tenminste, dat was haar bedoeling.
Maar Jamal dacht er heel anders over. Jamal vond sturen leuk; hij had dat altijd al eens willen doen en nu hij eindelijk de kans kreeg, liet hij zich niet tegenhouden. Zelfs niet door een internationale terroristische superster.
Nu hoef ik waarschijnlijk niet uit te leggen wat er met een auto gebeurt wanneer er twee mensen vechten om het stuur.
We scheurden door de wijk als een bal in een flipperkast, stuiterend van het ene obstakel naar het andere. Als de beste chauffeur ter wereld het stuur had genomen, en geprobeerd had zoveel mogelijk schade aan te richten, had hij niet méér huisjes kunnen raken dan mama en Jamal. En ieder huisje dat we raakten, donderde krakend of kletterend omver. We lieten een breed en volkomen onvoorspelbaar spoor van vernietiging achter ons, op weg naar...
Eh...
'Waar gaan we eigenlijk heen?' vroeg ik.
'Geen idee,' zei Michael. 'Volgens mij gaan we niet echt ergens heen. We gaan ergens vandaan. Van het hoofdkwartier van het ZMB, namelijk. Jamal helpt ons ontsnappen, begrijp je wel?'
Ik schudde mijn hoofd. 'Ik weet het niet, hoor, maar als je ontsnapt probeer je toch meestal om geen sporen achter te laten? Ik bedoel: als Dogger en de Moeflon ons willen vinden, hoeven ze alleen maar de omgevallen huisjes te volgen.'
Op dat moment reden we een soort waterpomp aan gruzelementen. Een fraaie fontein klaterde achter ons op het wegdek.
'Volgens mij is wij geeneens aan het ontsnappen,' zei Kwetter zuur. 'Volgens mij vindt Jamal het gewoon leuk om in de auto te rijden.'
Dat laatste was in ieder geval waar. Joelend van de pret ramde Jamal een bushokje in puin.
'Hoe komen jullie eigenlijk aan deze wagen?' vroeg ik.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE