BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Gelukkig zag Kwetter zelf wat er aan de hand was. Ze liep terug naar de achterkant van de container, zodat die omlaag zakte en ik makkelijk over kon stappen. Zo deed we het bij de laatste paar containers steeds weer: zij sprong op een nieuwe container en bleef even staan, zodat ik zonder moeite kon overstappen, en dan renden we samen naar de volgende. Zo schoot het lekker op, en oen we bij mama's container kwamen riep ze: 'Acht seconden! Duiken!' Want er kwamen geen containers meer, er kwam alleen nog maar zee, en we doken in het water en hielden ons vast aan de stalen randen van de ijzeren bak en mama zei: 'Twee sec...' en toen ontplofte de boel.
Het was inderdaad de grootste bom die mama ooit gemaakt had.
De knal was krankzinnig; het klonk alsof alle zeven miljard mensen van de wereld tegelijkertijd zo hard mogelijk boem riepen. Nee, alsof alle zeven miljard mensen tegelijkertijd een stuk vuurwerk afstaken. En dan bedoel ik geen sterretje. Dan bedoel ik de klappers die Michael twee jaar eerder, met Oude en Nieuw, gekocht had van een grote jongen. De klappers waar papa en mama niks van mochten weten. En de politie ook niet. Die hele harde knalklappers, zo hard dat ze verboden waren, die bedoel ik.
Maar dan zeven miljard keer.
Het was een hele harde knal, wil ik maar zeggen. Als mama niet onze hoofden onder water had geduwd, zodat het water het geluid een beetje kon dempen, dan waren we ongetwijfeld voor de rest van ons leven doof geweest.
De lichtflits kwam iets later dan de klap, omdat de bom in het ruim was afgegaan en de ontploffing eerst de stalen wanden van het schip open moest scheuren om naar buiten te kunnen. Dat openscheuren ging moeiteloos, maar het duurde toch even een paar seconden voordat de het licht van de klap, zo helder als een tweede zon, naar buiten kon.
We hielden onze ogen stijf dicht, natuurlijk, maar de flits kwam gewoon door onze oogleden heen.
Daarna werd het spannend.
De Engel des Doods was een groot schip, gebouwd uit het sterkste ijzer, maar ze werd in stukken gerukt alsof ze van nat krantenpapier gemaakt was. Die stukken werden door de lucht geblazen als de pluisjes van een paardenbloem, om vervolgens op ons neer te storten als een hagel van gloeiend staal.
Eh... nat krantenpapier, paardenbloem-pluisjes, hagel van staal... Dit klinkt misschien een beetje warrig?
Dat komt dan waarschijnlijk omdat de menselijke taal eigenlijk geen woorden heeft voor de GROTE GIGANTISCHE ROTKLAP die mama gemaakt had, en voor de verschrikkelijke helse chaos die erop volgde: golven hoger dan huizen, containers vol bevroren vis (langzaam ontdooiende vis, eigenlijk) die her en der vlogen door de lucht en door het water, het verschil tussen lucht en water was eigenlijk niet meer te merken, boven werd onder en koud werd warm, en al die tijd klampten we ons vast aan onze eigen container, ook al zagen we overal om ons heen stalen bakken tegen elkaar knallen als hamers op aambeelden.
Dit alles duurde, bij elkaar, hooguit een seconde of tien.
Daarna zag de zee er heel anders uit.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
maandag 16 december 2013
vrijdag 13 december 2013
Wippen en wappen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Auw,' zei Kwetter. Ze stond op en wreef over haar pijnlijke billen. 'Dit hebde ik niet verwacht. Ik denkte: wij valt in het water.'
Ik klopte op de grond.
Die was van galmend ijzer, want we waren terechtgekomen op een grote container. Een van de containers met bevroren vis (of misschien waren het mjamburgers) die door Leeghwaters druk op de knop overboord waren gegooid.
De zee rondom het schip was één stalen vlakte van dobberende containers.
'Kijkt eens, daar is mama,' wees Kwetter.
Mijn moeder stond een heel eind bij ons vandaan, helemaal aan de rand van het veld van containers. Ze riep iets, maar dat konden we niet verstaan. De zee was kalm, maar ook een kalme zee heeft nog golfjes en de grote stalen bakken klotsten voortdurend tegen elkaar aan. Iedere botsing maakte een zacht, boenkend geluid en dat alles bij elkaar gaf veel meer herrie dan mijn moeder kon overstemmen.
'Volgens mij wilt zij dat wij naar haar toekomt,' zei Kwetter.
Inderdaad stond mama tamelijk dringende gebaren te maken. Ik heb, zoals je weet, vrij scherpe ogen dus ik kon zelfs de uitdrukking op haar gezicht zien. En ze keek héél bezorgd. Zo bezorgd dat je beter kon zeggen dat ze totaal in paniek was.
Zo had ik haar nog niet vaak gezien.
'Laten we maar eens gaan kijken wat er aan de hand is,' zei ik. Ik nam een zo lang mogelijke aanloop en sprong naar de volgende container. Kwetter kwam vrolijk achter me aan gehupst. Die had geen aanloop nodig.
Mama bleef maar wuiven en roepen. Dus wij sprongen nog een paar containertjes verder. Dat is trouwens makkelijker gezegd dan gedaan, want de kant van de container waar je op terechtkomt, zakt onmiddellijk naar beneden.Als een wipwap. Dus ons gespring werd een soort gewankel en gehobbel en dan uit alle macht springen en hopen dat je met je vingertoppen achter een richeltje blijft haken. Terwijl jij naar beneden wipt en de container waar je net vanaf bent gesprongen naar boven wapt.Zodat je je in de vreemdste bochten moet wringen om niet tussen twee gigantische stalen blokken verpletterd te worden.
Dit zou nooit een hobby van me worden, besloot ik.
Na drie containers konden we horen wat mama zei: '...en dertig seconden, schiet op, grutjes nog aan toe!'
'Wat denk je dat we aan het proberen zijn?' wilde ik terugroepen. Maar ik had al mijn adem nodig voor het springen en wankelen enzovoort, want ik moest nog vier containers. Kwetter, die hier natuurlijk veel beter in was dan ik, hoefde er nog maar drie. Ze keek over haar schouder en riep: komt jij nog?'
Nee, suffe druif, niet als jij aan die kant van de container blijft staan, dacht ik. Want ze stond klaar om de volgende sprong te nemen en daardoor zakte de voorkant van de container omlaag. Wat wil zeggen dat de achterkant, de kant waar ik op moest springen dus, omhóóg kwam. Te hoog voor mij. Ik kon daar niet komen. Juist doordat Kwetter op mij bleef wachten, zorgde ze dat ik niet verder kon.
Dat zou ik haar eigenlijk even uit moeten leggen, dacht ik. Maar ik kon niks uitleggen. Ik kon alleen maar hijgen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Auw,' zei Kwetter. Ze stond op en wreef over haar pijnlijke billen. 'Dit hebde ik niet verwacht. Ik denkte: wij valt in het water.'
Ik klopte op de grond.
Die was van galmend ijzer, want we waren terechtgekomen op een grote container. Een van de containers met bevroren vis (of misschien waren het mjamburgers) die door Leeghwaters druk op de knop overboord waren gegooid.
De zee rondom het schip was één stalen vlakte van dobberende containers.
'Kijkt eens, daar is mama,' wees Kwetter.
Mijn moeder stond een heel eind bij ons vandaan, helemaal aan de rand van het veld van containers. Ze riep iets, maar dat konden we niet verstaan. De zee was kalm, maar ook een kalme zee heeft nog golfjes en de grote stalen bakken klotsten voortdurend tegen elkaar aan. Iedere botsing maakte een zacht, boenkend geluid en dat alles bij elkaar gaf veel meer herrie dan mijn moeder kon overstemmen.
'Volgens mij wilt zij dat wij naar haar toekomt,' zei Kwetter.
Inderdaad stond mama tamelijk dringende gebaren te maken. Ik heb, zoals je weet, vrij scherpe ogen dus ik kon zelfs de uitdrukking op haar gezicht zien. En ze keek héél bezorgd. Zo bezorgd dat je beter kon zeggen dat ze totaal in paniek was.
Zo had ik haar nog niet vaak gezien.
'Laten we maar eens gaan kijken wat er aan de hand is,' zei ik. Ik nam een zo lang mogelijke aanloop en sprong naar de volgende container. Kwetter kwam vrolijk achter me aan gehupst. Die had geen aanloop nodig.
Mama bleef maar wuiven en roepen. Dus wij sprongen nog een paar containertjes verder. Dat is trouwens makkelijker gezegd dan gedaan, want de kant van de container waar je op terechtkomt, zakt onmiddellijk naar beneden.Als een wipwap. Dus ons gespring werd een soort gewankel en gehobbel en dan uit alle macht springen en hopen dat je met je vingertoppen achter een richeltje blijft haken. Terwijl jij naar beneden wipt en de container waar je net vanaf bent gesprongen naar boven wapt.Zodat je je in de vreemdste bochten moet wringen om niet tussen twee gigantische stalen blokken verpletterd te worden.
Dit zou nooit een hobby van me worden, besloot ik.
Na drie containers konden we horen wat mama zei: '...en dertig seconden, schiet op, grutjes nog aan toe!'
'Wat denk je dat we aan het proberen zijn?' wilde ik terugroepen. Maar ik had al mijn adem nodig voor het springen en wankelen enzovoort, want ik moest nog vier containers. Kwetter, die hier natuurlijk veel beter in was dan ik, hoefde er nog maar drie. Ze keek over haar schouder en riep: komt jij nog?'
Nee, suffe druif, niet als jij aan die kant van de container blijft staan, dacht ik. Want ze stond klaar om de volgende sprong te nemen en daardoor zakte de voorkant van de container omlaag. Wat wil zeggen dat de achterkant, de kant waar ik op moest springen dus, omhóóg kwam. Te hoog voor mij. Ik kon daar niet komen. Juist doordat Kwetter op mij bleef wachten, zorgde ze dat ik niet verder kon.
Dat zou ik haar eigenlijk even uit moeten leggen, dacht ik. Maar ik kon niks uitleggen. Ik kon alleen maar hijgen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 11 december 2013
De warme, droge zee
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
Met een woedende kreet verdween Leeghwater uit het zicht. Onmiddellijk klapte het luik weer dicht, met een luide klik. Kwetter liet zich uit de lamp vallen.
'Nu wij,' zei ze haastig. 'Dat bent een probleempje, want als jij het luik voor mij open doet, wie doet het dan voor jou? Het lijkt mij het beste als ik het luik voor jou open doet, en als ik daarna met een aanloop en een salto over het bureau heen springt, dan haalt ik het luik misschien nét op tijd.'
Ik graaide een paar opgezette hamsters van de muur en ging klaar staan onder de lamp. 'Dukken maar!'
Kwetter drukte op het knopje, maar ik stond niet netjes op het luik. Schuin onder de lamp stond ik, in plaats van recht eronder, en dat was expres. Het luik floepte open, en na anderhalve seconde weer dicht zonder dat er iemand doorheen gegaan was.
Dicht?
Nee, helemáál dicht klapte het niet, want er zaten twee opgezette hamsters klem tussen het randje.
'Wat doet jij nou?' vroeg Kwetter een beetje verontwaardigd. 'Wij hebt geen tijd om met hamsters te spelen. Ik hebde jou toch verteld wat mijn plan was?'
'Ja. En mijn plan is beter. Kom snel, straks ontploft de boel.'
Met een ietwat sjaggerijnig gezicht, en onder gemompel van 'mijn plan bende uitstekelvarken, toevallig,' haastte Kwetter zich mijn kant op. We grepen elkaar stevig beet en sprongen één twee hup op het luik.
Dat was nog niet netjes dichtgeklikt, en door ons gewicht zwaaide het weer helemaal open. Samen met de twee hamsters vielen we op een soort glijbaan, spiegelglad en steil naar beneden. Het was er aardedonker, dus ik heb geen idee waar het ding van gemaakt was of hoe groot de gang was waar we doorheen gleden. Ik had ook niet veel tijd om het me af te vragen, want ik had het best druk met gillen.
Kwetter ook, alleen gilde zij 'Joewieieie' van de pret in plaats van 'aaargh' van de schrik, zoals ik. Soms erger ik me dood aan mezelf. Jongens zijn volkomen gestoord, maar – laten we eerlijk zijn – meisjes zijn ook niet helemaal perfect. Sommige dingen die meisjes doen zijn best wel stom. Bijvoorbeeld: gillen als je in een achtbaan zit. Waar is dat goed voor? Daar schiet je toch niks mee op?
Altijd als ik een meisje hoor gillen om niks,denk ik boos: kom op, meid, een beetje zelfbeheersing graag, ja?
En nu gilde ik zelf mijn longen leeg.
Heel, heel ergerlijk.
Gelukkig duurde het niet lang.
Na twintig seconden bonsden onze voeten tegen een tweede luikje, dat onmiddellijk open floepte om ons erdoor te laten.
Heel eventjes vlogen we door de lucht, de blauwe zonnige lucht boven de deinende zee, maar het vliegen werd al snel vallen. We tuimelden 'Joewieie' en 'aargh' (bah) naar beneden, tot we met een luide bons neerkwamen op de warme, droge zee.
Wacht eens even...
Droog?
Bons?
Wat nu weer?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
/ VOLGENDE
Met een woedende kreet verdween Leeghwater uit het zicht. Onmiddellijk klapte het luik weer dicht, met een luide klik. Kwetter liet zich uit de lamp vallen.
'Nu wij,' zei ze haastig. 'Dat bent een probleempje, want als jij het luik voor mij open doet, wie doet het dan voor jou? Het lijkt mij het beste als ik het luik voor jou open doet, en als ik daarna met een aanloop en een salto over het bureau heen springt, dan haalt ik het luik misschien nét op tijd.'
Ik graaide een paar opgezette hamsters van de muur en ging klaar staan onder de lamp. 'Dukken maar!'
Kwetter drukte op het knopje, maar ik stond niet netjes op het luik. Schuin onder de lamp stond ik, in plaats van recht eronder, en dat was expres. Het luik floepte open, en na anderhalve seconde weer dicht zonder dat er iemand doorheen gegaan was.
Dicht?
Nee, helemáál dicht klapte het niet, want er zaten twee opgezette hamsters klem tussen het randje.
'Wat doet jij nou?' vroeg Kwetter een beetje verontwaardigd. 'Wij hebt geen tijd om met hamsters te spelen. Ik hebde jou toch verteld wat mijn plan was?'
'Ja. En mijn plan is beter. Kom snel, straks ontploft de boel.'
Met een ietwat sjaggerijnig gezicht, en onder gemompel van 'mijn plan bende uitstekelvarken, toevallig,' haastte Kwetter zich mijn kant op. We grepen elkaar stevig beet en sprongen één twee hup op het luik.
Dat was nog niet netjes dichtgeklikt, en door ons gewicht zwaaide het weer helemaal open. Samen met de twee hamsters vielen we op een soort glijbaan, spiegelglad en steil naar beneden. Het was er aardedonker, dus ik heb geen idee waar het ding van gemaakt was of hoe groot de gang was waar we doorheen gleden. Ik had ook niet veel tijd om het me af te vragen, want ik had het best druk met gillen.
Kwetter ook, alleen gilde zij 'Joewieieie' van de pret in plaats van 'aaargh' van de schrik, zoals ik. Soms erger ik me dood aan mezelf. Jongens zijn volkomen gestoord, maar – laten we eerlijk zijn – meisjes zijn ook niet helemaal perfect. Sommige dingen die meisjes doen zijn best wel stom. Bijvoorbeeld: gillen als je in een achtbaan zit. Waar is dat goed voor? Daar schiet je toch niks mee op?
Altijd als ik een meisje hoor gillen om niks,denk ik boos: kom op, meid, een beetje zelfbeheersing graag, ja?
En nu gilde ik zelf mijn longen leeg.
Heel, heel ergerlijk.
Gelukkig duurde het niet lang.
Na twintig seconden bonsden onze voeten tegen een tweede luikje, dat onmiddellijk open floepte om ons erdoor te laten.
Heel eventjes vlogen we door de lucht, de blauwe zonnige lucht boven de deinende zee, maar het vliegen werd al snel vallen. We tuimelden 'Joewieie' en 'aargh' (bah) naar beneden, tot we met een luide bons neerkwamen op de warme, droge zee.
Wacht eens even...
Droog?
Bons?
Wat nu weer?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 9 december 2013
Zieke boerderijdieren
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'En,' vroeg ik voorzichtig, 'wat doen we als mijn moeder, uh, dat zendertje niet op tijd kan vinden? Of zo?'
'Dan ontploffen we,' antwoordde Leeghwater.
'Oh. Eh... dan is er iets wat ik u moet vertellen. Ik ben niet helemaal eerlijk tegen u geweest. Er is helemaal geen zendertje. Dat was maar een smoesje om u naar buiten te krijgen.'
'Heeft niet gewerkt,' zei Leeghwater.
'Wij moet hier weg! Anders ontploft wij!'
'Jij snapt het nog niet hè, dametje? Ik vind het niet erg om te ontploffen. Een kapitein die zijn schip niet kan redden, verdient niet beter. Daarom is de regel: De kapitein gaat altijd met het schip ten onder. Maar vandaag is er een uitzondering.'
Heel even durfde ik te hopen dat de kapitein iets verstandigs zou gaan zeggen. Maar nee hoor.
'Want vandaag,' ging hij verder, 'is de regel: de kapitein plus twee vervelende brutale slecht opgevoede terroristenkinderen gaan met het schip ten onder.'
'Stomme rot-kapitein!' riep Kwetter, en uit woede gaf ze zijn orgel een schop. Ze raakte het ding op precies de goede manier. Eigenlijk op precies de verkeerde manier, op de manier waarop je een orgel helemaal niet hóórt te raken, de manier die elke oprechte liefhebber van orgels pijn doet in de ziel. Wat ze precies deed weet ik niet, maar het instrument maakte en geluid dat het midden hield tussen een schetterende olifant, een krolse kat en een dodelijk gewonde koe.
Nu was de kapitein geen oprechte liefhebber van orgels.
Hij was vooral geen liefhebber van dit orgel. Hij haatte het, dat had hij ons zelf verteld. En de geluiden die hij zelf uit het apparaat wist te krijgen bij zijn pogingen om 'Boer daar ligt een kip in 't water' te spelen, deden ook nogal aan zieke boerderijdieren denken (onder andere aan verdrinkende kippen. Dat dan weer wel).
Maar nu, nu hij op het punt stond het orgel voor altijd te verliezen (en zichzelf erbij), nu was er iets veranderd. Misschien kwam het ook doordat hij, voor het eerst in zijn leven, een mooie melodie uit zijn orgel had weten te krijgen. In ieder geval: hij werd woedend toen Kwetter het ding een trap gaf. Met een schorre kreet sprong hij haar in de nek.
Tenminste, dat was de bedoeling. Maar hij maakte geen enkele kans tegen de razendsnelle lenigheid van onze Boegoenese vriendin. Ze danste opzij, en het duurde niet lang of hij zat schreeuwend en schuimbekkend achter haar aan, terwijl zij ontspannen door de kamer huppelde.
Ze gleed onder zijn bureau door, stuiterde bring-brang-broing over de toetsen van het orgel (waardoor de kapitein nog kwader werd), rende omhoog tegen de muur om met een salto weer neer te komen, schopte een paar opgezette hamsters naar Leeghwaters hoofd en klom in de lamp.
'Hierrr!' brulde hij met veel spuugspetters van machteloze woede. Zijn hoofd was knalrood en een ader klopte vervaarlijk in zijn hals.
'Hierr zeg ik! Ik ruk je in stukjes en die voor ik aan de haaien!'
'Integendeel, kapitein,' zei ik poeslief. 'Degene die hier aan de haaien gevoerd wordt, dat bent u!'
Het duurde eventjes voordat hij zag waar ik stond. Bij het bureau, met zijn vinger op de knop.
En hij stond op het luik.
'Bij wijze van spreken dan, want er zijn hier geen haaien. Heb ik laatst iemand horen zeggen,' glimlachte ik, en ik drukte op de knop.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'En,' vroeg ik voorzichtig, 'wat doen we als mijn moeder, uh, dat zendertje niet op tijd kan vinden? Of zo?'
'Dan ontploffen we,' antwoordde Leeghwater.
'Oh. Eh... dan is er iets wat ik u moet vertellen. Ik ben niet helemaal eerlijk tegen u geweest. Er is helemaal geen zendertje. Dat was maar een smoesje om u naar buiten te krijgen.'
'Heeft niet gewerkt,' zei Leeghwater.
'Wij moet hier weg! Anders ontploft wij!'
'Jij snapt het nog niet hè, dametje? Ik vind het niet erg om te ontploffen. Een kapitein die zijn schip niet kan redden, verdient niet beter. Daarom is de regel: De kapitein gaat altijd met het schip ten onder. Maar vandaag is er een uitzondering.'
Heel even durfde ik te hopen dat de kapitein iets verstandigs zou gaan zeggen. Maar nee hoor.
'Want vandaag,' ging hij verder, 'is de regel: de kapitein plus twee vervelende brutale slecht opgevoede terroristenkinderen gaan met het schip ten onder.'
'Stomme rot-kapitein!' riep Kwetter, en uit woede gaf ze zijn orgel een schop. Ze raakte het ding op precies de goede manier. Eigenlijk op precies de verkeerde manier, op de manier waarop je een orgel helemaal niet hóórt te raken, de manier die elke oprechte liefhebber van orgels pijn doet in de ziel. Wat ze precies deed weet ik niet, maar het instrument maakte en geluid dat het midden hield tussen een schetterende olifant, een krolse kat en een dodelijk gewonde koe.
Nu was de kapitein geen oprechte liefhebber van orgels.
Hij was vooral geen liefhebber van dit orgel. Hij haatte het, dat had hij ons zelf verteld. En de geluiden die hij zelf uit het apparaat wist te krijgen bij zijn pogingen om 'Boer daar ligt een kip in 't water' te spelen, deden ook nogal aan zieke boerderijdieren denken (onder andere aan verdrinkende kippen. Dat dan weer wel).
Maar nu, nu hij op het punt stond het orgel voor altijd te verliezen (en zichzelf erbij), nu was er iets veranderd. Misschien kwam het ook doordat hij, voor het eerst in zijn leven, een mooie melodie uit zijn orgel had weten te krijgen. In ieder geval: hij werd woedend toen Kwetter het ding een trap gaf. Met een schorre kreet sprong hij haar in de nek.
Tenminste, dat was de bedoeling. Maar hij maakte geen enkele kans tegen de razendsnelle lenigheid van onze Boegoenese vriendin. Ze danste opzij, en het duurde niet lang of hij zat schreeuwend en schuimbekkend achter haar aan, terwijl zij ontspannen door de kamer huppelde.
Ze gleed onder zijn bureau door, stuiterde bring-brang-broing over de toetsen van het orgel (waardoor de kapitein nog kwader werd), rende omhoog tegen de muur om met een salto weer neer te komen, schopte een paar opgezette hamsters naar Leeghwaters hoofd en klom in de lamp.
'Hierrr!' brulde hij met veel spuugspetters van machteloze woede. Zijn hoofd was knalrood en een ader klopte vervaarlijk in zijn hals.
'Hierr zeg ik! Ik ruk je in stukjes en die voor ik aan de haaien!'
'Integendeel, kapitein,' zei ik poeslief. 'Degene die hier aan de haaien gevoerd wordt, dat bent u!'
Het duurde eventjes voordat hij zag waar ik stond. Bij het bureau, met zijn vinger op de knop.
En hij stond op het luik.
'Bij wijze van spreken dan, want er zijn hier geen haaien. Heb ik laatst iemand horen zeggen,' glimlachte ik, en ik drukte op de knop.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 6 december 2013
Het idee van een plan
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het werd tijd dat de slimste van ons in actie kwam. Nou is mijn moeder de slimste, als het gaat om wetenschap, en het maken van bommen. Maar daar ging het nu niet om, en dus was ik het.
Tijd voor een slim plan!
'U moet met ons meekomen,' riep ik dringend tegen de kapitein. 'Dat is belangrijk!'
Want mijn slimme plan was om de kapitein mee te lokken. Niet met stompen en bewusteloos, maar met slimme praatjes. 'We moeten heel snel zijn! We hebben nog maar een paar minuten!'
'Om wat te doen?' wilde de kapitein weten.
Eh...
Tja. Jammer genoeg had ik nog niet genoeg tijd gehad om mijn sluwe plan helemaal uit te werken. Eigenlijk was het nog helemaal geen slim plan. Het was meer het idee van een slim plan. Vanaf hier moest ik alles nog verzinnen.
'Om... om...'
'Jouw schip!' kwam Kwetter mij te hulp. 'Wij kunt jouw schip nog redden!'
Er leek een sprankje hoop te komen in de kop van de kapitein.
'Ja,' zei ik, 'maar dan moeten we zo snel mogelijk van het schip af.'
'Ja, want buit het schip, daar heeft wij, eh, daar is...'
'Daar is een deel van de bom verstopt! Een, een, een zendertje!'
'Precies. Een zendertje. Dat heeft wij verstopt in onze duikboot. Maar de duikboot bent al uitgeladen, dus wij moet zo snel als wij kunt van het schip af.'
De kapitein krabde zich achter zijn oor. 'Ja? En waarom gaan jullie niet gewoon naar die duikboot om dat zendertje...'
Kwetter en ik keken elkaar aan. Ik had even geen ideeën meer. Kwetter ook niet.
Gelukkig was mama er ook nog.
'Wij kennen de weg niet,' legde ze uit. Heet het eigenlijk wel uitleggen, als je iets uitlegt wat helemaal niet waar is? Uitleggen is: dat je iemand vertelt hoe het zit. Wat wij deden was: vertellen hoe het niet zat. Liegen dus. Uitliegen? 'Wij kennen de weg niet, en we hebben nog maar...' (Horloge) 'zeven minuten en drieëntwintig seconden voor de boel ontploft.'
'Oh,' glimlachte de kapitein. 'Tijd zat. Loopt u even mee naar mijn bureau?'
'Nee. We moeten niet naar uw bureau. We moeten naar onze...'
'MEE!' bulderde Leeghwater.
Hij riep het zo streng en zo dwingend, dat zelfs mijn moeder niet durfde te protesteren. Zo mak als een lammetje deed ze wat hij zei.
'Ga daar staan. Een meter naar rechts. Nee, andere rechts. Onder de lamp.'
Toen ze stond waar hij haar hebben wilde, beende hij naar het bureau. Daar drukte hij op een knopje, dat kunstig in het houtwerk verborgen was.
Onder mama's voeten klapte een luik open, en met een schrille kreet verdween mama de vloer in.
'Mama!' gilde ik, en Kwetter schreeuwde kwaad: 'Wat hebt jij met haar gedaan, stoute rotzak?'
'Ik heb haar de weg naar buiten gewezen,' glimlachte Leeghwater. 'Een hele korte weg, om precies te zijn. Ze is er al binnen een seconde of twintig. Normaal gebruik ik dat luik om brutale matroosjes aan de haaien te voeren. Bij wijze van spreken, dan. Er zwemmen geen echte haaien rondom mijn schip. Rondom mijn schip zwemt helemaal niets. Kilometers in de omtrek.'
'Geweldig,' riep Kwetter. 'Waar wacht wij nog op?'
'Wij wachten tot zij dat zendertje vindt, natuurlijk,' zei Leeghwater onverstoorbaar.
Oh jee.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het werd tijd dat de slimste van ons in actie kwam. Nou is mijn moeder de slimste, als het gaat om wetenschap, en het maken van bommen. Maar daar ging het nu niet om, en dus was ik het.
Tijd voor een slim plan!
'U moet met ons meekomen,' riep ik dringend tegen de kapitein. 'Dat is belangrijk!'
Want mijn slimme plan was om de kapitein mee te lokken. Niet met stompen en bewusteloos, maar met slimme praatjes. 'We moeten heel snel zijn! We hebben nog maar een paar minuten!'
'Om wat te doen?' wilde de kapitein weten.
Eh...
Tja. Jammer genoeg had ik nog niet genoeg tijd gehad om mijn sluwe plan helemaal uit te werken. Eigenlijk was het nog helemaal geen slim plan. Het was meer het idee van een slim plan. Vanaf hier moest ik alles nog verzinnen.
'Om... om...'
'Jouw schip!' kwam Kwetter mij te hulp. 'Wij kunt jouw schip nog redden!'
Er leek een sprankje hoop te komen in de kop van de kapitein.
'Ja,' zei ik, 'maar dan moeten we zo snel mogelijk van het schip af.'
'Ja, want buit het schip, daar heeft wij, eh, daar is...'
'Daar is een deel van de bom verstopt! Een, een, een zendertje!'
'Precies. Een zendertje. Dat heeft wij verstopt in onze duikboot. Maar de duikboot bent al uitgeladen, dus wij moet zo snel als wij kunt van het schip af.'
De kapitein krabde zich achter zijn oor. 'Ja? En waarom gaan jullie niet gewoon naar die duikboot om dat zendertje...'
Kwetter en ik keken elkaar aan. Ik had even geen ideeën meer. Kwetter ook niet.
Gelukkig was mama er ook nog.
'Wij kennen de weg niet,' legde ze uit. Heet het eigenlijk wel uitleggen, als je iets uitlegt wat helemaal niet waar is? Uitleggen is: dat je iemand vertelt hoe het zit. Wat wij deden was: vertellen hoe het niet zat. Liegen dus. Uitliegen? 'Wij kennen de weg niet, en we hebben nog maar...' (Horloge) 'zeven minuten en drieëntwintig seconden voor de boel ontploft.'
'Oh,' glimlachte de kapitein. 'Tijd zat. Loopt u even mee naar mijn bureau?'
'Nee. We moeten niet naar uw bureau. We moeten naar onze...'
'MEE!' bulderde Leeghwater.
Hij riep het zo streng en zo dwingend, dat zelfs mijn moeder niet durfde te protesteren. Zo mak als een lammetje deed ze wat hij zei.
'Ga daar staan. Een meter naar rechts. Nee, andere rechts. Onder de lamp.'
Toen ze stond waar hij haar hebben wilde, beende hij naar het bureau. Daar drukte hij op een knopje, dat kunstig in het houtwerk verborgen was.
Onder mama's voeten klapte een luik open, en met een schrille kreet verdween mama de vloer in.
'Mama!' gilde ik, en Kwetter schreeuwde kwaad: 'Wat hebt jij met haar gedaan, stoute rotzak?'
'Ik heb haar de weg naar buiten gewezen,' glimlachte Leeghwater. 'Een hele korte weg, om precies te zijn. Ze is er al binnen een seconde of twintig. Normaal gebruik ik dat luik om brutale matroosjes aan de haaien te voeren. Bij wijze van spreken, dan. Er zwemmen geen echte haaien rondom mijn schip. Rondom mijn schip zwemt helemaal niets. Kilometers in de omtrek.'
'Geweldig,' riep Kwetter. 'Waar wacht wij nog op?'
'Wij wachten tot zij dat zendertje vindt, natuurlijk,' zei Leeghwater onverstoorbaar.
Oh jee.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 4 december 2013
Bewusteloos wandelen?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was tóch kapitein Leeghwater, die op het orgel speelde. Hij zat in zijn kamer, met hangende schouders en dodelijk vermoeide ogen. Hij staarde naar de muur alsof hij er dwars doorheen keek. Naar een andere wereld. Zijn vingers gleden gedachteloos over de toetsen en zijn voeten zochten als vanzelf de pedalen.
'Mee komen jij,' beval mama. 'Nu meteen.'
Hij draaide zijn hoofd naar ons toe.
'Is het niet wonderlijk?' mompelde hij dromerig. 'Jarenlang heb ik dit orgel gehaat. Nooit heb ik er een noot op leren spelen. Ik kan ook helemaal geen noten lezen. Nooit gekund, terwijl ik het zó hard geprobeerd heb. Geoefend tot mijn vingers er blauw van zagen en de notenbalken dansten voor mijn ogen. En nu, nu ik voor altijd afscheid moet nemen van mijn orgel, nu ik het niet eens meer probeer, nu komt er vanzelf een deuntje uit mijn vingers...'
'Deuntje?' wilde ik roepen. 'Noemt u dat ontzagwekkende muziekstuk een deuntje?'
Maar mama was me te snel af. 'Bazel niet over deuntjes!' snauwde ze. 'We moeten hier weg! De boel gaat ontploffen!'
Opeens leek de kapitein wakker te worden. Hij stopte met spelen, schudde zijn hoofd en zei: 'Ontploffen? Mijn schip?'
'Reken maar,' zei mama. 'Het gaat ontploffen zoals er nog nooit een schip ontploft is. Dus wij moeten hier weg.'
'Gaat u maar,' zei Leeghwater. 'Ik blijf hier. De kapitein gaat met het schip ten onder; zo hoort dat. Dat is de enige manier.'
'Dit soort flauwekul, daar hebben we dus geen tijd voor,' zei mama en ze sloeg de kapitein buiten westen.
Tenminste, dat was de bedoeling.
Maar mijn moeder is niet bepaald een boks-expert. Ik heb haar nooit gewichten zien heffen, of een zandzak zien stompen. Opdrukken? Vergeet het maar!
Het sportiefste wat mijn moeder is haar leven gedaan heeft, is een wandelingetje maken. Bij mooi weer.
Daar heb je dus niks aan. Tenminste, je kunt zo'n kapitein moeilijk buiten westen wandelen. Iemand knock-out wandelen, dat bestaat niet. Dus mama deed wat ze in films wel eens gezien had, ze sloeg zo hard als ze kon met haar vuist tegen de zijkant van Leeghwaters hoofd.
Dat had op de kapitein geen enkele uitwerking. Hij wreef niet eens even over de plek waar ze hem geraakt had. Zijn enige reactie - en die kwam onmiddellijk, zonder nadenken - was dat hij mijn moeder een blauw oog sloeg. Zo hard dat ze twee meter achteruit struikelde.
'Wij moet vertrekken,' besliste Kwetter. 'Als die kapitein zo graag wilt ontploffen, nou, laat hem dan maar. Wat kunt ons dat schelen?'
'Er is nog nooit een mens gestorven door mijn bommen,' zei mama grimmig, 'en er zál ook niemand door sterven.' Ze rende op Leeghwater af en haalde uit alle macht uit.
Drie seconden later lag ze aan de andere klant van de kamer, met een pracht van een blauwe plek op haar wang.
Hmmm. Met boksen ging dit niet lukken, dat was nu wel duidelijk.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het was tóch kapitein Leeghwater, die op het orgel speelde. Hij zat in zijn kamer, met hangende schouders en dodelijk vermoeide ogen. Hij staarde naar de muur alsof hij er dwars doorheen keek. Naar een andere wereld. Zijn vingers gleden gedachteloos over de toetsen en zijn voeten zochten als vanzelf de pedalen.
'Mee komen jij,' beval mama. 'Nu meteen.'
Hij draaide zijn hoofd naar ons toe.
'Is het niet wonderlijk?' mompelde hij dromerig. 'Jarenlang heb ik dit orgel gehaat. Nooit heb ik er een noot op leren spelen. Ik kan ook helemaal geen noten lezen. Nooit gekund, terwijl ik het zó hard geprobeerd heb. Geoefend tot mijn vingers er blauw van zagen en de notenbalken dansten voor mijn ogen. En nu, nu ik voor altijd afscheid moet nemen van mijn orgel, nu ik het niet eens meer probeer, nu komt er vanzelf een deuntje uit mijn vingers...'
'Deuntje?' wilde ik roepen. 'Noemt u dat ontzagwekkende muziekstuk een deuntje?'
Maar mama was me te snel af. 'Bazel niet over deuntjes!' snauwde ze. 'We moeten hier weg! De boel gaat ontploffen!'
Opeens leek de kapitein wakker te worden. Hij stopte met spelen, schudde zijn hoofd en zei: 'Ontploffen? Mijn schip?'
'Reken maar,' zei mama. 'Het gaat ontploffen zoals er nog nooit een schip ontploft is. Dus wij moeten hier weg.'
'Gaat u maar,' zei Leeghwater. 'Ik blijf hier. De kapitein gaat met het schip ten onder; zo hoort dat. Dat is de enige manier.'
'Dit soort flauwekul, daar hebben we dus geen tijd voor,' zei mama en ze sloeg de kapitein buiten westen.
Tenminste, dat was de bedoeling.
Maar mijn moeder is niet bepaald een boks-expert. Ik heb haar nooit gewichten zien heffen, of een zandzak zien stompen. Opdrukken? Vergeet het maar!
Het sportiefste wat mijn moeder is haar leven gedaan heeft, is een wandelingetje maken. Bij mooi weer.
Daar heb je dus niks aan. Tenminste, je kunt zo'n kapitein moeilijk buiten westen wandelen. Iemand knock-out wandelen, dat bestaat niet. Dus mama deed wat ze in films wel eens gezien had, ze sloeg zo hard als ze kon met haar vuist tegen de zijkant van Leeghwaters hoofd.
Dat had op de kapitein geen enkele uitwerking. Hij wreef niet eens even over de plek waar ze hem geraakt had. Zijn enige reactie - en die kwam onmiddellijk, zonder nadenken - was dat hij mijn moeder een blauw oog sloeg. Zo hard dat ze twee meter achteruit struikelde.
'Wij moet vertrekken,' besliste Kwetter. 'Als die kapitein zo graag wilt ontploffen, nou, laat hem dan maar. Wat kunt ons dat schelen?'
'Er is nog nooit een mens gestorven door mijn bommen,' zei mama grimmig, 'en er zál ook niemand door sterven.' Ze rende op Leeghwater af en haalde uit alle macht uit.
Drie seconden later lag ze aan de andere klant van de kamer, met een pracht van een blauwe plek op haar wang.
Hmmm. Met boksen ging dit niet lukken, dat was nu wel duidelijk.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 2 december 2013
Een wonderlijk lied
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wij renden. We renden als gekken.
Echt als gekken, bedoel ik, want toen ik hijgde: 'Waar rennen we eigenlijk heen?' antwoordde mama: 'Naar de Tsaar Peter. Hoop ik.'
'Hoop je? Je weet het dus niet zeker?'
'Luister eens, lieve schat, er is een tijd om te rennen en er is een tijd om vragen te stellen. En nu is het rennen.'
Kwetter keek teleurgesteld. 'Ik denkte dat we naar iets spannends toe renden. Ik vraagde mij al af: wat is er voor spannends in de keuken?'
'Keuken? Wat voor keuken?'
Nou toen ik op de vlucht benden heeft ik het schip wel zo'n beetje leren kennen. En dit bent de weg naar de keuken.'
'En ook naar de rand van het schip, hoop ik,' zei mama zorgelijk.
'Nee hoor,' zei Kwetter. 'Dat bent precies de andere kant op.'
'Grut!' riep mama. 'Grut, grut grutversmurrie! Terug, kinderen, we hebben nog... 'ze keek weer op haar horloge '...vijfentwintig minuten om de Tsaar Peter te bereiken.'
'En de Tsaar Peter ligt bij de rand van het schip?'
'Ik hoop het.'
'Je hoopt wel erg veel,' zei ik zorgelijk. 'Mogen wetenschappers dat wel? Zou dat de resultaten niet beïnvloeden?'
'Dat beïnvloedt de resultaten verschrikkelijk,' knikte mama. 'Dus eigenlijk mag het niet. Maar op dit moment hebben we even niks anders. Rennen!'
We renden. We renden over het holle staal van het schip, tussen buizen en kranen en opslagtanks door. Alles was grijs en kil en verlaten.
Boven onze hoofden krijsten de meeuwen.
Verder was het schip stil, zo stil als het graf. Alsof de Engel des Doods zelf gestorven was.
En toen hoorde ik het.
Het was wondermooi en droevig en vreemd: een lied van eenzaamheid, en van het woeden van de zee. Een melodie die nu eens huilde als een kind in de nacht, dan weer brulde als de golven in de wilde wind. En dit alles – het kind, dat zo te horen zijn knuffelbeer kwijt was, en de golven die walvissen in de lucht gooiden alsof het herfstblaadjes waren – dit alles was één geheel, het klopte als één enkel hart. Hoe konden die twee dingen passen in één enkel lied? Ik werd er duizelig van. Alsof ik in een afgrond keek.
'Hoor je dat?' vroeg mama. 'Een of andere gek zit op het orgel te spelen.'
'De kapitein, denkt ik.'
'Nee, die kan alleen “boer daar ligt een kip in 't water.” Maar dat doet er niet toe. Wie het ook is: we moeten hem redden. Want hij – en wij – hebben nog maar...' (horloge) 'twaalf minuten en dertien seconden tot de grote klap.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wij renden. We renden als gekken.
Echt als gekken, bedoel ik, want toen ik hijgde: 'Waar rennen we eigenlijk heen?' antwoordde mama: 'Naar de Tsaar Peter. Hoop ik.'
'Hoop je? Je weet het dus niet zeker?'
'Luister eens, lieve schat, er is een tijd om te rennen en er is een tijd om vragen te stellen. En nu is het rennen.'
Kwetter keek teleurgesteld. 'Ik denkte dat we naar iets spannends toe renden. Ik vraagde mij al af: wat is er voor spannends in de keuken?'
'Keuken? Wat voor keuken?'
Nou toen ik op de vlucht benden heeft ik het schip wel zo'n beetje leren kennen. En dit bent de weg naar de keuken.'
'En ook naar de rand van het schip, hoop ik,' zei mama zorgelijk.
'Nee hoor,' zei Kwetter. 'Dat bent precies de andere kant op.'
'Grut!' riep mama. 'Grut, grut grutversmurrie! Terug, kinderen, we hebben nog... 'ze keek weer op haar horloge '...vijfentwintig minuten om de Tsaar Peter te bereiken.'
'En de Tsaar Peter ligt bij de rand van het schip?'
'Ik hoop het.'
'Je hoopt wel erg veel,' zei ik zorgelijk. 'Mogen wetenschappers dat wel? Zou dat de resultaten niet beïnvloeden?'
'Dat beïnvloedt de resultaten verschrikkelijk,' knikte mama. 'Dus eigenlijk mag het niet. Maar op dit moment hebben we even niks anders. Rennen!'
We renden. We renden over het holle staal van het schip, tussen buizen en kranen en opslagtanks door. Alles was grijs en kil en verlaten.
Boven onze hoofden krijsten de meeuwen.
Verder was het schip stil, zo stil als het graf. Alsof de Engel des Doods zelf gestorven was.
En toen hoorde ik het.
Het was wondermooi en droevig en vreemd: een lied van eenzaamheid, en van het woeden van de zee. Een melodie die nu eens huilde als een kind in de nacht, dan weer brulde als de golven in de wilde wind. En dit alles – het kind, dat zo te horen zijn knuffelbeer kwijt was, en de golven die walvissen in de lucht gooiden alsof het herfstblaadjes waren – dit alles was één geheel, het klopte als één enkel hart. Hoe konden die twee dingen passen in één enkel lied? Ik werd er duizelig van. Alsof ik in een afgrond keek.
'Hoor je dat?' vroeg mama. 'Een of andere gek zit op het orgel te spelen.'
'De kapitein, denkt ik.'
'Nee, die kan alleen “boer daar ligt een kip in 't water.” Maar dat doet er niet toe. Wie het ook is: we moeten hem redden. Want hij – en wij – hebben nog maar...' (horloge) 'twaalf minuten en dertien seconden tot de grote klap.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)