BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
En inderdaad, daar gingen we. Mama trapte het gaspedaal diep in en we gingen langzaam vooruit.
Eh... langzaam?
Wat nou weer?
'Hm,' zei mama. 'Let op, jongens. Dit is heel leerzaam. Je hebt verschillende soorten aardolie. Soms is het heel vloeibaar spul, dat zonder moeite de grond uit spuit. Soms zit het verstopt in keihard gesteente, en dan moet je het er met allerlei giftige chemicaliën uithalen. En soms is het een dikke, stugge, kleverige drab. Zoals nu. Kijk maar eens naar de wielen.'
Ik deed het raampje open en keek naar de wielen.
Ze zaten vast in een laag plakkerig zwart spul. Ze draaiden wel, maar het ging heel erg langzaam. In lange, dikke draden bleef de smerigheid aan onze banden hangen.
De tanks, die ons achtervolgden, hadden er ook last van, maar niet zoveel als wij. Ze kwamen dichter en dichterbij.
'Kan dat raampje weer dicht?' vroeg Michael. 'Het stinkt hier werkelijk af-schu-we-lijk.'
Daar had hij gelijk in, en ik deed het raampje weer dicht. Niet dat het iets hielp, hoor. De stank was overal; er was niet aan te ontsnappen.
'Ik voelt een beetje raar in mijn hoofd,' klaagde Kwetter.
Jamal zat glazig voor zich uit te staren, met een vaag glimlachje op zijn gezicht.
'Etherische gassen,' legde mama uit. 'Zitten ook in sommige soorten lijm. Je kunt... er... bewusteloos... van...'
Op dat moment schoot de wagen opeens vooruit. Kennelijk hadden we de kleverigheid achter ons gelaten.
Door de schok werden we weer klaarwakker. Behalve Jamal, maar die glimlachte zo tevreden dat we hem nog maar even bewusteloos lieten.
Het was maar goed dat mama weer helemaal wakker was, want ze had al haar aandacht nodig bij het sturen.
We waren dan wel uit de drab, maar we waren nog lang niet uit de olie. De plas waar we nu doorheen reden was er één van het glibberige, vloeibare soort en dat is óók weer niet makkelijk. Onze wielen zaten weliswaar niet langer vast, maar nu hadden ze juist het tegenovergestelde probleem: ze hadden bijna geen grip meer op de grond en we slipten en gleden alle kanten op.
'Oh verhip,' vloekte mama terwijl we drie keer om onze eigen as heen tolden.
'Ik ben een beetje misselijk,' klaagde Michael.
'Dat hoeft jij niet te vertellen, hoor,' zei Kwetter. 'Dat weet wij wel. Want jij heeft net heel erg hard overgegeven, daar ziet wij dat aan. Weet jij, wat jij is? Jij is zielig! Jij moet getroost worden. Ik gaat jou kuffelen!'
Hoofdschuddend keek ik het aan. Ik hoop echt dat ik nooit, nooit, nooit verliefd word. Het moet heel aardig zijn, hoor, als je de films en de boeken moet geloven, maar als verliefdheid je zo dol kan maken dat je wil gaan knuffelen met iemand die net over zijn eigen broek heen heeft zitten braken – nee, dan hoeft het voor mij niet.
Intussen had mama de auto weer in bedwang gekregen en we reden weer min of meer rechtuit.
Helaas waren we geen drie keer in de rondte gedraaid, maar drie-en-een-half keer. Wat wil zeggen dat we nu recht op de tanks af reden.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
maandag 29 april 2013
vrijdag 26 april 2013
Zigzigzigzagzigzagzag
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Nu bleek dat onze moeder net zo'n knappe chauffeur was als de Moeflon. Ze maakte zó'n scherpe bocht, dat we op twee wielen reden. En we gingen zó dicht langs de Knalhapper, dat onze rechterwielen, die de grond dus niet raakten, wél ergens overheen reden. Namelijk: over de zijkant van de tank. Geloof het of niet: er liep een spoor van modder over de tank, waar onze banden hem geraakt hadden.
De andere negen Knalhappers begonnen woest op ons te schieten. Gelukkig stond nummer tien ertussen.
Die kreeg dus negen granaten op z'n kop. Haha!
Helaas was hij prima bestand tegen granaten. Er zat nog geeneens een kras op de lak. Waarschijnlijk hadden de soldaten binnenin niet eens gemerkt dat ze geraakt waren.
Tank nummer tien draaide kalmpjes zijn geschutskoepel in onze richting en schoot.
Maar dat had mama zien aankomen. Ze was net op tijd uitgeweken. Naar rechts, zodat tank nummer tien nog steeds tussen ons en de meeste andere tanks in stond.
De meeste. Dus niet allemaal, dus.
Twee tanks schoten op ons, en als mama niet net op tijd naar links was gegaan, dan hadden ze ons geraakt ook.
Zigzaggend scheurde mama door het struikgewas. Of nou ja, niet precies zigzaggend natuurlijk, want als je zigzagt ga je steeds van links naar rechts en dat is dom. Dan weet iedere tankbestuurder: haha, de vijand zigt! Dan gaat-ie zometeen zaggen, dus dan mik ik op de zag. En boem!
Nee, zigzaggen is niks. Wat je moet doen is: zigzigzigzagzigzagzag-en-wat-doet-dat-mens-nou-toch-weer-ze-rijdt-opeens-een-stukje-achteruit.
Dus dat deed mijn moeder.
Het werkte heel aardig. Overal om ons heen sloegen de granaten in. Allemaal mis.
'Nog even volhouden, mama,' zei Michael. 'Dan zijn we buiten schootsafstand.'
Maar de Zevende Zuid-Mallotische Tankdivisie was niet gek.
Tanks kunnen ook rijden. Brullend kwamen de tien Knalhappers in beweging. Net als onze wagen hadden ze geen enkel probleem met struikjes en modder.
Onze neushoorn kon wel een stuk sneller dan een tank, natuurlijk, maar ja – zij hoefden niet te ziggen en te zaggen. Zij konden gewoon rechtuit. Dus ze hielden ons toch heel aardig bij.
Ze begonnen ons zelfs in te halen.
'Volgens mij hebt ze ons toch een beetje geraakt,' zei Kwetter zorgelijk. 'De benzinetank is stuk, denkt ik. Ik ruikt benzine namelijk.'
'Ik ruik het ook,' zei Michael.
'Dat is geen benzine,' zei ik. 'Dat is olie. Ruwe olie. Kijk maar eens waar we terecht zijn gekomen.'
We reden door de boerenvelden. De velden van Willems dorp, die vol waren gelopen met de olie van meneer Cockel.
De tanks hielden op met schieten.
'Misschien hebben ze geen granaten meer,' bedacht ik.
'Ik denk dat ze nog wel granaten hebben, hoor,' zei mama. 'Maar ze durven ze niet af te schieten. Olie is nogal brandbaar, en als er een granaat in zo'n plas olie ploft staat er meteen twintig vierkante kilometer boerenland in lichterlaaie. Met ons erin.
Dus dat is goed nieuws. Als de tanks niet meer schieten, hoeven wij niet meer te ziggen of te zaggen. Kunnen we lekker hard rechtuit. Hou je vast, jongens! Daar gaan we!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Nu bleek dat onze moeder net zo'n knappe chauffeur was als de Moeflon. Ze maakte zó'n scherpe bocht, dat we op twee wielen reden. En we gingen zó dicht langs de Knalhapper, dat onze rechterwielen, die de grond dus niet raakten, wél ergens overheen reden. Namelijk: over de zijkant van de tank. Geloof het of niet: er liep een spoor van modder over de tank, waar onze banden hem geraakt hadden.
De andere negen Knalhappers begonnen woest op ons te schieten. Gelukkig stond nummer tien ertussen.
Die kreeg dus negen granaten op z'n kop. Haha!
Helaas was hij prima bestand tegen granaten. Er zat nog geeneens een kras op de lak. Waarschijnlijk hadden de soldaten binnenin niet eens gemerkt dat ze geraakt waren.
Tank nummer tien draaide kalmpjes zijn geschutskoepel in onze richting en schoot.
Maar dat had mama zien aankomen. Ze was net op tijd uitgeweken. Naar rechts, zodat tank nummer tien nog steeds tussen ons en de meeste andere tanks in stond.
De meeste. Dus niet allemaal, dus.
Twee tanks schoten op ons, en als mama niet net op tijd naar links was gegaan, dan hadden ze ons geraakt ook.
Zigzaggend scheurde mama door het struikgewas. Of nou ja, niet precies zigzaggend natuurlijk, want als je zigzagt ga je steeds van links naar rechts en dat is dom. Dan weet iedere tankbestuurder: haha, de vijand zigt! Dan gaat-ie zometeen zaggen, dus dan mik ik op de zag. En boem!
Nee, zigzaggen is niks. Wat je moet doen is: zigzigzigzagzigzagzag-en-wat-doet-dat-mens-nou-toch-weer-ze-rijdt-opeens-een-stukje-achteruit.
Dus dat deed mijn moeder.
Het werkte heel aardig. Overal om ons heen sloegen de granaten in. Allemaal mis.
'Nog even volhouden, mama,' zei Michael. 'Dan zijn we buiten schootsafstand.'
Maar de Zevende Zuid-Mallotische Tankdivisie was niet gek.
Tanks kunnen ook rijden. Brullend kwamen de tien Knalhappers in beweging. Net als onze wagen hadden ze geen enkel probleem met struikjes en modder.
Onze neushoorn kon wel een stuk sneller dan een tank, natuurlijk, maar ja – zij hoefden niet te ziggen en te zaggen. Zij konden gewoon rechtuit. Dus ze hielden ons toch heel aardig bij.
Ze begonnen ons zelfs in te halen.
'Volgens mij hebt ze ons toch een beetje geraakt,' zei Kwetter zorgelijk. 'De benzinetank is stuk, denkt ik. Ik ruikt benzine namelijk.'
'Ik ruik het ook,' zei Michael.
'Dat is geen benzine,' zei ik. 'Dat is olie. Ruwe olie. Kijk maar eens waar we terecht zijn gekomen.'
We reden door de boerenvelden. De velden van Willems dorp, die vol waren gelopen met de olie van meneer Cockel.
De tanks hielden op met schieten.
'Misschien hebben ze geen granaten meer,' bedacht ik.
'Ik denk dat ze nog wel granaten hebben, hoor,' zei mama. 'Maar ze durven ze niet af te schieten. Olie is nogal brandbaar, en als er een granaat in zo'n plas olie ploft staat er meteen twintig vierkante kilometer boerenland in lichterlaaie. Met ons erin.
Dus dat is goed nieuws. Als de tanks niet meer schieten, hoeven wij niet meer te ziggen of te zaggen. Kunnen we lekker hard rechtuit. Hou je vast, jongens! Daar gaan we!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 24 april 2013
De juichende pantserdivisie
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Eh,' zei Michael, 'dat van dat joewie-boem, dat weet ik nog zo net niet hoor, Kwetter. Ik bedoel: dat ding daar bij Willem's huis is inderdaad een tank, maar dat ding daar in de struikjes links van ons is óók een tank, en dat ding op het paadje rechts van ons ook. En... ' Met een diepe zucht keek hij achterom. '...dat ding dat daar achter ons de weg op rijdt, zodat we niet meer terug kunnen, dat is ook al een tank.' Hij keek mismoedig om zich heen. 'Ik kan er zonder moeite nog vijf aanwijzen. En het zijn geen gewone tanks, nee het zijn ultramoderne tanks van het type Knalhapper Plus, waar je zelfs met een bazooka nog geen deuk in schiet. Weet ik toevallig.'
Op dat moment klonk er een donderende stem door het hele dorp. Kennelijk had iemand ergens een batterij luidsprekers neergezet.
'Hier spreekt Luitenant Vogonjeltz van de Zevende Zuid-Mallotische tankdivisie. Luitenant Vogonjeltz aan Donderkat. Ik weet dat u daar bent. Ik weet dat u mij hoort. Luister goed. U heeft het Zuid-Mallotische Volk veel verdriet gedaan. Ten eerste heeft u de eigendommen vernield van de geachte heer Cockel, die een geëerde gast is van het Zuid-Mallotische volk. Ik herhaal: een geëerde gast! De heer Cockel helpt ons met de ontwikkeling van onze grondstoffen. Vooruitgang door Samenwerking. Techniek brengt voorspoed. Het Zuid-Mallotische volk juicht voor de heer Cockel. Mannen, Juich!'
Twee of drie stemmen riepen zwakjes 'Hoera!' De mannen stonden kennelijk niet dicht genoeg bij de microfoon.
'Te tweede,' ging de galmende stem verder, 'heeft u samengespannen met kwalijke elementen uit het Zuid-Mallotische volk, die in opstand zijn tegen Zijne Verhevenheid de Sultan. Dit is beschamend! Ik herhaal: beschamend! Het Zuid- Mallotische volk houdt van de Sultan! Het juicht voor de Sultan! Mannen, juich!'
Het 'jeuh!'dat nu klonk, was nog veel minder enthousiast dan het 'hoera' van daarnet. Of de mannen waren intussen vijftig meter verder van de microfoon gaan staan, dat kan natuurlijk ook.
'Daarom,' besloot luitenant Vogonjeltz, 'moet u zich onmiddellijk overgeven. Dan krijgt u een eerlijk proces. Ik herhaal: een eerlijk proces. Daarna wordt u schuldig verklaard en opgehangen. Ik herhaal: schuldig en opgehangen. Maar uw kinderen laten we, uh... misschien gaan. U heeft tien seconden om zich over te geven. Tien... Negen...'
'Me overgeven?' brieste mama. 'Aan een luitenant? Wat denken ze wel? Ik ben een internationale superster, en zij sturen een luitenant? Dat is zo'n beetje de laagste officier die er is – pantserdivisie of geen pantserdivisie!'
'Uh... kweenie, mam,' zei Michael. 'Negen Knalhappers! Één enkele is al genoeg om een halve stad in puin te leggen...'
'Dan is het maar goed dat ik geen halve stad ben,' zei mama, en terwijl ze het gaspedaal tot de bodem indrukte, rukte ze aan het stuur.
We scheurden van de weg af. Naast de weg was de grond zacht en modderig, maar onze neushoorn wist wel raad met zachte modder. Hij reed net zo snel door modder als over asfalt.
In de modder stonden struikjes, maar daar had onze neushoorn ook geen enkele moeite mee. Door struikjes of over de weg, dat maakte voor onze terreinwagen geen enkel verschil.
In de struikjes stond een tank, die we nog niet hadden opgemerkt. Dáár kon onze wagen niet zomaar overheen rijden.
Mama zei een nogal onbeleefd woord (voor haar doen, dan. Normaal zegt ze alleen 'grutjes', maar nu zei ze 'Grut met peren!') en draaide woest aan het stuur.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Eh,' zei Michael, 'dat van dat joewie-boem, dat weet ik nog zo net niet hoor, Kwetter. Ik bedoel: dat ding daar bij Willem's huis is inderdaad een tank, maar dat ding daar in de struikjes links van ons is óók een tank, en dat ding op het paadje rechts van ons ook. En... ' Met een diepe zucht keek hij achterom. '...dat ding dat daar achter ons de weg op rijdt, zodat we niet meer terug kunnen, dat is ook al een tank.' Hij keek mismoedig om zich heen. 'Ik kan er zonder moeite nog vijf aanwijzen. En het zijn geen gewone tanks, nee het zijn ultramoderne tanks van het type Knalhapper Plus, waar je zelfs met een bazooka nog geen deuk in schiet. Weet ik toevallig.'
Op dat moment klonk er een donderende stem door het hele dorp. Kennelijk had iemand ergens een batterij luidsprekers neergezet.
'Hier spreekt Luitenant Vogonjeltz van de Zevende Zuid-Mallotische tankdivisie. Luitenant Vogonjeltz aan Donderkat. Ik weet dat u daar bent. Ik weet dat u mij hoort. Luister goed. U heeft het Zuid-Mallotische Volk veel verdriet gedaan. Ten eerste heeft u de eigendommen vernield van de geachte heer Cockel, die een geëerde gast is van het Zuid-Mallotische volk. Ik herhaal: een geëerde gast! De heer Cockel helpt ons met de ontwikkeling van onze grondstoffen. Vooruitgang door Samenwerking. Techniek brengt voorspoed. Het Zuid-Mallotische volk juicht voor de heer Cockel. Mannen, Juich!'
Twee of drie stemmen riepen zwakjes 'Hoera!' De mannen stonden kennelijk niet dicht genoeg bij de microfoon.
'Te tweede,' ging de galmende stem verder, 'heeft u samengespannen met kwalijke elementen uit het Zuid-Mallotische volk, die in opstand zijn tegen Zijne Verhevenheid de Sultan. Dit is beschamend! Ik herhaal: beschamend! Het Zuid- Mallotische volk houdt van de Sultan! Het juicht voor de Sultan! Mannen, juich!'
Het 'jeuh!'dat nu klonk, was nog veel minder enthousiast dan het 'hoera' van daarnet. Of de mannen waren intussen vijftig meter verder van de microfoon gaan staan, dat kan natuurlijk ook.
'Daarom,' besloot luitenant Vogonjeltz, 'moet u zich onmiddellijk overgeven. Dan krijgt u een eerlijk proces. Ik herhaal: een eerlijk proces. Daarna wordt u schuldig verklaard en opgehangen. Ik herhaal: schuldig en opgehangen. Maar uw kinderen laten we, uh... misschien gaan. U heeft tien seconden om zich over te geven. Tien... Negen...'
'Me overgeven?' brieste mama. 'Aan een luitenant? Wat denken ze wel? Ik ben een internationale superster, en zij sturen een luitenant? Dat is zo'n beetje de laagste officier die er is – pantserdivisie of geen pantserdivisie!'
'Uh... kweenie, mam,' zei Michael. 'Negen Knalhappers! Één enkele is al genoeg om een halve stad in puin te leggen...'
'Dan is het maar goed dat ik geen halve stad ben,' zei mama, en terwijl ze het gaspedaal tot de bodem indrukte, rukte ze aan het stuur.
We scheurden van de weg af. Naast de weg was de grond zacht en modderig, maar onze neushoorn wist wel raad met zachte modder. Hij reed net zo snel door modder als over asfalt.
In de modder stonden struikjes, maar daar had onze neushoorn ook geen enkele moeite mee. Door struikjes of over de weg, dat maakte voor onze terreinwagen geen enkel verschil.
In de struikjes stond een tank, die we nog niet hadden opgemerkt. Dáár kon onze wagen niet zomaar overheen rijden.
Mama zei een nogal onbeleefd woord (voor haar doen, dan. Normaal zegt ze alleen 'grutjes', maar nu zei ze 'Grut met peren!') en draaide woest aan het stuur.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 22 april 2013
De regels van het volwassen leven
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We hadden een mooie, zorgeloze rit door Zuid-Mallotië achter de rug. Het landschap werd op 't laatst lelijker en lelijker, en het begon steeds meer naar benzine te ruiken, maar het was mooi weer en we zoefden lekker over het asfalt.
We kletsten en lachten en zongen liedjes. Of eigenlijk zongen wij maar één liedje, namelijk 'We zijn er bijna, maar nog niet helemaal', en daarna zong Jamal in z'n eentje twintig liedjes in het Zuid-Mallotisch. Of misschien was het maar één liedje, dat twintig keren veranderde van melodie. In ieder geval zong hij behoorlijk lang achter elkaar door, maar hij had een mooie stem dus het was niet zo heel erg.
Toen hij klaar was, zei mama: 'Lieve schatten, ik heb eens zitten denken. En ik ben niet helemaal tevreden.'
'Waarom niet?' vroeg Michael nerveus. 'Hebben wij iets verkeerd gedaan?'
'Ach nee, lieverd, natuurlijk niet! Of liever gezegd: natuurlijk wel, maar dat geeft niks want jullie zijn nog kinderen. Kinderen hóren dingen verkeerd te doen, anders leren ze niks. En als ze echt héle stomme dingen doen, dat is dat nog altijd de schuld van de idioot die hen heeft op gevoed. In jullie geval is dat waarschijnlijk papa, want ik heb jullie wel mee opgevoed maar ik ben geen idioot.
Nee, waar ik ontevreden over ben, dat ben ik zelf. Ik bedoel: ik leef volgens bepaalde regels. Dat doen volwassenen. Lang niet alle grote mensen doen het, hoor, maar de meeste grote mensen zijn ook niet echt volwassen. Dat zijn gewoon heel grote dikke kinderen, die al heel lang achter elkaar stomme dingen doen en nog steeds niks hebben geleerd. Kinderlijke geesten in een grotemensenlijf, snap je?'
Wij knikten. Wij snapten het heel goed. Vooral dat verhaal dat het niks gaf als kinderen – wij dus – eens een keer iets doms deden, dat snapten we zó ontzettend goed dat we het nooit meer gingen vergeten. Zeker niet.
'Goed. Ik heb dus bepaalde regels bedacht, waar ik mij aan moet houden van mezelf. Dat is een kwestie van beschaving.'
Wij knikten weer. Wij kenden die regels wel. Eten met mes en vork. Altijd nette, schone kleren aan. Beleefd 'dank u wel' zeggen. Dat soort dingen.
'En één van die regels,' ging mama verder, 'is de volgende: ik mag nooit zomaar dingen opblazen.'
Wij keken elkaar aan. Deze regel kenden we nog niet. Hij was ons ook nooit opgevallen, want mama blies voortdurend van alles op.
'Ik mag alleen dingen opblazen, als de wereld daar een beetje beter van wordt. Of uit zelfverdediging. En nu zit ik te denken: ik heb wel flink aan zelfverdediging gedaan, de laatste tijd, maar de wereld is er niet echt beter op geworden, of wel?'
'Dat moet je niet zeggen, mam,' zei ik streng. 'Het ZMB bestaat niet meer, dankzij ons. En dat was een drugsbende. Dus.'
'Dat is lief van je, meiske, maar...' Ze zweeg eventjes. Daarna zei ze op zorgelijke toon: 'Zeg lieverds, zien jullie wat ik zie? Dat ding daar, dat ons bij Willems huis staat op te wachten... is dat een tank?'
'Ja,' riep Kwetter enthousiast, 'Dat is een tank! Wij gaat lekker zelfverdedigen! Joewieie! Boemmm!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We hadden een mooie, zorgeloze rit door Zuid-Mallotië achter de rug. Het landschap werd op 't laatst lelijker en lelijker, en het begon steeds meer naar benzine te ruiken, maar het was mooi weer en we zoefden lekker over het asfalt.
We kletsten en lachten en zongen liedjes. Of eigenlijk zongen wij maar één liedje, namelijk 'We zijn er bijna, maar nog niet helemaal', en daarna zong Jamal in z'n eentje twintig liedjes in het Zuid-Mallotisch. Of misschien was het maar één liedje, dat twintig keren veranderde van melodie. In ieder geval zong hij behoorlijk lang achter elkaar door, maar hij had een mooie stem dus het was niet zo heel erg.
Toen hij klaar was, zei mama: 'Lieve schatten, ik heb eens zitten denken. En ik ben niet helemaal tevreden.'
'Waarom niet?' vroeg Michael nerveus. 'Hebben wij iets verkeerd gedaan?'
'Ach nee, lieverd, natuurlijk niet! Of liever gezegd: natuurlijk wel, maar dat geeft niks want jullie zijn nog kinderen. Kinderen hóren dingen verkeerd te doen, anders leren ze niks. En als ze echt héle stomme dingen doen, dat is dat nog altijd de schuld van de idioot die hen heeft op gevoed. In jullie geval is dat waarschijnlijk papa, want ik heb jullie wel mee opgevoed maar ik ben geen idioot.
Nee, waar ik ontevreden over ben, dat ben ik zelf. Ik bedoel: ik leef volgens bepaalde regels. Dat doen volwassenen. Lang niet alle grote mensen doen het, hoor, maar de meeste grote mensen zijn ook niet echt volwassen. Dat zijn gewoon heel grote dikke kinderen, die al heel lang achter elkaar stomme dingen doen en nog steeds niks hebben geleerd. Kinderlijke geesten in een grotemensenlijf, snap je?'
Wij knikten. Wij snapten het heel goed. Vooral dat verhaal dat het niks gaf als kinderen – wij dus – eens een keer iets doms deden, dat snapten we zó ontzettend goed dat we het nooit meer gingen vergeten. Zeker niet.
'Goed. Ik heb dus bepaalde regels bedacht, waar ik mij aan moet houden van mezelf. Dat is een kwestie van beschaving.'
Wij knikten weer. Wij kenden die regels wel. Eten met mes en vork. Altijd nette, schone kleren aan. Beleefd 'dank u wel' zeggen. Dat soort dingen.
'En één van die regels,' ging mama verder, 'is de volgende: ik mag nooit zomaar dingen opblazen.'
Wij keken elkaar aan. Deze regel kenden we nog niet. Hij was ons ook nooit opgevallen, want mama blies voortdurend van alles op.
'Ik mag alleen dingen opblazen, als de wereld daar een beetje beter van wordt. Of uit zelfverdediging. En nu zit ik te denken: ik heb wel flink aan zelfverdediging gedaan, de laatste tijd, maar de wereld is er niet echt beter op geworden, of wel?'
'Dat moet je niet zeggen, mam,' zei ik streng. 'Het ZMB bestaat niet meer, dankzij ons. En dat was een drugsbende. Dus.'
'Dat is lief van je, meiske, maar...' Ze zweeg eventjes. Daarna zei ze op zorgelijke toon: 'Zeg lieverds, zien jullie wat ik zie? Dat ding daar, dat ons bij Willems huis staat op te wachten... is dat een tank?'
'Ja,' riep Kwetter enthousiast, 'Dat is een tank! Wij gaat lekker zelfverdedigen! Joewieie! Boemmm!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 19 april 2013
De geheimzinnige wezentjes van Alpha Centauri IV
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
De auto van de Moeflon ontplofte. Zomaar vanzelf.
'Michael...' zei mama dreigend, maar Kwetter sprong meteen in de bres: 'Hij doede niks, hoor, dat hebt ik zelf gezien en het is echt waar.'
'Gaby?' vroeg mama.
Ze weet dat ik heel eerlijk ben en dat ik nooit, nooit lieg. Tenminste, niet als Michael iets verkeerd heeft gedaan; als ik zelf de fout in ben gegaan, of Kwetter of papa of zo, dan vind ik dat je het begrip 'Waarheid' wat ruimer mag zien. Er zijn zoveel soorten waarheid, denk ik dan. Iedereen heeft zijn eigen idee over de werkelijkheid, en jou eigen idee hoeft niet per se hetzelfde te zijn als dat van je moeder. Bovendien: herinneringen zijn onbetrouwbaar. Een mens kan zich vergissen, toch? Ik kan wel denken dat ik alle koekjes heb opgegeten, maar is dat ook zo? Is dat de enige mogelijke verklaring voor het feit dat de koekjestrommel leeg is? Natuurlijk niet! Er zijn zo ontzettend veel mogelijke verklaringen, van 'Michael heeft het gedaan' tot 'er wonen buitenaardse wezentjes op de planeet Alpha Centauri IV, en hun planeet zit helemaal zonder koekjes en zonder koekjes gaan die wezentjes dood, dus ze hebben met hun geheimzinnige materialisatiestraal alle koekjes uit onze koektrommel naar Alpha Centauri IV gestraald'. Hoe kun je uit al die verklaringen kiezen? Wie ben ik om te beslissen wat er waar is, en wat niet? Mág ik dat wel beslissen, alleen maar omdat ik denk dat ik mij herinner dat ik het gedaan heb? Misschien hebben die wezentjes van Alpha Centuari IV wel een geheimzinnige vergeetstraal ook, waarmee ze van onschuldige kinderen de herinneringen kunnen veranderen zodat niemand achter hun schurkenstreken komt. Zou zomaar kunnen. Die lui van Alpha Centauri IV zijn tot alles in staat hoor. Vertrouw ze niet.
Je ziet de Waarheid een heel ingewikkeld ding is, en ik denk daar veel over na. Behalve als ik Michael kan verraden. Dan wordt de Waarheid een heel eenvoudig ding, namelijk: dat Michael het gedaan heeft. En dat zeg ik dan dus ook, maar alleen als mama ernaar vraagt. Anders is het klikken, en daar houdt mama niet van. Als ik dat doe wordt ze boos op mij, in plaats van op Michael. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.
'Michael heeft het niet gedaan hoor,' moest ik toegeven. 'En ik ook niet,' voegde ik eraan toe, want dat wist ik toevallig héél zeker. 'En Kwetter en Jamal ook niet. Het ging helemaal vanzelf.' Ik draaide me om en keek naar de Moeflon z'n wagen. 'Het is trouwens niet de hele auto, die ontploft is,' zag ik. 'Alleen de motorkap.'
'De motor, zeg je?' Mama dacht heel even na en begon toen te lachen. 'Ik denk dat ik al weet wat er gebeurd is, jongens. Weten jullie nog dat we op weg gingen naar Jalsk? Met de auto van de Moeflon, omdat we dachten dat hij gewoon een eerlijke journalist was? En dat ik toen zijn auto heb gerepareerd, zodat-ie sneller kon rijden op minder benzine? Ik weet nog dat ik toen dacht: als ik alles op deze manier repareer, gaat-ie sneller met minder benzine; er is alleen een heel klein kansje dat de motor ontploft, als hij harder gaat dan 250 kilometer per uur. Maar ja, dat doet hij natuurlijk nooit. Dat mag niet eens. En waarom zou een gewone journalist harder willen rijden dan 250 kilometer per uur? En toen heb ik alles op die bepaalde manier gerepareerd. En...' ze keek op haar dashboard, 'we rijden nu precies 250 kilometer per uur. Grappig zeg.'
Ja, dat vonden wij ook best wel grappig.
Maar het lachen verging ons toen we, later die dag, aankwamen in het dorpje van Willem.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
/ VOLGENDE
De auto van de Moeflon ontplofte. Zomaar vanzelf.
'Michael...' zei mama dreigend, maar Kwetter sprong meteen in de bres: 'Hij doede niks, hoor, dat hebt ik zelf gezien en het is echt waar.'
'Gaby?' vroeg mama.
Ze weet dat ik heel eerlijk ben en dat ik nooit, nooit lieg. Tenminste, niet als Michael iets verkeerd heeft gedaan; als ik zelf de fout in ben gegaan, of Kwetter of papa of zo, dan vind ik dat je het begrip 'Waarheid' wat ruimer mag zien. Er zijn zoveel soorten waarheid, denk ik dan. Iedereen heeft zijn eigen idee over de werkelijkheid, en jou eigen idee hoeft niet per se hetzelfde te zijn als dat van je moeder. Bovendien: herinneringen zijn onbetrouwbaar. Een mens kan zich vergissen, toch? Ik kan wel denken dat ik alle koekjes heb opgegeten, maar is dat ook zo? Is dat de enige mogelijke verklaring voor het feit dat de koekjestrommel leeg is? Natuurlijk niet! Er zijn zo ontzettend veel mogelijke verklaringen, van 'Michael heeft het gedaan' tot 'er wonen buitenaardse wezentjes op de planeet Alpha Centauri IV, en hun planeet zit helemaal zonder koekjes en zonder koekjes gaan die wezentjes dood, dus ze hebben met hun geheimzinnige materialisatiestraal alle koekjes uit onze koektrommel naar Alpha Centauri IV gestraald'. Hoe kun je uit al die verklaringen kiezen? Wie ben ik om te beslissen wat er waar is, en wat niet? Mág ik dat wel beslissen, alleen maar omdat ik denk dat ik mij herinner dat ik het gedaan heb? Misschien hebben die wezentjes van Alpha Centuari IV wel een geheimzinnige vergeetstraal ook, waarmee ze van onschuldige kinderen de herinneringen kunnen veranderen zodat niemand achter hun schurkenstreken komt. Zou zomaar kunnen. Die lui van Alpha Centauri IV zijn tot alles in staat hoor. Vertrouw ze niet.
Je ziet de Waarheid een heel ingewikkeld ding is, en ik denk daar veel over na. Behalve als ik Michael kan verraden. Dan wordt de Waarheid een heel eenvoudig ding, namelijk: dat Michael het gedaan heeft. En dat zeg ik dan dus ook, maar alleen als mama ernaar vraagt. Anders is het klikken, en daar houdt mama niet van. Als ik dat doe wordt ze boos op mij, in plaats van op Michael. Dat is natuurlijk niet de bedoeling.
'Michael heeft het niet gedaan hoor,' moest ik toegeven. 'En ik ook niet,' voegde ik eraan toe, want dat wist ik toevallig héél zeker. 'En Kwetter en Jamal ook niet. Het ging helemaal vanzelf.' Ik draaide me om en keek naar de Moeflon z'n wagen. 'Het is trouwens niet de hele auto, die ontploft is,' zag ik. 'Alleen de motorkap.'
'De motor, zeg je?' Mama dacht heel even na en begon toen te lachen. 'Ik denk dat ik al weet wat er gebeurd is, jongens. Weten jullie nog dat we op weg gingen naar Jalsk? Met de auto van de Moeflon, omdat we dachten dat hij gewoon een eerlijke journalist was? En dat ik toen zijn auto heb gerepareerd, zodat-ie sneller kon rijden op minder benzine? Ik weet nog dat ik toen dacht: als ik alles op deze manier repareer, gaat-ie sneller met minder benzine; er is alleen een heel klein kansje dat de motor ontploft, als hij harder gaat dan 250 kilometer per uur. Maar ja, dat doet hij natuurlijk nooit. Dat mag niet eens. En waarom zou een gewone journalist harder willen rijden dan 250 kilometer per uur? En toen heb ik alles op die bepaalde manier gerepareerd. En...' ze keek op haar dashboard, 'we rijden nu precies 250 kilometer per uur. Grappig zeg.'
Ja, dat vonden wij ook best wel grappig.
Maar het lachen verging ons toen we, later die dag, aankwamen in het dorpje van Willem.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
woensdag 17 april 2013
Waar het op uitdraait
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ik hoor je wel grijnzen,' zei mama verwijtend. 'Dat wil ik niet hebben, jongeman. Mensen die hartstikke dood vallen, dat is nooit leuk, zelfs niet als het mensen zijn die jou dood willen schieten. Het kan wel een hele goeie oplossing zijn – dat wel natuurlijk. En ook een opluchting, dat geef ik toe. Maar je mag het niet leuk vinden. Dan is het einde zoek. Of liever gezegd: dan is het einde niet zoek, want ik weet al precies waar dat op uitdraait. Het draait er namelijk op uit dat je voor je lol mensen van bruggen af gaat duwen. En dat is verkeerd. Begrepen?'
'Ja mama,' zei Michael. Aan zijn stem te horen speet het hem ontzettend. Hoewel ik moet toegeven dat het effect een beetje verknald werd door de dikke vette knipoog die hij mij ondertussen gaf.
Wij draaiden ons om, zodat we konden zien hoe de Moeflon in het gat zou tuimelen, wat wij dan zogenaamd heel erg zouden vinden en helemaal niet eigen-schuld-dikke-bult.
'Misschien remt hij nog op tijd,' zei Michael. 'Laten we hopen...' Hij zei er niet bij of hij hoopte dat het de Moeflon wel zou lukken of juist niet.
Helaas. Wat het ook was, dat Michael hoopte: het kwam niet uit. De Moeflon remde niet op tijd en hij viel ook niet in het gat.
In plaats daarvan gaf hij extra gas, en hij schoot met een waanzinnige vaart op het gat af. Hij was ofwel een ongelooflijk goeie chauffeur, ofwel zijn auto zal vol verborgen slimmigheidjes en truukjes, want hij deed iets wat eigenlijk helemaal niet kon: vlak voordat hij bij de rand was, wipte de neus van zijn auto een klein beetje omhoog. Door zijn enorme snelheid werd de auto gelanceerd alsof hij over een schans reed, ook al was er geen schans, en hij vloog in een keurige boog door de lucht en landde aan de andere kant van het gat.
'Nou jaaa!' zei Michael verontwaardigd. 'Zoiets werkt alleen in films. Niet in het echt, dat kan helemaal niet, dit vind ik niet eerlijk hoor.'
'Wat is er?' vroeg mama.
'De Moeflon is niet te pletter gevallen,' vertelde ik.
'Jammer,' zei mama. 'Eh, ik bedoel: gelukkig maar.'
'En het wordt nog veel jammerder,' zei ik. 'Eh ik bedoel nog gelukkiger maar. Niet alleen is hij niet in het gat gevallen, hij is er zelfs overheen gesprongen met zijn wagen.'
'Ja, dat kan dus niet,' zei mama. 'Dat kan alleen in hele belachelijke stuntfilms. Die Moeflon speelt vals.'
'Hij speelt niet alleen vals, hij grijnst ook vals,' merkte ik op. Want de Moeflon reed nu naast ons, zo dichtbij dat ik zijn gezicht duidelijk kon zien, en de uitdrukking op dat smoel kon ik alleen maar omschrijven als een valse grijns.
'Zal ik dan toch maar een dynamietje op zijn auto gooien?' vroeg Michael.
'Zeker niet,' zei mama. 'Wij maken geen mensen dood, zelfs niet om ons eigen leven te redden. Want weet je waar dat op uitdraait?'
Wisten we niet.
En we kwamen er ook niet achter, want voordat mama het ons kon vertellen, gebeurde er iets volkomen onverwachts.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ik hoor je wel grijnzen,' zei mama verwijtend. 'Dat wil ik niet hebben, jongeman. Mensen die hartstikke dood vallen, dat is nooit leuk, zelfs niet als het mensen zijn die jou dood willen schieten. Het kan wel een hele goeie oplossing zijn – dat wel natuurlijk. En ook een opluchting, dat geef ik toe. Maar je mag het niet leuk vinden. Dan is het einde zoek. Of liever gezegd: dan is het einde niet zoek, want ik weet al precies waar dat op uitdraait. Het draait er namelijk op uit dat je voor je lol mensen van bruggen af gaat duwen. En dat is verkeerd. Begrepen?'
'Ja mama,' zei Michael. Aan zijn stem te horen speet het hem ontzettend. Hoewel ik moet toegeven dat het effect een beetje verknald werd door de dikke vette knipoog die hij mij ondertussen gaf.
Wij draaiden ons om, zodat we konden zien hoe de Moeflon in het gat zou tuimelen, wat wij dan zogenaamd heel erg zouden vinden en helemaal niet eigen-schuld-dikke-bult.
'Misschien remt hij nog op tijd,' zei Michael. 'Laten we hopen...' Hij zei er niet bij of hij hoopte dat het de Moeflon wel zou lukken of juist niet.
Helaas. Wat het ook was, dat Michael hoopte: het kwam niet uit. De Moeflon remde niet op tijd en hij viel ook niet in het gat.
In plaats daarvan gaf hij extra gas, en hij schoot met een waanzinnige vaart op het gat af. Hij was ofwel een ongelooflijk goeie chauffeur, ofwel zijn auto zal vol verborgen slimmigheidjes en truukjes, want hij deed iets wat eigenlijk helemaal niet kon: vlak voordat hij bij de rand was, wipte de neus van zijn auto een klein beetje omhoog. Door zijn enorme snelheid werd de auto gelanceerd alsof hij over een schans reed, ook al was er geen schans, en hij vloog in een keurige boog door de lucht en landde aan de andere kant van het gat.
'Nou jaaa!' zei Michael verontwaardigd. 'Zoiets werkt alleen in films. Niet in het echt, dat kan helemaal niet, dit vind ik niet eerlijk hoor.'
'Wat is er?' vroeg mama.
'De Moeflon is niet te pletter gevallen,' vertelde ik.
'Jammer,' zei mama. 'Eh, ik bedoel: gelukkig maar.'
'En het wordt nog veel jammerder,' zei ik. 'Eh ik bedoel nog gelukkiger maar. Niet alleen is hij niet in het gat gevallen, hij is er zelfs overheen gesprongen met zijn wagen.'
'Ja, dat kan dus niet,' zei mama. 'Dat kan alleen in hele belachelijke stuntfilms. Die Moeflon speelt vals.'
'Hij speelt niet alleen vals, hij grijnst ook vals,' merkte ik op. Want de Moeflon reed nu naast ons, zo dichtbij dat ik zijn gezicht duidelijk kon zien, en de uitdrukking op dat smoel kon ik alleen maar omschrijven als een valse grijns.
'Zal ik dan toch maar een dynamietje op zijn auto gooien?' vroeg Michael.
'Zeker niet,' zei mama. 'Wij maken geen mensen dood, zelfs niet om ons eigen leven te redden. Want weet je waar dat op uitdraait?'
Wisten we niet.
En we kwamen er ook niet achter, want voordat mama het ons kon vertellen, gebeurde er iets volkomen onverwachts.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 15 april 2013
Een ongelooflijke bocht
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het wijzertje dat daarstraks op nul stond, stond nu helemaal aan de andere kant. Blijkbaar gingen we zo hard als we konden.
Maar nu was er weer een ander wijzertje dat bijna op nul stond.
'De benzine?' gokte ik.
'De benzine,' knikte mama. 'Gepantserde wagens zijn nogal zwaar, natuurlijk, dus het kost een hoop benzine om ze vooruit te krijgen. En het kost nog meer om ze snel vooruit te krijgen. Hoe sneller, hoe meer, eigenlijk. Het lichte wagentje van de Moeflon heeft dat probleem niet. Dat is speciaal gemaakt voor snel. Dus wij staan zometeen stil, en dan kan hij rustig naar ons toe rijden.'
'Nou en?'zei Michael. 'Laat hem maar lekker zijn pistooltje op ons leeg schieten, wij zitten hier goed.'
'Ja, slimmerik, wij zitten hier uitstekend,' zei ik. 'Enneh... hoe lang wilde jij hier blijven zitten? Uitstekend en wel? Straks staat de Moeflon rustig voor onze neus, met zijn pistooltje klaar om te schieten. Staat-ie te wachten tot één van ons z'n neus naar buiten steekt. En dan...'
'We wachten gewoon tot hij in slaap valt. Hij kan niet eeuwig wakker blijven, en...'
'...en als hij doet alsof hij slaapt, dan zijn wij het bokje! Weet je wat? Jij gaat straks als eerste naar buiten. Met een beetje geluk mikt-ie op je hersens – dan raakt-ie lekker niks!'
'Jullie moet niet ruzie maken,' zei Kwetter streng. 'Wij hebt een probleempje – nou en? Wij hebt ook mama bij ons, en mama kunt alle probleempjes wegmaken. Toch, mama?'
'Nou, Kwetter,' fronste mama, 'ik weet niet hoe ik...'
'Jij maakt grapjes,' giechelde Kwetter. 'Natuurlijk weet jij wel! Jij lost altijd alle probleempjes op, en altijd op dezelfde manier. Gooit nou maar gewoon een boem op de weg, anders haalt de spion ons nog in en dan moet jij een boem op zijn hoofd gooien. En dat doet jij niet, want dat is niet netjes. Ja, ik kent jou langer dan vandaag!'
'Ach ja,' zei mama, 'natuurlijk. Michael, wil jij even in mijn tassen kijken? Daar vind je wel iets, denk ik.'
Nou, inderdaad. Je moest wel blind, doof en dom zijn om in die tassen geen bom te vinden. Ze puilden uit van de staven dynamiet, kneedbommen, flesjes met vloeibare springstof en nog allerlei andere ontplofbare dingen.
Michael draaide het raampje open terwijl ik een lontje aanstak, en even later zat er een grote krater in het wegdek.
'Jongens,' zei mama streng, 'dat moeten jullie voortaan aan mij overlaten. Ik wil niet dat jullie met bommen spelen, dat weet je nou toch zo onderhand wel.'
'Let jij nou maar op de weg,' zei ik streng, en Michael voegde toe: 'Wij weten nou onderhand heus wel hoe het moet, hoor. Wij zijn de kinderen van een internationale superster, weet je nog?'
Daarna keken we achter ons, om te zien hoe de Moeflon in onze mooie nieuwe krater lazerde.
Maar dat viel een beetje tegen.
De Moeflon was een uitstekende chauffeur, en maakte een bocht die je niet zou geloven als je hem niet zelf had gezien. Hij rukte zijn stuur nét op tijd naar links, en scheurde op twee wielen precies langs de rand van de krater.
'Hm,' zei ik, 'we hadden nog een stukje weg overgelaten, mam, en nou komt-ie weer achter ons aan. We zullen nog een keer moeten knallen.'
'Joewieieie!' riep Kwetter, en ook Jamal keek opgetogen toen hij zag hoe we dit keer twéé staven dynamiet uit de tas haalden.
Dit keer was de krater net zo groot als de weg breed was. Daar kon de Moeflon onmogelijk omheen, want er was geen 'omheen'. Er was alleen een diepe krater. Een hele diepe krater. Of eigenlijk was het niet echt een krater, want we reden toevallig net over een hoge brug. Dus in plaats van een krater was er gewoon een stuk weg, dat weg was. De grond was ongeveer dertig meter lager.
'Oepsie,' grijnsde Michael. 'Ik hoop maar dat-ie op tijd kan remmen, anders valt-ie hartstikke dood.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Het wijzertje dat daarstraks op nul stond, stond nu helemaal aan de andere kant. Blijkbaar gingen we zo hard als we konden.
Maar nu was er weer een ander wijzertje dat bijna op nul stond.
'De benzine?' gokte ik.
'De benzine,' knikte mama. 'Gepantserde wagens zijn nogal zwaar, natuurlijk, dus het kost een hoop benzine om ze vooruit te krijgen. En het kost nog meer om ze snel vooruit te krijgen. Hoe sneller, hoe meer, eigenlijk. Het lichte wagentje van de Moeflon heeft dat probleem niet. Dat is speciaal gemaakt voor snel. Dus wij staan zometeen stil, en dan kan hij rustig naar ons toe rijden.'
'Nou en?'zei Michael. 'Laat hem maar lekker zijn pistooltje op ons leeg schieten, wij zitten hier goed.'
'Ja, slimmerik, wij zitten hier uitstekend,' zei ik. 'Enneh... hoe lang wilde jij hier blijven zitten? Uitstekend en wel? Straks staat de Moeflon rustig voor onze neus, met zijn pistooltje klaar om te schieten. Staat-ie te wachten tot één van ons z'n neus naar buiten steekt. En dan...'
'We wachten gewoon tot hij in slaap valt. Hij kan niet eeuwig wakker blijven, en...'
'...en als hij doet alsof hij slaapt, dan zijn wij het bokje! Weet je wat? Jij gaat straks als eerste naar buiten. Met een beetje geluk mikt-ie op je hersens – dan raakt-ie lekker niks!'
'Jullie moet niet ruzie maken,' zei Kwetter streng. 'Wij hebt een probleempje – nou en? Wij hebt ook mama bij ons, en mama kunt alle probleempjes wegmaken. Toch, mama?'
'Nou, Kwetter,' fronste mama, 'ik weet niet hoe ik...'
'Jij maakt grapjes,' giechelde Kwetter. 'Natuurlijk weet jij wel! Jij lost altijd alle probleempjes op, en altijd op dezelfde manier. Gooit nou maar gewoon een boem op de weg, anders haalt de spion ons nog in en dan moet jij een boem op zijn hoofd gooien. En dat doet jij niet, want dat is niet netjes. Ja, ik kent jou langer dan vandaag!'
'Ach ja,' zei mama, 'natuurlijk. Michael, wil jij even in mijn tassen kijken? Daar vind je wel iets, denk ik.'
Nou, inderdaad. Je moest wel blind, doof en dom zijn om in die tassen geen bom te vinden. Ze puilden uit van de staven dynamiet, kneedbommen, flesjes met vloeibare springstof en nog allerlei andere ontplofbare dingen.
Michael draaide het raampje open terwijl ik een lontje aanstak, en even later zat er een grote krater in het wegdek.
'Jongens,' zei mama streng, 'dat moeten jullie voortaan aan mij overlaten. Ik wil niet dat jullie met bommen spelen, dat weet je nou toch zo onderhand wel.'
'Let jij nou maar op de weg,' zei ik streng, en Michael voegde toe: 'Wij weten nou onderhand heus wel hoe het moet, hoor. Wij zijn de kinderen van een internationale superster, weet je nog?'
Daarna keken we achter ons, om te zien hoe de Moeflon in onze mooie nieuwe krater lazerde.
Maar dat viel een beetje tegen.
De Moeflon was een uitstekende chauffeur, en maakte een bocht die je niet zou geloven als je hem niet zelf had gezien. Hij rukte zijn stuur nét op tijd naar links, en scheurde op twee wielen precies langs de rand van de krater.
'Hm,' zei ik, 'we hadden nog een stukje weg overgelaten, mam, en nou komt-ie weer achter ons aan. We zullen nog een keer moeten knallen.'
'Joewieieie!' riep Kwetter, en ook Jamal keek opgetogen toen hij zag hoe we dit keer twéé staven dynamiet uit de tas haalden.
Dit keer was de krater net zo groot als de weg breed was. Daar kon de Moeflon onmogelijk omheen, want er was geen 'omheen'. Er was alleen een diepe krater. Een hele diepe krater. Of eigenlijk was het niet echt een krater, want we reden toevallig net over een hoge brug. Dus in plaats van een krater was er gewoon een stuk weg, dat weg was. De grond was ongeveer dertig meter lager.
'Oepsie,' grijnsde Michael. 'Ik hoop maar dat-ie op tijd kan remmen, anders valt-ie hartstikke dood.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)