BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Vanuit de haven moesten we nog een kwartier met de bus.
Het was raar om in een bus te zitten.
We hadden wel vaker in bussen gezeten, natuurlijk, maar dat was al weer een hele tijd geleden. De afgelopen jaren hadden we rondgereden in tanks en gestolen politiewagens, rondgezwierd aan lianen, over de zee gezeild en onder zee ge... ge... geönderzeeërd. In ons blote niksie door het moeras gewaad, met pantserwagens dwars door huizen heen gereden, onder helikopters gehangen... Ja, wij hadden zo ongeveer alles wel gedaan wat je kunt doen, wat vervoer betreft.
Gevaarlijke, spannende dingen
Maar zoiets simpels als een ritje in een gewone stadsbus? Nee, dat hadden we al die tijd niet gedaan. Niet kúnnen doen. Te gevaarlijk. Want in de bus zitten allerlei mensen. Mensen die misschien wel weten dat je een terrorist bent. En die dan de politie gaan zitten bellen.
Dan komt de politie achter je aan, wat op zich geen ramp is. Ik bedoel: aan de politie kun je best nog ontsnappen. Als je zelf, bijvoorbeeld, in een gestolen politiewagen zit.
Maar als je in een gewone stadsbus zit? Een bus die je niet eens zelf mag besturen? Vergeet het maar.
Nee, in bussen kun je alleen rijden als je echt helemaal honderd procent zeker officieel geen terrorist bent.
En dat waren wij nu. We konden weer een gewoon leven leiden.
Daarom voelden we ons zo vreemd daar in die bus.
Ik zelf voelde het niet meteen bij het instappen, maar toen we eenmaal op een bankje zaten zei papa met schorre stem: 'Fijn he jongens, een ritje...' Hij perste heel even zijn lippen op elkaar en slikte iets weg. '...een ritje met de bus?'
In mama's ogen zag ik heel even een traantje blinken. Ze knipperde met haar ogen en het was weg: wetenschappers huilen niet. Dat heeft invloed op de resultaten, denk ik.
Maar toen ik mama's oog zag glimmen, toen moest ik zelf ook bijna huilen.
Gelukkig kon ik me nog een beetje inhouden dankzij Kwetter. Want die begon te roepen: 'Ja, nou en of dat fijn bent! Bussen bent heel bijzonder! Daar hebt in ik nog nooit ingezeten! Joewieie! Ze sprong op en neer op de bank, en van pure pret wilde ze haar boek uittrekken.
Dat wil ze altijd als ze blij is, want ze komt uit Boegoe-Boegoe en daar dragen de mensen geen kleren.
Er rijden trouwens ook geen bussen. Te modderig.
Gaby en ik moesten Kwetter tegen de grond worstelen, zodat mama haar broek weer dicht kon knopen. Mama is héél streng op het gebied van broeken aanhouden. En op netjes eten en beleefd zijn en alle andere vormen van fatsoen.
Kwetter tegen de grond worstelen is best lastig, want ze is supersterk en razendsnel. Ze klauterde in de ijzeren stangen tussen de bankjes ze sprong heen en weer, maakte salto's en koprollen. Mama, Gaby en ik holden achter haar aan. Het werd een wilde achtervolging. Alleen papa bleef op zijn bankje zitten. Hij steunde met zijn hoofd in zijn handen en mompelde droevig: 'Ach, wie houd ik eigenlijk voor de gek? Normaal wordt het nooit meer.'
De chauffeur zette de bus stil, want de andere passagiers hadden nogal wat last van ons. De rest van het stuk moesten we lopen.
Dat was niet zo leuk, maar in ieder geval had ik niet hoeven huilen of zoiets stoms. En dat is ook wat waard.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
maandag 17 maart 2014
vrijdag 14 maart 2014
Een betreurenswaardig misverstand
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
Papa had de Tsaar Peter naar het vasteland gevaren en voorzichtig gingen we een haven binnen. Wat zou er gebeuren als we van boord gingen?
Tot nu toe waren we in ieder geval niet lastig gevallen. Papa was een beetje bang geweest dat er bij de ingang van de haven motorboten op ons zouden wachten. Motorboten van de politie-te-water.
Die lagen er niet. Maar waarom niet? Omdat de politie ons met rust wilde laten? Of omdat we torpedo's aan boord hadden? Van een goed bewapende duikboot kan zo'n politiebootje het onmogelijk winnen, dus een verstandige agent ziet duikboten door de vingers en gaat ergens anders heen, om minder gevaarlijke dingen te doen. Visvergunningen controleren aan het kanaal. Moet ook gebeuren. Is ook belangrijk. Zou ik zeggen, als ik een agent was.
Maar ik ben helemaal geen agent, dus... ja...
Weet ik veel hoe die mensen denken. Misschien denken ze wel: Joepie! We gaan een levensgevaarlijke terrorist arresteren! Eindelijk het echte werk!
Hoe dan ook, ze waren er niet.
En op de kade stonden ook geen politiewagens om ons op te wachten.
We gingen gewoon van boord en wandelden op ons gemak naar het kantooortje van de havenmeester. Onderweg zagen we een paar posters met mama's gezicht erop. Daarboven stond in grote dikke letters: 'Niet gezocht!' en eronder, in iets kleinere letters: 'U krijgt geen enkele beloning als u deze brave burger lastigvalt. Echt, serieus: laat haar met rust! Leg haar geen strobreed in de weg! Het was allemaal een betreurenswaardig misverstand.'
Er waren ook posters van papa, en posters waar ons hele gezin op stond.
'Tjonge jonge,' zei papa onder de indruk. 'Ik wist wel dat meneer Clusjes invloed had, maar dat hij dit voor elkaar kon krijgen, had ik niet verwacht.'
Het kantoortje van de havenmeester hing helemaal vol met niet-gezocht posters, en de havenmeester – een pukkelige jonge man in overhemd en stropdas – heette ons hartelijk welkom.
'Mijnheer en mevrouw Laarmans! Ik verwachtte u al. En daar zijn de kids: Michael, Gaby en Kwetter. Welkom, welkom. Jullie willen een aanlegvergunning, denk ik? Geen probleem, hoor!'
'Fijn,' zei mama beduusd.
'Heel fijn,' mompelde papa.
Hoe wist u dat wij hier zouden komen?' vroeg Gaby wantrouwig.
De havenmeester knipoogde. 'Ik hoor wel eens wat,' zei hij en hij keek heel tevreden met zichzelf. 'Ik ben fan van de BOF-praatjes, moet u weten. Ik mis er nooit één.' Hij gebaarde naar zijn bureau. Daarop stonden twee computers. Eentje voor kantoorwerk en eentje om BOF-praatjes te kijken. Er was een praatje bezig, een herhaling van vorig jaar.
'De echte fans,' fluisterde hij met twinkelende ogen, 'de échte fans weten allang wie er BOF-praatjes gaan houden, komende zaterdag. Meneer Clusjes zelf gaat spreken, wist u dat?'
Mama verbleekte. 'Ik... ik... nee, dat wist ik niet.'
'Oh, wij fans weten dat allang,' grijnsde de havenmeester. 'Alleen over u was nog een beetje discussie. Sommigen zeiden: meneer Clusjes nodigt toch geen terroristen uit? Maar anderen zeiden: ach, misschien is ze helemaal geen terrorist, misschien was dat allemaal een misverstand.' Hij gebaarde naar de posters. 'En u ziet wie er gelijk had! Hier is uw vergunning. Het was een eer u te ontmoeten. En wilt u mij nu excuseren? Ik moet nog een paar weddenschappen incasseren. Ik wens u een goede dag, een aangenaam verblijf en voor zaterdag: veel succes!'
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
/ VOLGENDE
Papa had de Tsaar Peter naar het vasteland gevaren en voorzichtig gingen we een haven binnen. Wat zou er gebeuren als we van boord gingen?
Tot nu toe waren we in ieder geval niet lastig gevallen. Papa was een beetje bang geweest dat er bij de ingang van de haven motorboten op ons zouden wachten. Motorboten van de politie-te-water.
Die lagen er niet. Maar waarom niet? Omdat de politie ons met rust wilde laten? Of omdat we torpedo's aan boord hadden? Van een goed bewapende duikboot kan zo'n politiebootje het onmogelijk winnen, dus een verstandige agent ziet duikboten door de vingers en gaat ergens anders heen, om minder gevaarlijke dingen te doen. Visvergunningen controleren aan het kanaal. Moet ook gebeuren. Is ook belangrijk. Zou ik zeggen, als ik een agent was.
Maar ik ben helemaal geen agent, dus... ja...
Weet ik veel hoe die mensen denken. Misschien denken ze wel: Joepie! We gaan een levensgevaarlijke terrorist arresteren! Eindelijk het echte werk!
Hoe dan ook, ze waren er niet.
En op de kade stonden ook geen politiewagens om ons op te wachten.
We gingen gewoon van boord en wandelden op ons gemak naar het kantooortje van de havenmeester. Onderweg zagen we een paar posters met mama's gezicht erop. Daarboven stond in grote dikke letters: 'Niet gezocht!' en eronder, in iets kleinere letters: 'U krijgt geen enkele beloning als u deze brave burger lastigvalt. Echt, serieus: laat haar met rust! Leg haar geen strobreed in de weg! Het was allemaal een betreurenswaardig misverstand.'
Er waren ook posters van papa, en posters waar ons hele gezin op stond.
'Tjonge jonge,' zei papa onder de indruk. 'Ik wist wel dat meneer Clusjes invloed had, maar dat hij dit voor elkaar kon krijgen, had ik niet verwacht.'
Het kantoortje van de havenmeester hing helemaal vol met niet-gezocht posters, en de havenmeester – een pukkelige jonge man in overhemd en stropdas – heette ons hartelijk welkom.
'Mijnheer en mevrouw Laarmans! Ik verwachtte u al. En daar zijn de kids: Michael, Gaby en Kwetter. Welkom, welkom. Jullie willen een aanlegvergunning, denk ik? Geen probleem, hoor!'
'Fijn,' zei mama beduusd.
'Heel fijn,' mompelde papa.
Hoe wist u dat wij hier zouden komen?' vroeg Gaby wantrouwig.
De havenmeester knipoogde. 'Ik hoor wel eens wat,' zei hij en hij keek heel tevreden met zichzelf. 'Ik ben fan van de BOF-praatjes, moet u weten. Ik mis er nooit één.' Hij gebaarde naar zijn bureau. Daarop stonden twee computers. Eentje voor kantoorwerk en eentje om BOF-praatjes te kijken. Er was een praatje bezig, een herhaling van vorig jaar.
'De echte fans,' fluisterde hij met twinkelende ogen, 'de échte fans weten allang wie er BOF-praatjes gaan houden, komende zaterdag. Meneer Clusjes zelf gaat spreken, wist u dat?'
Mama verbleekte. 'Ik... ik... nee, dat wist ik niet.'
'Oh, wij fans weten dat allang,' grijnsde de havenmeester. 'Alleen over u was nog een beetje discussie. Sommigen zeiden: meneer Clusjes nodigt toch geen terroristen uit? Maar anderen zeiden: ach, misschien is ze helemaal geen terrorist, misschien was dat allemaal een misverstand.' Hij gebaarde naar de posters. 'En u ziet wie er gelijk had! Hier is uw vergunning. Het was een eer u te ontmoeten. En wilt u mij nu excuseren? Ik moet nog een paar weddenschappen incasseren. Ik wens u een goede dag, een aangenaam verblijf en voor zaterdag: veel succes!'
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
woensdag 12 maart 2014
Mama is ontzettend menselijk.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Daarna was ze dus een heel dag bezig met het uitzoeken van swisj-geluidjes.
Grappig genoeg bleken die écht veel wetenschappelijker te klinken dan whoesj-geluidjes. Ik had zomaar het eerste gezegd wat in me opkwam, om mama af te leiden van onze opvoeding. Maar het bleek nog te kloppen ook. Kennelijk had ik er gevoel voor.
Dat heb je hè, als je een jongen bent. Dan heb je automatisch gevoel voor computers en zo.
Meisjes hebben dat niet. Die hebben meer gevoel voor ponies. En voor alles wat schattig is. Kijk, dat heb ik dan weer niet. Als je mij een foto laat zien van, pak 'm beet, een jong katje dat onder een kerstboom ligt te stoeien met een babypanda, dan zeg ik alleen maar 'Goh. Pluizige boel, daaro.'
Dus... ja...
Ik was de aangewezen persoon om mama te helpen met haar BOF-praatje. Papa had het ook wel gekund, misschien, maar die was te druk met de pannenkoeken en dergelijke. Trouwens, mama was nu klaar met de geluidjes en ging over naar de grapjes. Er moeten ook een paar grapjes in zo'n praatje namelijk, anders is het geen echt BOF-praatje.
Nu heeft mijn moeder, jammer genoeg, een heel erg slecht gevoel voor humor. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ze is al super-slim, en stoer, en lief – als ze dan ook nog eens grappig was, dan zou het niet meer menselijk zijn.
Nou, ze is menselijk, hoor!
Ze is ontzettend menselijk.
In de zin van: niet grappig.
Haar idee van een grap is bijvoorbeeld dat ze 'Mooie kuultjes' zegt in plaat van 'Molecuultjes'. Zogenaamd per ongeluk, als verspreking.
Of dat ze zegt: 'de meeste cómputerspelletjes zijn eigenlijk domputerspelletjes'.
Brrr.
Dat lijkt niet eens op een grap. Het is niet eens in de verte familie van een grap. Als grappen mensen waren, zouden ze die opmerking van mijn moeder een donker steegje binnensleuren en compleet in mekaar beuken, omdat-ie alle fatsoenlijke grappen te schande maakt.
En de humor van mijn vader is al niet veel beter.
Dus waar ik het dan van heb, dat is mij een raadsel.
Veel kinderen leren hun humor van de televisie, maar ik mag maar heel weinig televisie kijken.
Ik las altijd veel strips, toen we nog thuis woonden. Maar nu we midden op de oceaan ronddobberen zijn er geen boekwinkels of bibliotheken in de buurt, dus ik zit al maanden zonder.
Ik denk dat ik het mezelf geleerd heb. Dat is knap, hoor!
Misschien komt het ook een beetje doordat er hier zo weinig te doen is. Als je je echt hard zit te vervelen, dan ga je vanzelf grappen verzinnen. Zelfs Gaby heeft een soort van humor ontwikkeld, de laatste jaren.
Maar niet zo goed als dat van mij.
Ik was dus degene die de grappen moest verzinnen voor mama's praatje.
Dat bleek nog best wel ingewikkeld, want het praatje moest min of meer hetzelfde blijven, dus ik had steeds maar één zinnetje voor een grap.
Het moeilijkste was het, om grappen te verzinnen die óók nog leuk waren als mama ze vertelde. Het vertellen is net zo belangrijk als het verzinnen, ontdekte ik nu. Maar we zetten door, mama en ik. We zaten hele dagen de puzzelen en te oefenen, soms werkten we een dag lang aan één zinnetje. Maar die was dan ook helemaal goed.
Het bijzondere was: als mama die grappen 's avonds aan tafel uitprobeerde, moesten we alle vijf lachen. Mama en ik, omdat we hem bedacht hadden. Gaby en Kwetter, omdat die een leuke grap herkennen als ze er een zien. Maar ook papa, die nog geen grap zou kunnen verzinnen als hij er zijn leven mee kon redden, snapte vanzelf hoe leuk onze grappen waren. Snappen is makkelijker dan verzinnen, kennelijk.
Na drie weken was het praatje helemaal klaar.
En dat was maar goed ook, want de dag van het praatje stond op aanbreken.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Daarna was ze dus een heel dag bezig met het uitzoeken van swisj-geluidjes.
Grappig genoeg bleken die écht veel wetenschappelijker te klinken dan whoesj-geluidjes. Ik had zomaar het eerste gezegd wat in me opkwam, om mama af te leiden van onze opvoeding. Maar het bleek nog te kloppen ook. Kennelijk had ik er gevoel voor.
Dat heb je hè, als je een jongen bent. Dan heb je automatisch gevoel voor computers en zo.
Meisjes hebben dat niet. Die hebben meer gevoel voor ponies. En voor alles wat schattig is. Kijk, dat heb ik dan weer niet. Als je mij een foto laat zien van, pak 'm beet, een jong katje dat onder een kerstboom ligt te stoeien met een babypanda, dan zeg ik alleen maar 'Goh. Pluizige boel, daaro.'
Dus... ja...
Ik was de aangewezen persoon om mama te helpen met haar BOF-praatje. Papa had het ook wel gekund, misschien, maar die was te druk met de pannenkoeken en dergelijke. Trouwens, mama was nu klaar met de geluidjes en ging over naar de grapjes. Er moeten ook een paar grapjes in zo'n praatje namelijk, anders is het geen echt BOF-praatje.
Nu heeft mijn moeder, jammer genoeg, een heel erg slecht gevoel voor humor. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Ze is al super-slim, en stoer, en lief – als ze dan ook nog eens grappig was, dan zou het niet meer menselijk zijn.
Nou, ze is menselijk, hoor!
Ze is ontzettend menselijk.
In de zin van: niet grappig.
Haar idee van een grap is bijvoorbeeld dat ze 'Mooie kuultjes' zegt in plaat van 'Molecuultjes'. Zogenaamd per ongeluk, als verspreking.
Of dat ze zegt: 'de meeste cómputerspelletjes zijn eigenlijk domputerspelletjes'.
Brrr.
Dat lijkt niet eens op een grap. Het is niet eens in de verte familie van een grap. Als grappen mensen waren, zouden ze die opmerking van mijn moeder een donker steegje binnensleuren en compleet in mekaar beuken, omdat-ie alle fatsoenlijke grappen te schande maakt.
En de humor van mijn vader is al niet veel beter.
Dus waar ik het dan van heb, dat is mij een raadsel.
Veel kinderen leren hun humor van de televisie, maar ik mag maar heel weinig televisie kijken.
Ik las altijd veel strips, toen we nog thuis woonden. Maar nu we midden op de oceaan ronddobberen zijn er geen boekwinkels of bibliotheken in de buurt, dus ik zit al maanden zonder.
Ik denk dat ik het mezelf geleerd heb. Dat is knap, hoor!
Misschien komt het ook een beetje doordat er hier zo weinig te doen is. Als je je echt hard zit te vervelen, dan ga je vanzelf grappen verzinnen. Zelfs Gaby heeft een soort van humor ontwikkeld, de laatste jaren.
Maar niet zo goed als dat van mij.
Ik was dus degene die de grappen moest verzinnen voor mama's praatje.
Dat bleek nog best wel ingewikkeld, want het praatje moest min of meer hetzelfde blijven, dus ik had steeds maar één zinnetje voor een grap.
Het moeilijkste was het, om grappen te verzinnen die óók nog leuk waren als mama ze vertelde. Het vertellen is net zo belangrijk als het verzinnen, ontdekte ik nu. Maar we zetten door, mama en ik. We zaten hele dagen de puzzelen en te oefenen, soms werkten we een dag lang aan één zinnetje. Maar die was dan ook helemaal goed.
Het bijzondere was: als mama die grappen 's avonds aan tafel uitprobeerde, moesten we alle vijf lachen. Mama en ik, omdat we hem bedacht hadden. Gaby en Kwetter, omdat die een leuke grap herkennen als ze er een zien. Maar ook papa, die nog geen grap zou kunnen verzinnen als hij er zijn leven mee kon redden, snapte vanzelf hoe leuk onze grappen waren. Snappen is makkelijker dan verzinnen, kennelijk.
Na drie weken was het praatje helemaal klaar.
En dat was maar goed ook, want de dag van het praatje stond op aanbreken.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 10 maart 2014
Het juiste geluidje
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De weken daarna dacht mijn moeder maar aan één ding en dat was haar BOF-praatje.
Daar hadden we mooi mazzel mee, want ze dacht dus niet aan ons. Dat wil zeggen dat we computerspelletjes konden doen zo lang als we wilden, en dat we zo laat op konden blijven als we wilden, en dat we helemaal geen huiswerk hoefden te maken, en dat we niet verplicht moesten bewegen in de frisse buitenlucht omdat dat gezond was. Kwetter, die dol is op zwemmen, lag de hele dag in zee; het stukje oceaan waar we ronddobberden niet ver van de evenaar; het weer was heerlijk en het water was warm. Mijn zusje werd prachtig bruin, en dat zou Kwetter ook geworden zijn als ze niet krankzinnig oranje was geweest.
Ik werd helemaal niet bruin, want ik zat de hele dag binnen computerspelletjes te doen.
Papa gedroeg zich als de ideale ouder: hij zorgde voor ons, bakte elke dag pannenkoeken en waste onze kleren en ruimde onze rommel op, maar wat hij niet deed (en wat veel ouders juist wel doen, veel meer dan al het andere) is die flauwekul die ze 'opvoeden' noemen. Zoals je weet bestaat opvoeden vooral uit: tegen je kinderen zeggen wat ze niet mogen en wel moeten. Dingen zeggen is veel minder werk dan pannenkoeken bakken, en dat is de reden dat de meeste ouders zich liever bezig houden met de opvoeding dan met de pannenkoeken.
Gelukkig is mijn vader geen watje: hij is een stoere, degelijke kerel die het niet erg vind zijn mouwen op te stropen en zichzelf in het zweet te werken. Pannenkoeken te bakken tot hij erbij neervalt.
Stoere kerels zijn zwijgzaam. Ze zeuren niet de hele dag aan kinderhoofdjes over wat kinderen wel en niet horen te doen. In het begin maakte mijn vader nog wel eens wat foutjes op dit punt; dan begon hij te meieren over kleren op de vloer, huiswerk, meehelpen met schoonmaken en dat soort onzin, maar als je maar lang genoeg deed of je het niet hoorde, dan hield hij er vanzelf mee op. Uiteindelijk probeerde hij het niet eens meer.
Bij mama kwam je daar nooit mee weg, maar ja, die had dus wat anders aan haar hoofd en in zijn eentje kon papa het domweg niet van ons winnen.
Mama bleef maar schrijven aan haar praatje, en opnieuw schrijven, en ze maakte er en mooie flitsende presentatie bij met beeldjes uit haar computerspel en allerlei gekleurde, bewegende grafiekjes en statistiekjes die in en uit beeld zoefden. Ze maakten bij het zoeven een soort van whoesj-geluidje, en mama was serieus een hele dag bezig met het kiezen uit honderden verschillende whoesj-geluidjes. Die liet ze allemaal aan ons horen, en dan moesten wij zeggen welke we het meest wetenschappelijk vonden klinken.
'Doe normaal!'gilden wij. 'Het zijn whoesj-geluidjes! Ie klinken niet naar wetenschap! Die klinken gewoon naar whoesj! Wat is dit voor een stomme vraag?'
'Ik wou dat je ophield met die flauwekul en je weer eens met ons bemoeide,' ging Gaby verder, maar ik zei snel: 'Hoho, Gaby, we moeten dat BOF-praatje wel serieus blijven nemen. Mama heeft echt een beetje tijd nodig, en het is onze taak om haar die tijd te geven en niet te gaan zeuren over dat we willen worden opgevoed of zo iets raars. Eh, eh... mam, moet je niet meer een soort Swisj-geluidje hebben? Dan een whoesj-geluidje?'
'Ik ben blij dat jij het tenminste serieus neemt,' zei mama.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De weken daarna dacht mijn moeder maar aan één ding en dat was haar BOF-praatje.
Daar hadden we mooi mazzel mee, want ze dacht dus niet aan ons. Dat wil zeggen dat we computerspelletjes konden doen zo lang als we wilden, en dat we zo laat op konden blijven als we wilden, en dat we helemaal geen huiswerk hoefden te maken, en dat we niet verplicht moesten bewegen in de frisse buitenlucht omdat dat gezond was. Kwetter, die dol is op zwemmen, lag de hele dag in zee; het stukje oceaan waar we ronddobberden niet ver van de evenaar; het weer was heerlijk en het water was warm. Mijn zusje werd prachtig bruin, en dat zou Kwetter ook geworden zijn als ze niet krankzinnig oranje was geweest.
Ik werd helemaal niet bruin, want ik zat de hele dag binnen computerspelletjes te doen.
Papa gedroeg zich als de ideale ouder: hij zorgde voor ons, bakte elke dag pannenkoeken en waste onze kleren en ruimde onze rommel op, maar wat hij niet deed (en wat veel ouders juist wel doen, veel meer dan al het andere) is die flauwekul die ze 'opvoeden' noemen. Zoals je weet bestaat opvoeden vooral uit: tegen je kinderen zeggen wat ze niet mogen en wel moeten. Dingen zeggen is veel minder werk dan pannenkoeken bakken, en dat is de reden dat de meeste ouders zich liever bezig houden met de opvoeding dan met de pannenkoeken.
Gelukkig is mijn vader geen watje: hij is een stoere, degelijke kerel die het niet erg vind zijn mouwen op te stropen en zichzelf in het zweet te werken. Pannenkoeken te bakken tot hij erbij neervalt.
Stoere kerels zijn zwijgzaam. Ze zeuren niet de hele dag aan kinderhoofdjes over wat kinderen wel en niet horen te doen. In het begin maakte mijn vader nog wel eens wat foutjes op dit punt; dan begon hij te meieren over kleren op de vloer, huiswerk, meehelpen met schoonmaken en dat soort onzin, maar als je maar lang genoeg deed of je het niet hoorde, dan hield hij er vanzelf mee op. Uiteindelijk probeerde hij het niet eens meer.
Bij mama kwam je daar nooit mee weg, maar ja, die had dus wat anders aan haar hoofd en in zijn eentje kon papa het domweg niet van ons winnen.
Mama bleef maar schrijven aan haar praatje, en opnieuw schrijven, en ze maakte er en mooie flitsende presentatie bij met beeldjes uit haar computerspel en allerlei gekleurde, bewegende grafiekjes en statistiekjes die in en uit beeld zoefden. Ze maakten bij het zoeven een soort van whoesj-geluidje, en mama was serieus een hele dag bezig met het kiezen uit honderden verschillende whoesj-geluidjes. Die liet ze allemaal aan ons horen, en dan moesten wij zeggen welke we het meest wetenschappelijk vonden klinken.
'Doe normaal!'gilden wij. 'Het zijn whoesj-geluidjes! Ie klinken niet naar wetenschap! Die klinken gewoon naar whoesj! Wat is dit voor een stomme vraag?'
'Ik wou dat je ophield met die flauwekul en je weer eens met ons bemoeide,' ging Gaby verder, maar ik zei snel: 'Hoho, Gaby, we moeten dat BOF-praatje wel serieus blijven nemen. Mama heeft echt een beetje tijd nodig, en het is onze taak om haar die tijd te geven en niet te gaan zeuren over dat we willen worden opgevoed of zo iets raars. Eh, eh... mam, moet je niet meer een soort Swisj-geluidje hebben? Dan een whoesj-geluidje?'
'Ik ben blij dat jij het tenminste serieus neemt,' zei mama.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 7 maart 2014
De kleuter en de vrachtwagen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Verbaasd keken we onze moeder aan.
'N... niet?' stamelde papa. 'Maar... terug naar de wetenschap, dat was toch altijd wat je het liefste wilde?'
'Nee hoor,' riep Kwetter. 'Boemen maken, dat doede jij het allerliefste, he mam?'
'Jullie hebben allebei een beetje gelijk,' glimlachte mama toegeeflijk. 'Dingen laten ontploffen, dat vind ik héérlijk. Het is verslavend. Het enige wat je denkt na het maken van een ontploffing, is: wat zal ik nú eens gaan opblazen. Liefst iets heel groots!'
'Jaaa! Joewieie! Boemmmm!'
'Maar op de lange duur,' ging mama verder, 'is dat niet echt bevredigend. Er komt een moment waarop je denkt: wat laat ik de wereld eigenlijk na? Wat heb ik gemáákt, in mijn leven? En dan is het antwoord: een hoop kuilen in de grond, gevuld met brokken beton en metselwerk. Dat is niet iets om trots op te zijn. Maar als je aan wetenschap doet, en je vindt een nieuw stof je uit, of een nieuwe manier om een oud stofje te maken, of je ontdekt dat een oud stofje eigenlijk helemaal niet kón, dan kun je tevreden sterven. Dan heb je de wereld iets gegéven.'
'Dus: terug naar de wetenschap,' zei ik.
'Misschien...' zei mama. 'Maar er is ook nog zoiets als... plicht. Ik bedoel: als er iets is wat gedaan moet worden, en jij bent de enige die het kan doen, dan moet je het doen, snap je wel? Als er bijvoorbeeld een kleuter de weg oploopt, en jij bent de enige die hem weg kan graaien voordat er een tien-tons vrachtwagen overheen dendert, dan heb je geen keuze. Je moet die kleuter redden. Waar of niet?'
'Ja, natuurlijk bent dat waar!' riep Kwetter vurig. 'Maar er bént hier geen kleuter. Anders hebde ik die al lang gered, hoor!'
'Daar twijfel ik niet aan, lieve Kwetter. Maar het gaat om het idee. Het idee dat er dingen zijn die je moet doen, omdat jij de enige bent die ze kan doen.'
'En... war hebben we het hier precies over?' vroeg Gaby voorzichtig. 'Toch niet toevallig over zoiets als: dat jij, door je BOF-praatje, fijn reclame kunt maken voor de wetenschap? En dat je daar dan heel beroemd en populair mee zou kunnen worden, zodat je veel op televisie komt en in kranten mag schrijven, zodat je nog meer reclame kunt maken voor de wetenschap, enzovoort?'
'Jij snapt het,' riep mama opgetogen.
'Puh,' zei ik, 'ik snap het toevallig ook, hoor. En ik vind het wél een goed idee. Terwijl Gaby...'
We keken allemaal naar Gaby. Die keek alsof ze op bezoek was bij mensen, en tijdens het eten opeens een slak ontdekt had in de sla.
Ze keek, kortom, alsof ze mama's idee maar stom vond.
Ja, als je nog maar elf bent, dan snap je nog niet hoe de wereld in elkaar zit, en hoe balngrijk een BOF-praatje wel niet kan zijn. Daar kun je de wereldgeschiedenis mee veranderen!
Probeer dat maar eens met een bom.
Nou is dat een beetje een slecht voorbeeld, want de geschiedenis is vaak genoeg veranderd met behulp van bommen, maar werd het daar allemaal beter van? Dat is nog maar de vraag, he?
Terwijl niemand kan beweren dat de wereldgeschiedenis ooit slechter is geworden van een BOF-praatje. Dus... ja...
'Maak je maar niet druk, lieve schat,' zei mama met een aai over Gaby's bol. 'Ik zal eerst dat praatje maar eens gaan houden. Dan zien we daarna wel weer verder.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Verbaasd keken we onze moeder aan.
'N... niet?' stamelde papa. 'Maar... terug naar de wetenschap, dat was toch altijd wat je het liefste wilde?'
'Nee hoor,' riep Kwetter. 'Boemen maken, dat doede jij het allerliefste, he mam?'
'Jullie hebben allebei een beetje gelijk,' glimlachte mama toegeeflijk. 'Dingen laten ontploffen, dat vind ik héérlijk. Het is verslavend. Het enige wat je denkt na het maken van een ontploffing, is: wat zal ik nú eens gaan opblazen. Liefst iets heel groots!'
'Jaaa! Joewieie! Boemmmm!'
'Maar op de lange duur,' ging mama verder, 'is dat niet echt bevredigend. Er komt een moment waarop je denkt: wat laat ik de wereld eigenlijk na? Wat heb ik gemáákt, in mijn leven? En dan is het antwoord: een hoop kuilen in de grond, gevuld met brokken beton en metselwerk. Dat is niet iets om trots op te zijn. Maar als je aan wetenschap doet, en je vindt een nieuw stof je uit, of een nieuwe manier om een oud stofje te maken, of je ontdekt dat een oud stofje eigenlijk helemaal niet kón, dan kun je tevreden sterven. Dan heb je de wereld iets gegéven.'
'Dus: terug naar de wetenschap,' zei ik.
'Misschien...' zei mama. 'Maar er is ook nog zoiets als... plicht. Ik bedoel: als er iets is wat gedaan moet worden, en jij bent de enige die het kan doen, dan moet je het doen, snap je wel? Als er bijvoorbeeld een kleuter de weg oploopt, en jij bent de enige die hem weg kan graaien voordat er een tien-tons vrachtwagen overheen dendert, dan heb je geen keuze. Je moet die kleuter redden. Waar of niet?'
'Ja, natuurlijk bent dat waar!' riep Kwetter vurig. 'Maar er bént hier geen kleuter. Anders hebde ik die al lang gered, hoor!'
'Daar twijfel ik niet aan, lieve Kwetter. Maar het gaat om het idee. Het idee dat er dingen zijn die je moet doen, omdat jij de enige bent die ze kan doen.'
'En... war hebben we het hier precies over?' vroeg Gaby voorzichtig. 'Toch niet toevallig over zoiets als: dat jij, door je BOF-praatje, fijn reclame kunt maken voor de wetenschap? En dat je daar dan heel beroemd en populair mee zou kunnen worden, zodat je veel op televisie komt en in kranten mag schrijven, zodat je nog meer reclame kunt maken voor de wetenschap, enzovoort?'
'Jij snapt het,' riep mama opgetogen.
'Puh,' zei ik, 'ik snap het toevallig ook, hoor. En ik vind het wél een goed idee. Terwijl Gaby...'
We keken allemaal naar Gaby. Die keek alsof ze op bezoek was bij mensen, en tijdens het eten opeens een slak ontdekt had in de sla.
Ze keek, kortom, alsof ze mama's idee maar stom vond.
Ja, als je nog maar elf bent, dan snap je nog niet hoe de wereld in elkaar zit, en hoe balngrijk een BOF-praatje wel niet kan zijn. Daar kun je de wereldgeschiedenis mee veranderen!
Probeer dat maar eens met een bom.
Nou is dat een beetje een slecht voorbeeld, want de geschiedenis is vaak genoeg veranderd met behulp van bommen, maar werd het daar allemaal beter van? Dat is nog maar de vraag, he?
Terwijl niemand kan beweren dat de wereldgeschiedenis ooit slechter is geworden van een BOF-praatje. Dus... ja...
'Maak je maar niet druk, lieve schat,' zei mama met een aai over Gaby's bol. 'Ik zal eerst dat praatje maar eens gaan houden. Dan zien we daarna wel weer verder.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 5 maart 2014
Waarom geen klittenband?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Mama's gezicht straalde als de sterrenhemel.
'Jazeker,' zei ze, 'dat doet hij ook voor ons. Hij vindt het een groot probleem dat er zo weinig kinderen wetenschapper willen worden, en hij vindt dat ik mijn idee helemaal geweldig. Zo hoor je problemen op te lossen, zei hij. Kijk vanavond maar naar het nieuws, zei hij ook nog.'
Die avond keken we naar het nieuws.
Eerst was er een hoop akelig nieuws over de burgeroorlog in Armoestan, daarna een stukje over politiek (de minister van Defensie was al voor de vierde keer deze week over zijn eigen losse veters gestruikeld, en het Parlement wilde weten waarom hij niet overging op klittenband) en daarna was er een stukje over de Doggersbank. Die had vandaag wel vijf uur platgelegen, werd er verteld. Alle computers waren stilgelegd door computerboeven uit Nigeria.
Meneer Dogger kwam in beeld.
De interviewer vroeg hem of de bank veel verlies had geleden door deze aanval.
'Een paar miljoen,' zei Dogger tandenknarsend.
En, wilde de interviewer weten, waren er veel klanten overgestapt naar een andere bank?
Het was een genot om naar Doggers lelijke gezicht te kijken. Zijn pafferige wangen trilden van woede, en zijn ogen knipperden tegen de machteloze tranen.
'Honderden,' siste hij. 'Hónderden klanten ben ik kwijt.'
En was het probleem nu opgelost?
Dogger slikte moeilijk. 'Jazeker,' zei hij. 'Het zal niet meer voorkomen. Dat kan ik u keihard garanderen.'
Nog een laatste vraag. Iedereen wist van Doggers ruzie met de beruchte Donderkat. Zou het kunnen dat zij hierachter zat?
Doggers as-grauwe gelaat werd nog ongezonder van kleur. Wit met blauwachtig grijs. Ik wist niet dat een levend mens er zo uit kon zien. De bankier beet op zijn tanden en balde zijn vuisten. Het was duidelijk dat hij iets ging zeggen, wat hij heel, heel moeilijk vond.
'Nee hoor, de Donderkat heeft hier niets mee te maken,' fluisterde hij met een stem die kraakte als een oude planken vloer. 'Sterker nog: ik heb nu ruzie met... met die... die Nigeriaanse computerboeven. En niet meer met haar. De beloning voor het vangen van de Donderkat wordt ingetrokken. Dat maak ik bij deze bekend, en ik laat het overal ter wereld omroepen en aanplakken. Wat mij betreft is de Donderkat voortaan vrij om te gaan en te staan waar ze wil.'
Het was maar goed dat de Tsaar Peter, onze duikboot, aan het oppervlak dobberde met het luik open. Want we juichten zó hard, dat er waarschijnlijk scheuren in de romp waren gekomen als onze vreugde niet door het luik had kunnen ontsnappen.
'Vrij,' juichten we, 'eindelijk vrij!'
'We kunnen terug naar huis! Naar mijn eigen kamertje, met mijn eigen knuffels!' jubelde Gaby.
Ik deed maar net of ik dat niet hoorde. Ik bedoel: knuffels? Hallo! Je bent elf, zus! Dan mag je geen knuffels meer willen.
Of misschien ook wel, als je een meisje bent. Meisjes mogen veel meer dan jongens. Wij mogen niet eens meer soldaatje willen spelen, als we twaalf zijn. Dus... ja...
'Nu kun je terug naar de universiteit, schat,' glunderde papa. 'Terug naar de wetenschap!'
Mama, die het hardste had gejuicht van ons allemaal, keek mijn vader een beetje vreemd aan.
'Dát weet ik nog zo net niet,' zei ze.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Mama's gezicht straalde als de sterrenhemel.
'Jazeker,' zei ze, 'dat doet hij ook voor ons. Hij vindt het een groot probleem dat er zo weinig kinderen wetenschapper willen worden, en hij vindt dat ik mijn idee helemaal geweldig. Zo hoor je problemen op te lossen, zei hij. Kijk vanavond maar naar het nieuws, zei hij ook nog.'
Die avond keken we naar het nieuws.
Eerst was er een hoop akelig nieuws over de burgeroorlog in Armoestan, daarna een stukje over politiek (de minister van Defensie was al voor de vierde keer deze week over zijn eigen losse veters gestruikeld, en het Parlement wilde weten waarom hij niet overging op klittenband) en daarna was er een stukje over de Doggersbank. Die had vandaag wel vijf uur platgelegen, werd er verteld. Alle computers waren stilgelegd door computerboeven uit Nigeria.
Meneer Dogger kwam in beeld.
De interviewer vroeg hem of de bank veel verlies had geleden door deze aanval.
'Een paar miljoen,' zei Dogger tandenknarsend.
En, wilde de interviewer weten, waren er veel klanten overgestapt naar een andere bank?
Het was een genot om naar Doggers lelijke gezicht te kijken. Zijn pafferige wangen trilden van woede, en zijn ogen knipperden tegen de machteloze tranen.
'Honderden,' siste hij. 'Hónderden klanten ben ik kwijt.'
En was het probleem nu opgelost?
Dogger slikte moeilijk. 'Jazeker,' zei hij. 'Het zal niet meer voorkomen. Dat kan ik u keihard garanderen.'
Nog een laatste vraag. Iedereen wist van Doggers ruzie met de beruchte Donderkat. Zou het kunnen dat zij hierachter zat?
Doggers as-grauwe gelaat werd nog ongezonder van kleur. Wit met blauwachtig grijs. Ik wist niet dat een levend mens er zo uit kon zien. De bankier beet op zijn tanden en balde zijn vuisten. Het was duidelijk dat hij iets ging zeggen, wat hij heel, heel moeilijk vond.
'Nee hoor, de Donderkat heeft hier niets mee te maken,' fluisterde hij met een stem die kraakte als een oude planken vloer. 'Sterker nog: ik heb nu ruzie met... met die... die Nigeriaanse computerboeven. En niet meer met haar. De beloning voor het vangen van de Donderkat wordt ingetrokken. Dat maak ik bij deze bekend, en ik laat het overal ter wereld omroepen en aanplakken. Wat mij betreft is de Donderkat voortaan vrij om te gaan en te staan waar ze wil.'
Het was maar goed dat de Tsaar Peter, onze duikboot, aan het oppervlak dobberde met het luik open. Want we juichten zó hard, dat er waarschijnlijk scheuren in de romp waren gekomen als onze vreugde niet door het luik had kunnen ontsnappen.
'Vrij,' juichten we, 'eindelijk vrij!'
'We kunnen terug naar huis! Naar mijn eigen kamertje, met mijn eigen knuffels!' jubelde Gaby.
Ik deed maar net of ik dat niet hoorde. Ik bedoel: knuffels? Hallo! Je bent elf, zus! Dan mag je geen knuffels meer willen.
Of misschien ook wel, als je een meisje bent. Meisjes mogen veel meer dan jongens. Wij mogen niet eens meer soldaatje willen spelen, als we twaalf zijn. Dus... ja...
'Nu kun je terug naar de universiteit, schat,' glunderde papa. 'Terug naar de wetenschap!'
Mama, die het hardste had gejuicht van ons allemaal, keek mijn vader een beetje vreemd aan.
'Dát weet ik nog zo net niet,' zei ze.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 3 maart 2014
Het enige wat hij wil, is mensen helpen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat ik jullie nu ga vertellen,' zei mama, 'is ab-so-luut geheim. Ik bedoel dat jullie het aan niemand ooit mogen doorvertellen. Wat er ook gebeurt. Beloven jullie dat?'
Ja, natuurlijk beloofden wij dat. We moesten wel. Anders vertelde ze het niet.
Er zijn, zoals je misschien wel weet, verschillende soorten van beloven. Je hebt bijvoorbeeld: 'Ik beloof het (omdat ik anders mijn zin niet krijg)' en 'Ik beloof het (omdat ik zeker weet dat ik me aan mijn belofte ga houden)'.
Onze belofte om het geheim van meneer Clusjes niet door te vertellen lag ergens midden tussen die andere twee. 'Ik beloof het' betekende in dit geval: 'Ik ga heus wel proberen om het geheim te houden hoor, maar ja, je kan natuurlijk nooit weten, he?'
Dat betekent het eigenlijk meestal.
'Goed,' zei mama. 'Gaby had bijna gelijk. Meneer Clusjes gaat nergens een computer van maken. Dat heeft hij namelijk al gedaan. Hij zóveel computers gemaakt, en die zijn zó handig om te gebruiken, dat we bijna alles met computers doen. Computers moeten dus bijna alles kunnen. Daardoor zijn ze steeds ingewikkelder geworden. Tegenwoordig is er helemaal niemand, zelfs meneer Clusjes niet, die nog precies weet hoe een computer in elkaar zit. Computers worden ontworpen door een grote groep computer-wetenschappers, die samen...' Even was ze stil. Haar ogen begonnen te stralen bij de gedachte aan een heel gebouw vol met wetenschappers. Ze schudde even met haar hoofd en ging verder: 'Elk van die wetenschappers ontwerpt een klein stukje van een nieuwe computer, en al die stukjes samen vormen een geheel dat voor niemand meer precies te begrijpen is. Snappen jullie?'
Wij knikten een beetje beledigd. Zo ingewikkeld was haar verhaal nou ook weer niet.
'Goed. Dan snappen jullie ook wel dat het voor Clusjes niet moeilijk is om een paar trucjes in te bouwen in zijn computers, waar niemand iets van weet.'
'Trucjes?' vroeg papa achterdochtig. 'Wat voor soort trucjes?'
'Oh, gewoon. Dat je hem op afstand uit of aan kunt zetten, of kunt blokkeren, of dat je gegevens weghaalt of verandert. Dat soort dingen.'
Papa's ogen werden groot van ontzetting. 'K... kan hij dat? Maar... dan kan hij de baas spelen over alles en iedereen!'
'Dat kan hij ook,' knikte mama. 'Maar hij doet het niet, hoor. Hij wil dat helemaal niet. Het enige wat hij wil, is mensen helpen en hun leven beter maken. Alleen heel soms, als hij iets écht belangrijk vindt, dan pakt hij zijn telefoon. En dan belt hiju met, bijvoorbeeld, meneer Dogger. En dan zegt hij: “Luister eens, Dogger, de Donderkat komt bij mij een BOF-praatje houden. dat moet ze wel veilig kunnen doen. Haal jij die prijs even van haar hoofd? Anders leg ik je bank plat.”En dat doet meneer Dogger dan.'
'Dat zou me verbazen,' zei papa. 'Dogger is zo koppig als een bakstenen muilezel.'
'Dan gaat die bank plat,' zei mama eenvoudig.
'Woooh!' riep ik. 'Zou hij dat echt voor ons doen?'
'Ja hoor,' zei mama. 'Soms doet hij dat. Dan kan een bank opeens niet meer werken. Hun klanten kunnen geen geld meer opnemen of zaken doen. Op het nieuwds hoor je dan: bij die en die bank is ingebroken door een bende Russische computer-boeven. Of: dat en dat telefoonbedrijf is aangevallen door een club Amerikaanse computer-nerds. Of door een paar pukkelige pubers uit Tietjerksteradeel. In werkelijkheid is dat dan meneer Clusjes, die hen even laat voelen wie er de baas is.'
'Ik geloof je wel,' zei ik. 'Maar de vraag was: doet hij dat ook voor ons?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat ik jullie nu ga vertellen,' zei mama, 'is ab-so-luut geheim. Ik bedoel dat jullie het aan niemand ooit mogen doorvertellen. Wat er ook gebeurt. Beloven jullie dat?'
Ja, natuurlijk beloofden wij dat. We moesten wel. Anders vertelde ze het niet.
Er zijn, zoals je misschien wel weet, verschillende soorten van beloven. Je hebt bijvoorbeeld: 'Ik beloof het (omdat ik anders mijn zin niet krijg)' en 'Ik beloof het (omdat ik zeker weet dat ik me aan mijn belofte ga houden)'.
Onze belofte om het geheim van meneer Clusjes niet door te vertellen lag ergens midden tussen die andere twee. 'Ik beloof het' betekende in dit geval: 'Ik ga heus wel proberen om het geheim te houden hoor, maar ja, je kan natuurlijk nooit weten, he?'
Dat betekent het eigenlijk meestal.
'Goed,' zei mama. 'Gaby had bijna gelijk. Meneer Clusjes gaat nergens een computer van maken. Dat heeft hij namelijk al gedaan. Hij zóveel computers gemaakt, en die zijn zó handig om te gebruiken, dat we bijna alles met computers doen. Computers moeten dus bijna alles kunnen. Daardoor zijn ze steeds ingewikkelder geworden. Tegenwoordig is er helemaal niemand, zelfs meneer Clusjes niet, die nog precies weet hoe een computer in elkaar zit. Computers worden ontworpen door een grote groep computer-wetenschappers, die samen...' Even was ze stil. Haar ogen begonnen te stralen bij de gedachte aan een heel gebouw vol met wetenschappers. Ze schudde even met haar hoofd en ging verder: 'Elk van die wetenschappers ontwerpt een klein stukje van een nieuwe computer, en al die stukjes samen vormen een geheel dat voor niemand meer precies te begrijpen is. Snappen jullie?'
Wij knikten een beetje beledigd. Zo ingewikkeld was haar verhaal nou ook weer niet.
'Goed. Dan snappen jullie ook wel dat het voor Clusjes niet moeilijk is om een paar trucjes in te bouwen in zijn computers, waar niemand iets van weet.'
'Trucjes?' vroeg papa achterdochtig. 'Wat voor soort trucjes?'
'Oh, gewoon. Dat je hem op afstand uit of aan kunt zetten, of kunt blokkeren, of dat je gegevens weghaalt of verandert. Dat soort dingen.'
Papa's ogen werden groot van ontzetting. 'K... kan hij dat? Maar... dan kan hij de baas spelen over alles en iedereen!'
'Dat kan hij ook,' knikte mama. 'Maar hij doet het niet, hoor. Hij wil dat helemaal niet. Het enige wat hij wil, is mensen helpen en hun leven beter maken. Alleen heel soms, als hij iets écht belangrijk vindt, dan pakt hij zijn telefoon. En dan belt hiju met, bijvoorbeeld, meneer Dogger. En dan zegt hij: “Luister eens, Dogger, de Donderkat komt bij mij een BOF-praatje houden. dat moet ze wel veilig kunnen doen. Haal jij die prijs even van haar hoofd? Anders leg ik je bank plat.”En dat doet meneer Dogger dan.'
'Dat zou me verbazen,' zei papa. 'Dogger is zo koppig als een bakstenen muilezel.'
'Dan gaat die bank plat,' zei mama eenvoudig.
'Woooh!' riep ik. 'Zou hij dat echt voor ons doen?'
'Ja hoor,' zei mama. 'Soms doet hij dat. Dan kan een bank opeens niet meer werken. Hun klanten kunnen geen geld meer opnemen of zaken doen. Op het nieuwds hoor je dan: bij die en die bank is ingebroken door een bende Russische computer-boeven. Of: dat en dat telefoonbedrijf is aangevallen door een club Amerikaanse computer-nerds. Of door een paar pukkelige pubers uit Tietjerksteradeel. In werkelijkheid is dat dan meneer Clusjes, die hen even laat voelen wie er de baas is.'
'Ik geloof je wel,' zei ik. 'Maar de vraag was: doet hij dat ook voor ons?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)