Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!

woensdag 4 juni 2014

Ze poefen niet uit de hemel

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Niks d'r van!' riep Kwetter, en ze wierp zich tussen mij en de generaal in. Of nou ja, werpen – het was meer een vastberaden soort van kruipen. 'Je moog niet op Michael schieten!' kreunde ze fel. 'Michael bent lief!'
'En waarom zou ik niet op jullie allebei schieten?' vroeg de generaal. 'Ik verdien alleen vandaag al dertien miljard Armoestaanse...'
Snoet kuchte. Hij kuchte heel zachtjes – het was echt nauwelijks hoorbaar. Toch ving de generaal het geluidje op. En het was zo'n veelbetekenend kuchje dat de moordlustige dikzak zijn pistool liet zakken, en verontrust naar Snoet ging staan kijken.
Snoet keek terug – op dezelfde vriendelijke, onschuldige manier als altijd.
'Wat?' vroeg de generaal. 'Is er iets met mijn dertien miljard?'
'Het wordt voortaan ietsje minder,' zei Snoet. 'Meneer Clusjes heeft besloten de prijs te verlagen.'
De generaal ontplofte van woede.
'Oh ja?' brulde hij. 'Heeft meneer Clusjes dat besloten? Denkt meneer Clusjes dat hij de prijs mag bepalen? Nou, dan heb ik slecht nieuws voor hem!Het is mijn coltan, en ik bepaal hoeveel geld ik ervoor wil hebben. Ik verkoop ik het spul wel aan iemand anders!'
Verbijsterd keken Gaby en ik elkaar aan. Clusjes? Meneer Clusjes? Onze meneer Clusjes, die de beloning van mama's hoofd had gehaald, die altijd zo ongelooflijk enthousiast was, die voor ieder probleem een oplossing wist, die de hele wereld hoop gaf met zijn BOF-praatjes, die... die meneer Clusjes?'
Snoet begon hardop te lachen.
'Wat nou weer?' snauwde de generaal.
'De gezichten van die kinderen,' hikte Snoet. 'Kostelijk! Oh, wat grappig! Kijk ze nou toch eens op hun neus kijken!'
De generaal keek ons aan en grijnsde. 'Waar zijn ze zo verbaasd over, denk je?'
'Ze hebben net de naam Clusjes gehoord, generaal,' glimlachte Snoet. 'Ze hebben hem gehoord op een plaats, waar ze hem nooit zouden verwachten. Oh nee – die lieve, beste, brave meneer Clusjes! Die hoort thuis in luxe hotels, waar alles van computers gemaakt is. Niet bij een bloeddorstige gek in het stoffige Armoestan... Clusjes zorgt voor vrede en welvaart voor iedereen – denken ze. Hij wil mensen blij maken met zijn uitvindingen – denken ze. Al die computers komen, poef, uit de hemel vallen – denken ze. Maar dan heb ik slecht nieuws voor jullie, kinderen – computers poefen niet uit de hemel. Die worden gemaakt in fabrieken. Nare, akelige, ongezonde fabrieken. En ze worden gemaakt van... nou ja, van alles eigenlijk. Plastic. Koper. Tin. Maar ook van zeldzame dingetjes. Zoals coltan. Coltan wordt maar op een paar plaatsen ter wereld gevonden, wisten jullie dat? Nee, he? Neem het maar van mij aan, hoor. En de grootste vindplaats ter wereld is hier, in Armoestan!'
'In mijn land,' zei de generaal tevreden.
'President M'urdara denkt daar anders over,' zei Snoet met een ondeugende blik.
'Bah,' deed de generaal, en hij maakte een gebaar alsof hij een rotte appel weggooide. 'Die ouwe gek? Die mag dan wel denken dat-ie de baas is over Armoestan, maar mijn dappere leger staat pal. Wij zijn sterker! Wij zijn dapperder! Wij hebben betere wapens!'
'...gekocht met het geld van meneer Clusjes,' vulde Snoet aan. 'Het geld voor de coltan. En dat wordt dus ietsje minder, want de prijs gaat omlaag.'
'Helemaal niet!' snoof de generaal. 'Ik verkoop het spul wel aan iemand anders!'
'Oh ja? Aan wie dan? Wie maakt er zoveel computers als meneer Clusjes?'
De generaal bromde wat.
'Nee, als u al die mooie wapens wilt blijven kopen, dan kunt u beter nog wat meer coltan opgraven. Minder geld per gram, maar meer grammen. Dan verdient u evenveel als eerst. En waarom niet? U laat gewoon uw slaven iets harder werken. Dat kost u toch niks?'
De generaal keek ons peinzend aan.
'Ik schiet jullie toch maar niet dood, denk ik. Ik zet jullie gewoon aan het werk. Hup!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 28 mei 2014

Nauwelijks een geit

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Ze zijn alleen per drie te koop,' zei Snoet.
'Nou en? Ik heb geld zat!' De generaal lachte. Zijn enorme lijf schudde ervan. 'Ik bied u vijf miljoen Armoestaanse dollars.'
Snoet maakte een kort rekensommetje in zijn hoofd en zei toen: 'Vijf miljoen Armoestaanse dollars? Daar kun je nauwelijks een geit voor kopen!'
'Geiten geven melk. Daar heb ik nog wat aan.'
'Nou, koop dan maar een geit. Schiet die dan maar dood, als je daar pret in hebt. Deze kinderen krijg je niet voor minder dan tien miljoen.'
'Zeven en een half.'
'Akkoord.'
'Chauffeur! Geef die man effe zeveneneenhalf miljoen.'
De chauffeur rommelde wat in een portemonnee en zei: 'Heeft u terug van acht?'
'Ja hoor,' zei Snoet. Hij liep naar de jeep en nam zijn geld in ontvangst. Daarna keek hij ons aan en lachte gemeen.
'Ik heb jullie zojuist verkocht voor nog geen vijf tientjes,' grinnikte hij. 'Is het geen reuze mop? Jullie moeder looft tien miljoen uit, en ik verkoop jullie voor vijf tientjes!'
Ik was nog veel te zwak om op te staan, anders had ik hem in zijn open, vriendelijke, betrouwbare gezicht gemept. Net zo lang en net zo hard tot ik zijn vriendelijke, betrouwbare neus had gebroken. En daarna nog een beetje extra. Wat een schurk was die man!
'Mooi,' zei de generaal. 'Dan ga ik nou dat jongetje doodschieten.'
'Niet doen!' riep ik. 'Mijn moeder geeft u tien miljoen als u ons bij haar terugbrengt. En dan heb ik het niet over Armoestaanse Dollars. In Armoestaanse dollars is dat... eh...' Dit kon ik eigenlijk best uitrekenen. Maar ik werd een beetje afgeleid door het feit dat ik halfdood was van de dorst en de honger, en doordat een gek met een pistool mij dood wilde schieten. Ik was, kun je wel zeggen, op drie verschillende manieren in levensgevaar. Dus... ja...
'Ongeveer honderddertig miljard,' zei de generaal kalm. 'Da's een aardige smak geld. Mar ik zei al: ik heb geld genoeg. En dat meende ik. Honderddertig miljard zal mij echt niet beletten om een jongetje dood te schieten dat... dat... Wat had je ook alweer gedaan?'
Ik had geen idee. Er was nogal veel gebeurd in de afgelopen vijf minuten, en ik kon niet zo helder denken op het moment. Met dat levensgevaar en zo. Ik haalde mijn schouders op.
'Oh ja,' riep de generaal, 'dat was het! Je had je schouders opgehaald. En nou doe je het wéér. Maar je zult het geen derde keer doen...' Hij pakte het pistool van zijn riem.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 26 mei 2014

Een bevel dat ze graag opvolgen

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Maar het was niet véél beweging. Ze staken alleen maar hun vingers uit om te wijzen naar de laatste paar kratten uit de vrachtwagen, die op dit moment het dorp in werden gedragen.
De generaal keek als een kleuter die een ijsje mag.
Hij sloeg Snoet op zijn schouders. 'Haha! Ik wist wel, dat ik op je kon rekenen! Je bent een vriend, Snoet. Een echte vriend! Mannen! Breng bier voor onze vriend! Veel bier! En neem zelf ook wat.'
Nu kwamen de mannen pas echt in beweging. Dit was het soort bevelen waar ze van hielden, dat was duidelijk. In looppas verdween de hele meute naar het dorp.
De generaal staarde hen ontroerd na. 'Prachtkerels,' mompelde hij. 'Ze doen alles wat ik van ze vraag. Alles.' Hij nam nog een slok uit zijn fles, veegde zijn mond af aan de mouw van zijn uniform en liet een keiharde boer.
Laat mama het maar niet horen, dacht ik
'He? Wat?' vroeg de generaal afwezig.
Nu pas realiseerde ik me dat ik het hardop gezegd had. Of nou ja, niet echt hardop, daar was ik nog te slapjes voor. Het was meer een soort versterkt fluisteren geweest. Maar kennelijk hard genoeg om gehoord te worden door de generaal.
'Wat zei je?' herhaalde die bars.
'Niks.'
'Lieg niet tegen me,' brulde de generaal. 'Of ik laat je doodschieten!'
Ik haalde mijn schouders op. De generaal had al twee mensen dood laten schieten in tien minuten, en dat had geen enkel gevolg gehad.
Hij vond het niet leuk dat ik mijn schouders ophaalde.
'Oh, vind je dat niet erg?' herhaalde hij dreigend. 'Mannen! Wie van jullie...'hij keek om zich heen. Zijn mannen waren nergens te zien. Die waren nog bier aan het halen.
'Dan doe ik het zelf,' gromde hij en hij trok zijn pistool.
'Hoho,' zei Snoet, 'dat kan ik niet toestaan.'
'Oh? En waarom wel niet?'
'U heeft hem nog niet gekocht, generaal. Ik heb allerlei kosten gemaakt. Ik heb hem op een boot van Amerika naar hier gebracht. Twintig dagen. In de dubbele wand van een container. Dat kost wat, hoor, zo'n dubbele wand! En dan nog beschuit en water voor twintig dagen. Nee, eerst betalen, zeg ik. Dan pas is hij van u. Dan kunt u zo veel gaten in 'm schieten als u maar wilt.'
'Ik zei al, wat moet ik met dat scharminkel? Ik heb kinderen genoeg hier.'
'Wat u ermee moet? Doodschieten natuurlijk. Dat wou u toch?'
'Oh ja. Nou, zeg het maar. Wat kost-ie?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 23 mei 2014

Een muilezel, een schildpad en de president zitten in een boom...

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Een grote Jeep kwam slingerend aangescheurd. Op zich is dat knap, slingeren en scheuren tegelijk. Meestal val je om, als je probeert te slingeren terwijl je heel hard rijdt. Of je dondert van de weg af. Er was hier niet echt een weg, dus je kon er ook niet afdonderen – dat probleem was alvast opgelost. Wat het omvallen betreft: dat ging steeds nét goed. Kwestie van geluk, leek me.
Er klonk muziek uit de auto, hele harde bonke-bonke muziek, en een hoop geroep en gelach.
'Wie daarin zit?' zei ik. 'Freddy het feestvarken, zo te horen.'
'Heel grappig,' bromde Snoet. 'Het zal snel afgelopen zijn met die grote mond, als...'
Op dat moment kwam de jeep met gillende remmen tot stilstand. De deur vloog open en er struikelde een grote, dikke meneer naar buiten. Hij droeg een legeruniform vol sterren en strepen en insignes. Ik zijn hand had hij een fles, en hij lachte als een gek.
'Hallo allemaal,' zei hij toen hij uitgelachen was. 'Ik weet een geweldige mop. President M'Urdara, een muilezel en een reuzenschildpad zitten in een boom... eh... wacht even hoor... Chauffeur!'
De chauffeur stak zijn hoofd uit het raampje. 'Ja?'
'Hoe gaat die mop ook alweer?'
'Welke mop, m'neer?'
'Die mop! Die je mij net vertelde! Nog geen minuut geleden!'
'Oh, die. Nou. Een muilezel, een schildpad en een mens zitten in een boom...'
'Het was toch president M'Urdara?'
'Eh, ja. Dat was de grap. Dat-ie op het laatst zegt van “Ja, maar ik ben president M'urdara”, weet je wel? Dat is de grap. Dus als de mensen dat van tevoren al weten, dan is de grap eraf, eigenlijk.'
'Oh ja. Nou, dan is-ie nu dus niet leuk meer.' Hij draaide zich om naar ons. 'Geen mop vandaag, mensen. Die stomme chauffeur van mij heeft de hele grap verpest.' Hij nam een grote slok uit zijn fles 'en riep: 'Stomme idioot! Mijn hele grap verpest... Ze zouden je dood moeten schieten...'Hij keek om zich heen en bulderde plotseling: 'Wie schiet hem voor me dood?'
Alle soldaten keken verveeld de andere kant op. Alsof ze dit soort geschreeuw elke dag hoorden.
Doodschieten daar beginnen we niet aan, zag je ze denken. Dan heeft-ie binnen twee maanden geen leger meer over.
De generaal keek nog eens rond. Plotseling klaarde zijn gezicht helemaal op, en hij riep: 'Hee, Snoet! Kerel!'
'Goeiemiddag, generaal,' groette Snoet beleefd.
'Heb je mooie spulletjes voor me, kameraad?'
'Mooi genoeg,' zei Snoet en hij wees op ons.
De generaal brulde van het lachen. 'Die daar? Dat? Noem je dat mooie spulletjes? Wat een magere ratjes! Ik heb aasgieren zien vechten om kadavers waar nog meer leven zat dan in dat daar! Ik moet geen kindertjes man – kindertjes heb ik genoeg. Ik moet geweren! Landmijnen! Granaten! Kogels en raketten! Wapens moet ik, man, wapens! Geen kindertjes. Kindertjes heb ik al genoeg, en ze zien er beter uit dan die rommel van jou. Geef me wapens! Anders laat ik je doodschieten.'
Hij nam een grote slok uit zijn fles en brulde: 'Wie schiet hem voor me dood?'
Ditmaal kwamen de soldaten wel in beweging.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 21 mei 2014

De olifant drijft langzaam weg

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Ik haalde mijn schouders op. Je doet je best maar met die generaal van je, dacht ik. Veel erger dan twee weken in jouw container kan het niet worden.
Intussen gingen de soldaten door met ons water te voeren alsof we baby-plantjes waren. Langzaam werden we minder suf, en de verschrikkelijke hoofdpijn begon weg te trekken.
Wat een bijzonder gevoel was, want ik was al weer vergeten dat ik hoofdpijn hád. Ik bedoel: ik wist ergens wel dat gevoel, dat er een olifant met spijkerschoenen op mijn schedel stond, een beetje ongewoon was. Ik was niet met dat gevoel geboren, dat wist ik tamelijk zeker. Maar alles was zo vies en naar en ellendig geweest dat ik me er geen zorgen over had gemaakt. Ach, had ik gedacht, zo'n olifantje meer of minder, wat maakt dat nou uit? Ik dacht er niet meer aan.
Maar nu de olifant langzaam wegdreef op het water, dat in voorzichtige slokjes door mijn lichaam spoelde, ontdekte ik dat het best wel uitmaakte. Dat het eigenlijk héél fijn is als er geen olifant met spijkerschoenen op je hoofd staat.
Ik voelde me zelfs zo goed dat ik probeerde te gaan zitten.
'Drink een beetje dóór, knul,' zei Snoet. 'De generaal kan elk moment hier zijn.'
'Wij bent heus niet bang voor een generaaltje,' hoorde ik Kwetter zeggen. 'Want mama bent de Donderkat, en zij kunt ons altijd redden. Als jou generaaltje een beetje brutaaltjes wordt, nou, dan boemt zij hem gewoon in stukjes hoor! Geen probleem!'
'Behalve dan jullie moeder geen enkel, maar dan ook geen énkel idee heeft waar jullie gebleven zijn. Sneu hoor. Ze is me toch een partij bezorgd! En huilen dat ze doet!'
'Hebt jij met haar gepraat?' vroeg Kwetter ongelovig.
'Ik? Nee hoor! Maar jullie mama is nu een internationale ster.'
'Dat bende zij altijd al. Een internationale terroristische superster!'
'Dát is ze nu niet meer,' glimlachte Snoet. 'Ze is nu een gewone ster, een huis-tuin-en-keuken-ster, zeg maar. Haar BOF-praatje was een enorm succes, en haar spel is een enorm succes. Ze willen een boek over haar leven maken, en een film, maar voorlopig houdt ze zich daar niet mee bezig. Ze is alleen maar bezig met haar zoektocht naar jullie. In televisieprogramma's, in kranten, op het internet: overal praat ze over jullie. Over hoe graag ze jullie terug wil vinden. Over hoe lief en schattig jullie zijn. Dat jullie met een tank een stad hebben gesloopt, en met kettingzagen een groep houthakkers aan hebben gevallen, dáár hoor je haar niet over. Nee hoor, het is allemaal: oh ze zijn zo lief, snotter snotter, geef me alstublieft mij kindjes terug, snik snik, er is een beloning van twintig miljoen...'
'Twintig miljoen?' vroeg ik. 'En die wil jij niet hebben? Jij leek me nou echt iemand die alles doet voor geld.'
'Ben ik ook,' grijnsde Snoet. 'maar iemand anders biedt me méér als ik jullie voorgoed laat verdwijnen. Iemand die het erg leuk vindt als jullie moeder verdrietig is.'
'Dogger,' gromde ik.
Snoet knikte.
Naast me zei Kwetter zwakjes: 'Mama boemt geen dingen de lucht in?'
'Nee,' grijnsde Snoet. 'Nog geen bushokje. Ze is nu een internationale ster, snap je, en internationale sterren denken altijd dat ze alles kunnen krijgen alleen maar door hun beroemdheid. Internationale sterren hebben geen bommen nodig. Denken ze.'
'Maar... als mama niet boemt... dan bent wij verloren!'
'Dat zijn jullie toch al. Alle bommen van de wereld kunnen jullie niet meer redden. Zien jullie die Jeep daar? Wie denk je dat daar in zit?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 19 mei 2014

Roodbruin en stoffig

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE



Ik werd opgetild en naar buiten gedragen. Dat was geen pretje, want buiten scheen de zon fel en heet en dat deed pijn aan mijn ogen, zelfs als ik ze stijf dicht kneep.
Ik hoorde hoe Gaby en Kwetter naast mij neer werden gelegd.
Daarna zei een stem: 'Jullie hebben het alledrie overleefd, zie ik. Mooi. Meer winst voor mij. Hoewel... zoals jullie er nu uitzien, zou ik jullie nog niet eens cadeau willen geven. Hier, drink dit!'
Er werd wat een beker met water tegen mijn lippen gezet zodat ik kon drinken, maar ik kon mijn hoofd niet optillen dus goten ze het water gewoon in mijn keel.
Wat heel dom was. Want als je keel helemaal droog is, dan kun je niet slikken. Dus hun water, daar stikte ik bijna in. Ze moeten me aan mijn enkels ondersteboven houden en flink heen en weer schudden om het water weer uit mijn keel te krijgen.
Daarna deden ze het netjes zoals het hoort: een paar druppels op mijn lippen en mijn tong, daarna nog een paar druppels, en zo verder tot mijn mond vochtig genoeg was om te slikken. Ik kreeg maar kleine slokjes, maar grote kon ik nog niet gebruiken dus dat was prima.
Intussen wenden mijn ogen aan het licht, en langzaam probeerde ik ze open te doen. Na een paar minuten knipperen en knijpen kon ik om me heen kijken.
Ik lag in de schaduw van een grote boom. De aarde was roodbruin en stoffig. Er groeiden gele plukjes prikgras, hier en daar. Een eind verderop stonden huizen, die wel uit de grond gegroeid leken: ze waren net zo stoffig en hadden dezelfde roodbruine kleur. Tussen mijn boom en de huizen stond een vrachtwagen met een grote stapel kratten ernaast. De kratten werden door mannen in legeruniform de huizen binnen gedragen.
Mannen in dezelfde uniformen stonden om mij heen.
Er was er één bij die geen uniform aanhad. Dat was onze oude bekende, meneer Snoet. Hij zat op een linnen klapstoeltje en keek verveeld naar ons.
Toen hij zag dat ik mijn ogen open had, snauwde hij: 'Sta toch op, rotjong! Sta op en sleur die grietjes mee. Doe eens een beetje je best – denk je soms dat de generaal mij zal betalen voor een stel scharminkels dat niet eens rechtop kan staan?'
Ik kon mijn oren niet geloven. Hij wilde ons verkopen, kennelijk, en nu moesten wij ook nog helpen om de prijs hoog te houden! Waarom zouden wij –
'Ik weet wat jij denkt,' grijnsde meneer Snoet. 'Je denkt: waarom zouden wij hem dat plezier doen? Nou, dat kan ik je wel uitleggen, knaap. Generaal Killa heeft altijd jongens nodig, voor zijn leger. Meisjes ook trouwens. En het is geen pretje om bij zijn leger te horen. Maar vieze scharminkels zoals jullie gebruikt hij ergens anders voor. En dat is veel, veel erger!'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 16 mei 2014

Nummer één is heel wat gewend

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Ik hoor niks,' zei ik.
'Inderdaad,' zei Kwetter, 'ik hoort ook niks. Het schieten bent opgehouden.'
Wij haalden opgelucht adem, tenminste, voor zover dat kon binnen tien meter van onze emmers. Later die dag kwamen we nog een keer langs een schietpartij, maar dat kon ons niet meer schelen. Wij hadden een heel ander probleem: ons water was op.
De laatste paar dagen waren zo verschrikkelijk warm geweest, en we hadden zoveel gezweet, dat we twee keer zoveel water hadden gedronken als normaal. Nu hadden we droge tongen van de dorst, onze kelen deden pijn en onze hoofden bonsden alsof erop gestampt werd.
We hadden geen van drieën nog de puf om iets te zeggen.
Pas toen het nacht werd, zei Kwetter weer iets. Of nou ja, het was niet echt praten wat ze deed. Meer een soort hees mompelen, krakerig als een ouwe zoldertrap. Ze kreunde: 'Er zit druppeltjes aan de muur.'
Met alle inspanning van mijn laatste krachten rolde ik me naar de zijkant van de container. Kwetter had gelijk. De nacht buiten was koud, en lucht in onze container was nogal vochtig. Toen de stalen wanden afkoelden, sloeg het water uit de lucht in kleine druppeltjes neer op het ijzer.
Dankbaar likten we zoveel druppeltjes op als we konden.
Het was niet genoeg om onze dorst te lessen, maar wel genoeg om vannacht nog even niet dood te gaan.
De volgende dag reden we verder. Het werd weer snel warmer in ons hok, en ik voelde me net zo uitgedroogd als de vorige dag. Misschien nog wel erger.
Maar na twee uur rijden, net toen ik dacht: nú ga ik dan uiteindelijk dood, stopte de auto en werd de container opengemaakt. Helaas was het niet ons hokje, dat geopend werd. Wij zaten immers in de dubbele bodem, en die kon allen bereikt worden als de container verder helemaal leeg was. Dus we hoorden eerst een uur lang het geschraap en geschuif van dozen die uitgeladen werden.
Daarna klapte de wand van ons hok omhoog en zonlicht stroomde naar binnen.
Dit is trouwens helemaal niet waar. Wat naar binnen stroomde was geen zonlicht, het was het schemerige duister dat je helemaal achterin een container vindt als de zon hoog aan de hemel staat – te hoog om rechtstreeks naar binnen te schijnen.
Maar na de bijna volkomen duisternis van de afgelopen dagen was het net alsof iemand in ons gezicht scheen met de sterkste zaklamp ter wereld.
Twee gedaanten stapten ons wereldje binnen – en ze sloegen haast achterover van de stank.
'Ik ben toch heel wat gewend,' zei de eerste, 'maar dit ruikt écht vies.'
'Zouden die dingen nog leven?' vroeg nummer twee zich af.
'Uhhhhnnn,' zei ik.
'Dat betekent Ja,' dacht de eerste.
Hm. Eigenlijk betekende het: ik weet niet wie je bent en wat je met ons van plan bent, maar als je mij of Gaby of Kwetter ook maar één haartje krenkt dan spring ik op en bijt je de strot af.
Dat had ik willen zeggen, maar ik was niet sterk genoeg voor iets anders dan 'Uhhhhnnn', en dat was maar goed ook. Ik bedoel: als ik ets had gezegd over opspringen en doorbijten, dan had ik mooi voor joker gestaan. Ik was zelfs te zwak om mijn hoofd op te tillen en aan de muur te likken. Dus... Ja...
'Wat doen we nou?' vroeg de tweede.
'Oppakken en naar buiten brengen, wat dacht je?'
'Nou, ik hoopte eigenlijk dat ik ze niet zou hoeven aan te raken... ongelooflijk, wat zijn díe dingen smerig.'
'Wij zijn geen dingen!' wilde ik roepen. 'Wij zijn mensen!' Maar er kwam, niks anders uit dan 'Uhhhnnn'.
'Hij zegt weer ja,' ginnegapte de eerste gedaante. 'Hij geeft toe dat-ie stinkt!'
'Wat moet-ie anders,' grinnikte nummer twee. 'Hij kan het moeilijk ontkennen. Grote hemel, wat een stank. Nou ja, daar gaat-ie!'
En daar ging ik.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE