Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.

Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!

woensdag 30 januari 2013

De wankelende luitenant

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Ze haalde zo onopvallend mogelijk een flesje uit haar schoudertas en hield het achter haar rug. Het was een flesje met een dunne hals en, zo te zien, niks erin. Ze hield allebei haar handen achter haar rug en ging aan de kruk van het flesje zitten pulken.
De kurk zat er niet heel stevig in, gelukkig, en al snel fluisterde mama: 'Diep inademen, jongens, en zo lang mogelijk inhouden. Nú.'
We ademden allemaal diep in.
Er klonk een heel zacht plopje toen de kurk uit de fles kwam. Niemand hoorde het, want Ernesto en Miguel waren op volle kracht tegen elkaar aan het schreeuwen: 'En waarom heeft het ZMB honderd soldaten en vier luitenants en één veldmaarschalk!?' wilde Ernesto weten. 'Boven luitenant komt kapitein, iedereen weet dat, veldmaarschalk is krankzinnig hoog, dat jij een veldmaarschalk zou moeten zijn dat slaat helemaal nergens op!' Nu eens sloeg hij met zijn vuisten op tafel, dan weer zwaaide hij ze heen en weer voor het gezicht van zijn hooggeplaatste kameraad.
Die brulde woedend: 'Dat slaat wél ergens op! Dat slaat op mijn tactisch en strategisch inzicht! En zal ik je eens wat zeggen?' Hij greep zijn opstandige luitenant bij de kraag van diens overhemd. 'Voor iemand met mijn intelligentie is veldmaarschalk eigenlijk nog niet eens... Wacht even...' Hij liet zijn vriend los en wreef over zijn enorme buik. 'Ik voel me niet zo goed,' mompelde hij. Inderdaad zag hij heel erg bleek, en zweetdruppeltjes glommen op zijn voorhoofd.
'Ik ook niet,' gaf Ernesto toe. De luitenant van het ZMB stond te wankelen op zijn benen. 'Ik moet geloof ik een beetje...'
'Ik ook,' zei Miguel, en toen begonnen ze precies tegelijk over te geven.
Alsof dit het teken was waarop iedereen had zitten wachten begon de rest van de aanwezigen ook over te geven. Het hele hoofdkwartier werd één grote, ongelooflijk vieze kledderboel.
Mama stond op en liep naar de deur.
Opgelucht liepen wij achter haar aan – we begonnen het zo onderhand behoorlijk benauwd te krijgen, bij gebrek aan ademhaling.
Niemand hield ons tegen. De legertop en hun lijfwachten lagen machteloos kreunend op de vloer. Ze voelden zich te misselijk om ons zelfs maar op te merken. Dat kwam niet alleen door mama's flesje – het begon inmiddels behoorlijk onfris te ruiken in de geheime kamer. Tenminste, dat denk ik, want ik haalde nog steeds geen adem dus ik rook niks.
Pas toen we de kamer uit waren en de deur achter ons gesloten hadden, zogen we weer wat lucht in onze longen.
Dat is lekker spul joh, lucht!
Ik dacht altijd dat ik pannenkoeken lekker vond, en chocolade-ijs, en aardbeienlimonade, maar nu weet ik dat lucht véél en véél lekkerder is. Ook al smaakt het naar niks.
'Heerlijk,' zei mama. 'Wat vinden jullie, jongens, zullen we hier maar eens vertrekken?'
'Dat lijkt me een heel slecht idee,' zei papa ernstig.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 28 januari 2013

De internationale koffie wordt lauw geserveerd

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Mama keek hem aan met een frons en een lach tegelijk. 'Het politiebureau?' vroeg ze ongelovig.
'Jaaah,' zei de dikkerd met krakende stem. Het klonk een beetje als gekwaak; plotseling leek hij nog meer op een gigantische pad, zo veel zelfs dat ik half en half verwachtte dat hij zo dadelijk met zijn tong een vlieg zou gaan vangen.
Dat deed hij niet, maar mama keek hem aan hem alsof ze hem net een kilo strontvliegen had zien eten. 'Dat méént u niet,' zei ze.
'Jawel, jawel,' kwaakte de man. 'Het politiebureau, zeg ik u. Met zoveel mogelijk agenten erin.'
'Ik doe geen politiebureaus,' zei mama op haar meest besliste toon. 'En ik doe al helemaal geen gebouwen met mensen erin. Het is misschien ouderwets van mij, maar ik hecht aan goede manieren, en mensen opblazen is onbeleefd.'
'Maar de politie is een bende schurken,' riep een man met een baret en een eng stoppelbaardje, die links van de dikke pad zat. 'Ze hebben u beschoten met raketten! Vanuit een helikopter! Dat is toch...'
'Dat is de enige manier waarop ze tegen mij nog een kans maken,' zei mama nuffig. Dus dat vind ik heel begrijpelijk. Heel verstandig van ze. Mensen die politiewagens stelen en met bommen gooien zijn negenhonderd negenennegentig duizend negenhonderdnegenennegentig van de miljoen keer ordinaire schurken, en gevaarlijk bovendien, dus ik geef die agenten geen ongelijk. Hoe kunnen zij nou weten dat ik die ene andere ben?'
De man met het stoppelbaardje legde zijn vingertoppen tegen elkaar.
'U begrijpt de situatie niet goed,' zei hij op redelijke toon tegen mama. 'U zit hier in ons geheime hoofdkwartier. U kent hier de weg niet. Niet in ons hoofdkwartier en niet in onze wijk. Wij hebben onze mannen bij ons, die automatische geweren hebben. En granaatwerpers en meer van dat spul. En wat heeft u bij zich? Drie hulpeloze, kwetsbare kinderen, die u dierbaar zijn en waarvan u het heel erg zou vinden als hen iets overkwam... Au!'
Van waar ik zat kon je prima zien waarom Stoppelmans 'au' had geroepen: de dikke pad had hem tegen zijn schenen geschopt, wel vijf of zes keer. Zo hard, dat het me verbaasde dat zijn been nog niet in stukjes op de grond lag.
'Wat zit je me nou te schoppen, Miguel?'
'Hihi,' fluisterde Kwetter tegen Michael, 'die meneer heet net zo als jij.'
Michael kon er niet om lachen.
Intussen fluisterde de dikke pad tegen zijn kameraad: 'Je moet geen ruzie met die vrouw maken, Ernesto! Zij is wereldberoemd, man, zij is een... een ster! Een ster met internationale allure! Als zij met ons meedoet, dan worden wij óók beroemd. Dan tellen we eindelijk eens een keertje méé. Jij weet niet hoe het is, Ernesto, om op alle internationale terroristische vergaderingen achteraan te moeten zitten, en als laatste koffie te krijgen. Lauwe koffie, Ernesto, lauwe koffie! Heel vies. En heel vernederend.'
'Nee,' zei Enrnesto vinnig. 'Ik weet inderdaad niet hoe dat is. Want ik mag nooit mee. Jij gaat altijd in je eentje op die leuke buitenlandse reisjes.'
Iedereen keek gefascineerd naar dit gesprek tussen de twee aanvoerders van het roemruchte ZMB.
Iedereen, behalve ik. Want meisjes kunnen op meerdere dingen tegelijk letten. Multi-tasken, noemt mama dat, maar volgens mij heeft ze dat gewoon zelf verzonnen want het klinkt als een compleet flauwekul-woord.In ieder geval: ik zag niet alleen hoe de legertop ruziede over de internationale lauwe koffie, maar ik zag ook – als enige – wat mama intussen aan het doen was.


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 25 januari 2013

De slechteriken zijn het probleem

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Ja natuurlijk,' zei mama. 'Het Zuid-Mallotische Bevrijdingsleger wil Zuid-Mallotië bevrijden, nietwaar? Dat weet iedereen. Ikzelf ben geloof ik even vergeten van wie of wat u Zuid-Mallotië ook weer wilt bevrijden...?'
De vijf mannen keken elkaar aan. Ze leken mama's vraag heel ingewikkeld te vinden. De dikke man beet even op zijn onderlip en zei aarzelend: 'Nou, gewoon... van alle slechteriken. De slechteriken die ons volk onderdrukken, zodat we niet in vrijheid kunnen leven, begrijpt u wel?'
De vier anderen knikten enthousiast. Jaja, de slechteriken! Die waren het probleem, die moesten keihard worden aangepakt.
'Bedoelt u mensen zoals meneer Cockel? Die uw land vervuilt zodat het volk geen eten heeft?' hielp mama.
'Eh... jjjjjja?' zei de dikke man ongemakkelijk. Zijn vier kameraden knikten aarzelend
'Aan de politie heeft u ook nogal een hekel, geloof ik,' merkte papa op. 'Want daar schiet u op.'
Ja, nou en of! De vijf mannen riepen om het hardst door elkaar heen dat de politie niet deugde, die onderdrukte het volk verschrikkelijk, de politie deed alles wat de slechteriken wilde, de politie en de slechteriken waren de allerbeste maatjes, de politie was het probleem, de politie moest keihard worden aangepakt.
'En nu wilt u ongetwijfeld aan mij vragen of ik u kan helpen het een en ander op te blazen.'
Het ZMB knikte als één man van ja.
'Wat is dat toch in dit land?' foeterde mama. 'Iedereen wil dat ik dingen voor hem opblaas! Eerst Willem, en nou jullie weer.'
'Dat ligt niet aan het land, schat. Dat ligt aan ons. Als je eenmaal bekend staat als terrorist, wil de hele wereld iets van je. Sommigen willen je doodschieten, anderen willen dat je iets voor ze opblaast. Hoort bij het vak, vrees ik.'
'Pfff,' zuchtte mama. 'Soms krijg ik er bijna spijt van dat ik terrorist geworden ben, weet je dat?'
'Jij moet niet spijt hebben, mama,' zei Kwetter troostend en ze aaide over mama's been. 'Jij maakt de mooiste boemen van de hele wereld. Ik regelt alles wel met deze meneren.' Ze wendde zich tot het ZMB. 'Luistert eens, meneren, jullie moet niet aan mama's bolletje zeuren hoor!'
'Wij zeuren niet!' protesteerde de dikke. 'Dat kun je geen zeuren noemen, wat wij deden.'
'Inderdaad,' zeiden Michael en ik. 'Op zeur-gebied stelde dat helemaal niks voor. Zeuren gaat zo van: Aaaaah, mahaaam, wil je please please please iets voor ons opblazen? Een heel klein dingetje maar. Dan ruimen wij een maand lang elke dag onze kamer op. Eerlijk beloofd. Aaaah, alsjeblieieieft, wij willen het zo graag want jij kan dat zo goed...'
'Nou vooruit dan maar,' zei de dikke meneer. 'Zeg maar wat ik moet... eh... wacht eens...'
'We hadden het niet tegen u,' zei Michael.
'Dit was maar een voorbeeld,' legde ik uit. 'U heeft zeker geen kinderen?'
'Ik beschouw alle Zuid-Mallotiërs als mijn kinderen,' zei de dikke man plechtig. 'Daarom wil ik ze ook bevrijden. Dus. Laten we het daar eens over hebben, mevrouw de Donderkat. Wanneer kunt u het politiebureau voor ons van de kaart vegen?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 23 januari 2013

Spelletjes voor achttien plus

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


'Tsk,' deed Michael, 'echt weer een meidenvraag. Ik kan wel zien dat jij nooit Bloederige Mafia-toestanden III gespeeld hebt.'
'Inderdaad,' zei ik liefjes, en ik probeerde te glimlachen zoals mama dat kan. 'Jijzelf hebt dat spel trouwens ook nooit gespeeld, neem ik aan, want het is voor achttien plus, toch? Dacht ik?'
Michael keek even naar papa en mama. Die luisterden vol interesse mee.
'Eh nee,' mompelde hij. 'Ik zelf niet natuurlijk, nee, maar eh, nou ja, het komt erop neer dat iedereen gewoon bang is voor deze lui. Dat ze daarom naar binnen gaan. Waarom anders?'
'Ik kan nog wel een reden verzinnen,' zei papa. 'misschien gaan ze naar binnen vóórdat deze jongens langskomen, zodat ze later kunnen zeggen: “die jongens? Nee hoor, die heb ik niet gezien.” Als de politie langskomt om ernaar te vragen. Misschien zijn deze jongens wel heel populair in deze wijk. En niet zo heel populair bij de politie.'
Zo babbelden we vrolijk verder over onderwerpen als: waar brengen ze ons heen, wat gaan ze met ons doen, zou dat erg veel pijn doen enzovoort. Intussen voerden de jongens ons verder en verder over de onbegrijpelijke weggetjes van de sloppenwijk.
Juist toen ik begin te denken dat ze misschien wel verdwaald waren, kwamen we bij een rijtje huisjes dat tegen een steile heuvelwand was aangebouwd.
'Oeh,' zei Michael, 'een geheim hoofdkwartier!'
'Waar dan?' vroeg Kwetter. 'Ik ziet er nergens één.'
'Nee natuurlijk niet, suffe druif, het is geheim. Maar in één van die huisjes zit een deur, en daardoor kom je in een gang die recht de heuvel in gaat. Naar het geheime hoofdkwartier. Wedden?'
'Dat komt zeker ook weer uit dat bloederige Mafia-spelletje,' zei ik.
'Nee,' antwoordde Michael, 'uit Afschuwelijke Zombie Moorden V. Niet dat ik dat ooit gespeeld heb,' voegde hij er haastig aan toe. 'Achttien plus, he? Dus... Ja...'
Het Zombie-spel was kennelijk realistischer dan het mafia-spel, want dit keer kreeg Michael zonder meer gelijk.
Puntje voor Michael.
De gang achter het huisje was betimmerd met afvalhout: steigerplanken, ouwe deuren en dat soort dingen. Na een meter of tien liep de gang dood, en toen bleek dat één van de ouwe deuren nog steeds een deur was, want er zat een grote kamer achter.
In die kamer zaten nog een tiental jongens. Ze zaten op kussens op de grond, met hun rug tegen de muur. Midden in de kamer stond een brede tafel, waaraan vijf mannen zaten De middelste van hen, een wanstaltig dikke kerel met een hoofd als een pad, stond op en maakt een kleine buiging voor ons.
'Goede middag,' zei hij, 'en welkom bij het Zuid-Mallotische Bevrijdingsleger. Het ZMB. U heeft vast wel eens van ons gehoord.'
'Zeker wel,' antwoordde mama. Mama kan vreselijk goed liegen, namelijk. Maar ze doet het alleen uit beleefdheid.
De dikke man begon te stralen. 'Echt waar? Heeft u van ons gehoord? Eh, ik bedoel, natuurlijk heeft u dat. En wij hebben ook van ú gehoord, mevrouw de Donderkat. Wij zijn dan ook heel blij dat u hier bij ons bent. Kunt u raden waarom?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

maandag 21 januari 2013

Een onvriendelijke uitnodiging

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Twee keer schoot hij.
Allebei de keren was het raak.
Gelukkig schoot hij op de banden van onze politiewagen.
Daarna zei hij een enkel zinnetje in het Zuid-Mallotisch en gebaarde weer met zijn geweer.
'Volgens mij wilt zij echt heel graag dat wij uitstapt,' zei Kwetter.
'Een vriendelijke uitnodiging mag je niet zo maar afslaan,' zei mama. 'Kwestie van beleefdheid.'
'Ik vond dit eigenlijk een nogal onvriendelijke uitnodiging,' mopperde ik. 'Ongeveer de minst vriendelijke uitnodiging aller tijden.'
'Die mogen we al helemaal niet afslaan,' zei mama. 'Kwestie van lijfsbehoud. Stap jij als eerste uit, schat?'
Papa stapte uit en stak zijn handen in de lucht. De geweer-jongens keken tevreden, maar al snel begon de voorste naar ons te wijzen en boos te roepen. Eén voor één stapten we uit de auto. We deden het zo langzaam mogelijk, zodat mama nog even de tijd had om iets te doen: ze had onder haar stoel een zwarte, leren schoudertas gevonden en daar propte ze nu haastig haar hele voorraad flesjes en potjes in. Als laatste stapt zij uit, met haar handen in de lucht en de tas om haar schouder.
De jongens leken zo tevreden, dat ze vergaten in haar tas te kijken.
De voorste jongen keek ons doordringend aan, grijnsde en maakte toen een kleine buiging met zijn hoofd. Daarna zei hij iets tegen mama.
We konden er maar één woord van verstaan, maar van dat ene woord werden we tamelijk zenuwachtig.
Want het woord was 'Donderkat'.
'Hm,' deed papa. 'Je bent een beetje te beroemd geworden, schat,' zei papa.
'Ach ja,' glimlachte mama, 'dat hoort er nou eenmaal bij. Ik ben natuurlijk ook best wel interessant, dus...'
'Ik vind dat niet iets om te lachen,' zei papa. 'Als deze knapen weten wie jij bent, dan weten ze ook dat ze tien miljoen krijgen als ze jou inleveren bij de Doggersbank. Levend of dood.'
'Maakt maar geen zorgen, hoor papa,' zei Kwetter opgewekt. 'Mama kunt alles, dus wij gaat heus niet naar de Doggersbank. Niet levend en ook niet dood. Wij gaat gewoon ontsnappen strak, he mama?'
'Zo is het, Kwettertje-lief,' zei mama. 'Maar nu nog niet, anders gaan die meneren op ons schieten. Kijk, ze willen dat we met ze mee lopen. Zullen we dat maar doen?'
Natuurlijk deden we dat.
De jongens namen ons mee tussen de armelijke huisjes, diep de sloppenwijk in door een doolhof van paadjes en steegjes en weggetjes. Het stonk hier naar van alles: vuilnis, varkens, geiten, zweet, pies, houtvuur, knoflook en weet ik wat nog meer.
Er was geen mens te zien.
Als de jongens langskwamen ging iedereen toevallig nét even naar binnen, met de deur en de gordijnen dicht.
'Wat zou dat te betekenen hebben?' vroeg ik me af. 'Dat iedereen naar binnen rent als wij langskomen?'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

vrijdag 18 januari 2013

Een slecht moment voor misverstanden

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Even later wapperde mama met een witte onderbroek.
'Ik hoop maar dat ze begrijpen dat dit een vlag is,' zei mama, 'en geen belediging.'
'Ze?' vroeg Kwetter. 'Welke ze?'
Goeie vraag. Er was niemand te zien.
We stonden op een stoffige zandweg. Bovenaan de helling naast ons was de snelweg waar we vanaf geduikeld waren. Daartegenover lagen huizen. Of nou ja, huizen... Ik moest denken aan ons oude huis, toen papa nog bij de bank werkte en alles nog gewoon was. Dat was een echt huis geweest, van bakstenen en dakpannen, niet te groot en niet te klein, maar precies goed. En nergens lek.
Het leek in geen enkel opzicht op de huisjes tegenover ons. Die hadden stuk voor stuk in onze oude woonkamer gepast, zo klein waren ze, en ze waren gemaakt van... nou ja, van álles eigenlijk. Het zag eruit alsof er iemand over een vuilnisbelt was gelopen en alles had meegenomen wat hij met twee handen kon dragen: autobanden, stukken hout, golfplastic, kartonnen dozen, metalen buizen, een oude badkuip en nog een hele hoop troep waarvan je niet eens meer kon zien wat het was. Daarna had die iemand een enorme berg klei en modder bij elkaar geschept, eens flink in zijn handen gespuugd en tegen zichzelf gezegd: 'Alles wat aan de bovenkant dicht is, telt als een huis. Aan de slag!'
Het was een wirwar van de vreemde, kleine huisjes, zo warrig door elkaar geplempt dat je niet eens kon zien of er weggetjes tussen liepen of dat dat tuintjes waren. Er groeide onkruid. Er scharrelden kippen, en hier en daar een geit of een varkentje, en halfblote, graatmagere kinderen speelden in het stof met stukjes ijzerdraad en steentjes.
Nergens een groot mens. Nergens een geweer of een bazooka.
'Rijden maar,' zei mama.
Papa startte de wagen.
'Ongelooflijk dat dat ding het nog doet,' mompelde hij. 'Kwaliteit, hoor! Vast een hele dure auto. Ik kende dit merk nog niet, maar...'
Op dat moment sprong er opeens iemand tussen de huizen vandaan. Het was een jongen van een jaar of vijftien, met in zijn handen een enorm groot geweer.
De loop van het geweer wees min of meer onze kant op.
Papa zette onmiddellijk de motor stil.
De jongen glimlachte en knikte.
Daarna floot hij drie korte tonen.
Tussen de huisjes kwamen nog zeven jongens tevoorschijn. Vijf van hen hadden geweren. Twee hadden er een granaatwerper over hun schouder.
Mama wapperde nog maar eens met Michaels onderbroek.
Ik hoopte heel erg dat de jongens begrepen dat het een witte vlag moest voorstellen; dit was een slecht moment voor misverstanden.
De jongens deden klik-klak met hun geweer.
Mama haalde vlug de onderboek naar binnen.
Ik deed mijn ogen stijf dicht en probeerde aan thuis te denken; als ze nu gingen schieten, zou ik in ieder geval een mooie laatste gedachte hebben.
Maar ze gingen niet schieten. Ze begonnen te praten. In het Zuid-Mallotisch weliswaar, dus we verstonden er geen bal van, maar wat je ook zegt: praten is altijd beter dan schieten.
'Volgens mij wilt zij dat wij uitstapt,' zei Kwetter.
Ik deed mijn ogen open en inderdaad: de jongens wezen met hun geweren naar ons, naar de deuren van de auto en naar een plekje vlak náást de auto.
'Schat,' zei papa, 'heb je nog wat van dat slaapspul? Of iets van rook of zo? Dan stel ik voor dat we...'
Voordat hij zijn zin kon afmaken, haalde de voorste jongen zijn trekker over.

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE

woensdag 16 januari 2013

Bravo voor de gordels

BEGIN / VORIGE / VOLGENDE


Mama keek achter ons.
'Ik zie niks,' zei ze.
Ze keek vóór ons. Niks. Rechts niks en links niks.
'Niks,' herhaalde ze.
'Ma-ham,' deed Michael. 'Ben je nou doof, of doe je alsof? Hoor je dat geluid niet? Dat Rrrrrrrr?'
'Ik vind het eigenlijk meer klinken als d-d-d-d-d-d-d-d,' zei ik.
'Welnee, het is tjoef-tjoef-tjoef-tjoef,' zei papa
'Nou, dat is het in elk geval niet,' zeiden Michael en ik tegelijk.
Mama keek uit het raampje. 'Oh, het is een helikopter! Dan hebben jullie allemaal ongelijk hoor, helikopters, dat weet iedereen, die doen van...'
Ze kon helaas haar zin niet afmaken, want de helikopter maakte opeens een heel nieuw geluid: het whoesjjjjjjj-BOEM dat je krijgt als je een raket afschiet.
Vlak vóór ons sloeg de raket in. Papa wist hem nog net te ontwijken, door zo hard aan het stuur te draaien dat we even op twee wielen reden.
'Woeoehoeoe!' riep Michael, 'op twee wielen! Woeoeoe! Ik wist niet eens dat je dat kon, pap!'
'Ik ook niet,' mompelde papa bleekjes. 'Ik weet trouwens ook niet hoe ik 'm weer recht moet krijgen.'
'Toch is het knap van je,' ze mama. 'Kom hier schat, dan krijg je een zoen.' Ze leunde in zijn richting voor een zoen en dat was niet slim. De auto zakte uit zijn evenwicht en viel om. Als-ie op zijn wielen terecht was gekomen had mama ongetwijfeld 'dat is dat' gezegd, alsof het allemaal precies de bedoeling was geweest.
Maar we vielen dus de andere kant op.
Over de kop en van de weg af.
De snelweg waarop we reden lag iets hoger dan de straten ernaast, en we tuimelden wel tien misselijk makende meters naar beneden, ondersteboven en bovenste-onder, terwijl met een akelig kraken de sirene eraf brak.
En de zijspiegels ook.
Als door een wonder kwamen we op onze wielen terecht.
Mama keek even om zich heen. Toen ze zag dat niemand van ons erg gewond was, zei ze op tevreden toon: 'Dat is dat,' alsof ze het allemaal precies zo bedoeld had.
Papa klapte in zijn handen. 'Bravo voor de politie,' riep hij. 'Vanwege hun uitstekende autogordels.'
'Ja,' zei Michael, 'en weg met de smerissen, vanwege hun helikopter. Ik bedoel: wat moet een politiehelikopter nou met een raketwerper? Is dat voor als er een tank door rood rijdt of zo? Voor een straaljager zonder achterlichtje?'
Op dat moment hoorden we het ge-d-d-d-d-d-d-d van de helikopter weer, en meteen daarna een oorverdovend geknal en geratel.
'Wat is dat?' vroeg Kwetter nieuwsgierig.
Ik keek uit het raampje. 'Zo te zien is het een groepje mensen met een hekel aan politiehelikopters,' zei ik. 'En met automatische wapens en granaatwerpers.'
Het d-d-d-d-d klonk steeds zachter. De heli vertrok.
'Nou,' zei papa, 'daar komen we wel héél erg goed mee weg.'
'Ik ben bang dat je ongelijk hebt, schat,' fluisterde mama. 'Die mensen die een hekel hebben aan politiehelikopters, zijn waarschijnlijk ook niet al te dol op politie-auto's. Zoals die waar wij op dit moment in zitten. Heeft er iemand van jullie iets bij zich, wat we als witte vlag kunnen gebruiken?'
'Nee,' zei ik. Papa had ook niks, en Kwetter ook niet.
'Alleen mijn onderbroek,' zuchtte Michael. 'Die moet ik zeker uitdoen?'
'Graag,' zei mama. 'En het liefst vóórdat ze beginnen te schieten.'


BEGIN / VORIGE / VOLGENDE