BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
'We binden die knapen vast,' zei ik. 'Boven in de boom, op een dikke tak. Met een liaan, stevig vast zodat ze er niet af kukelen. Kwetter blijft hier om op ze te passen, en ondertussen gaan Gaby en ik dat spoor volgen.
'Moog ik niet met jou mee? vroeg Kwetter teleurgesteld.
'Nee,'schudde ik. 'Als die jongens ziek, wak en misselijk aan de boom vastzitten en er komt een eng beest, dan moet iemand ze redden. En dat moet jij doen, want jij bent het sterkst en het het handigst van ons allemaal.'
'Vindt jij dat echt?' vroeg Kwetter blij.
Ja, natuurlijk vond ik dat echt. Want het was ook zo. Daarom had ik haar het liefst met mij meegenomen, terwijl Gaby hier bleef om op de jongens te passen. Maar dat durfde ik niet voor te stellen. Dan zou Gaby denken dat ik Kwetter graag bij me hield omdat ik op haar bén. Of misschien zou Gaby dat niet denken, maar ze zou het in ieder geval wel zeggen. Heel vaak.
Nee, dank je wel.
Ik hoopte eigenlijk dat Gaby bang zou zijn om het spoor te volgen, zodat ze zou zeggen: neem jij Kwetter maar mee. Maar dat deed ze niet. Ze keek me verrast aan en zei: 'Dat is inderdaad het beste. Nooit gedacht dat je nog eens zou toegeven dat Kwetter van ons drieën het sterkst is.'
'Ja,' glunderde Kwetter. 'Lief, he? Ik gaat jou...'
'Nu even niet, Kwetter. We hebben nog heel wat te doen.'
Het duurde wel een uur voordat we de jongens in de boomtop hadden gehesen, maar toen ze eenmaal goed vast zaten konden Gaby en ik eindelijk vertrekken.
'Zult ik jou nog een paar van die lekkere fruitjes geven?' hoorden we we Kwetter vragen, en Abel antwoordde iets over 'kwijlende oogjes'. Daarna slokte het oerwoud hen op.,
Tenminste, zo leek het, maar het was natuurlijk precies andersom: Gaby en ik waren degenen die verdwenen. Het spoor van de soldaten achterna, in de hoop dat dat ons bij de bewoonde wereld zou brengen.
Het was een behoorlijk eind lopen. Bovendien werd het terrein steeds moeilijker: we kwamen steeds meer rotsen tegen waar we onze weg tussendoor moesten zoeken, en het is niet makkelijk om sporen te vinden op steen. Gelukkig hadden de soldaten vreselijke stinksigaretten gerookt, waarvan we de peukjes makkelijk konden zien. Bovendien hadden een of twee van hen diarree, en dat leverde ook nogal wat sporen op.
De rotsen werden steeds steiler, en onze weg begon ons langzaam omhoog te voeren. Af en toe moesten we met handen en voeten klimmen. Het was ons een raadsel hoe de soldaten die zware kisten hier langs hadden gedragen, maar net als we elkaar aankeken en zeiden: dit kan de goede weg niet meer zijn, zagen we weer ergens een sigarettenpeuk, of een stinkend plasje bruine derrie, waaraan we konden zien dat we wel degelijk op de goede weg waren.
Het was al bijna donker toen we ons doel bereikten.
Jammer genoeg was het niet de bewoonde wereld, waar we aankwamen.
Het was een mijn.
Eerst waren we bang dat we de verkeerde kant op gelopen waren; dat we terug waren gekomen bij de plek waaraan we ontsnapt waren.
Maar dat was niet zo.
Dat werd ons al snel duidelijk, op een manier waarvan mijn hart een sprongetje maakte.
BEGIN / VORIGE
/ VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
maandag 18 augustus 2014
maandag 11 augustus 2014
Niet het spoor maar de zoekers
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wij volgden het spoor.
Dat was niet zo moeilijk, dacht ik: de soldaten keken niet waar ze liepen en stampten met hun zware laarzen diep in de zachte bosgrond. De zware kisten, die ze met zich mee sjouwden, botsten van de ene na de andere boomstam de bast kapot. Als ze hun best hadden gedaan om ieder takje dat ze zegen kapot te trappen, hadden ze er niet méér kunnen raken dan ze nu deden uit pure achteloosheid.
Toch viel het nog behoorlijk tegen allemaal.
De moeilijkheid met onze spoor-zoekerij zat 'm niet in het spoor. Het zat 'm in de zoekers.
En dan vooral in Abel en Zoezoe.
Ik had gedacht dat ze langzaam maar zeker weer een beetje helder zouden worden in hun hoofd. Ze hadden nu tenslotte al een halve dag geen bier meer gedronken of drugs gesnoven. Ze konden er weer lekker fris tegenaan!
Dacht ik.
Maar zo werkt het dus niet, met drugs en bier. Daar raak je aan verslaafd, wat wil zeggen dat je lijf aan die rommel gewend raakt.
Als je er dan plotseling mee ophoudt, dan denkt je lijf: Hee! Ik mis iets! Iets waar ik net aan gewend was, waarvan ik net was gaan denken dat het normaal was. En goed voor me. Dit is niet normaal! Dit is niet goed! Alarm! Alarm!
Abel begon te klappertanden.
Zoezoe begon vreselijk te zweten.
Abel wilde niet meer lopen.
Zoezoe kón het niet meer.
Allebei zakten ze op de grond, en als één man – of liever gezegd als één opgeschoten puberjongen – begonnen ze over te geven.
'Ooooh,' kreunde Abel, 'ik ga dood, geloof ik.'
'Oeoeoeh,' kreunde Zoezoe, 'wás ik het maar alvast.'
Plotseling krabbelde Abel woest overeind. 'Een monster!' gilde hij. 'Een monster met kwijlende oogjes!'
Voor de zekerheid keek ik om me heen. Nergens een monster, natuurlijk.
'Hou hem vast,' riep Gaby, 'anders rent-ie het oerwoud in!'
Ik greep hem bij zijn arm. Ik was zwak van het slechte eten en alle ellende van de laatste weken, maar hij was nog slapper. Als een lappenpop viel hij op de grond en begon te huilen.
'Wacht even hoor,' zei ik. 'Moeten we nou ontsnappen aan een leger, in een onbekend oerwoud, midden in een burgeroorlog, met ook nog twee zieke knapen op sleeptouw?'
'Ik bent bang van wel,' zei Kwetter. 'Gelukkig heb wij jou bij ons. Jij kun alles. He Gaby?'
'Ja hoor,' zei mijn zusje vals. 'Regel het even, grote broer.'
Ik haalde diep adem. Goed. Grote broer zou het even regelen.
Dat is dus nog het allerergste van grote broer zijn.
Grote broer zijn is prima als je ouders in de buurt zijn. Die lossen de grote problemen op, zodat jij lekker tijd hebt om je zusje te pesten. Niks mis mee.
Behalve dan wanneer je ouders te dicht in de buurt zijn. Zo dicht dat ze je horen pesten. Dan is de lol er meestal snel vanaf.
Maar als je ouders er helemaal niet zijn, heb je toch echt een probleem. Dan moet jij voor de kleintjes zorgen.
En als je dan een meisje bent, dan is het nog makkelijk. Dan hoef je de kleintjes alleen maar te troosten als alles misgaat in het grote boze oerwoud. Want daar ben je dan zelf óók bang voor.
Maar als je een jongen bent, dan moet je ze door het oerwoud héén slepen. Want jij bent natuurlijk niet bang, zogenaamd. Nee hoor, jij bent stoer. Dus... Ja...
Ik haalde nog een keer die adem en zei: 'Oké. Dit wordt het plan.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Wij volgden het spoor.
Dat was niet zo moeilijk, dacht ik: de soldaten keken niet waar ze liepen en stampten met hun zware laarzen diep in de zachte bosgrond. De zware kisten, die ze met zich mee sjouwden, botsten van de ene na de andere boomstam de bast kapot. Als ze hun best hadden gedaan om ieder takje dat ze zegen kapot te trappen, hadden ze er niet méér kunnen raken dan ze nu deden uit pure achteloosheid.
Toch viel het nog behoorlijk tegen allemaal.
De moeilijkheid met onze spoor-zoekerij zat 'm niet in het spoor. Het zat 'm in de zoekers.
En dan vooral in Abel en Zoezoe.
Ik had gedacht dat ze langzaam maar zeker weer een beetje helder zouden worden in hun hoofd. Ze hadden nu tenslotte al een halve dag geen bier meer gedronken of drugs gesnoven. Ze konden er weer lekker fris tegenaan!
Dacht ik.
Maar zo werkt het dus niet, met drugs en bier. Daar raak je aan verslaafd, wat wil zeggen dat je lijf aan die rommel gewend raakt.
Als je er dan plotseling mee ophoudt, dan denkt je lijf: Hee! Ik mis iets! Iets waar ik net aan gewend was, waarvan ik net was gaan denken dat het normaal was. En goed voor me. Dit is niet normaal! Dit is niet goed! Alarm! Alarm!
Abel begon te klappertanden.
Zoezoe begon vreselijk te zweten.
Abel wilde niet meer lopen.
Zoezoe kón het niet meer.
Allebei zakten ze op de grond, en als één man – of liever gezegd als één opgeschoten puberjongen – begonnen ze over te geven.
'Ooooh,' kreunde Abel, 'ik ga dood, geloof ik.'
'Oeoeoeh,' kreunde Zoezoe, 'wás ik het maar alvast.'
Plotseling krabbelde Abel woest overeind. 'Een monster!' gilde hij. 'Een monster met kwijlende oogjes!'
Voor de zekerheid keek ik om me heen. Nergens een monster, natuurlijk.
'Hou hem vast,' riep Gaby, 'anders rent-ie het oerwoud in!'
Ik greep hem bij zijn arm. Ik was zwak van het slechte eten en alle ellende van de laatste weken, maar hij was nog slapper. Als een lappenpop viel hij op de grond en begon te huilen.
'Wacht even hoor,' zei ik. 'Moeten we nou ontsnappen aan een leger, in een onbekend oerwoud, midden in een burgeroorlog, met ook nog twee zieke knapen op sleeptouw?'
'Ik bent bang van wel,' zei Kwetter. 'Gelukkig heb wij jou bij ons. Jij kun alles. He Gaby?'
'Ja hoor,' zei mijn zusje vals. 'Regel het even, grote broer.'
Ik haalde diep adem. Goed. Grote broer zou het even regelen.
Dat is dus nog het allerergste van grote broer zijn.
Grote broer zijn is prima als je ouders in de buurt zijn. Die lossen de grote problemen op, zodat jij lekker tijd hebt om je zusje te pesten. Niks mis mee.
Behalve dan wanneer je ouders te dicht in de buurt zijn. Zo dicht dat ze je horen pesten. Dan is de lol er meestal snel vanaf.
Maar als je ouders er helemaal niet zijn, heb je toch echt een probleem. Dan moet jij voor de kleintjes zorgen.
En als je dan een meisje bent, dan is het nog makkelijk. Dan hoef je de kleintjes alleen maar te troosten als alles misgaat in het grote boze oerwoud. Want daar ben je dan zelf óók bang voor.
Maar als je een jongen bent, dan moet je ze door het oerwoud héén slepen. Want jij bent natuurlijk niet bang, zogenaamd. Nee hoor, jij bent stoer. Dus... Ja...
Ik haalde nog een keer die adem en zei: 'Oké. Dit wordt het plan.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 8 augustus 2014
De Einstein van de stomme plannen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ze had gelijk. Het waren soldaten. Het oerwoud was zo dicht, dat we hen pas zagen toen ze vlak onder onze boom door liepen. Waren ze op zoek naar ons? Ik durfde nauwelijks adem te halen.
Naast me zag ik, tot mijn grote schrik, dat Abel zijn geweer pakte en met een grote grijns op zijn oude kameraden begon te mikken. Was die jongen helemaal geschift? Stiekem mensen in de rug schieten – dat hóórt niet.
Mensen doodschieten hoort trouwens so wie so niet, nu ik er nog eens over nadenk.
Maar los daarvan: de soldaten waren met z'n zessen en ze hadden allemaal geweren. Het zou een ongelooflijk slecht idee zijn om nu met ze te gaan vechten.
En dat kon ik allemaal onmogelijk uitleggen aan die stomme Abel, want de soldaten waren heel dichtbij en ze zouden ons horen als ik ruzie ging zitten maken.
Maar géén ruzie maken betekende dat ze heel binnenkort heel hard PANG zouden horen en dat valt ook nogal op. Wat moest ik nou doen?
Kwetter stak rustigjes haar vinger in de loop van Abels geweer. Haar andere hand legde ze op Abels mond, zodat hij niet kon protesteren.
Abel keek heel kwaad, maar het werkte wel.
Een half uurtje later kwamen de soldaten terug. Ze droegen twee grote kisten.
'Zagen jullie dat? ' vroeg ik toen ze ons niet meer konden horen. 'Ze waren niet op zoek naar ons, het was toeval dat ze hier langs kwamen. Is dat een opluchting of wat is het?'
'Wat zou er in die kisten zitten?' vroeg Gaby zich af.
We keken naar Abel en Zoezoe. Die haalden hun schouders op. Ze waren maar kleine soldaatjes tenslotte, nauwelijks goed genoeg om een geweer vast te houden en gevangenen te bewaken. Goed genoeg om voorop te lopen in een gevecht, en goed genoeg om overhoop geschoten te worden. Niet goed genoeg om aan te vertellen wat de plannen van de generaal zijn en wat het leger zoal uitspookt.
'Dat gaan we uitzoeken,' zei ik. 'Die kerels met die zware kisten hebben een spoor achtergelaten dat zelfs een blinde nog kan volgen. Kom mee!'
'Goed plan,' knikte Gaby. Ze wendde zich tot Abel en Zoezoe. 'Jullie kennen mijn broer nog niet zo goed,' zei ze, 'maar ik kan jullie vertellen: hij heeft altijd briljante ideeën. Zelfs als je in een compleet hopeloze situatie zit, waaruit je geen enkele uitweg kunt vinden zodat je zeker weet dat je binnen een dag afschuwelijk dood zult gaan, weet hij toch weer een maniertje te vinden om nóg dieper in de problemen te komen. Knap he? Ik bedoel: hier zitten we dan, midden in een oerwoud dat we niet kennen, in een land met een burger-oorlog, we worden opgejaagd door soldaten, en wat bedenkt meneer? Laten we op zoek gaan naar nóg meer soldaten. Hoe kom je d'r op, he? Echt, lieve, Michael, jij bent de Einstein van de stomme plannen, ik kan het niet anders zeggen.'
'Ja,' knikte Kwetter zuchtend, 'knap is-ie he?'
'Wat is een einstein?' vroeg Zoezoe.
Gaby schudde moedeloos het hoofd en mompelde: 'Ach, wat kan het mij ook allemaal schelen. Als we allemaal doodgaan, gaat in elk geval de gemiddelde intelligentie op deze wereld omhoog en dat is ook wat waard. Laten we dat spoor maar volgen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ze had gelijk. Het waren soldaten. Het oerwoud was zo dicht, dat we hen pas zagen toen ze vlak onder onze boom door liepen. Waren ze op zoek naar ons? Ik durfde nauwelijks adem te halen.
Naast me zag ik, tot mijn grote schrik, dat Abel zijn geweer pakte en met een grote grijns op zijn oude kameraden begon te mikken. Was die jongen helemaal geschift? Stiekem mensen in de rug schieten – dat hóórt niet.
Mensen doodschieten hoort trouwens so wie so niet, nu ik er nog eens over nadenk.
Maar los daarvan: de soldaten waren met z'n zessen en ze hadden allemaal geweren. Het zou een ongelooflijk slecht idee zijn om nu met ze te gaan vechten.
En dat kon ik allemaal onmogelijk uitleggen aan die stomme Abel, want de soldaten waren heel dichtbij en ze zouden ons horen als ik ruzie ging zitten maken.
Maar géén ruzie maken betekende dat ze heel binnenkort heel hard PANG zouden horen en dat valt ook nogal op. Wat moest ik nou doen?
Kwetter stak rustigjes haar vinger in de loop van Abels geweer. Haar andere hand legde ze op Abels mond, zodat hij niet kon protesteren.
Abel keek heel kwaad, maar het werkte wel.
Een half uurtje later kwamen de soldaten terug. Ze droegen twee grote kisten.
'Zagen jullie dat? ' vroeg ik toen ze ons niet meer konden horen. 'Ze waren niet op zoek naar ons, het was toeval dat ze hier langs kwamen. Is dat een opluchting of wat is het?'
'Wat zou er in die kisten zitten?' vroeg Gaby zich af.
We keken naar Abel en Zoezoe. Die haalden hun schouders op. Ze waren maar kleine soldaatjes tenslotte, nauwelijks goed genoeg om een geweer vast te houden en gevangenen te bewaken. Goed genoeg om voorop te lopen in een gevecht, en goed genoeg om overhoop geschoten te worden. Niet goed genoeg om aan te vertellen wat de plannen van de generaal zijn en wat het leger zoal uitspookt.
'Dat gaan we uitzoeken,' zei ik. 'Die kerels met die zware kisten hebben een spoor achtergelaten dat zelfs een blinde nog kan volgen. Kom mee!'
'Goed plan,' knikte Gaby. Ze wendde zich tot Abel en Zoezoe. 'Jullie kennen mijn broer nog niet zo goed,' zei ze, 'maar ik kan jullie vertellen: hij heeft altijd briljante ideeën. Zelfs als je in een compleet hopeloze situatie zit, waaruit je geen enkele uitweg kunt vinden zodat je zeker weet dat je binnen een dag afschuwelijk dood zult gaan, weet hij toch weer een maniertje te vinden om nóg dieper in de problemen te komen. Knap he? Ik bedoel: hier zitten we dan, midden in een oerwoud dat we niet kennen, in een land met een burger-oorlog, we worden opgejaagd door soldaten, en wat bedenkt meneer? Laten we op zoek gaan naar nóg meer soldaten. Hoe kom je d'r op, he? Echt, lieve, Michael, jij bent de Einstein van de stomme plannen, ik kan het niet anders zeggen.'
'Ja,' knikte Kwetter zuchtend, 'knap is-ie he?'
'Wat is een einstein?' vroeg Zoezoe.
Gaby schudde moedeloos het hoofd en mompelde: 'Ach, wat kan het mij ook allemaal schelen. Als we allemaal doodgaan, gaat in elk geval de gemiddelde intelligentie op deze wereld omhoog en dat is ook wat waard. Laten we dat spoor maar volgen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 6 augustus 2014
Hoe troost je een meisje?
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We aten maar door en door, niet alleen omdat het zo lekker was maar ook omdat we zo verschrikkelijk veel honger hadden. De mijnwerkers van generaal Killa kregen niet bepaald veel te eten. De soldaten trouwens ook niet.
Het duurde een hele poos voordat we allemaal vol zaten, maar toen hingen we ook onderuitgezakt tegen de boomstam, puffend van de volle-bolle-buikigheid. Buikigheid is geen woord, dat weet ik wel, maar zo voelde het: alsof ik alleen nog maar een buik was.
'Ik heb teveel gegeten,' kreunde Zoezoe.
'Wij ook,' zeiden Abel en Gaby en ik.
Op dat moment kwam Kwetter terug.
'Wat een verschrikkelijk stom oerwoud bent dit!' tierde ze. 'Ik hebt uren lang gezoekt, en wat denkt jij? Niet één nokonootje! Er staat gewoon helemaal geen noko-bomen in dit bos. En ook geen enkele andere boom die ik kent, trouwens.'
'Kwettertjelief,' zei ik, 'we zijn hier niet in de binnenlanden van Boegoe-Boegoe.'
Gaby giechelde, want ik had het gezegd op precies dezelfde toon die mama altijd aanslaat als Kwetter weer eens met haar handen zit te eten.
Of, nog erger, zónder haar handen.
Gaby's giechel ging over in gezucht. Mijn opmerking had haar aan mama doen denken, en misschien ook wel aan thuis, en zij kan daar niet zo goed tegen.
Het was natuurlijk mijn taak, als grote broer, om haar te troosten en op andere gedachten te brengen. Maar ja, hoe doe je dat? Meisjes troosten is lastig, hoor. Ik heb een zusje dus ik kan het weten. Jongens zijn veel makkelijker. Als één van je vrienden zich een beetje sip voelt, dan maak je een flauwe grap en hij geeft je een stomp en dan ga je voetballen. Makkie. Maar meisjes? Ik heb dat zusje nou al elf jaar en ik heb nog geen idee hoe het moet. Het lijkt wel moeilijker te worden zelfs, de laatste jaren. In herinner me in elk geval niet dat het een probleem was toen we nog klein waren. Maar ja, toen had ze ook geen heimwee want we waren gewoon thuis.
Ik besloot maar geen aandacht te schenken aan het gezucht en zo snel mogelijk in actie te komen. Wie vlucht voor zijn leven heeft geen tijd om te zuchten, tenslotte.
'Goeoeoed,' zei ik. 'Mooi. Kwetter, neem een paar van deze vruchten. Bijna net zo lekker als noko-nootjes, en een stuk makkelijker te eten. Gewon pellen en in je mond steken. In je eigen mond,' voegde ik er voor de duidelijkheid aan toe, 'en niet spugen!' Ik was een beetje bang dat Kwetters oude eetgewoonten weer de kop zouden opsteken, nu ze weer in een oerwoud was. 'En daarna gaan we er weer vandoor. We moeten zo gauw mogelijk naar... eh...'
Tja.
Waar moesten we heen? We liepen hier een beetje tegen de grenzen van mijn plan aan, ontdekte ik. Mijn plan had zich voornamelijk beziggehouden met het wégkomen uit de mijn. Ik had er niet aan gedacht dat je, als je ergens wég gaat, je ook ergens naartoe moet. In theorie konden we natuurlijk in dit oerwoud blijven wonen, maar...
'Wat hoort ik daar?' vroeg Kwetter.
'Je hoort jezelf smakken en slurpen, Kwetter,' antwoordde ik. 'Althans, ik kan me niet voorstellen dat je nog iets anders hoort, want mij zijn horen en zien zo onderhand wel vergaan!'
'Kunt ik het helpen dat die dingen zo lekker bent?' vroeg Kwetter gekwetst. 'Maar dat bedoelt ik niet. Ik hoort iets heel anders. Ik hoort soldaten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We aten maar door en door, niet alleen omdat het zo lekker was maar ook omdat we zo verschrikkelijk veel honger hadden. De mijnwerkers van generaal Killa kregen niet bepaald veel te eten. De soldaten trouwens ook niet.
Het duurde een hele poos voordat we allemaal vol zaten, maar toen hingen we ook onderuitgezakt tegen de boomstam, puffend van de volle-bolle-buikigheid. Buikigheid is geen woord, dat weet ik wel, maar zo voelde het: alsof ik alleen nog maar een buik was.
'Ik heb teveel gegeten,' kreunde Zoezoe.
'Wij ook,' zeiden Abel en Gaby en ik.
Op dat moment kwam Kwetter terug.
'Wat een verschrikkelijk stom oerwoud bent dit!' tierde ze. 'Ik hebt uren lang gezoekt, en wat denkt jij? Niet één nokonootje! Er staat gewoon helemaal geen noko-bomen in dit bos. En ook geen enkele andere boom die ik kent, trouwens.'
'Kwettertjelief,' zei ik, 'we zijn hier niet in de binnenlanden van Boegoe-Boegoe.'
Gaby giechelde, want ik had het gezegd op precies dezelfde toon die mama altijd aanslaat als Kwetter weer eens met haar handen zit te eten.
Of, nog erger, zónder haar handen.
Gaby's giechel ging over in gezucht. Mijn opmerking had haar aan mama doen denken, en misschien ook wel aan thuis, en zij kan daar niet zo goed tegen.
Het was natuurlijk mijn taak, als grote broer, om haar te troosten en op andere gedachten te brengen. Maar ja, hoe doe je dat? Meisjes troosten is lastig, hoor. Ik heb een zusje dus ik kan het weten. Jongens zijn veel makkelijker. Als één van je vrienden zich een beetje sip voelt, dan maak je een flauwe grap en hij geeft je een stomp en dan ga je voetballen. Makkie. Maar meisjes? Ik heb dat zusje nou al elf jaar en ik heb nog geen idee hoe het moet. Het lijkt wel moeilijker te worden zelfs, de laatste jaren. In herinner me in elk geval niet dat het een probleem was toen we nog klein waren. Maar ja, toen had ze ook geen heimwee want we waren gewoon thuis.
Ik besloot maar geen aandacht te schenken aan het gezucht en zo snel mogelijk in actie te komen. Wie vlucht voor zijn leven heeft geen tijd om te zuchten, tenslotte.
'Goeoeoed,' zei ik. 'Mooi. Kwetter, neem een paar van deze vruchten. Bijna net zo lekker als noko-nootjes, en een stuk makkelijker te eten. Gewon pellen en in je mond steken. In je eigen mond,' voegde ik er voor de duidelijkheid aan toe, 'en niet spugen!' Ik was een beetje bang dat Kwetters oude eetgewoonten weer de kop zouden opsteken, nu ze weer in een oerwoud was. 'En daarna gaan we er weer vandoor. We moeten zo gauw mogelijk naar... eh...'
Tja.
Waar moesten we heen? We liepen hier een beetje tegen de grenzen van mijn plan aan, ontdekte ik. Mijn plan had zich voornamelijk beziggehouden met het wégkomen uit de mijn. Ik had er niet aan gedacht dat je, als je ergens wég gaat, je ook ergens naartoe moet. In theorie konden we natuurlijk in dit oerwoud blijven wonen, maar...
'Wat hoort ik daar?' vroeg Kwetter.
'Je hoort jezelf smakken en slurpen, Kwetter,' antwoordde ik. 'Althans, ik kan me niet voorstellen dat je nog iets anders hoort, want mij zijn horen en zien zo onderhand wel vergaan!'
'Kunt ik het helpen dat die dingen zo lekker bent?' vroeg Kwetter gekwetst. 'Maar dat bedoelt ik niet. Ik hoort iets heel anders. Ik hoort soldaten.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 4 augustus 2014
Talloze nuttige tips
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat was dus de verkeerde vraag. He-le-maal de verkeerde vraag.
Belangrijke tip, voor als je ooit een kindsoldaat tegenkomt: vraag hem niet naar zijn verleden.
Echt.
Niet doen.
Behalve als je een akelig verhaal wilt horen, waar je de komende jaren niet goed van kunt slapen. Dorp in de fik geschoten, mensen doodgeschoten, dat soort dingen.
Ik bedoel: dorpjes in de fik steken en mensen doodschieten, daar ben ik in theorie helemaal voor, zolang het over computerspelletjes gaat. Maar Zoezoe had het dus niet over een computerspelletje. En dan gaat de lol er snel vanaf. Ik wilde eigenlijk zeggen: “dan gaat de lol er in een moordend tempo vanaf.” maar dat is eigenlijk niet zo'n leuk grapje, bedacht ik mij opeens. Na Zoezoe's verhaal werd ik een beetje misselijk van het woord 'moord'.
En oh ja, extra super tip: vraag een kindsoldaat vooral niet naar zijn verleden als je zusje erbij is, want zusjes slaan dan een arm om hem heen en zeggen dingen als 'Oh Zoezoe, wat moet dat verschrikkelijk voor je zijn geweest'. En dan vertelt die soldaat alleen maar méér dingen die je niet wilt horen. Dus... ja...
Ik zei zo snel als ik beleefdheidshalve kon: 'Mmmaar deze vrucht is dus eetbaar, begrijp ik? Zal ik er een voor je plukken?'
Dat lijkt misschien een stomme vraag, want Zoezoe had er al een in zijn hand. Maar eigenlijk was het een heel slimme vraag, want Zoezoe keek naar de vrucht die hij geplukt had, trok de schil eraf en begon te eten. Dat was dus het eind van zijn verhaal.
Min of meer.
Weliswaar vertelde hij verder over de verschrikkelijke dingen die er met zijn dorp gebeurd waren voordat hij kindsoldaat werd, maar nu had hij zijn mond vol myamyo, dus het was allemaal niet meer zo goed te verstaan. Alleen af en toe een woordje, zoals 'bloed', maar als je een beetje je best deed en je probeerde aan andere dingen te denken, dan merkte je daar niks meer van. Ik plukte snel een myamyo en gaf die aan Abel. Want die zag eruit alsof hij ieder moment óók zo'n verschrikkelijk verhaal kon beginnen.
Daarna plukte ik een vrucht voor mezelf. Dat had ik eerder moeten doen. Want het ding was zo ongelooflijk lekker dat ik alles om me heem vergat. Als ik wat eerder zo'n myamyo in mijn mond had gestoken, had ik dat hele verhaal van Zoezoe nauwelijks opgemerkt.
Dat is eigenlijk ook wel een goeie tip: als een kindsoldaat je vertelt over zijn verleden, deel dan zo snel mogelijk een paar myamyo's uit en neem er vooral zelf ook één.
Maar ja, je kunt moeilijk de hele dag een paar myamyo's met je meesjouwen. Ze zijn nogal groot, en onhandig van vorm en bovendien bederven ze nogal snel. Je moet ze eigenlijk recht van de boom eten. En je kunt moeilijk voor de zekerheid je hele leven in een myamyo-boom gaan zitten.
Wat jammer is, want ik zou dat wel willen. Mijn hele leven in een Myamyo-boom, bedoel ik. Oh oh oh, wat zijn die dingen lekker!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dat was dus de verkeerde vraag. He-le-maal de verkeerde vraag.
Belangrijke tip, voor als je ooit een kindsoldaat tegenkomt: vraag hem niet naar zijn verleden.
Echt.
Niet doen.
Behalve als je een akelig verhaal wilt horen, waar je de komende jaren niet goed van kunt slapen. Dorp in de fik geschoten, mensen doodgeschoten, dat soort dingen.
Ik bedoel: dorpjes in de fik steken en mensen doodschieten, daar ben ik in theorie helemaal voor, zolang het over computerspelletjes gaat. Maar Zoezoe had het dus niet over een computerspelletje. En dan gaat de lol er snel vanaf. Ik wilde eigenlijk zeggen: “dan gaat de lol er in een moordend tempo vanaf.” maar dat is eigenlijk niet zo'n leuk grapje, bedacht ik mij opeens. Na Zoezoe's verhaal werd ik een beetje misselijk van het woord 'moord'.
En oh ja, extra super tip: vraag een kindsoldaat vooral niet naar zijn verleden als je zusje erbij is, want zusjes slaan dan een arm om hem heen en zeggen dingen als 'Oh Zoezoe, wat moet dat verschrikkelijk voor je zijn geweest'. En dan vertelt die soldaat alleen maar méér dingen die je niet wilt horen. Dus... ja...
Ik zei zo snel als ik beleefdheidshalve kon: 'Mmmaar deze vrucht is dus eetbaar, begrijp ik? Zal ik er een voor je plukken?'
Dat lijkt misschien een stomme vraag, want Zoezoe had er al een in zijn hand. Maar eigenlijk was het een heel slimme vraag, want Zoezoe keek naar de vrucht die hij geplukt had, trok de schil eraf en begon te eten. Dat was dus het eind van zijn verhaal.
Min of meer.
Weliswaar vertelde hij verder over de verschrikkelijke dingen die er met zijn dorp gebeurd waren voordat hij kindsoldaat werd, maar nu had hij zijn mond vol myamyo, dus het was allemaal niet meer zo goed te verstaan. Alleen af en toe een woordje, zoals 'bloed', maar als je een beetje je best deed en je probeerde aan andere dingen te denken, dan merkte je daar niks meer van. Ik plukte snel een myamyo en gaf die aan Abel. Want die zag eruit alsof hij ieder moment óók zo'n verschrikkelijk verhaal kon beginnen.
Daarna plukte ik een vrucht voor mezelf. Dat had ik eerder moeten doen. Want het ding was zo ongelooflijk lekker dat ik alles om me heem vergat. Als ik wat eerder zo'n myamyo in mijn mond had gestoken, had ik dat hele verhaal van Zoezoe nauwelijks opgemerkt.
Dat is eigenlijk ook wel een goeie tip: als een kindsoldaat je vertelt over zijn verleden, deel dan zo snel mogelijk een paar myamyo's uit en neem er vooral zelf ook één.
Maar ja, je kunt moeilijk de hele dag een paar myamyo's met je meesjouwen. Ze zijn nogal groot, en onhandig van vorm en bovendien bederven ze nogal snel. Je moet ze eigenlijk recht van de boom eten. En je kunt moeilijk voor de zekerheid je hele leven in een myamyo-boom gaan zitten.
Wat jammer is, want ik zou dat wel willen. Mijn hele leven in een Myamyo-boom, bedoel ik. Oh oh oh, wat zijn die dingen lekker!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 14 juli 2014
Onze excuses voor het oponthoud
Hallo allemaal!
Helaas: geen nieuwe aflevering over de Donderkat vandaag.
En niet alleen vandaag. De komende drie weken komen er geen nieuwe afleveringen bij, omdat er hard gewerkt wordt aan een nieuwe site. In Augustus komen we terug, met een nieuwe site en natuurlijk nieuwe avonturen van ons aller Donderkat!
Helaas: geen nieuwe aflevering over de Donderkat vandaag.
En niet alleen vandaag. De komende drie weken komen er geen nieuwe afleveringen bij, omdat er hard gewerkt wordt aan een nieuwe site. In Augustus komen we terug, met een nieuwe site en natuurlijk nieuwe avonturen van ons aller Donderkat!
vrijdag 11 juli 2014
Zo ongeveer het lekkerste wat er bestaat
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik keek voor de zekerheid even om. Achter mij zag ik niets. Alleen maar duisternis.
'Nee,' hijgde ik, 'ik zie niks.'
'Ook geen zwarte panter?'
'Wat!?' riep ik. 'Proberen we nu een panter te snel af te zijn? Dat kan helemaal niet! Die beesten zijn super snel!'
'Het kunt wel,' zei Kwetter streng, 'want tot nu toe bent het zo. Maar misschien bent dat alleen maar om dat die panter allang weg bent, hoor. Ik ziet hem ook niet. Te donker.'
'Misschien,' pufte Gaby bedachtzaam, 'misschien is er helemaal geen panter.'
Ver achter ons hoorden wij gegil.
Het klonk als 'Help help, een panter, oh nee hij heeft me te pakken, aaaaargh,' gevolgd door een paar schoten.
'Er bent een panter' zei Kwetter beslist. 'En de soldaten bent er ook nog. Maar ze bent nu geen van beiden ons probleem meer, gelooft ik.'
'Nou,' zei ik, 'dan weet ik het wel. Het is midden in de nacht, en ik heb de hele dag in de modder staan graven, en daarna nog een rondje boompje opblazen en oerwoudje rennen gedaan, dus... ja...'
'Ik ben ook een beetje moe,' zei Gaby.
Abel en Zoezoe zeiden niks. Ze stonden hijgend tegen een boom geleund.
Kortom, het was hoog tijd om een boom met dikke takken uit te zoeken en een nachtje slaap voor onszelf te regelen.
En dat is wat we deden.
De volgende ochtend stond Kwetter als eerste op en ze ging er op uit om eten te zoeken.
Tenminste, dat hoopte ik. Want ze was nergens te bekennen toen ik wakker werd.
Het duurde uren voor ze terugkwam. Al die tijd zaten wij vieren in de boom, vlak naast een tros rode vruchten die heerlijk zoet roken, en we hadden verschrikkelijke honger.
Zoezoe plukte begerig een vrucht – een rond, langwerpig soort van geval – en wilde er een hap uit nemen.
'Zou ik niet doen,' zei ik. 'Dat ding kan hartstikke giftig zijn.'
Zoezoe lachte me recht in mijn gezicht uit. 'Doe normaal,' hikte hij, 'dit is een myamyo, zo ongeveer het lekkerste wat er bestaat en minder giftig dan een glaasje water.'
'Dat weet je niet zéker...' probeerde ik, maar hij lachte nog harder en zei: 'Natuurlijk weet ik dat wel zeker, ik heb in mij leven als zoveel myamyo's gezien, ik stond ermee op en ik ging ermee naar bed, want naast ons huisje stonde de grootste myamyo-boom van het dorp, voordat...' Plotseling viel hij stil.'
'Voordat wat?' vroeg ik met mijn domme hoofd.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik keek voor de zekerheid even om. Achter mij zag ik niets. Alleen maar duisternis.
'Nee,' hijgde ik, 'ik zie niks.'
'Ook geen zwarte panter?'
'Wat!?' riep ik. 'Proberen we nu een panter te snel af te zijn? Dat kan helemaal niet! Die beesten zijn super snel!'
'Het kunt wel,' zei Kwetter streng, 'want tot nu toe bent het zo. Maar misschien bent dat alleen maar om dat die panter allang weg bent, hoor. Ik ziet hem ook niet. Te donker.'
'Misschien,' pufte Gaby bedachtzaam, 'misschien is er helemaal geen panter.'
Ver achter ons hoorden wij gegil.
Het klonk als 'Help help, een panter, oh nee hij heeft me te pakken, aaaaargh,' gevolgd door een paar schoten.
'Er bent een panter' zei Kwetter beslist. 'En de soldaten bent er ook nog. Maar ze bent nu geen van beiden ons probleem meer, gelooft ik.'
'Nou,' zei ik, 'dan weet ik het wel. Het is midden in de nacht, en ik heb de hele dag in de modder staan graven, en daarna nog een rondje boompje opblazen en oerwoudje rennen gedaan, dus... ja...'
'Ik ben ook een beetje moe,' zei Gaby.
Abel en Zoezoe zeiden niks. Ze stonden hijgend tegen een boom geleund.
Kortom, het was hoog tijd om een boom met dikke takken uit te zoeken en een nachtje slaap voor onszelf te regelen.
En dat is wat we deden.
De volgende ochtend stond Kwetter als eerste op en ze ging er op uit om eten te zoeken.
Tenminste, dat hoopte ik. Want ze was nergens te bekennen toen ik wakker werd.
Het duurde uren voor ze terugkwam. Al die tijd zaten wij vieren in de boom, vlak naast een tros rode vruchten die heerlijk zoet roken, en we hadden verschrikkelijke honger.
Zoezoe plukte begerig een vrucht – een rond, langwerpig soort van geval – en wilde er een hap uit nemen.
'Zou ik niet doen,' zei ik. 'Dat ding kan hartstikke giftig zijn.'
Zoezoe lachte me recht in mijn gezicht uit. 'Doe normaal,' hikte hij, 'dit is een myamyo, zo ongeveer het lekkerste wat er bestaat en minder giftig dan een glaasje water.'
'Dat weet je niet zéker...' probeerde ik, maar hij lachte nog harder en zei: 'Natuurlijk weet ik dat wel zeker, ik heb in mij leven als zoveel myamyo's gezien, ik stond ermee op en ik ging ermee naar bed, want naast ons huisje stonde de grootste myamyo-boom van het dorp, voordat...' Plotseling viel hij stil.'
'Voordat wat?' vroeg ik met mijn domme hoofd.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)