BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Voorzichtig stapten we uit.
'Lieve help,' zei papa, 'wat is hier gebeurd? Waar zijn we?'
'We zijn,' vertelde Willem, 'op het vruchtbare boerenland van Zuid-Mallotië.'
'Is het werkelijk?' vroeg mama. 'Ik geloof niet dat ik iets zou willen eten wat hier groeit.'
'Maakt u zich maar geen zorgen, mevrouw. Er groeit hier niks.'
Inderdaad. Het landschap om ons heen zag er akelig en spookachtig uit. Zover je kon zien was de grond overdekt met een dikke laag drab. Zwarte prut, die vreselijk stonk, een beetje zoals benzine ruikt maar dan veel viezer. De smurrie glansde vettig; waar de zon erop scheen leek het spul alle kleuren van de regenboog te hebben. Of nou ja, niet van de regenboog, want regenbogen zijn mooi en goed. Maar als je een regenboog zou maken van lelijke kleuren - snot-groen, puist-geel, verrotte-aubergine-bruin enzovoort - dan kreeg je de glans van de zwarte smurrie die hier de grond bedekte. Een soort anti-regenboog: een tegenboog.
Niet alleen was de drab lelijk en vies-ruikend, hij was blijkbaar ook giftig. Er waren maar weinig planten hier, en bijna geen dieren. Her en der zag je een dode boom uit de gore modder steken, of een polletje zieltogend onkruid aan de rand van een glanzende poel staan. Af en toe zoemde of kroop er een insect voorbij; in de verte was een onvoorzichtig eendje geland op een van de plassen, die als zwerende wonden in het verwoeste landschap lagen. Het eendje was overdekt geraakt met de plakkerige, zwarte troep en worstelde om los te komen.
'Gezellige boel hier,' merkte Michael op.
'Wat is er aan de hand?' vroeg ik. 'Wat is dat zwarte spul?'
'Olie,' zei mama. Ze snoof. 'Ruwe aardolie. Waar benzine van gemaakt wordt. En plastic en nog duizend andere nuttige dingen. In onbewerkte vorm, zoals hier, is het gevaarlijk spul. Giftig en zo. Het zat ook op het koraalrif, weten jullie nog? Eén van de redenen waarom dat koraal dood is, denk ik.'
'Ga daar maar van uit,' zei Willem. 'Alles gaat dood door dat spul.'
Ik keek nog even, vol medelijden, naar het eendje. Maar dat was nergens meer te zien.
'Wat ik niet snap, ' zei mama, 'is wat dat spul hier doet. Meestal zit het diep onder de aarde, en het kost een hoop geld en moeite om het eruit te halen. Waarom zou iemand die moeite doen, om vervolgens de troep hier op de grond te laten lopen?'
'Dat kan papa je wel vertellen,' mompelde ik.
'Hoezo?' vroeg papa fronsend.
'Nou,' zei ik. 'Dit is iet heel naars, iets afschuwelijks, iets wat alleen een echte schurk zou doen. En als het over schurkenstreken gaat, is papa de expert. Want hij heeft bij de bank gewerkt.'
Papa knikte traag. 'Ik geloof niet dat ik het helemaal eens ben met je redenering,' zei hij. 'Maar toevallig weet ik inderdaad wel zo'n beetje wie dit gedaan heeft, en waarom.'
Mama keek me streng aan. 'En jij, jongedame, zou dat ook weten als je die hersentjes van je een beetje gebruikte.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
vrijdag 16 november 2012
woensdag 14 november 2012
De volautomatische haper-machine
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Oh nee,' kreunden wij, maar oh ja: daar kwam het helse bestelbusje weer aan ge... ge... wat eigenlijk? Als het bestelbusje een oud mannetje was geweest, had je kunnen zeggen dat het eraan kwam gestommeld. Of gestrompeld. Maar het was geen oud mannetje, het was een oud autootje en daar is dus helaas geen woord voor.
Het juiste woord zou moeten beginnen met een S en een T, vind ik, en moeten eindigen op – elen. Net als strompelen en stommelen.
Ik stel Stokkelen voor. Dat lijkt een beetje op Stokken, wat 'plotseling stilstaan' betekent. En plotseling stilstaan, dat deed het busje nogal vaak.
Of Stortelen, van Instorten, dat deed het busje steeds bijna. Stortelen lijkt trouwens ook een beetje op Horten, oftewel haperen, en oh jongens, wat kon dit busje haperen.
Auto's, dat weet iedereen, zijn machines om mee te rijden.
Dit busje niet. Dit was een volautomatische en zeer succesvolle haper-machine.
En deze volautomatische, zeer succesvolle haper-machine kwam op ons af gestorteld en bleef zacht rochelend voor ons staan.
'Stap maar in,' zei Willem.
'Liever niet,' zeiden wij, maar we deden het toch want mama was nieuwsgierig.
Gelukkig hadden de vissers de ijskoude kratten met vis uit de wagen gehaald. Dus onze konten bevroren niet, deze keer.
In plaats daarvan verschroeiden ze. Het busje had een tijdje in de zon gestaan, dus de blikken buitenkant was schroeiend heet geworden.
En er waren geen stoelen, of zelfs maar iets van bekleding: de blikken binnenkant was eigenlijk precies hetzelfde ding als de blikken buitenkant.
Dus: koud? Nee. Maar: prettig? Dubbel nee.
Bovendien hadden de vissers wel de vis uit de wagen gehaald, maar niet de geur van de vis. Of de geur van de vis van twee jaar geleden.
Daar kwamen de geuren van gemorste benzine en aangebrande smeerolie nog bij. En dat in zo'n veel te warme auto...
Je zou er kotsmisselijk van worden.
Sterker nog: we werden er kotsmisselijk van. En Michael was al geweest, maar Kwetter en ik nog niet. Er kwam een moment dat we ons niet meer konden inhouden.
Bwargh! Daar had je de pannenkoeken weer. Ze zagen er niet meer zo lekker uit als drie uur geleden.
En ze roken ook niet fijn.
Tot mijn verbazing was de geur van olie en benzine sterker dan die van de vis en de ex-pannenkoeken.
Het leek zelfs wel of de olie-walm steeds erger werd.
'Ruiken jullie dat?' vroeg Willem, die naast de bestuurder zat.
'Wij ruiken van alles,' zei mama. 'Dus het antwoord is waarschijnlijk “ja”, tenzij jij iets lekkers ruikt.'
'Die olie-geur,' legde Willem uit.
'Ja,' zei papa, 'je zou bijna gaan denken dat er iets mis is met de motor.'
'Was het maar waar,' zei Willem. 'We zijn er.'
Met remmen die krijsten als een stervend dier kwam de bus tot stilstand.
Willem stapte uit en gooide de deur voor ons open.
'Dit,' zei hij duister, 'is de reden dat we hier geen voedsel verbouwen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Oh nee,' kreunden wij, maar oh ja: daar kwam het helse bestelbusje weer aan ge... ge... wat eigenlijk? Als het bestelbusje een oud mannetje was geweest, had je kunnen zeggen dat het eraan kwam gestommeld. Of gestrompeld. Maar het was geen oud mannetje, het was een oud autootje en daar is dus helaas geen woord voor.
Het juiste woord zou moeten beginnen met een S en een T, vind ik, en moeten eindigen op – elen. Net als strompelen en stommelen.
Ik stel Stokkelen voor. Dat lijkt een beetje op Stokken, wat 'plotseling stilstaan' betekent. En plotseling stilstaan, dat deed het busje nogal vaak.
Of Stortelen, van Instorten, dat deed het busje steeds bijna. Stortelen lijkt trouwens ook een beetje op Horten, oftewel haperen, en oh jongens, wat kon dit busje haperen.
Auto's, dat weet iedereen, zijn machines om mee te rijden.
Dit busje niet. Dit was een volautomatische en zeer succesvolle haper-machine.
En deze volautomatische, zeer succesvolle haper-machine kwam op ons af gestorteld en bleef zacht rochelend voor ons staan.
'Stap maar in,' zei Willem.
'Liever niet,' zeiden wij, maar we deden het toch want mama was nieuwsgierig.
Gelukkig hadden de vissers de ijskoude kratten met vis uit de wagen gehaald. Dus onze konten bevroren niet, deze keer.
In plaats daarvan verschroeiden ze. Het busje had een tijdje in de zon gestaan, dus de blikken buitenkant was schroeiend heet geworden.
En er waren geen stoelen, of zelfs maar iets van bekleding: de blikken binnenkant was eigenlijk precies hetzelfde ding als de blikken buitenkant.
Dus: koud? Nee. Maar: prettig? Dubbel nee.
Bovendien hadden de vissers wel de vis uit de wagen gehaald, maar niet de geur van de vis. Of de geur van de vis van twee jaar geleden.
Daar kwamen de geuren van gemorste benzine en aangebrande smeerolie nog bij. En dat in zo'n veel te warme auto...
Je zou er kotsmisselijk van worden.
Sterker nog: we werden er kotsmisselijk van. En Michael was al geweest, maar Kwetter en ik nog niet. Er kwam een moment dat we ons niet meer konden inhouden.
Bwargh! Daar had je de pannenkoeken weer. Ze zagen er niet meer zo lekker uit als drie uur geleden.
En ze roken ook niet fijn.
Tot mijn verbazing was de geur van olie en benzine sterker dan die van de vis en de ex-pannenkoeken.
Het leek zelfs wel of de olie-walm steeds erger werd.
'Ruiken jullie dat?' vroeg Willem, die naast de bestuurder zat.
'Wij ruiken van alles,' zei mama. 'Dus het antwoord is waarschijnlijk “ja”, tenzij jij iets lekkers ruikt.'
'Die olie-geur,' legde Willem uit.
'Ja,' zei papa, 'je zou bijna gaan denken dat er iets mis is met de motor.'
'Was het maar waar,' zei Willem. 'We zijn er.'
Met remmen die krijsten als een stervend dier kwam de bus tot stilstand.
Willem stapte uit en gooide de deur voor ons open.
'Dit,' zei hij duister, 'is de reden dat we hier geen voedsel verbouwen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 12 november 2012
Wat de mensen niet lusten (maar wel eten)
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael, die ook al zo'n beetje snapte waar het verhaal heen ging, kreunde. Zijn gezicht werd een beetje groenig.
'Wat is er dan?' vroeg Kwetter. 'Wat denkt jij dan?'
'Nou,' zei ik, 'de mensen willen niet zomaar alles eten. Tonijn en haring en zo, dat wel, maar niemand gaat naar de winkel voor een blikje met zeehonden- of dolfijnenvlees. Of een knapperig stukje monster uit de diepzee. En zeilmseisjes eten we al helemáál niet. Dus de Engel des Doods vangt veel spul dat ze niet kunnen verkopen. Tenzij...'
'Tenzij,' ging papa verder, 'je ze fijnmaalt en er heel veel kleur-, geur- en smaakstoffen bijdoet. Dan kun je er platte, ronde schijfjes van stampen, die je kunt verkopen als...'
Nu snapte Kwetter het ook. 'Mjamburger!' riep ze.
Papa knikte.
Michael kotste.
'Sorry,' zei hij terwijl hij zijn mond afveegde. 'Ik kán er maar niet aan wennen.'
Kwetter sprong uit de hangmat. Wij buitelden achter haar aan. Ze greep mama bij de mouw, en zei: 'Kom mee, naar de boot, wij moet bommen maken en dan gaat wij die Engel opblazen. Ik heeft er nou onderhand genoeg van. Wat is dat toch, met jullie? In Boegoe-Boegoe maakt wij nooit ergens mjamburger van, maar jullie maakt mjamburger van alles wat beweegt. Moet de hele wereld soms dood en kapotgemaakt en verdwijnen in de keelgat van dikke rot-kindertjes?'
'Och, Kwettertje,' zei mama. 'Die Engel des Doods komt heus nog wel eens aan de beurt, hoor.' Tegen Willem zei ze: 'Kwetter reageert nogal emotioneel op verhalen over Mjamburgers, net als Michael trouwens. Meneer Smek, de mjamburger-fabrikant, heeft ooit geprobeerd om mjamburgers van ons te maken; vandaar. Maar ik ben een wetenschapper, en wij wetenschappers worden nooit emotioneel. Dat zou namelijk de resultaten beïnvloeden. Bijvoorbeeld nu. Ik vroeg u naar de drie boeven die het koraalrif opblazen. Kennissen van u, voor zover ik begrijp. En u begint, heel slim, te vertellen over een nog grotere schurk, in de hoop dat wij daar woedend achteraan zullen rennen. Als een kip zonder kop.
Maar ik ben geenkip, en ik heb wel een kop. Dus zo makkelijk komt u er niet vanaf. Ik vraag u nog eens: waarom blazen die kerels het koraal op?'
Willem haalde zijn schouders op.
'Dat is de enige manier om nog vissen te vangen. De rest van de zee is leeg, alleen bij het rif zit nog wat. Want de netten van de Engel des Doods zouden door het koraal kapot worden gescheurd. De netten van mijn vrienden ook, trouwens. Daarom doen ze het met dynamiet.'
'Waarom moeten ze dan per se vissen?' vroeg mama streng. 'Ze kunnen toch boer worden?'
Willem glimlachte bitter. 'Leuk dat u dat vraagt,' zei hij. 'Ik wil u graag iets laten zien.' Hij klapte in zijn handen en riep iets tegen een meneer die aan de overkant van het plein in een hangmat lag. De meneer sprong handig uit zijn hangmat en even later hoorden we een afschuwelijk gekuch en gepruttel.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael, die ook al zo'n beetje snapte waar het verhaal heen ging, kreunde. Zijn gezicht werd een beetje groenig.
'Wat is er dan?' vroeg Kwetter. 'Wat denkt jij dan?'
'Nou,' zei ik, 'de mensen willen niet zomaar alles eten. Tonijn en haring en zo, dat wel, maar niemand gaat naar de winkel voor een blikje met zeehonden- of dolfijnenvlees. Of een knapperig stukje monster uit de diepzee. En zeilmseisjes eten we al helemáál niet. Dus de Engel des Doods vangt veel spul dat ze niet kunnen verkopen. Tenzij...'
'Tenzij,' ging papa verder, 'je ze fijnmaalt en er heel veel kleur-, geur- en smaakstoffen bijdoet. Dan kun je er platte, ronde schijfjes van stampen, die je kunt verkopen als...'
Nu snapte Kwetter het ook. 'Mjamburger!' riep ze.
Papa knikte.
Michael kotste.
'Sorry,' zei hij terwijl hij zijn mond afveegde. 'Ik kán er maar niet aan wennen.'
Kwetter sprong uit de hangmat. Wij buitelden achter haar aan. Ze greep mama bij de mouw, en zei: 'Kom mee, naar de boot, wij moet bommen maken en dan gaat wij die Engel opblazen. Ik heeft er nou onderhand genoeg van. Wat is dat toch, met jullie? In Boegoe-Boegoe maakt wij nooit ergens mjamburger van, maar jullie maakt mjamburger van alles wat beweegt. Moet de hele wereld soms dood en kapotgemaakt en verdwijnen in de keelgat van dikke rot-kindertjes?'
'Och, Kwettertje,' zei mama. 'Die Engel des Doods komt heus nog wel eens aan de beurt, hoor.' Tegen Willem zei ze: 'Kwetter reageert nogal emotioneel op verhalen over Mjamburgers, net als Michael trouwens. Meneer Smek, de mjamburger-fabrikant, heeft ooit geprobeerd om mjamburgers van ons te maken; vandaar. Maar ik ben een wetenschapper, en wij wetenschappers worden nooit emotioneel. Dat zou namelijk de resultaten beïnvloeden. Bijvoorbeeld nu. Ik vroeg u naar de drie boeven die het koraalrif opblazen. Kennissen van u, voor zover ik begrijp. En u begint, heel slim, te vertellen over een nog grotere schurk, in de hoop dat wij daar woedend achteraan zullen rennen. Als een kip zonder kop.
Maar ik ben geenkip, en ik heb wel een kop. Dus zo makkelijk komt u er niet vanaf. Ik vraag u nog eens: waarom blazen die kerels het koraal op?'
Willem haalde zijn schouders op.
'Dat is de enige manier om nog vissen te vangen. De rest van de zee is leeg, alleen bij het rif zit nog wat. Want de netten van de Engel des Doods zouden door het koraal kapot worden gescheurd. De netten van mijn vrienden ook, trouwens. Daarom doen ze het met dynamiet.'
'Waarom moeten ze dan per se vissen?' vroeg mama streng. 'Ze kunnen toch boer worden?'
Willem glimlachte bitter. 'Leuk dat u dat vraagt,' zei hij. 'Ik wil u graag iets laten zien.' Hij klapte in zijn handen en riep iets tegen een meneer die aan de overkant van het plein in een hangmat lag. De meneer sprong handig uit zijn hangmat en even later hoorden we een afschuwelijk gekuch en gepruttel.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 9 november 2012
De Engel des Doods
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'De M.S. Engel des Doods is een schip. Een vissersboot, zou je kunnen zeggen. Maar dan groter. Veel groter. Het is de grootste boot ter wereld.'
'Behalve vliegdekschepen natuurlijk,' zei Micheal. 'Dat zijn een soort drijvende vliegvelden,' legde hij uit aan Kwetter en mij. Alsof wij dat niet wisten, omdat we meisjes zijn of zo.
'Och jochie toch,' glimlachte papa vertederd. 'Meneer Leeghwater, de eigenaar van de Engel des Doods, die lacht om vliegdekschepen. Roeibootjes, noemt hij die. Drijvende vliegvelden? Ha! De Engel des Doods is een drijvende stad. En niet eens een kleine stad. Laat ik het zo zeggen: de Engel des Doods heeft óók een vliegveld aan boord, en het is het enige schip ter wereld waarop je het vliegveld moet zoeken. Je zou er zelfs kunnen verdwalen, op weg naar het vliegveld. En dat terwijl het vliegveld veel groter is dan dat ven een vliegdekschip. Want vliegdekschepen hebben helikopters aan boord, en straaljagers waarin maar een of twee mensen hoeven te zitten. Maar vanaf de Engel des Doods stijgen vrachtvliegtuigen op. Vrachtvliegtuigen vol ingeblikte vis. Want de Engel des Doods is in de eerste plaats een fabriek. Een drijvende fabriek, waar vis-in-blik wordt gemaakt. En diepvriesvis. En vissticks.
Al die vis moet natuurlijk ook gevangen worden, en daar heeft de Engel des Doods netten voor. Nou moet ik jullie even uitleggen dat die netten...'
'Heel erg groot zijn?' vulde ik aan. 'Hoef je niet uit te leggen, hoor, we snappen het wel zo'n beetje.'
'Neenee, jullie snappen het helemaal niet. Jullie denken: oh, die netten zullen wel enorm groot zijn. Maar wat jullie onmogelijk kunnen begrijpen is dat ze echt...' Hij graaide met zijn handen in de lucht, alsof hij zo de woorden kon grijpen om te zeggen wat hij bedoelde. '...echt... enorm... groot zijn. Stel je maar eens voor dat de kapitein zegt: he, verdorie, nou zit er alweer een walvis in het net, en dat de bootsman zegt: waar dan, ik zie 'm niet. Links achter, zegt de kapitein, bij die school haring in de buurt. Oooh, doet de stuurman dan, nou zie ik 'm ook, jeetje wat een grote zeg.
Dit soort gesprekjes is heel gewoon aan boord van de Engel des Doods. Omdat de netten zo... zo...'
'Enorm groot zijn?' hielp ik.
'Juist, zei papa.
'Wacht even,' zei Michael opgewonden. 'Begrijp ik het goed? Vangt die boot walvissen?' Hij probeerde heel verontwaardigd te kijken maar het was maar al te duidelijk dat hij dacht: dan is dat ene walvisje van mij zo erg nog niet.
'Natuurlijk vangen ze walvissen,' zei papa. 'Ze vangen alles. Walvissen, zeeschildpadden, dolfijnen, zeilmeisjes, zeehonden reuzeninktvissen en naamloze monsters uit de diepzee. Waar de Engel des Doods is langsgeweest, vind je geen enkel levend wezen meer in het water.'
Ik voelde me niet lekker, want een vreselijk vermoeden was bij me opgekomen. Ik hoopte maar dat ik mijn vader verkeerd verstaan had.
'Zeilmeisjes?' vroeg ik met een beverig stemmetje. 'Zei je nou: zeilmeisjes?'
'Ja,' zei mama, 'dat zijn van die frisse, dappere, ondernemende meiden die in hun eentje de wereld rond proberen te zeilen. Om record te breken en zo.'
'Ik weet wel wat een zeilmeisje is,' piepte ik. 'Maar... papa... ik begin opeens te denken dat...'
Papa sloot zijn ogen en knikte. 'Je hebt gelijk,' zei hij.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'De M.S. Engel des Doods is een schip. Een vissersboot, zou je kunnen zeggen. Maar dan groter. Veel groter. Het is de grootste boot ter wereld.'
'Behalve vliegdekschepen natuurlijk,' zei Micheal. 'Dat zijn een soort drijvende vliegvelden,' legde hij uit aan Kwetter en mij. Alsof wij dat niet wisten, omdat we meisjes zijn of zo.
'Och jochie toch,' glimlachte papa vertederd. 'Meneer Leeghwater, de eigenaar van de Engel des Doods, die lacht om vliegdekschepen. Roeibootjes, noemt hij die. Drijvende vliegvelden? Ha! De Engel des Doods is een drijvende stad. En niet eens een kleine stad. Laat ik het zo zeggen: de Engel des Doods heeft óók een vliegveld aan boord, en het is het enige schip ter wereld waarop je het vliegveld moet zoeken. Je zou er zelfs kunnen verdwalen, op weg naar het vliegveld. En dat terwijl het vliegveld veel groter is dan dat ven een vliegdekschip. Want vliegdekschepen hebben helikopters aan boord, en straaljagers waarin maar een of twee mensen hoeven te zitten. Maar vanaf de Engel des Doods stijgen vrachtvliegtuigen op. Vrachtvliegtuigen vol ingeblikte vis. Want de Engel des Doods is in de eerste plaats een fabriek. Een drijvende fabriek, waar vis-in-blik wordt gemaakt. En diepvriesvis. En vissticks.
Al die vis moet natuurlijk ook gevangen worden, en daar heeft de Engel des Doods netten voor. Nou moet ik jullie even uitleggen dat die netten...'
'Heel erg groot zijn?' vulde ik aan. 'Hoef je niet uit te leggen, hoor, we snappen het wel zo'n beetje.'
'Neenee, jullie snappen het helemaal niet. Jullie denken: oh, die netten zullen wel enorm groot zijn. Maar wat jullie onmogelijk kunnen begrijpen is dat ze echt...' Hij graaide met zijn handen in de lucht, alsof hij zo de woorden kon grijpen om te zeggen wat hij bedoelde. '...echt... enorm... groot zijn. Stel je maar eens voor dat de kapitein zegt: he, verdorie, nou zit er alweer een walvis in het net, en dat de bootsman zegt: waar dan, ik zie 'm niet. Links achter, zegt de kapitein, bij die school haring in de buurt. Oooh, doet de stuurman dan, nou zie ik 'm ook, jeetje wat een grote zeg.
Dit soort gesprekjes is heel gewoon aan boord van de Engel des Doods. Omdat de netten zo... zo...'
'Enorm groot zijn?' hielp ik.
'Juist, zei papa.
'Wacht even,' zei Michael opgewonden. 'Begrijp ik het goed? Vangt die boot walvissen?' Hij probeerde heel verontwaardigd te kijken maar het was maar al te duidelijk dat hij dacht: dan is dat ene walvisje van mij zo erg nog niet.
'Natuurlijk vangen ze walvissen,' zei papa. 'Ze vangen alles. Walvissen, zeeschildpadden, dolfijnen, zeilmeisjes, zeehonden reuzeninktvissen en naamloze monsters uit de diepzee. Waar de Engel des Doods is langsgeweest, vind je geen enkel levend wezen meer in het water.'
Ik voelde me niet lekker, want een vreselijk vermoeden was bij me opgekomen. Ik hoopte maar dat ik mijn vader verkeerd verstaan had.
'Zeilmeisjes?' vroeg ik met een beverig stemmetje. 'Zei je nou: zeilmeisjes?'
'Ja,' zei mama, 'dat zijn van die frisse, dappere, ondernemende meiden die in hun eentje de wereld rond proberen te zeilen. Om record te breken en zo.'
'Ik weet wel wat een zeilmeisje is,' piepte ik. 'Maar... papa... ik begin opeens te denken dat...'
Papa sloot zijn ogen en knikte. 'Je hebt gelijk,' zei hij.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 7 november 2012
Wij komen op alle journaals
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij nam een grote slok van zijn bier en leunde achterover. 'Kijk,' zei hij. 'Het zit zo.' Hij liet een best wel harde boer. 'Sorry. Het zit zo: ik ben de baas van deze kerk. Er zijn bepaalde dingen die je niet mag doen als je de baas van een kerk bent, en één van die dingen is: spullen opblazen. En dat is jammer, want er is hier in Zuid-Mallotië een hoop mis. Misschien dat een paar goed geplaatste staafjes dynamiet daar verandering in zou kunnen brengen. Ik geloof niet dat het zo makkelijk is, trouwens, maar het zou kunnen. Het zou in elk geval een behoorlijke opluchting zijn om eens het een en ander de lucht in te laten vliegen. Alsof je even kunt krabben aan een plekje waar je heel veel jeuk hebt, snap je?'
'Ik begrijp precies wat u bedoelt,' zei mama. Ze keek helemaal niet blij. Ze keek een beetje streng. Niet alsof ze boor was op Willem, maar alsof ze vond dat de wereld in het algemeen er een potje van maakte. 'Maar daar gaat het nu niet over. Het gaat nu over de drie meneren die het koraalrif kapot maken. Waarom doen ze dat?'
Willem haalde zijn schouders op. 'Ze moeten eten,' zei hij. 'Vroeger gingen ze een heel eidn de zee op, om met netten te vissen. Dat was beter. Maar in de zee zit niks meer, sinds de komst van...'
'De Engel des Doods,' viel papa hem in de rede.
Willem keek verbaasd op. 'Kent u die?'
Papa lachte bitter. 'Of ik de Engel des Doods ken? Ik heb hem helpen bouwen! Niet met mijn eigen handen, natuurlijk, maar ik ben degene die het geld heeft geleend aan meneer Leeghwater.'
Ik kreeg het gevoel dat ik wist waar dit verhaal heen ging. 'Dat is zeker weer een vriendje van meneer Dogger?'
'Inderdaad,' zuchtte papa. 'U moet weten, meneer Willem, dat ik vroeger...'
Nu was het Willems beurt om een zin af te maken. 'Werkte voor de Doggersbank,' grijnsde hij. Toen papa hem verbaasd aankeek, lachte hij weer zijn vrolijke, aanstekelijke, veel te harde rot-lach. 'Jullie begrijpen nog steeds niet hoe beroemd je bent, geloof ik. Er hoeft maar ergens ter wereld iets te exploderen of op alle journaals gaat het over de vraag: zit de Donderkat hierachter? En dan komen er weer interviews met oude collega's en klasgenootjes en zo.'
Het was grappig om te zien hoe mijn ouders op dit nieuws reageerden. Papa keek heel ongelukkig. Hij vond het niet leuk dat iedereen bij terrorisme meteen aan hem dacht. Mama daarentegen keek zo tevreden als een poes op een schoot bij de open haard.
Ik wilde iets aardigs tegen papa zeggen. Iets wat niet ging over het opblazen van dingen. En ook niet over de schurkenstreken waar hij aan had meegeholpen toen hij nog bij de Doggersbank werkte. Maar ik kon niks bedenken.
'Nou,' zei Michael, 'dan moeten we die Engel des Doods maar eens gaan opblazen, dacht ik zo. Vertel er eens wat meer over, pap? Jij weet er het meeste van, want jij was vroeger een schurk.'
Ik schopte Michael tegen zijn been, zó hard dat we met ons drieën uit de hangmat donderden. Willem lachte zó hard dat ik even dacht dat hij zou ontploffen. Maar nee. Hij stond op en tilde ons terug in de mat.
Daarna zei papa met een zuur gezicht: 'Goed. Ik zal jullie vertellen over de Engel des Doods.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Hij nam een grote slok van zijn bier en leunde achterover. 'Kijk,' zei hij. 'Het zit zo.' Hij liet een best wel harde boer. 'Sorry. Het zit zo: ik ben de baas van deze kerk. Er zijn bepaalde dingen die je niet mag doen als je de baas van een kerk bent, en één van die dingen is: spullen opblazen. En dat is jammer, want er is hier in Zuid-Mallotië een hoop mis. Misschien dat een paar goed geplaatste staafjes dynamiet daar verandering in zou kunnen brengen. Ik geloof niet dat het zo makkelijk is, trouwens, maar het zou kunnen. Het zou in elk geval een behoorlijke opluchting zijn om eens het een en ander de lucht in te laten vliegen. Alsof je even kunt krabben aan een plekje waar je heel veel jeuk hebt, snap je?'
'Ik begrijp precies wat u bedoelt,' zei mama. Ze keek helemaal niet blij. Ze keek een beetje streng. Niet alsof ze boor was op Willem, maar alsof ze vond dat de wereld in het algemeen er een potje van maakte. 'Maar daar gaat het nu niet over. Het gaat nu over de drie meneren die het koraalrif kapot maken. Waarom doen ze dat?'
Willem haalde zijn schouders op. 'Ze moeten eten,' zei hij. 'Vroeger gingen ze een heel eidn de zee op, om met netten te vissen. Dat was beter. Maar in de zee zit niks meer, sinds de komst van...'
'De Engel des Doods,' viel papa hem in de rede.
Willem keek verbaasd op. 'Kent u die?'
Papa lachte bitter. 'Of ik de Engel des Doods ken? Ik heb hem helpen bouwen! Niet met mijn eigen handen, natuurlijk, maar ik ben degene die het geld heeft geleend aan meneer Leeghwater.'
Ik kreeg het gevoel dat ik wist waar dit verhaal heen ging. 'Dat is zeker weer een vriendje van meneer Dogger?'
'Inderdaad,' zuchtte papa. 'U moet weten, meneer Willem, dat ik vroeger...'
Nu was het Willems beurt om een zin af te maken. 'Werkte voor de Doggersbank,' grijnsde hij. Toen papa hem verbaasd aankeek, lachte hij weer zijn vrolijke, aanstekelijke, veel te harde rot-lach. 'Jullie begrijpen nog steeds niet hoe beroemd je bent, geloof ik. Er hoeft maar ergens ter wereld iets te exploderen of op alle journaals gaat het over de vraag: zit de Donderkat hierachter? En dan komen er weer interviews met oude collega's en klasgenootjes en zo.'
Het was grappig om te zien hoe mijn ouders op dit nieuws reageerden. Papa keek heel ongelukkig. Hij vond het niet leuk dat iedereen bij terrorisme meteen aan hem dacht. Mama daarentegen keek zo tevreden als een poes op een schoot bij de open haard.
Ik wilde iets aardigs tegen papa zeggen. Iets wat niet ging over het opblazen van dingen. En ook niet over de schurkenstreken waar hij aan had meegeholpen toen hij nog bij de Doggersbank werkte. Maar ik kon niks bedenken.
'Nou,' zei Michael, 'dan moeten we die Engel des Doods maar eens gaan opblazen, dacht ik zo. Vertel er eens wat meer over, pap? Jij weet er het meeste van, want jij was vroeger een schurk.'
Ik schopte Michael tegen zijn been, zó hard dat we met ons drieën uit de hangmat donderden. Willem lachte zó hard dat ik even dacht dat hij zou ontploffen. Maar nee. Hij stond op en tilde ons terug in de mat.
Daarna zei papa met een zuur gezicht: 'Goed. Ik zal jullie vertellen over de Engel des Doods.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 5 november 2012
Goed en slecht
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ik?' vroeg mama ijzig. 'Hoe zou ik nou kunnen bepalen wie er een schurk is? Nee hoor, dat doen die schurken helemaal zelf. Zij kiezen ervoor om schurkenstreken uit te halen, daar hebben ze mij niet bij nodig.'
'Hij bedoelt,' kreunde papa terwijl hij met een pijnlijk gezicht over zijn been wreef, 'dat het allemaal heel ingewikkeld ligt. Wat is goed en wat is slecht? Dat soort vragen.'
'Nou,' zei Michael, 'dat lijkt me nogal duidelijk. Goede dingen zijn goed en slechte dingen zijn slecht. Dus... Ja...'
Ik schaamde me dood. Michael is twaalf, die hoort niet met grote mensen over zulke dingen te praten. Dan staat-ie voor gek. Ik bedoel, goed en slecht en politiek en zo, dat is allemaal heel ingewikkeld. Daar worden kranten en boeken over volgeschreven. Daar moeten heel geleerde mensen hun leven lang op studeren. Dus hoe kan een jongetje van twaalf nou denken dat-ie snapt hoe het zit?
Willem en papa glimlachten vertederd naar hem. Och ja, zag je ze denken, als je twaalf bent denk je dat alles heel eenvoudig is.
'Groot gelijk, jongen,' zei mama. 'Het is allemaal heel eenvoudig, eigenlijk.'
Nu keken papa en Willem naar mama. Ze glimlachten niet vertederd. Oh nee. Ze vonden het ongelooflijk dat een groot mens, een heel intelligent groot mens nog wel, net zo kon denken als een jongetje van twaalf.
En ze keken ook een beetje paniekerig, omdat dit grote mens zoveel bommen kon maken als ze maar wilde. En laten we heel eerlijk zijn: jongetjes van twaalf moeten eigenlijk niet met bommen spelen. Daar komen ongelukken van.
Ik ken mama langer dan vandaag. Ik kan wel zo'n beetje zien wanneer ze pret heeft en wanneer ze boos is, dat soort dingen. En nu had ze duidelijk enorme lol, omdat papa en Willem niet meer wisten wat ze van haar moesten denken.
'Kom kom, heren,' zei ze, 'Slechte dingen zijn slecht, ja of nee?'
Willem zei: 'Zo eenvoudig is het niet. Wat u 'slecht' noemt, kan iemand anders wel 'goed' vinden.'
'Dan heeft-ie ongelijk,' besliste mama. 'Dat is heel goed mogelijk. Mensen hebben zo vaak ongelijk.'
'U zou dus ook ongelijk kunnen hebben,' zei Willem met een gezicht van nou-heb-ik-je.
Daar moest mama even over nadenken. 'Nee,' zei ze tenslotte. 'Ongelijk hebben, daar begin ik niet aan. Dat vind ik zonde van mijn tijd. Het is een omslachtig iets hoor, de ongelijkhebberij, daar komt een hoop gedoe bij kijken. Dat vergeten mensen nog wel eens. En mijn tijd is beperkt. Ik wil mijn aandacht dus graag even bij het terrorisme houden, als jullie het niet erg vinden. En als ik terrorisme zeg, bedoel ik niet dat ik af en toe eens iets opblaas. Ik bedoel dat er slechteriken zijn, die dingen opblazen. Die drie vriendelijke heren bijvoorbeeld, die ons hierheen hebben gebracht. Weet u dat die het koraalrif opblazen? Dat hoort een goeierik niet te doen. Iedereen kan wel eens een foutje maken...'
Plotseling moest ik hoesten. Misschien zou je kunnen zeggen dat mijn hoest een beetje klonk als het woord 'walvis'. In ieder geval gaf Michael me weer een stomp.
'… maar het rif zit vol gaten. Dat is niet “een foutje”, dat is boze opzet. Dus ik ben wel benieuwd wat er hier aan de hand is. Ik zou nkiet graag de verkeerde opblazen namelijk.'
Willem keek mijn moeder tevreden aan. 'Ik hoopte al dat u zoiets zou zeggen,' glimlachte hij.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ik?' vroeg mama ijzig. 'Hoe zou ik nou kunnen bepalen wie er een schurk is? Nee hoor, dat doen die schurken helemaal zelf. Zij kiezen ervoor om schurkenstreken uit te halen, daar hebben ze mij niet bij nodig.'
'Hij bedoelt,' kreunde papa terwijl hij met een pijnlijk gezicht over zijn been wreef, 'dat het allemaal heel ingewikkeld ligt. Wat is goed en wat is slecht? Dat soort vragen.'
'Nou,' zei Michael, 'dat lijkt me nogal duidelijk. Goede dingen zijn goed en slechte dingen zijn slecht. Dus... Ja...'
Ik schaamde me dood. Michael is twaalf, die hoort niet met grote mensen over zulke dingen te praten. Dan staat-ie voor gek. Ik bedoel, goed en slecht en politiek en zo, dat is allemaal heel ingewikkeld. Daar worden kranten en boeken over volgeschreven. Daar moeten heel geleerde mensen hun leven lang op studeren. Dus hoe kan een jongetje van twaalf nou denken dat-ie snapt hoe het zit?
Willem en papa glimlachten vertederd naar hem. Och ja, zag je ze denken, als je twaalf bent denk je dat alles heel eenvoudig is.
'Groot gelijk, jongen,' zei mama. 'Het is allemaal heel eenvoudig, eigenlijk.'
Nu keken papa en Willem naar mama. Ze glimlachten niet vertederd. Oh nee. Ze vonden het ongelooflijk dat een groot mens, een heel intelligent groot mens nog wel, net zo kon denken als een jongetje van twaalf.
En ze keken ook een beetje paniekerig, omdat dit grote mens zoveel bommen kon maken als ze maar wilde. En laten we heel eerlijk zijn: jongetjes van twaalf moeten eigenlijk niet met bommen spelen. Daar komen ongelukken van.
Ik ken mama langer dan vandaag. Ik kan wel zo'n beetje zien wanneer ze pret heeft en wanneer ze boos is, dat soort dingen. En nu had ze duidelijk enorme lol, omdat papa en Willem niet meer wisten wat ze van haar moesten denken.
'Kom kom, heren,' zei ze, 'Slechte dingen zijn slecht, ja of nee?'
Willem zei: 'Zo eenvoudig is het niet. Wat u 'slecht' noemt, kan iemand anders wel 'goed' vinden.'
'Dan heeft-ie ongelijk,' besliste mama. 'Dat is heel goed mogelijk. Mensen hebben zo vaak ongelijk.'
'U zou dus ook ongelijk kunnen hebben,' zei Willem met een gezicht van nou-heb-ik-je.
Daar moest mama even over nadenken. 'Nee,' zei ze tenslotte. 'Ongelijk hebben, daar begin ik niet aan. Dat vind ik zonde van mijn tijd. Het is een omslachtig iets hoor, de ongelijkhebberij, daar komt een hoop gedoe bij kijken. Dat vergeten mensen nog wel eens. En mijn tijd is beperkt. Ik wil mijn aandacht dus graag even bij het terrorisme houden, als jullie het niet erg vinden. En als ik terrorisme zeg, bedoel ik niet dat ik af en toe eens iets opblaas. Ik bedoel dat er slechteriken zijn, die dingen opblazen. Die drie vriendelijke heren bijvoorbeeld, die ons hierheen hebben gebracht. Weet u dat die het koraalrif opblazen? Dat hoort een goeierik niet te doen. Iedereen kan wel eens een foutje maken...'
Plotseling moest ik hoesten. Misschien zou je kunnen zeggen dat mijn hoest een beetje klonk als het woord 'walvis'. In ieder geval gaf Michael me weer een stomp.
'… maar het rif zit vol gaten. Dat is niet “een foutje”, dat is boze opzet. Dus ik ben wel benieuwd wat er hier aan de hand is. Ik zou nkiet graag de verkeerde opblazen namelijk.'
Willem keek mijn moeder tevreden aan. 'Ik hoopte al dat u zoiets zou zeggen,' glimlachte hij.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
zaterdag 3 november 2012
Spullen van schurken
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael en ik keken elkaar aan. Waren wij genoemd naar twee engelen? Dat wisten we helemaal niet.
Mama trouwens ook niet, begreep ik toen ik haar naar papa zag kijken. Ze keek half boos en half bewonderend. Boos omdat papa haar voor de gek had willen houden, en bewonderend omdat het gelukt was.
Willem tilde Michael, Kwetter en mij in één keer op en zette ons in de hangmat.
'Ik ga die limonade halen,' zei hij. 'Niet wiebelen, jongens!'
Michael wiebelde.
Boink.
In de vijf minuten die volgden, ontdekten wij hoe moeilijk het is om met drie kinderen tegelijk in een hangmat te klimmen. Toen Willem terugkwam, zag hij mij en Michael in een ordeloze hoop op de grond liggen, terwijl Kwetter zich met handen en tenen vasthield aan de onderkant van de hangmat.
Daar moest Willem weer om lachen. Hij had een schallende, vrolijke lach die uit het diepst van zijn gemoed kwam en die me nu al vreselijk irriteerde. Moest dat nou echt zo hard?
Even later zaten we allemaal te drinken in de schaduw Wij drieën zaten op de hangmat en dronken limo met een rietje. Ma dronk thee in een ligstoel, wat eigenlijk een hele prestatie is, en papa en Willem zaten op twee keukenstoelen. Papa dronk koffie en Willem bier.
'Vertel eens,' zei Willem. 'Wat brengt jullie hierheen?'
'Terrorisme,' zei mama.
Met een verbaasde grijns keek Willem haar aan. 'Wat zegt u me daar?'
'Toerisme,' gilde papa in paniek, 'toerisme zei ze, we zijn toeristen namelijk, en helemaal geen terroristen of zo. Haha, mijn vrouw zegt soms rare dingen, hoor! Terrorisme, haha, alsof wij ooit bankgebouwen en wapenfabrieken opblazen. Zien wij er soms uit als terroristen?'
'Jazeker,' zei Willem kalm. 'Jullie zien er precies uit als terroristen. Als de Donderkat en haar gezin, om precies te zijn.' Wij keken hem stomverbaasd aan, en hij liet zijn lach weer schallen. 'Ik had jullie allang herkend,' bulderde hij. 'Vind je het gek? Jullie gezichten zijn bekender dan de president van Amerika! Is het jullie werkelijk nog niet opgevallen dat jullie overal worden aangestaard? Dan ben ik benieuwd in welke uithoek van de wereld jullie ondergedoken hebben gezeten, de afgelopen maanden.'
'Grappig dat u “ondergedoken” zegt,' stamelde papa. 'Wij wonen namelijk in een AAAUW!'
Mama had haar hete thee over zijn been gegooid.
'Sorry, schat,' zei ze koeltjes. 'Nou knoei ik toch per ongeluk mijn thee over je heen. Ik had mezelf even niet onder controle, ben ik bang. Dat komt: ik schrok toch zó toen jij bijna zei waar wij ons verborgen houden. Dat mag natuurlijk niemand weten, dus...'
'Auw je hebt gelijk liefje, auw auw, en dat van die thee geeft auw auw niks, ongelukjes gebeuren soms.'
'Reken maar,' zei mama, 'hoewel ik hoop dat het niet te vaak nodig zal zijn dat dit soort ongelukjes gebeurt.' Ze wendde zich tot Willem. 'Toen ik terrorisme zei, bedoelde ik niet wat wij doen. Wij zijn helemaal geen terroristen, namelijk. We blazen af en toe wat dingen op, dat wel natuurlijk. Vooral gebouwen. Maar we blazen alleen spullen van schurken op. Geen spullen van gewone mensen. En wat we nooit doen is levende wezens opblazen.'
Ik fluisterde in Michaels oor: 'Behalve af en toe een walvis.' Hij gaf mij een stiekeme stomp, maar dat was het wel waard.
'Alleen spullen van schurken?' herhaalde Willem met een vreemd glimlachje. 'En wie bepaalt wie er een schurk is? U?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Michael en ik keken elkaar aan. Waren wij genoemd naar twee engelen? Dat wisten we helemaal niet.
Mama trouwens ook niet, begreep ik toen ik haar naar papa zag kijken. Ze keek half boos en half bewonderend. Boos omdat papa haar voor de gek had willen houden, en bewonderend omdat het gelukt was.
Willem tilde Michael, Kwetter en mij in één keer op en zette ons in de hangmat.
'Ik ga die limonade halen,' zei hij. 'Niet wiebelen, jongens!'
Michael wiebelde.
Boink.
In de vijf minuten die volgden, ontdekten wij hoe moeilijk het is om met drie kinderen tegelijk in een hangmat te klimmen. Toen Willem terugkwam, zag hij mij en Michael in een ordeloze hoop op de grond liggen, terwijl Kwetter zich met handen en tenen vasthield aan de onderkant van de hangmat.
Daar moest Willem weer om lachen. Hij had een schallende, vrolijke lach die uit het diepst van zijn gemoed kwam en die me nu al vreselijk irriteerde. Moest dat nou echt zo hard?
Even later zaten we allemaal te drinken in de schaduw Wij drieën zaten op de hangmat en dronken limo met een rietje. Ma dronk thee in een ligstoel, wat eigenlijk een hele prestatie is, en papa en Willem zaten op twee keukenstoelen. Papa dronk koffie en Willem bier.
'Vertel eens,' zei Willem. 'Wat brengt jullie hierheen?'
'Terrorisme,' zei mama.
Met een verbaasde grijns keek Willem haar aan. 'Wat zegt u me daar?'
'Toerisme,' gilde papa in paniek, 'toerisme zei ze, we zijn toeristen namelijk, en helemaal geen terroristen of zo. Haha, mijn vrouw zegt soms rare dingen, hoor! Terrorisme, haha, alsof wij ooit bankgebouwen en wapenfabrieken opblazen. Zien wij er soms uit als terroristen?'
'Jazeker,' zei Willem kalm. 'Jullie zien er precies uit als terroristen. Als de Donderkat en haar gezin, om precies te zijn.' Wij keken hem stomverbaasd aan, en hij liet zijn lach weer schallen. 'Ik had jullie allang herkend,' bulderde hij. 'Vind je het gek? Jullie gezichten zijn bekender dan de president van Amerika! Is het jullie werkelijk nog niet opgevallen dat jullie overal worden aangestaard? Dan ben ik benieuwd in welke uithoek van de wereld jullie ondergedoken hebben gezeten, de afgelopen maanden.'
'Grappig dat u “ondergedoken” zegt,' stamelde papa. 'Wij wonen namelijk in een AAAUW!'
Mama had haar hete thee over zijn been gegooid.
'Sorry, schat,' zei ze koeltjes. 'Nou knoei ik toch per ongeluk mijn thee over je heen. Ik had mezelf even niet onder controle, ben ik bang. Dat komt: ik schrok toch zó toen jij bijna zei waar wij ons verborgen houden. Dat mag natuurlijk niemand weten, dus...'
'Auw je hebt gelijk liefje, auw auw, en dat van die thee geeft auw auw niks, ongelukjes gebeuren soms.'
'Reken maar,' zei mama, 'hoewel ik hoop dat het niet te vaak nodig zal zijn dat dit soort ongelukjes gebeurt.' Ze wendde zich tot Willem. 'Toen ik terrorisme zei, bedoelde ik niet wat wij doen. Wij zijn helemaal geen terroristen, namelijk. We blazen af en toe wat dingen op, dat wel natuurlijk. Vooral gebouwen. Maar we blazen alleen spullen van schurken op. Geen spullen van gewone mensen. En wat we nooit doen is levende wezens opblazen.'
Ik fluisterde in Michaels oor: 'Behalve af en toe een walvis.' Hij gaf mij een stiekeme stomp, maar dat was het wel waard.
'Alleen spullen van schurken?' herhaalde Willem met een vreemd glimlachje. 'En wie bepaalt wie er een schurk is? U?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)