BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat is er?'vroeg ik. 'Ken je die meneer? Is dat weer een van de schurken die je van vroeger kent? Zo'n vriend van meneer Dogger?'
'Nee,' zei papa. 'dat niet.'
'Wat is het dan wel?' vroeg Michael zich verwonderd af. 'Ik dacht net: die meneer hoort zeker bij dat kerkje, wat fijn voor papa, nou heeft-ie iemand om mee over de bijbel te praten. En als die meneer ons uitnodigt voor het eten, gaan we vast bidden. Dat vind jij toch fijn?'
Misschien moet ik dat even uitleggen. Papa houdt erg van bidden voor het eten. Mama niet. Ze vindt het zonde van de tijd. 'Ga jij maar lekker bidden, schat,' zegt ze soms. 'Wij beginnen vast. Nu is het nog warm.' Maar papa vindt bidden alleen leuk als we het met z'n allen tegelijk doen.
Daarom is het voor papa fijn als we gaan eten bij mensen, die ook van bidden houden. Want als we ergens te gast zijn, vindt mama dat we ons moeten aanpassen. Als de gastheer bidt doen wij dat dus ook. Zelfs als de gastheer met eten spuugt, moeten wij mee-spugen. Serieus. Dat maakt eten in, bijvoorbeeld, Boegoe-Boegoe (waar de tafelmanieren heel anders zijn dan bij ons) tot een wonderlijke en onsmakelijke onderneming.
'Bidden is goed,' zei papa wrang. 'Maar als die meneer met jullie over de bijbel wil praten stop je je vingers in je oren. Ik meen het. Vingers erin, zonder aarzelen. Begrepen?'
Michael en ik keken elkaar aan. Hier konden wij geen touw aan vastknopen.
Mama moest lachen om onze verwarring. 'Wat jullie moeten begrijpen, lieverds, is dit: de bijbel is een heel mooi en belangrijk boek. Het is ook een gróót boek. Er staat heel veel in. Zóveel zelfs, dat je het nooit allemaal tegelijk kunt geloven. Iedereen kiest er daarom een paar stukjes uit die ze belangrijk vinden. Helaas kiest niet iedereen dezelfde stukjes, en de ruzies daarover kunnen behoorlijk hoog oplopen. Nu heeft jullie papa - want Eduard is heel knap in die dingen - meteen al gezien dat deze meneer in de verkeerde stukjes van de bijbel gelooft. Zeg ik het zo goed, schat?'
'Min of meer,' zuchtte papa. 'Min of meer wel, ja.'
Terwijl wij zo stonden te babbelen kwam de meneer uit zijn hangmat. Hij was groot en gespierd, met een gezicht dat knal-bruin was van de zon. Zijn haar was kort en blond en hij had een wilde baard.
'Nee maar,'riep hij blij verrast. Hij had een luide, diepe stem. 'Bezoek. Dat krijgen we hier niet vaak. Bleekgezichten nog wel - dat is al helemáál zeldzaam. Hoewel, bleekgezichten? Er is ook een knal-oranje koter bij, zie ik. Kijk, kijk. Dat heb ik nou nog nooit eerder gezien. Dit gaat een interessante middag worden. Mooi, mooi. Wilt u iets drinken? Koffie? Thee? Voor de koters iets zoets, denk ik - Thee-met suiker? Mango-limonade?'
'Limonade graag,' zeiden wij.
'En limonade wordt het!' baste de man. 'Ik heet Willem, trouwens. En jullie?'
'Gaby,' zei ik. 'En dat is Michael en dat is Kwetter.'
De man lachte hard en aanstekelijk. 'Gaby, he? Afkorting voor Gabrielle, zeker? Haha! Gabriël en Michaël - staan daar zomaar twee aarts-engelen voor mijn neus! Nou, nou. Dat overkomt me al helemaal niet elke dag. Kom mee, kom mee. Lekker de schaduw in!'
Zonder op antwoord te wachten nam hij ons bij de schouders - zijn handen waren reusachtig groot - en troonde ons mee naar zijn hangmat.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
woensdag 31 oktober 2012
maandag 29 oktober 2012
De afschuwelijke autorit
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Papa,' zeiden wij, 'je bent lief.' Want de echte zeur-expert weet: goed zeuren is mooi, maar goed afronden is minstens zo belangrijk. Als je na een succesvolle zeur-sessie een tevreden smoel trekt, zo van 'haha, ik heb lekker gewonnen', dan wordt het de volgende keer veel moeilijker. Dankbaarheid moet je tonen, en complimentjes moet je geven, dan heb je de volgende sessie al half gewonnen.
'Jullie papa is niet alleen lief,' zei mama ernstig, 'hij is ook verstandig.'
Wij knikten vol respect, want wij zijn goed, maar mama is beter. Mama is zo goed dat ze nooit hoeft te zeuren. Hier zag je het maar weer eens: 'je bent verstandig' is voor papa veel leuker om te horen dan 'je bent lief'. Dat hij lief is, wordt hem vaak genoeg verteld. Want hij ís ook lief. Maar dat hij verstandig is, krijgt hij niet zo vaak te horen. Dus dat is fijner.
We moesten even wachten tot de vissers de laatste restjes van hun vangst uit het water hadden geschept.
'Schat,' zei mama, 'doe jij intussen even de duikboot op slot? Je weet tenslotte maar nooit.'
'Heel verstandig,' zei papa.
'Hm-hm,' knikte mama verveeld.
Even later gingen de vissers ons voor, over het koraalrif naar het reclame-witte strand. Daar begonnen de mannen hun vissen in een paar kratten te laden.
'Mag wij meehelpen?' vroeg Kwetter.
Daar zeiden de mannen geen nee tegen. Want ze verstonden de vraag niet.
Ze zeiden wel iets anders, en misschien betekende dat wel 'nee', maar dat verstonden wij niet dus het mocht gewoon.
Met onze hulp zaten de kratten in een oogwenk vol, en we droegen ze het strand over, onder de palmbomen door, naar een zanderig weggetje waar een oude bestelwagen stond. We laadden de kratten achterin, en de mannen gebaarden dat wij er bovenop moesten gaan zitten.
We gingen op weg. De wagen hotste en hobbelde, de motor kuchte, tufte en pruttelde en onze kont werd koud, want de mannen hadden ijs in de kratten gedaan. Anders kun je de vis weg weggooien.
De hele wagen rook trouwens naar vis, en dan bedoel ik vis die heel lang in een krat had gelegen zonder ijs erbij.
Kortom, de reis was niet zo comfortabel. En dan lijkt het altijd langer te duren. Dus toen de auto na een kwartiertje later tot stilstand kwam, hadden wij het idee dat we er vijftien uur in gezeten hadden. Ik persoonlijk had zelfs gevreesd dat deze autorit nooit meer op zou houden, dat we voor eeuwig moesten blijven zitten in die stank van rotte vis en lekkende benzine, met rooie hoofden van de zonnehitte en een bevroren kont van het ijs, terwijl we woest door elkaar werden geschud en ons aan alle hoeken van de bestelwagen stootten, sneden en bezeerden.
Sterker nog, toen we waren uitgestapt had ik nog steeds het idee dat de autorit, die zojuist achter ons lag, nooit op was gehouden. Dat ik mijn hoofd zo hard had gestoten dat ik bewusteloos was en droomde. Droomde dat de tocht voorbij was. Straks zou ik weer wakker worden en dan zou ik nog steeds achterin die rot-auto zitten.
Maar nee, het was geen droom, we waren aangekomen in het dorp van de vissers. Ze hielpen pons met uitstappen en brachten ons naar het plein, waar een klein houten kerkje stond. Naast het kerkje stond een paar bomen, en tussen de bomen hing een hangmat. Daarin lag een blanke mankruiswoordraadsels te maken.
'Oh nee,' kreunde papa.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Papa,' zeiden wij, 'je bent lief.' Want de echte zeur-expert weet: goed zeuren is mooi, maar goed afronden is minstens zo belangrijk. Als je na een succesvolle zeur-sessie een tevreden smoel trekt, zo van 'haha, ik heb lekker gewonnen', dan wordt het de volgende keer veel moeilijker. Dankbaarheid moet je tonen, en complimentjes moet je geven, dan heb je de volgende sessie al half gewonnen.
'Jullie papa is niet alleen lief,' zei mama ernstig, 'hij is ook verstandig.'
Wij knikten vol respect, want wij zijn goed, maar mama is beter. Mama is zo goed dat ze nooit hoeft te zeuren. Hier zag je het maar weer eens: 'je bent verstandig' is voor papa veel leuker om te horen dan 'je bent lief'. Dat hij lief is, wordt hem vaak genoeg verteld. Want hij ís ook lief. Maar dat hij verstandig is, krijgt hij niet zo vaak te horen. Dus dat is fijner.
We moesten even wachten tot de vissers de laatste restjes van hun vangst uit het water hadden geschept.
'Schat,' zei mama, 'doe jij intussen even de duikboot op slot? Je weet tenslotte maar nooit.'
'Heel verstandig,' zei papa.
'Hm-hm,' knikte mama verveeld.
Even later gingen de vissers ons voor, over het koraalrif naar het reclame-witte strand. Daar begonnen de mannen hun vissen in een paar kratten te laden.
'Mag wij meehelpen?' vroeg Kwetter.
Daar zeiden de mannen geen nee tegen. Want ze verstonden de vraag niet.
Ze zeiden wel iets anders, en misschien betekende dat wel 'nee', maar dat verstonden wij niet dus het mocht gewoon.
Met onze hulp zaten de kratten in een oogwenk vol, en we droegen ze het strand over, onder de palmbomen door, naar een zanderig weggetje waar een oude bestelwagen stond. We laadden de kratten achterin, en de mannen gebaarden dat wij er bovenop moesten gaan zitten.
We gingen op weg. De wagen hotste en hobbelde, de motor kuchte, tufte en pruttelde en onze kont werd koud, want de mannen hadden ijs in de kratten gedaan. Anders kun je de vis weg weggooien.
De hele wagen rook trouwens naar vis, en dan bedoel ik vis die heel lang in een krat had gelegen zonder ijs erbij.
Kortom, de reis was niet zo comfortabel. En dan lijkt het altijd langer te duren. Dus toen de auto na een kwartiertje later tot stilstand kwam, hadden wij het idee dat we er vijftien uur in gezeten hadden. Ik persoonlijk had zelfs gevreesd dat deze autorit nooit meer op zou houden, dat we voor eeuwig moesten blijven zitten in die stank van rotte vis en lekkende benzine, met rooie hoofden van de zonnehitte en een bevroren kont van het ijs, terwijl we woest door elkaar werden geschud en ons aan alle hoeken van de bestelwagen stootten, sneden en bezeerden.
Sterker nog, toen we waren uitgestapt had ik nog steeds het idee dat de autorit, die zojuist achter ons lag, nooit op was gehouden. Dat ik mijn hoofd zo hard had gestoten dat ik bewusteloos was en droomde. Droomde dat de tocht voorbij was. Straks zou ik weer wakker worden en dan zou ik nog steeds achterin die rot-auto zitten.
Maar nee, het was geen droom, we waren aangekomen in het dorp van de vissers. Ze hielpen pons met uitstappen en brachten ons naar het plein, waar een klein houten kerkje stond. Naast het kerkje stond een paar bomen, en tussen de bomen hing een hangmat. Daarin lag een blanke mankruiswoordraadsels te maken.
'Oh nee,' kreunde papa.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 26 oktober 2012
Slecht geprogrammeerde robots
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat vind jij, schat?' vroeg mama. 'Zullen we maar eens aan land gaan?'
'Zeker niet,' zei papa. 'Veel te gevaarlijk.'
Mama knikte.
Michael en ik keken elkaar aan. Gingen wij hiermee akkoord? Dacht het niet, he?
'Mahaaaam,' vroeg ik, 'Mogen wij zeuren?'
'Natuurlijk lieverds,' glimlachte mama. 'Daar zijn jullie kinderen voor. Kinderen die niet zeuren zijn geen echte kinderen; dat zijn slecht geprogrammeerde robots. Er zijn natuurlijk momenten dat het eventjes niet uitkomt als jullie zeuren, en dan moeten jullie gewoon je lieve smoeltjes dichthouden, maar dit is niet zo'n moment. Want we gaan rustig terug naar de Tsaar Peter om weer lekker veilig en saai onder water te gaan varen. Toch, schat?”
'Nou en of,' mompelde papa. Zijn stem klonk gelaten, verslagen, alsof hij er zelf al niet meer in geloofde.
En terecht.
Want mama zei: 'Nou, je hoort het, we hebben niks bijzonders op het programma staan. Tijd genoeg voor een lekker potje zeuren. Geniet van je kindertijd, lieverds! Zet hem op!'
En daar gingen we. Zeuren. En wij zijn goed, hoor.
Niet alle kinderen kunnen zeuren. Ik bedoel: ieder kind is wel geboren met het vermogen om te zeuren, maar dat vermogen moet getraind worden. Anders blijft het goedbedoeld geklungel.
Gelukkig hebben wij papa.
Papa is ideaal als je wilt leren zeuren. Heel anders dan mama. Van mama krijg je nooit je zin, namelijk. Wat je ook zegt, en wat je ook doet: van haar win je het nooit. Dus bij haar zeuren, dat heeft helemaal geen zin. We proberen het wel eens, maar we geloven zelf niet eens dat het zal lukken. En als je er niet in gelooft, dan wordt het niks. Zeuren moet je vol overtuiging doen, anders lachen je ouders je gewoon uit.
En dat is dan ook precies wat mama doet.
Heel akelig.
Nee, dan papa! Bij papa lukt het altijd. Het kan tien minuten duren, of een half uur, of drie uur, maar uiteindelijk breekt hij.
Kijk, dat houdt de moed erin.
Het leuke is dat papa een beetje jaloers is op mama. Omdat we bij haar zelden zeuren, en van haar nooit winnen. Dat wil papa ook wel. Dus hij probeert altijd zijn poot stijf te houden. Op allerlei verschillende manieren. Soms wordt hij boos. Soms lacht hij ons uit. Soms legt hij uit waarom het niet kan. Soms zegt hij helemaal niks.
Dat is allemaal reuze fijn voor ons, want zo worden we tenminste degelijk getraind. Dankzij papa zijn we regelrecht zeur-kampioenen. Grootmeesters. Toen we nog op school zaten, keek iedereen naar ons als er gezeurd moest worden bij de juf. Als we bij vriendjes gingen spelen, en er mocht iets niet van hun ouders, dan fluisterden die vriendjes: 'Kun jij niet even...?'
Zeuren bij je eigen ouders is natuurlijk veel makkelijker dan bij je juf, of bij andere grote mensen. Die denken al snel: bah, wat een slecht opgevoed en vervelend zeurkind, zeg.
Zie dan je zin nog maar eens te krijgen.
Maar, zoals gezegd: wij behoren tot de absolute wereldtop en voor ons is zoiets geen probleem.
En vandaag ging het wel heel gemakkelijk.
We waren nauwelijks begonnen, of papa zei al: 'Okee, jullie je zin. We gaan aan land.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat vind jij, schat?' vroeg mama. 'Zullen we maar eens aan land gaan?'
'Zeker niet,' zei papa. 'Veel te gevaarlijk.'
Mama knikte.
Michael en ik keken elkaar aan. Gingen wij hiermee akkoord? Dacht het niet, he?
'Mahaaaam,' vroeg ik, 'Mogen wij zeuren?'
'Natuurlijk lieverds,' glimlachte mama. 'Daar zijn jullie kinderen voor. Kinderen die niet zeuren zijn geen echte kinderen; dat zijn slecht geprogrammeerde robots. Er zijn natuurlijk momenten dat het eventjes niet uitkomt als jullie zeuren, en dan moeten jullie gewoon je lieve smoeltjes dichthouden, maar dit is niet zo'n moment. Want we gaan rustig terug naar de Tsaar Peter om weer lekker veilig en saai onder water te gaan varen. Toch, schat?”
'Nou en of,' mompelde papa. Zijn stem klonk gelaten, verslagen, alsof hij er zelf al niet meer in geloofde.
En terecht.
Want mama zei: 'Nou, je hoort het, we hebben niks bijzonders op het programma staan. Tijd genoeg voor een lekker potje zeuren. Geniet van je kindertijd, lieverds! Zet hem op!'
En daar gingen we. Zeuren. En wij zijn goed, hoor.
Niet alle kinderen kunnen zeuren. Ik bedoel: ieder kind is wel geboren met het vermogen om te zeuren, maar dat vermogen moet getraind worden. Anders blijft het goedbedoeld geklungel.
Gelukkig hebben wij papa.
Papa is ideaal als je wilt leren zeuren. Heel anders dan mama. Van mama krijg je nooit je zin, namelijk. Wat je ook zegt, en wat je ook doet: van haar win je het nooit. Dus bij haar zeuren, dat heeft helemaal geen zin. We proberen het wel eens, maar we geloven zelf niet eens dat het zal lukken. En als je er niet in gelooft, dan wordt het niks. Zeuren moet je vol overtuiging doen, anders lachen je ouders je gewoon uit.
En dat is dan ook precies wat mama doet.
Heel akelig.
Nee, dan papa! Bij papa lukt het altijd. Het kan tien minuten duren, of een half uur, of drie uur, maar uiteindelijk breekt hij.
Kijk, dat houdt de moed erin.
Het leuke is dat papa een beetje jaloers is op mama. Omdat we bij haar zelden zeuren, en van haar nooit winnen. Dat wil papa ook wel. Dus hij probeert altijd zijn poot stijf te houden. Op allerlei verschillende manieren. Soms wordt hij boos. Soms lacht hij ons uit. Soms legt hij uit waarom het niet kan. Soms zegt hij helemaal niks.
Dat is allemaal reuze fijn voor ons, want zo worden we tenminste degelijk getraind. Dankzij papa zijn we regelrecht zeur-kampioenen. Grootmeesters. Toen we nog op school zaten, keek iedereen naar ons als er gezeurd moest worden bij de juf. Als we bij vriendjes gingen spelen, en er mocht iets niet van hun ouders, dan fluisterden die vriendjes: 'Kun jij niet even...?'
Zeuren bij je eigen ouders is natuurlijk veel makkelijker dan bij je juf, of bij andere grote mensen. Die denken al snel: bah, wat een slecht opgevoed en vervelend zeurkind, zeg.
Zie dan je zin nog maar eens te krijgen.
Maar, zoals gezegd: wij behoren tot de absolute wereldtop en voor ons is zoiets geen probleem.
En vandaag ging het wel heel gemakkelijk.
We waren nauwelijks begonnen, of papa zei al: 'Okee, jullie je zin. We gaan aan land.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 24 oktober 2012
Het wereldwijde gespreksonderwerp
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We scheurden naar de kano toe. Michael zat bij papa achterop, Kwetter en ik bij mama. Uit sjaggerijn ging papa een stuk harder dan nodig was, tot grote vreugde van Michael.
'En waar,' riep hij op hoge toon tegen de vissers, 'denken wij dat we mee bezig zijn?'
De vissers mompelden zachtjes tegen elkaar.
'Beseffen jullie dan niet wat je doet?' vroeg papa boos. 'Weten jullie niet wat je kapot maakt?'
De vissers haalden hun schouders op.
'Zeg kunnen jullie niet fatsoenlijk antwoord geven?'
Op dit moment kwamen wij naast papa's Jet Ski dobberen en mama zei: 'Als je wilt dat ze fatsoenlijk antwoord geven, moet je ook fatsoenlijk vragen, schat.' Ze wendde zich tot de vissers en zei: 'Goedemiddag, heren! Onze excuses voor het storen tijdens uw ongetwijfeld drukke werkzaamheden, maar mogen wij misschien iets aan u vragen?'
De mannen zeiden niets.
'Ach wat dom,' zei mama hartelijk, 'nu vergeet ik mij voor te stellen! Mijn fout, helemaal mijn fout. Josephine Laarmans, met pee haa, en een ee op het eind. Hoe maakt u het?'
De mannen glimlachten beleefd en maakten een kleine buiging.
'Dus... mogen wij u iets vragen?'
De mannen zeiden niets.
'U bent natuurlijk heel druk met uw werk, dat snap ik wel...'
De mannen zwegen.
'Wat een lekker weer, he?'
Geen reactie.
'Nou jaaa, zeg!' Mama keek ons aan met hoog opgetrokken wenkbrauwen. 'Ze zeggen helemaal niks! Zelfs niet over het weer! Terwijl het weer toch zo'n beetje het beleefdste gespreksonderwerp ter wereld is. Altijd en overal kun je over het weer praten, van de armste hut tot het duurste paleis: de zon schijnt op iedereen en als gespreksonderwerp is dat voor niemand kwetsend. Dat geldt over de hele wereld: als je een beleefd gesprekje wilt hebben, dan begin je met het weer.'
'Oh ja?' zei ik. 'Geldt dat over de hele wereld?'
'Jazeker,' zei mama.
'Dat je over het weer moet praten in het Nederlands, geldt dat over de hele wereld?'
'Oh! Eh, haha,' zei mama. 'Wat dom van mij.' Tegen de vissers zei ze: 'Lekker weertje, he?' maar dan in het Engels. En daarna in het Duits. En in het Frans en het Spaans.
Dat verstonden de vissers allemaal niet.
Gelukkig kent mama nog achtentwintig andere talen. Of nou ja, 'kennen', dat is misschien een beetje een groot woord. Ze kent al die talen een beetje. Een heel klein beetje. Een enkel zinnetje, om precies te zijn. Het zinnetje gaat zo: 'Het spijt mij, ik versta uw taal niet, is er hier iemand die Engels spreekt?' of liever gezegd, zo gaat het zinnetje niet, want dit is een Nederlands zinnetje en in het Nederlands is het niet waar. Maar in de achtentwintig talen, in het Russisch en het Arabisch en het Pidgin en het Boegoenees en het Zuid-Mallotisch enzovoort, is het een heel handig zinnetje.
In tweeëntwintig talen zei mama haar zinnetje en tweeëntwintig keer haalden de mannen hun schouders op. Maar bij keer nummer drieëntwintig keken ze elkaar aan, begonnen enthousiast te knikken en wezen naar het palmenstrand.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We scheurden naar de kano toe. Michael zat bij papa achterop, Kwetter en ik bij mama. Uit sjaggerijn ging papa een stuk harder dan nodig was, tot grote vreugde van Michael.
'En waar,' riep hij op hoge toon tegen de vissers, 'denken wij dat we mee bezig zijn?'
De vissers mompelden zachtjes tegen elkaar.
'Beseffen jullie dan niet wat je doet?' vroeg papa boos. 'Weten jullie niet wat je kapot maakt?'
De vissers haalden hun schouders op.
'Zeg kunnen jullie niet fatsoenlijk antwoord geven?'
Op dit moment kwamen wij naast papa's Jet Ski dobberen en mama zei: 'Als je wilt dat ze fatsoenlijk antwoord geven, moet je ook fatsoenlijk vragen, schat.' Ze wendde zich tot de vissers en zei: 'Goedemiddag, heren! Onze excuses voor het storen tijdens uw ongetwijfeld drukke werkzaamheden, maar mogen wij misschien iets aan u vragen?'
De mannen zeiden niets.
'Ach wat dom,' zei mama hartelijk, 'nu vergeet ik mij voor te stellen! Mijn fout, helemaal mijn fout. Josephine Laarmans, met pee haa, en een ee op het eind. Hoe maakt u het?'
De mannen glimlachten beleefd en maakten een kleine buiging.
'Dus... mogen wij u iets vragen?'
De mannen zeiden niets.
'U bent natuurlijk heel druk met uw werk, dat snap ik wel...'
De mannen zwegen.
'Wat een lekker weer, he?'
Geen reactie.
'Nou jaaa, zeg!' Mama keek ons aan met hoog opgetrokken wenkbrauwen. 'Ze zeggen helemaal niks! Zelfs niet over het weer! Terwijl het weer toch zo'n beetje het beleefdste gespreksonderwerp ter wereld is. Altijd en overal kun je over het weer praten, van de armste hut tot het duurste paleis: de zon schijnt op iedereen en als gespreksonderwerp is dat voor niemand kwetsend. Dat geldt over de hele wereld: als je een beleefd gesprekje wilt hebben, dan begin je met het weer.'
'Oh ja?' zei ik. 'Geldt dat over de hele wereld?'
'Jazeker,' zei mama.
'Dat je over het weer moet praten in het Nederlands, geldt dat over de hele wereld?'
'Oh! Eh, haha,' zei mama. 'Wat dom van mij.' Tegen de vissers zei ze: 'Lekker weertje, he?' maar dan in het Engels. En daarna in het Duits. En in het Frans en het Spaans.
Dat verstonden de vissers allemaal niet.
Gelukkig kent mama nog achtentwintig andere talen. Of nou ja, 'kennen', dat is misschien een beetje een groot woord. Ze kent al die talen een beetje. Een heel klein beetje. Een enkel zinnetje, om precies te zijn. Het zinnetje gaat zo: 'Het spijt mij, ik versta uw taal niet, is er hier iemand die Engels spreekt?' of liever gezegd, zo gaat het zinnetje niet, want dit is een Nederlands zinnetje en in het Nederlands is het niet waar. Maar in de achtentwintig talen, in het Russisch en het Arabisch en het Pidgin en het Boegoenees en het Zuid-Mallotisch enzovoort, is het een heel handig zinnetje.
In tweeëntwintig talen zei mama haar zinnetje en tweeëntwintig keer haalden de mannen hun schouders op. Maar bij keer nummer drieëntwintig keken ze elkaar aan, begonnen enthousiast te knikken en wezen naar het palmenstrand.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 22 oktober 2012
Expert in dure dingen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Een Jet Ski , voor wie het niet weet, is een soort scooter voor op het water. Een mini speedbootje, eigenlijk, maar dan een waar je op kan zitten in plaats van erin. Rondscheuren met een Jet Ski is best leuk om te doen, maar daar dienen Jet Ski's niet voor. Ze dienen maar voor één ding, en dat is: aan iedereen laten zien dat je een Jet Ski hebt. Iedereen moet denken: oooh, kijk daar eens, die meneer heeft een Jet Ski, die moet veel geld hebben, zeg! Het zijn behoorlijk dure dingen, namelijk. Natuurlijk zijn ze duur. Als ze niet zo duur waren, hoefde je ze niet te kopen. Als ze goedkoper waren dan een roeiboot, zou iedereen zeggen: kijk daar eens, die meneer heeft een Jet Ski, wat een arme sloeber zeg. En dan wil er niemand meer een Jet Ski. Daarom zijn ze zo duur. Tenminste, dat heeft papa me ooit uitgelegd en hij is expert in dure dingen, dus het zal wel kloppen.
In ieder geval: wie op een zonnig dag met een Jet Ski over het water raast, ziet er automatisch uit als een filmster. En wie eruit ziet als een filmster, voelt zich ook een filmster. Ik kan jullie vertellen: dat is een geweldig gevoel.
Toch heb ik een hekel aan onze Jet Ski's.
Ze zijn namelijk he-le-maal niet handig. Tenminste, niet als je ze moet bewaren in een onderzeeboot. Die krengen zijn loeizwaar en onhandelbaar groot. Die krijg je nooit, maar dan ook nooit door het luikje bovenin je onderzeeër getild. Er is dus een speciaal kamertje, en soort schuurtje zeg maar, in de boot ingebouwd waar je vanaf de buitenkant makkelijk bij kunt. Het schuurtje steekt niet uit aan de buitenkant, anders kun je niet lekker varen. Het schuurtje steekt uit aan de binnenkant van de duikboot: een paar kamers is wat kleiner gemaakt, zodat er een grote ijzeren wand in geplaatst kon worden. Aan de achterkant van die wand zit het schuurtje van de Jet Ski's.
En? Wiens slaapkamer, denk je, is voor de helft opgeofferd aan de Jet Ski's? Die van papa en mama? Omdat papa zo nodig die Jet Ski's moest hebben?
Haha! Nee, natuurlijk niet! Papa en mama hebben een grote slaapkamer nodig. Niemand weet waarom. Ze kunnen het ook niet uitleggen. Maar ze hoeven het ook niet uit te leggen, want zij verdelen de kamers.
Als ik een grote kamer wil, dan zeggen papa en mama: 'Waar heb je die voor nodig dan?'
Maar als mama zegt: 'Ik wil wel een beetje een grote kamer voor ons, schat,' dan zegt papa: 'Ja natuurlijk, ik ook.'
En als wij erover klagen, zegt papa: 'Nou, dan beroof je toch lekker een bank? Kun je een hele eigen onderzeeër kopen!'
Heel flauw.
Dus ik heb een beetje een hekel aan de Jet Ski´s.
Ook omdat het een vreselijk gehannes is om ze uit hun schuurtje te halen. Het deurtje kan bijna niet open namelijk. Ook wel logisch, want als het deurtje makkelijk open kon, dan kwam de zee naar binnen.
Het kost ruim een kwartier prutsen en klungelen en sleuren en sjouwen om die rotdingen in het water te krijgen.
Maar goed, ten slotte lagen ze er. En de mannen in het bootje waren nog niet weggevaren, gelukkig.
Nee, die hadden de hele tijd naar ons gestuntel zitten kijken.
Ze waren erg vrolijk. Eigenlijk hadden wij het idee dat ze ons hadden zitten uitlachen.
Dus toen papa eindelijk op zijn Jet Ski stapte om een woordje met hen te wisselen, stond zijn gezicht op onweer.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Een Jet Ski , voor wie het niet weet, is een soort scooter voor op het water. Een mini speedbootje, eigenlijk, maar dan een waar je op kan zitten in plaats van erin. Rondscheuren met een Jet Ski is best leuk om te doen, maar daar dienen Jet Ski's niet voor. Ze dienen maar voor één ding, en dat is: aan iedereen laten zien dat je een Jet Ski hebt. Iedereen moet denken: oooh, kijk daar eens, die meneer heeft een Jet Ski, die moet veel geld hebben, zeg! Het zijn behoorlijk dure dingen, namelijk. Natuurlijk zijn ze duur. Als ze niet zo duur waren, hoefde je ze niet te kopen. Als ze goedkoper waren dan een roeiboot, zou iedereen zeggen: kijk daar eens, die meneer heeft een Jet Ski, wat een arme sloeber zeg. En dan wil er niemand meer een Jet Ski. Daarom zijn ze zo duur. Tenminste, dat heeft papa me ooit uitgelegd en hij is expert in dure dingen, dus het zal wel kloppen.
In ieder geval: wie op een zonnig dag met een Jet Ski over het water raast, ziet er automatisch uit als een filmster. En wie eruit ziet als een filmster, voelt zich ook een filmster. Ik kan jullie vertellen: dat is een geweldig gevoel.
Toch heb ik een hekel aan onze Jet Ski's.
Ze zijn namelijk he-le-maal niet handig. Tenminste, niet als je ze moet bewaren in een onderzeeboot. Die krengen zijn loeizwaar en onhandelbaar groot. Die krijg je nooit, maar dan ook nooit door het luikje bovenin je onderzeeër getild. Er is dus een speciaal kamertje, en soort schuurtje zeg maar, in de boot ingebouwd waar je vanaf de buitenkant makkelijk bij kunt. Het schuurtje steekt niet uit aan de buitenkant, anders kun je niet lekker varen. Het schuurtje steekt uit aan de binnenkant van de duikboot: een paar kamers is wat kleiner gemaakt, zodat er een grote ijzeren wand in geplaatst kon worden. Aan de achterkant van die wand zit het schuurtje van de Jet Ski's.
En? Wiens slaapkamer, denk je, is voor de helft opgeofferd aan de Jet Ski's? Die van papa en mama? Omdat papa zo nodig die Jet Ski's moest hebben?
Haha! Nee, natuurlijk niet! Papa en mama hebben een grote slaapkamer nodig. Niemand weet waarom. Ze kunnen het ook niet uitleggen. Maar ze hoeven het ook niet uit te leggen, want zij verdelen de kamers.
Als ik een grote kamer wil, dan zeggen papa en mama: 'Waar heb je die voor nodig dan?'
Maar als mama zegt: 'Ik wil wel een beetje een grote kamer voor ons, schat,' dan zegt papa: 'Ja natuurlijk, ik ook.'
En als wij erover klagen, zegt papa: 'Nou, dan beroof je toch lekker een bank? Kun je een hele eigen onderzeeër kopen!'
Heel flauw.
Dus ik heb een beetje een hekel aan de Jet Ski´s.
Ook omdat het een vreselijk gehannes is om ze uit hun schuurtje te halen. Het deurtje kan bijna niet open namelijk. Ook wel logisch, want als het deurtje makkelijk open kon, dan kwam de zee naar binnen.
Het kost ruim een kwartier prutsen en klungelen en sleuren en sjouwen om die rotdingen in het water te krijgen.
Maar goed, ten slotte lagen ze er. En de mannen in het bootje waren nog niet weggevaren, gelukkig.
Nee, die hadden de hele tijd naar ons gestuntel zitten kijken.
Ze waren erg vrolijk. Eigenlijk hadden wij het idee dat ze ons hadden zitten uitlachen.
Dus toen papa eindelijk op zijn Jet Ski stapte om een woordje met hen te wisselen, stond zijn gezicht op onweer.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
zondag 21 oktober 2012
Geweldig spul, dat dynamiet!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Nou,' zei Michael, 'ik hoop dat-ie dat ding vasthoudt tot het goed en wel is ontploft. anders gooit-ie het naar ons, en dan ontploffen wij.'
'Waarom zou hij dynamiet naar ons gooien?' vroeg ik.
'Wat denk je, suffe duts? Het is dynamiet, ja? Dat spul is bedoeld om naar mensen hun hoofd te smijten.'
'Nououou,' zei mama, 'dat is niet helemaal waar. Het is bedoeld om rotsblokken op te blazen, bijvoorbeeld om een goudmijn aan te leggen. Of een tunnel. Daarvoor is het ooit bedacht, door meneer Nobel.'
'Oh,' lachte Michael, 'een tunnel graven! Is dát wat die mannen aan het doen zijn, hier midden op zee? Ik vroeg het me al af. Luister nou eens. Dynamiet is dan misschien bedoeld voor tunnels, het wordt toch echt meestal gebruikt om naar mensen hun kop te gooien. Deze meneren gaan er echt geen tunnel mee graven. En ik neem aan dat ze er ook geen visjes mee gaan vangen. Dus het is duidelijke dat ze hem naar onze...'
Op dat moment was de lont min of meer opgebrand. De mannen in het bootje waren net op tijd genoeg van hun verbazing bekomen. De twee zonder dynamiet stootten de dynamiet-man aan. Die gooide de staaf met een luide kreet overboord, en een halve seconde later - BOEM - spoot er een vreselijke fontein water de lucht in. Het kleine scheepje wiebelde vervaarlijk, maar het bleef keurig drijven. Wel werden de mannen kletsnat, want water dat je de lucht in ontploft komt natuurlijk ook weer een keer naar beneden.
Met oren die nog tuitten van de klap zagen we hoe de mannen hun schouders ophaalden, twee bakjes tevoorschijn haalden en het water uit hun bootje begonnen te scheppen. De derde man pakte zijn schepnetje en tuurde naar de zee.
Daar dreven, zagen we nu, een stuk of twintig vissen. Grote, kleine, sommige glimmend als zilver, andere prachtig bont gekleurd. Ze waren gedood door de klap, of misschien waren ze alleen maar bewusteloos. In ieder geval werden ze door de man met het schepnetje kalmpjes aan boord gehaald.
'Huh,' deed Michael.
'Jazeker,' zei mama. 'Je kunt er tunnels mee graven. Je kunt er zelfs visjes mee vangen. Is het geen geweldig spul, dat dynamiet? Ik ben er dol op!'
Papa, Michael en ik keken elkaar aan. Dat mama dol was op ontploffingen, dat wisten we. Zelf waren we er ook niet vies van, vooral Michael niet, maar dit ging te ver. Het was zo duidelijk als wat: dit waren de mannen die de Tsaar Peter aan het wankelen hadden gebracht. Bovendien waren dit de mannen die de gaten in het koraal hadden gemaakt. Ik dacht weer aan het spookachtig witte rif, aan alle kanten kapot en gebroken, en aan de duizenden schittervissen die daar hadden moeten zwemmen. En die er niet zwommen.
Nee, dynamiet is best handig spul, onmisbaar bij het beroven van banken en het opblazen van gebouwen, maar je kunt er ook minder mooie dingen mee doen.
Papa dacht er blijkbaar net zo over als ik, want hij zei: 'Pak de jetski's, jongens. We gaan eens even met deze heren praten.'
Aan zijn strenge gezicht te zien, bedoelde hij het soort gesprek dat heel makkelijk kan eindigen met een opgeblazen bootje.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Nou,' zei Michael, 'ik hoop dat-ie dat ding vasthoudt tot het goed en wel is ontploft. anders gooit-ie het naar ons, en dan ontploffen wij.'
'Waarom zou hij dynamiet naar ons gooien?' vroeg ik.
'Wat denk je, suffe duts? Het is dynamiet, ja? Dat spul is bedoeld om naar mensen hun hoofd te smijten.'
'Nououou,' zei mama, 'dat is niet helemaal waar. Het is bedoeld om rotsblokken op te blazen, bijvoorbeeld om een goudmijn aan te leggen. Of een tunnel. Daarvoor is het ooit bedacht, door meneer Nobel.'
'Oh,' lachte Michael, 'een tunnel graven! Is dát wat die mannen aan het doen zijn, hier midden op zee? Ik vroeg het me al af. Luister nou eens. Dynamiet is dan misschien bedoeld voor tunnels, het wordt toch echt meestal gebruikt om naar mensen hun kop te gooien. Deze meneren gaan er echt geen tunnel mee graven. En ik neem aan dat ze er ook geen visjes mee gaan vangen. Dus het is duidelijke dat ze hem naar onze...'
Op dat moment was de lont min of meer opgebrand. De mannen in het bootje waren net op tijd genoeg van hun verbazing bekomen. De twee zonder dynamiet stootten de dynamiet-man aan. Die gooide de staaf met een luide kreet overboord, en een halve seconde later - BOEM - spoot er een vreselijke fontein water de lucht in. Het kleine scheepje wiebelde vervaarlijk, maar het bleef keurig drijven. Wel werden de mannen kletsnat, want water dat je de lucht in ontploft komt natuurlijk ook weer een keer naar beneden.
Met oren die nog tuitten van de klap zagen we hoe de mannen hun schouders ophaalden, twee bakjes tevoorschijn haalden en het water uit hun bootje begonnen te scheppen. De derde man pakte zijn schepnetje en tuurde naar de zee.
Daar dreven, zagen we nu, een stuk of twintig vissen. Grote, kleine, sommige glimmend als zilver, andere prachtig bont gekleurd. Ze waren gedood door de klap, of misschien waren ze alleen maar bewusteloos. In ieder geval werden ze door de man met het schepnetje kalmpjes aan boord gehaald.
'Huh,' deed Michael.
'Jazeker,' zei mama. 'Je kunt er tunnels mee graven. Je kunt er zelfs visjes mee vangen. Is het geen geweldig spul, dat dynamiet? Ik ben er dol op!'
Papa, Michael en ik keken elkaar aan. Dat mama dol was op ontploffingen, dat wisten we. Zelf waren we er ook niet vies van, vooral Michael niet, maar dit ging te ver. Het was zo duidelijk als wat: dit waren de mannen die de Tsaar Peter aan het wankelen hadden gebracht. Bovendien waren dit de mannen die de gaten in het koraal hadden gemaakt. Ik dacht weer aan het spookachtig witte rif, aan alle kanten kapot en gebroken, en aan de duizenden schittervissen die daar hadden moeten zwemmen. En die er niet zwommen.
Nee, dynamiet is best handig spul, onmisbaar bij het beroven van banken en het opblazen van gebouwen, maar je kunt er ook minder mooie dingen mee doen.
Papa dacht er blijkbaar net zo over als ik, want hij zei: 'Pak de jetski's, jongens. We gaan eens even met deze heren praten.'
Aan zijn strenge gezicht te zien, bedoelde hij het soort gesprek dat heel makkelijk kan eindigen met een opgeblazen bootje.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 17 oktober 2012
Misschien-dit en misschien-dat
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Vindt jullie het ook zo spannend?' vroeg Kwetter blij. 'Misschien is het wel een boot vol met schurken, die gemene dingen doet, en die achter ons aan komt om ons te pakken! Dan moet wij rennen voor het leventje, en dan mag wij ze helemaal tot kleine stukjes in elkaar boemen want dan is het eerlijke zelfverdediging en noodsituatie.'
'Kwetter,' zei mama streng, 'wij hebben nog nooit mensen opgeblazen en dat gáán we ook nooit doen. En weet je waarom niet?'
'Omdat,' zei papa plechtig, 'ieder mensenleven heilig is.'
'Praat geen onzin, schat,' zei mama. 'Wij doen dat niet omdat het niet hóórt. Het is niet beschááfd. Wij zijn fatsoenlijke mensen en niet de eerste de beste domme spierbundel uit een schietfilm. Is dat duidelijk?'
'Ja mama,' zeiden we in koor. Michael probeerde nog: 'Maar als het nou zelfverdediging is? Als we moeten kiezen tussen zelf opgeblazen worden of...'
'Ik wil er geen woord meer over horen,' zei mama. 'Kijk liever op de sonar. Ik wil wel graag weten hoeveel boten we daarboven tegen gaan komen.'
Michael keek op de sonar.
'Raar,' zei hij. 'Dit óók al weer zo raar. Er is geen enkel schip in de buurt!'
Hij tikte een paar keer op het schermpje van de sonar. Niks.
'Zou het ook,' vroeg ik, 'een heel klein schip kunnen wezen? Kleine dingen zie je toch niet, op de sonar? Anders zouden we in paniek raken bij elke dolfijn! Kun je de sonar niet anders afstellen, of zo? Dat je ook kleine dingen kan zien?'
'Tuurlijk kan ik dat,' zei Michael. 'Kwestie van even in de handleiding kijken. Maar,' hij wierp een bevreesde blik op het indrukwekkende boekwerk, 'ik weet niet, eh, of, eh, of het wel nodig is. Want. Stel: ik zet de sonar zo klein dat ik elk opblaasbootje kan zien. Wat worden we daar wijzer van? Heb jij wel eens een opblaasbootje met een torpedo-lanceerinstallatie gezien?'
'Maar misschien,' wierp ik tegen, 'is het geen...'
'Hou maar op, jongens, met je misschien-dit en misschien-dat,' zei papa. 'We zijn boven water. Wie gaat er mee kijken?'
Wij allemaal, natuurlijk.
Boven water was het een prachtige dag. De hemel was strak helderblauw, met er midden in de wit-gloeiende bal van de zon.
In de verte, achter het koraalrif, zagen we een sneeuwwit strand met palmbomen en dat soort spul.
'Tjonge,' zei papa, 'mooi, hoor!'
'Het lijkt wel een reclame,' verzuchtte Michael. 'Een TV-reclame voor iets fijns.'
Vlak bij ons zagen we een klein bootje. Een soort kano, maar dan met twee van die mini-kanootjes aan de zijkant, die zorgen dat de boel niet kan omkieperen. De boot lag halfvol vissen.
Er zaten ook drie bruine meneren in. Ze hadden een soort schepnetjes in hun hand; kennelijk waren ze van plan om er nog wat vissen bij te leggen.
'Zie je wel dat het een heel klein bootje is,' zei ik.
'Zie je wel dat ze geen torpedo-lanceerinstallatie hebben,' zei Michael.
De mannen zaten doodstil. Ze schepten niet met hun netjes en ze roeiden niet met hun boot. Ze zaten alleen maar verbijsterd te staren naar de onderzeeër die net naast hen was opgedoken.
'Lieve help,' zei mama, 'ik hoop maar dat hij dat ding niet te lang blijft vasthouden.'
Nu pas zag ik dat een van de mannen nog iets anders dan een schepnetje in zijn hand had.
Een staaf dynamiet.
Met brandende lont.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Vindt jullie het ook zo spannend?' vroeg Kwetter blij. 'Misschien is het wel een boot vol met schurken, die gemene dingen doet, en die achter ons aan komt om ons te pakken! Dan moet wij rennen voor het leventje, en dan mag wij ze helemaal tot kleine stukjes in elkaar boemen want dan is het eerlijke zelfverdediging en noodsituatie.'
'Kwetter,' zei mama streng, 'wij hebben nog nooit mensen opgeblazen en dat gáán we ook nooit doen. En weet je waarom niet?'
'Omdat,' zei papa plechtig, 'ieder mensenleven heilig is.'
'Praat geen onzin, schat,' zei mama. 'Wij doen dat niet omdat het niet hóórt. Het is niet beschááfd. Wij zijn fatsoenlijke mensen en niet de eerste de beste domme spierbundel uit een schietfilm. Is dat duidelijk?'
'Ja mama,' zeiden we in koor. Michael probeerde nog: 'Maar als het nou zelfverdediging is? Als we moeten kiezen tussen zelf opgeblazen worden of...'
'Ik wil er geen woord meer over horen,' zei mama. 'Kijk liever op de sonar. Ik wil wel graag weten hoeveel boten we daarboven tegen gaan komen.'
Michael keek op de sonar.
'Raar,' zei hij. 'Dit óók al weer zo raar. Er is geen enkel schip in de buurt!'
Hij tikte een paar keer op het schermpje van de sonar. Niks.
'Zou het ook,' vroeg ik, 'een heel klein schip kunnen wezen? Kleine dingen zie je toch niet, op de sonar? Anders zouden we in paniek raken bij elke dolfijn! Kun je de sonar niet anders afstellen, of zo? Dat je ook kleine dingen kan zien?'
'Tuurlijk kan ik dat,' zei Michael. 'Kwestie van even in de handleiding kijken. Maar,' hij wierp een bevreesde blik op het indrukwekkende boekwerk, 'ik weet niet, eh, of, eh, of het wel nodig is. Want. Stel: ik zet de sonar zo klein dat ik elk opblaasbootje kan zien. Wat worden we daar wijzer van? Heb jij wel eens een opblaasbootje met een torpedo-lanceerinstallatie gezien?'
'Maar misschien,' wierp ik tegen, 'is het geen...'
'Hou maar op, jongens, met je misschien-dit en misschien-dat,' zei papa. 'We zijn boven water. Wie gaat er mee kijken?'
Wij allemaal, natuurlijk.
Boven water was het een prachtige dag. De hemel was strak helderblauw, met er midden in de wit-gloeiende bal van de zon.
In de verte, achter het koraalrif, zagen we een sneeuwwit strand met palmbomen en dat soort spul.
'Tjonge,' zei papa, 'mooi, hoor!'
'Het lijkt wel een reclame,' verzuchtte Michael. 'Een TV-reclame voor iets fijns.'
Vlak bij ons zagen we een klein bootje. Een soort kano, maar dan met twee van die mini-kanootjes aan de zijkant, die zorgen dat de boel niet kan omkieperen. De boot lag halfvol vissen.
Er zaten ook drie bruine meneren in. Ze hadden een soort schepnetjes in hun hand; kennelijk waren ze van plan om er nog wat vissen bij te leggen.
'Zie je wel dat het een heel klein bootje is,' zei ik.
'Zie je wel dat ze geen torpedo-lanceerinstallatie hebben,' zei Michael.
De mannen zaten doodstil. Ze schepten niet met hun netjes en ze roeiden niet met hun boot. Ze zaten alleen maar verbijsterd te staren naar de onderzeeër die net naast hen was opgedoken.
'Lieve help,' zei mama, 'ik hoop maar dat hij dat ding niet te lang blijft vasthouden.'
Nu pas zag ik dat een van de mannen nog iets anders dan een schepnetje in zijn hand had.
Een staaf dynamiet.
Met brandende lont.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)