BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
We probeerden het. We bouwden een laboratorium in een boomtop. Een hels karwei! Om te beginnen knoopten we met lianen een heleboel takken aan elkaar, zodat je een soort vloertje kreeg bovenin de boom. Daar bovenop maakten we een soort tafel en op die tafel stond een heel leger van bakjes, buisjes, flesjes en kolfjes. De bakjes waren eigenlijk gewoon halve kokosnoten. De buisjes en flessen en kolfjes waren eigenlijk ook halve kokosnoten.
Het klinkt nu alsof we zoveel kokosnoten tot onze beschikking hadden als we maar wilden.
Vergeet het maar! Kokosnoten zijn zeldzaam in Boegoe-Boegoe. Honderd Boegoenezen hadden geholpen met verzamelen, twee dagen lang, En ze hadden er niet meer dan veertig gevonden.
Dus.
Het was nog een heel gedoe om de noten in mooie helften te hakken. Als je geen vlijmscherp kapmes hebt is dat zo goed als onmogelijk. Ik heb natuurlijk wel een zaagje op mijn zakmes, en daar heb ik het ook echt wel mee geprobeerd, maar ik was een half uur bezig met één kokosnoot en toen bleek ook nog dat ik een beetje scheef had gezaagd.
Gelukkig was er een ouwe Boegoenees die nog van zijn opa had geleerd hoe het moest: als je de noten op precies de goede manier tegen elkaar sloeg, vielen ze in twee keurige helften uiteen. Het kostte een paar keer oefenen, maar uiteindelijk hadden we toch zo'n zeventig bruikbare kokosnoothelften. Gaby en ik schraapten het vruchtvlees eruit en verdeelden dat onder de hardwerkende Boegoenezen die ons hielpen. Die waren er erg blij mee, want kokosnoot is zo ongeveer het lekkerste wat een Boegoenees kan verzinnen (Dat geldt trouwens niet voor Kwetter, want die had een tijdje bij ons in Nederland gewoond en zij vond pannenkoeken met stroop het lekkerst. Maar dat viel aan de andere Boegoenezen niet uit te leggen).
Toen het laboratorium af was zei Kwetter vol blije verwachting: 'Mama boem?'
'Nee,' zuchtte mama, 'nu begint het pas. We hebben nog van alles nodig. Moleculen, weet je wel, om uit elkaar te halen en weer opnieuw aan elkaar vast te knopen.'
'Wat is moleculen ook weer?' vroeg Kwetter fronsend.
'Alles is gemaakt van moleculen. De bomen, de regen, de lucht, de alligators. Allemaal moleculen. Maar ze zijn niet allemaal van dezelfde moleculen gemaakt. En niet elk molecuul is geschikt om te ontploffen. Dus wat we nu moeten doen is de de juiste moleculen zoeken. Dat wil zeggen: dingen waar de juiste moleculen in zitten. Plantjes bijvoorbeeld. In ieder plantje zitten weer andere moleculen. Nou heb ik ooit, heel lang geleden, wel een paar lessen plantkunde gehad. Dus ik weet er wel iets van. Maar de plantjes uit Boegoe-Boegoe werden in die lessen helaas niet behandeld omdat, nou ja, niemand had ooit van Boegoe-Boegoe gehoord. Dus van de plantjes ook niet. Ik zou snel genoeg kunnen ontdekken welk plantje welke moleculen had, als ik hier een goed laboratorium had...'
'Die hebt jij ook,' protesteerde Kwetter. 'Waarom hebt wij anders al die kokosnoten bij elkaar gezoeken?'
'Die kokosnoten,' zei mijn moeder vriendelijk, 'zijn waardeloze troep. Maar ze zijn beter dan helemaal niks. Explosieven maken uit onbekende plantjes, met een laboratorium dat bestaat uit zeventig halve kokosnoten plus een kampvuurtje, dat zou de meest fantastische prestatie zijn uit de hele geschiedenis van de scheikundige wetenschap. Er is een kansje – een heel klein kansje! - dat het mij lukt. Niemand anders zou het kunnen. En zelfs mij zou het niet lukken, lieve Kwetter, zonder die zeventig kokosnoten.'
'En zonder mijn kampvuurtje,' zei ik. 'Dat ik nu ga maken. Let op!' Ik pakte een paar handjes vol droog mos, dat ik speciaal voor dit moment verzameld had. Ik pakte de verrekijker.
Er schoof een wolk voor de zon.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
woensdag 15 februari 2012
maandag 13 februari 2012
Ik weet honderden manieren
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Hoho,' zei ik, 'ik zei dat ik geen lucifers had. Dat wil nog niet zeggen dat ik geen vuur kan maken! Ik kan wel merken, lieve mama, dat jij niet genoeg jongensboeken hebt gelezen in je leven. Anders had je wel geweten dat er honderden manieren zijn om vuur te maken.'
'Zoals bijvoorbeeld?' vroeg Gaby. Gaby moet altijd zeuren namelijk.
'Nou, met vuursteentjes bijvoorbeeld.'
'Dat is één manier,' zei mijn zusje. 'Geen honderden.'
'Wij hebt niet steentjes in Boegoe-Boegoe,' vulde Kwetter aan. 'Steentjes is in de grond, onder de blubber, en in de blubber is alligators. Kunt wij niet bij.'
Zo kon-ie wel weer. 'Jahaa,' zei ik, 'dat snap ik wel, maar dit was maar een voorbeeld. Er zijn nog honderden andere manieren.'
'Zoals?' zeurde Gaby verder.
'Eh, eh, eh... Stokjes tegen elkaar wrijven! Zoals de indianen.'
'Die hebt wij! Wij hebt stokjes! Want wij is in bos.'
'Haha,' lachte Gaby. 'dan ben je uren bezig. Veel succes, Hiawatha!'
'Het was maar een voorbeeld, hoor,' snauwde ik. 'Er zijn honderden andere...'
'Zoals?'
Pffff. Als er nog iemand behoefte heeft aan een zusje: ik heb er eentje over. Je kan d'r gratis meenemen.
'Met... eh...' Ik wist zeker dat ik nog honderden manieren wist. Maar welke? 'Eh... Met een vergrootglas! Een vergrootglas en de zon!'
'Zon hebt wij,' knikte Kwetter blij. 'Zon hebt wij genoeg! Maar vergrootglas weet ik niet.'
'Hebben jullie niet, hoor,' zei mijn zusje. 'Want jullie hebben geen dieven of moordenaars, dus ook geen detectives. Dus ook geen vergrootglazen.'
Kwetter leek niet erg overtuigd. 'Wat ís dan een vergrootglas?'
Mijn moeder probeerde het uit te leggen, maar al snel kwam er weer een brekingscoëfficient bij kijken dus ik zei maar snel: 'Een glazen ding om door te kijken, en dan lijkt alles groter.'
'Een vergrootglas is een verrekijker?' vroeg Kwetter fronsend.
'Eh... nee,' zei ik. 'Dat is niet precies hetzelfde. Maar eh...'
Mijn vader barstte in lachen uit. 'Die Kwetter,' riep hij. 'Ze weet niet alles, maar ze is slimmer dan wij allemaal. Natúúrlijk kun je ook vuur maken met een verrekijker.'
'Tja,' zei mijn moeder. 'Dat jullie daar zelf niet aan denken... Dom dom!'
'Zelf kwam je anders ook niet op het idee,' snoof papa.
'Omdat ik met iets anders bezig was,'zei mama. 'Met vuur alleen zijn we er nog niet, namelijk. Want waar heb ik dat vuur voor nodig?'
'Om stofjes uit elkaar te breken,' wist ik. 'Zodat je ze op een nieuwe manier weer in elkaar kunt zetten.'
'En wat heb ik nog meer nodig om stofjes uit elkaar te kunnen halen?'
'Eh... stofjes?' leek mij logisch.
'Precies. Stofjes. Nou, die zijn hier in Boegoe-Boegoe niet makkelijk te krijgen. Ik kan niet naar de winkel lopen en vragen om vijf liter salpeterzuur. Dat kan in bij ons in Nederland al nauwelijks.'
'Maar mam,' zei Gaby, 'jij kunt bommen maken van alles. Ik heb jou bommen zien maken van drop en appelsap!'
'Nou,' zei ik, 'dan heb je niet goed opgelet. Want ze had toen een laboratorium, met goede apparaten én heel veel stofjes. Salpeterzuur en kaliumzout en druivensuiker...'
'Dat druivensuiker kwam uit de appelsap,' zei mama goedkeurend. 'Maar verder heb je helemaal gelijk. Zonder al die spullen is het een hopeloze zaak.'
'Toch is het onze enige hoop,' zei mijn vader. 'Als jij geen bommen weet te fabriceren, dan kan Hakmaranman zijn gang gaan. Bos omgehakt, boomkonijntjes opgepeuzeld, Boegoenezen overhoop geknald... en wij vallen in de handen van Dogger en zijn vrienden. We hebben geen keus. we moeten het proberen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Hoho,' zei ik, 'ik zei dat ik geen lucifers had. Dat wil nog niet zeggen dat ik geen vuur kan maken! Ik kan wel merken, lieve mama, dat jij niet genoeg jongensboeken hebt gelezen in je leven. Anders had je wel geweten dat er honderden manieren zijn om vuur te maken.'
'Zoals bijvoorbeeld?' vroeg Gaby. Gaby moet altijd zeuren namelijk.
'Nou, met vuursteentjes bijvoorbeeld.'
'Dat is één manier,' zei mijn zusje. 'Geen honderden.'
'Wij hebt niet steentjes in Boegoe-Boegoe,' vulde Kwetter aan. 'Steentjes is in de grond, onder de blubber, en in de blubber is alligators. Kunt wij niet bij.'
Zo kon-ie wel weer. 'Jahaa,' zei ik, 'dat snap ik wel, maar dit was maar een voorbeeld. Er zijn nog honderden andere manieren.'
'Zoals?' zeurde Gaby verder.
'Eh, eh, eh... Stokjes tegen elkaar wrijven! Zoals de indianen.'
'Die hebt wij! Wij hebt stokjes! Want wij is in bos.'
'Haha,' lachte Gaby. 'dan ben je uren bezig. Veel succes, Hiawatha!'
'Het was maar een voorbeeld, hoor,' snauwde ik. 'Er zijn honderden andere...'
'Zoals?'
Pffff. Als er nog iemand behoefte heeft aan een zusje: ik heb er eentje over. Je kan d'r gratis meenemen.
'Met... eh...' Ik wist zeker dat ik nog honderden manieren wist. Maar welke? 'Eh... Met een vergrootglas! Een vergrootglas en de zon!'
'Zon hebt wij,' knikte Kwetter blij. 'Zon hebt wij genoeg! Maar vergrootglas weet ik niet.'
'Hebben jullie niet, hoor,' zei mijn zusje. 'Want jullie hebben geen dieven of moordenaars, dus ook geen detectives. Dus ook geen vergrootglazen.'
Kwetter leek niet erg overtuigd. 'Wat ís dan een vergrootglas?'
Mijn moeder probeerde het uit te leggen, maar al snel kwam er weer een brekingscoëfficient bij kijken dus ik zei maar snel: 'Een glazen ding om door te kijken, en dan lijkt alles groter.'
'Een vergrootglas is een verrekijker?' vroeg Kwetter fronsend.
'Eh... nee,' zei ik. 'Dat is niet precies hetzelfde. Maar eh...'
Mijn vader barstte in lachen uit. 'Die Kwetter,' riep hij. 'Ze weet niet alles, maar ze is slimmer dan wij allemaal. Natúúrlijk kun je ook vuur maken met een verrekijker.'
'Tja,' zei mijn moeder. 'Dat jullie daar zelf niet aan denken... Dom dom!'
'Zelf kwam je anders ook niet op het idee,' snoof papa.
'Omdat ik met iets anders bezig was,'zei mama. 'Met vuur alleen zijn we er nog niet, namelijk. Want waar heb ik dat vuur voor nodig?'
'Om stofjes uit elkaar te breken,' wist ik. 'Zodat je ze op een nieuwe manier weer in elkaar kunt zetten.'
'En wat heb ik nog meer nodig om stofjes uit elkaar te kunnen halen?'
'Eh... stofjes?' leek mij logisch.
'Precies. Stofjes. Nou, die zijn hier in Boegoe-Boegoe niet makkelijk te krijgen. Ik kan niet naar de winkel lopen en vragen om vijf liter salpeterzuur. Dat kan in bij ons in Nederland al nauwelijks.'
'Maar mam,' zei Gaby, 'jij kunt bommen maken van alles. Ik heb jou bommen zien maken van drop en appelsap!'
'Nou,' zei ik, 'dan heb je niet goed opgelet. Want ze had toen een laboratorium, met goede apparaten én heel veel stofjes. Salpeterzuur en kaliumzout en druivensuiker...'
'Dat druivensuiker kwam uit de appelsap,' zei mama goedkeurend. 'Maar verder heb je helemaal gelijk. Zonder al die spullen is het een hopeloze zaak.'
'Toch is het onze enige hoop,' zei mijn vader. 'Als jij geen bommen weet te fabriceren, dan kan Hakmaranman zijn gang gaan. Bos omgehakt, boomkonijntjes opgepeuzeld, Boegoenezen overhoop geknald... en wij vallen in de handen van Dogger en zijn vrienden. We hebben geen keus. we moeten het proberen.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 10 februari 2012
Het kan ook zonder koffiejuffrouw
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Nee,' zei mama, 'dat laten we niet gebeuren. Ik zal hoogstpersoonlijk de Boegoenezen beschermen. En de boomkonijntjes en de stoeistaartjes en de hele rest. Zelfs de alligators en de spinnen.'
'En onszelf,' vulde mijn vader aan. 'Vergeet onszelf niet, schat. Wij zijn ook in groot gevaar! Als de houthakkers van Hakmaranman ons hier vinden, dan krijgt meneer Dogger te horen waar we zitten. En zijn vriend Cockel ook.' Hij huiverde. 'Meneer Cockel is een gewetenloze schurk. God help ons als hij ons te pakken krijgt.'
'Dat lijkt me nu ook weer niet nodig,' zei mama koeltjes. 'Laat God maar iemand helpen die het harder nodig heeft; ik ben uitstekend in staat om zelf die schurken een lesje te leren.'
Papa keek een beetje moeilijk, want hij heeft God nogal hoog zitten en hij vindt het niet netjes Hem ergens buiten te houden. Maar mama had haar Donderkat-glimlach aan en dan kun je haar beter niet tegenspreken.
'Mama boem?' vroeg Kwetter.
'Reken maar,' zei ik.
'Joewieie! Boemmm! Mama boemmm!' Juichend sprong ze op en neer. Daarna maakte ze een dubbele flikflak, zwiepte onderlangs de tak en kwam met een driedubbele salto weer op haar plaatsje terug. Ingespannen ging ze naar mijn moeder ziiten turen, vastbesloten om niks te missen van de fijne boem die nu elk moment kon losbarsten.
'Lieve Kwetter,' zei mama gevleid, 'Ik kan geen bommen uit de lucht plukken, dat weet je toch wel? Ik heb spullen nodig, en eigenlijk ook een laboratorium. Met flesjes en buisjes en branders en elektrische apparaten en schuddertjes en roerdertjes en computers en een koffiejuffrouw.' Ze zuchtte diep. 'Het kan trouwens ook zonder koffiejuffrouw. Maar mét gaat het sneller.' Ze zuchtte nog eens. Er zijn geen koffiejuffrouwen in Boegoe-Boegoe. Wegens gebrek aan koffie.
Er zijn trouwens ook geen computers of andere elektrische apparaten, wegens gebrek aan stopcontacten.
En er zijn geen flesjes en buisjes en branders. Wegens gebrek aan álles.
Het toppunt van Boegoenese technologie is de kokosnoot.
Die kun je gebruiken als voedsel (allicht), maar ook als wapen (gooien naar alligators of boomleeuwen, van veilige afstand) en als je 'm uitholt kun je er dingen in bewaren. Besjes bijvoorbeeld, of water.
'Misschien,' zei mijn moeder hoopvol, 'kan ik ergens een paar uitgeholde kokosnoten lenen. Die kan ik dan gebruiken als buisje of flesje. En Michael, heb jij nog lucifers?'
Ik ben namelijke de enige in ons gezin die verstandig genoeg is om zich voor te bereiden op eventuele moeilijkheden. Jarenlang heb ik rondgelopen met een plastic doosje, waarin handige dingetjes zaten zoals lucifers, visdraad en een haakje. Dat doosje heeft ons al ooit het leven gered, en dat zou het nu weer kunnen doen. Als ik niet alle lucifers al lang geleden opgemaakt had. Ik had er een vuurtje mee willen stoken, toen we hier nog maar pas waren. Maar al het hout dat ik vinden kon was nat, dus dat was niks geworden. Gelukkig maar, want zoals papa later opmerkte: als je boven in een boom woont, moet je eigenlijk geen vuur willen maken. Want als het niet lukt ben je teleurgesteld en als het wel lukt staat je huis in de fik.
'Nee,' zei ik dus. 'Ik heb geen lucifers,'
'Pfoe,' blies mijn moeder, 'geen chemische stofjes, geen elektriciteit, geen vuur... Zelfs de Donderkat kan dan geen bom fabriceren, jongens.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Nee,' zei mama, 'dat laten we niet gebeuren. Ik zal hoogstpersoonlijk de Boegoenezen beschermen. En de boomkonijntjes en de stoeistaartjes en de hele rest. Zelfs de alligators en de spinnen.'
'En onszelf,' vulde mijn vader aan. 'Vergeet onszelf niet, schat. Wij zijn ook in groot gevaar! Als de houthakkers van Hakmaranman ons hier vinden, dan krijgt meneer Dogger te horen waar we zitten. En zijn vriend Cockel ook.' Hij huiverde. 'Meneer Cockel is een gewetenloze schurk. God help ons als hij ons te pakken krijgt.'
'Dat lijkt me nu ook weer niet nodig,' zei mama koeltjes. 'Laat God maar iemand helpen die het harder nodig heeft; ik ben uitstekend in staat om zelf die schurken een lesje te leren.'
Papa keek een beetje moeilijk, want hij heeft God nogal hoog zitten en hij vindt het niet netjes Hem ergens buiten te houden. Maar mama had haar Donderkat-glimlach aan en dan kun je haar beter niet tegenspreken.
'Mama boem?' vroeg Kwetter.
'Reken maar,' zei ik.
'Joewieie! Boemmm! Mama boemmm!' Juichend sprong ze op en neer. Daarna maakte ze een dubbele flikflak, zwiepte onderlangs de tak en kwam met een driedubbele salto weer op haar plaatsje terug. Ingespannen ging ze naar mijn moeder ziiten turen, vastbesloten om niks te missen van de fijne boem die nu elk moment kon losbarsten.
'Lieve Kwetter,' zei mama gevleid, 'Ik kan geen bommen uit de lucht plukken, dat weet je toch wel? Ik heb spullen nodig, en eigenlijk ook een laboratorium. Met flesjes en buisjes en branders en elektrische apparaten en schuddertjes en roerdertjes en computers en een koffiejuffrouw.' Ze zuchtte diep. 'Het kan trouwens ook zonder koffiejuffrouw. Maar mét gaat het sneller.' Ze zuchtte nog eens. Er zijn geen koffiejuffrouwen in Boegoe-Boegoe. Wegens gebrek aan koffie.
Er zijn trouwens ook geen computers of andere elektrische apparaten, wegens gebrek aan stopcontacten.
En er zijn geen flesjes en buisjes en branders. Wegens gebrek aan álles.
Het toppunt van Boegoenese technologie is de kokosnoot.
Die kun je gebruiken als voedsel (allicht), maar ook als wapen (gooien naar alligators of boomleeuwen, van veilige afstand) en als je 'm uitholt kun je er dingen in bewaren. Besjes bijvoorbeeld, of water.
'Misschien,' zei mijn moeder hoopvol, 'kan ik ergens een paar uitgeholde kokosnoten lenen. Die kan ik dan gebruiken als buisje of flesje. En Michael, heb jij nog lucifers?'
Ik ben namelijke de enige in ons gezin die verstandig genoeg is om zich voor te bereiden op eventuele moeilijkheden. Jarenlang heb ik rondgelopen met een plastic doosje, waarin handige dingetjes zaten zoals lucifers, visdraad en een haakje. Dat doosje heeft ons al ooit het leven gered, en dat zou het nu weer kunnen doen. Als ik niet alle lucifers al lang geleden opgemaakt had. Ik had er een vuurtje mee willen stoken, toen we hier nog maar pas waren. Maar al het hout dat ik vinden kon was nat, dus dat was niks geworden. Gelukkig maar, want zoals papa later opmerkte: als je boven in een boom woont, moet je eigenlijk geen vuur willen maken. Want als het niet lukt ben je teleurgesteld en als het wel lukt staat je huis in de fik.
'Nee,' zei ik dus. 'Ik heb geen lucifers,'
'Pfoe,' blies mijn moeder, 'geen chemische stofjes, geen elektriciteit, geen vuur... Zelfs de Donderkat kan dan geen bom fabriceren, jongens.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 8 februari 2012
Een vrolijk en gezellig volkje
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik werd opeens een beetje misselijk. 'Die gaan toch niet de pan in?'
'Nee hoor,' zei mijn vader geruststellend. 'Er worden er hooguit een paar doodgeschoten.'
Ik werd niet minder misselijk. Want ik wist dat het waar was. De vrienden van Dogger deinzen nergens voor terug.
Ik dacht aan de Boegoenezen – aardige lui, ook al roken ze niet lekker (en dan bedoel ik echt heel erg niet lekker). Ze hadden ons hartelijk welkom geheten, toen we hun land binnenvluchtten. Dolblij waren ze, dat we Kwetter hadden teruggebracht. Eerst dacht ik dat Kwetter een prinses was of iets dergelijks, zó groot was het feest toen ze thuiskwam. Later ontdekte ik dat de Boegoenezen vreselijk aan elkaar gehecht zijn, en dat zelfs een kleine verwonding van de meest vervelende jengelpeuter als een nationale ramp wordt beschouwd. Ze doen alles voor elkaar; ook bij het meest onbenullige klusje (een nootje oprapen dat je hebt laten vallen, bijvoorbeeld) komen er meteen drie of vier Boegoenezen aangesneld om je te helpen. Zelfs het warrigste verhaal van de meest ongezellige zeurbejaarde wordt met oprechte interesse aangehoord en op feestjes doorverteld.
Op feesten zijn ze trouwens ook verzot, de Boegoenezen. Ze komen allemaal op elkaars verjaardag – letterlijk allemaal, ieder verjaarspartijtje heeft honderden bezoekers en de meeste Boegoenezen gaan naar minstens drie feestjes per dag.
Die feestjes stellen niet zo gek veel voor, natuurlijk, want chips kennen ze hier niet. En plastic speelgoed, om cadeau te geven, kennen ze ook niet. En bowlingbanen ook niet en lasergames al helemaal niet. Boegoenese feestjes bestaan voornamelijk uit bij elkaar zitten, babbelen en noko-nootjes bij elkaar naar binnen spugen.
't Is maar wat je leuk vindt.
De Boegoenezen vinden het erg leuk; het is een vrolijk en gezellig volkje. Niet bepaald mensen waarvan je zegt: knal er daar maar een paar van overhoop.
Maar dat was wel wat de houthakkers gingen doen.
'Dat gaan we niet laten gebeuren,' zei ik. 'Toch, pap? Toch, mam? Dat laten we toch niet gebeuren?'
Mijn moeder glimlachte geruststellend. Of nou ja: eigenlijk glimlachte ze nogal verontrustend. Ik weet niet of je wel eens van die films ziet, waarin een geheim agent de wereld moet redden van een slechterik? Zo'n slechterik die een verschrikkelijke ziekte wil veroorzaken. Of een oorlog beginnen met kernwapens. Of alle mensen in New York vergiftigen. Ken je die films? Nou, mijn moeder glimlachte zoals de slechterik glimlacht, wanneer hij op de grote rode knop duwt die zijn plan in werking zet. Het was de genadeloze glimlach van de Donderkat.
Maar de Donderkat stond aan mijn kant, dus ik vond het geruststellend.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik werd opeens een beetje misselijk. 'Die gaan toch niet de pan in?'
'Nee hoor,' zei mijn vader geruststellend. 'Er worden er hooguit een paar doodgeschoten.'
Ik werd niet minder misselijk. Want ik wist dat het waar was. De vrienden van Dogger deinzen nergens voor terug.
Ik dacht aan de Boegoenezen – aardige lui, ook al roken ze niet lekker (en dan bedoel ik echt heel erg niet lekker). Ze hadden ons hartelijk welkom geheten, toen we hun land binnenvluchtten. Dolblij waren ze, dat we Kwetter hadden teruggebracht. Eerst dacht ik dat Kwetter een prinses was of iets dergelijks, zó groot was het feest toen ze thuiskwam. Later ontdekte ik dat de Boegoenezen vreselijk aan elkaar gehecht zijn, en dat zelfs een kleine verwonding van de meest vervelende jengelpeuter als een nationale ramp wordt beschouwd. Ze doen alles voor elkaar; ook bij het meest onbenullige klusje (een nootje oprapen dat je hebt laten vallen, bijvoorbeeld) komen er meteen drie of vier Boegoenezen aangesneld om je te helpen. Zelfs het warrigste verhaal van de meest ongezellige zeurbejaarde wordt met oprechte interesse aangehoord en op feestjes doorverteld.
Op feesten zijn ze trouwens ook verzot, de Boegoenezen. Ze komen allemaal op elkaars verjaardag – letterlijk allemaal, ieder verjaarspartijtje heeft honderden bezoekers en de meeste Boegoenezen gaan naar minstens drie feestjes per dag.
Die feestjes stellen niet zo gek veel voor, natuurlijk, want chips kennen ze hier niet. En plastic speelgoed, om cadeau te geven, kennen ze ook niet. En bowlingbanen ook niet en lasergames al helemaal niet. Boegoenese feestjes bestaan voornamelijk uit bij elkaar zitten, babbelen en noko-nootjes bij elkaar naar binnen spugen.
't Is maar wat je leuk vindt.
De Boegoenezen vinden het erg leuk; het is een vrolijk en gezellig volkje. Niet bepaald mensen waarvan je zegt: knal er daar maar een paar van overhoop.
Maar dat was wel wat de houthakkers gingen doen.
'Dat gaan we niet laten gebeuren,' zei ik. 'Toch, pap? Toch, mam? Dat laten we toch niet gebeuren?'
Mijn moeder glimlachte geruststellend. Of nou ja: eigenlijk glimlachte ze nogal verontrustend. Ik weet niet of je wel eens van die films ziet, waarin een geheim agent de wereld moet redden van een slechterik? Zo'n slechterik die een verschrikkelijke ziekte wil veroorzaken. Of een oorlog beginnen met kernwapens. Of alle mensen in New York vergiftigen. Ken je die films? Nou, mijn moeder glimlachte zoals de slechterik glimlacht, wanneer hij op de grote rode knop duwt die zijn plan in werking zet. Het was de genadeloze glimlach van de Donderkat.
Maar de Donderkat stond aan mijn kant, dus ik vond het geruststellend.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
maandag 6 februari 2012
Meidenwoorden
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat ik niet snap is wat er nou precies zo schurkachtig is. Iedereen wil kozijnen in zijn huis. Dat is logisch. Anders valt je raam eruit. Waarom is het dan zo erg om kozijunen te verkopen? Het is natuurlijk jammer van de bossen, maar... waarom zouden we de schuld geven aan die arme houthakkers? Het is de schuld van iederéén. Toch?'
Papa sloeg een arm om haar heen. 'Kind,' zei hij, 'wat stel je toch een verstandige vragen. Je hebt helemaal gelijk: af en toe een boompje omhakken, dat kan geen kwaad.Vooral niet als je daarna een nieuw boompje plant: als je dat een beetje zorgvuldig doet, hou je altijd genoeg bos over.'
'En meneer Hakmaranman doet dat niet zorgvuldig genoeg?' gokte ik.
'Hij doet het helemaal niet,' zei papa. 'Waar hij langsgekomen is, blijft alleen een dorre vlakte over. Alle bomen weg. En een bos is niet alleen een verzameling bomen; er wonen ook dieren, nietwaar?
Nou, die dieren daar blijft dus ook niets van over.'
'Goeie zaak,' zei ik. 'Laat die houthakkers maar komen. Hoe eerder hoe liever; er zijn nog veel te veel dieren hier. De Boegoenese boomleeuw, bijvoorbeeld, kan nog best een stukkie zeldzamer. En de sissipi-slang ook en de reuzenalligator al helemaal.'
'Jaja, hoho,' wierp mijn moeder tegen, 'maar wat dacht je van het Boegoenese Boomkonijntje?'
'Ooooh,' deed mijn zus met een hoog stemmetje, 'die zijn schattig!'
'Ja,' zei mijn vader, 'En ze zijn ook lekker. Dus de houthakkers schieten die arme beestje zó de bomen uit. En hup, in de pan!'
Nou zijn boomkonijnthjes inderdaad erg schattig, en ik kon wel janken als ik dacht aan zo'n konijntje met een kogel in zijn koppie – maar schattig is een meidenwoord, dus ik zei gewoon: 'Nou en?'
Mijn vader noemde nog een hele reeks schattige beestjes op – het Pluizige Knabbeldiertje, de Giebelaap, de Bonte Prachtvogel en de Boegoenese Stuitersijs – die allemaal van de aardbodem zouden verdwijnen als het bos werd omgehakt. Het idee was hartverscheurend, maar ik kon geen manier vinden om dat te zeggen. Behalve met meidenwoorden als 'schattig' of 'zielig', en ja, dat zijn dus meidenwoorden. Die kon ik niet zeggen.
Pfff. Het leven van een jongen is niet gemakkelijk, hoor.
Wij hebben ook wel onze eigen woorden, zoals bijvoorbeeld 'bazooka', maar om een of andere reden kunnen meiden die gewoon zeggen als het nodig is. Als ze een bazooka zien, bijvoorbeeld. Ze kunnen het niet zomaar door de klas roepen, zoals wij, maar dat is een schrale troost als je het mij vraagt.
Dus toen mijn vader zei dat ook alle Stoeistaartjes eraan zouden gaan stroomden mijn zusje de tranen over de wangen, maar ik perste mijn kaken op elkaar en zei 'Nou en?'
Het is trouwens niet eenvoudig om overtuigend 'nou en' zeggen met je kaken op elkaar. Meiden kunnen dat niet.
Mijn vader knikte begrijpend, alsof hij wel wist wat ik bedoelde met mijn ge-'nou en'.
'En dat is nog niet het ergste,' ging hij verder. 'Wat denk je wat er gebeurt met onze vrienden, de
Boegoenezen?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Wat ik niet snap is wat er nou precies zo schurkachtig is. Iedereen wil kozijnen in zijn huis. Dat is logisch. Anders valt je raam eruit. Waarom is het dan zo erg om kozijunen te verkopen? Het is natuurlijk jammer van de bossen, maar... waarom zouden we de schuld geven aan die arme houthakkers? Het is de schuld van iederéén. Toch?'
Papa sloeg een arm om haar heen. 'Kind,' zei hij, 'wat stel je toch een verstandige vragen. Je hebt helemaal gelijk: af en toe een boompje omhakken, dat kan geen kwaad.Vooral niet als je daarna een nieuw boompje plant: als je dat een beetje zorgvuldig doet, hou je altijd genoeg bos over.'
'En meneer Hakmaranman doet dat niet zorgvuldig genoeg?' gokte ik.
'Hij doet het helemaal niet,' zei papa. 'Waar hij langsgekomen is, blijft alleen een dorre vlakte over. Alle bomen weg. En een bos is niet alleen een verzameling bomen; er wonen ook dieren, nietwaar?
Nou, die dieren daar blijft dus ook niets van over.'
'Goeie zaak,' zei ik. 'Laat die houthakkers maar komen. Hoe eerder hoe liever; er zijn nog veel te veel dieren hier. De Boegoenese boomleeuw, bijvoorbeeld, kan nog best een stukkie zeldzamer. En de sissipi-slang ook en de reuzenalligator al helemaal.'
'Jaja, hoho,' wierp mijn moeder tegen, 'maar wat dacht je van het Boegoenese Boomkonijntje?'
'Ooooh,' deed mijn zus met een hoog stemmetje, 'die zijn schattig!'
'Ja,' zei mijn vader, 'En ze zijn ook lekker. Dus de houthakkers schieten die arme beestje zó de bomen uit. En hup, in de pan!'
Nou zijn boomkonijnthjes inderdaad erg schattig, en ik kon wel janken als ik dacht aan zo'n konijntje met een kogel in zijn koppie – maar schattig is een meidenwoord, dus ik zei gewoon: 'Nou en?'
Mijn vader noemde nog een hele reeks schattige beestjes op – het Pluizige Knabbeldiertje, de Giebelaap, de Bonte Prachtvogel en de Boegoenese Stuitersijs – die allemaal van de aardbodem zouden verdwijnen als het bos werd omgehakt. Het idee was hartverscheurend, maar ik kon geen manier vinden om dat te zeggen. Behalve met meidenwoorden als 'schattig' of 'zielig', en ja, dat zijn dus meidenwoorden. Die kon ik niet zeggen.
Pfff. Het leven van een jongen is niet gemakkelijk, hoor.
Wij hebben ook wel onze eigen woorden, zoals bijvoorbeeld 'bazooka', maar om een of andere reden kunnen meiden die gewoon zeggen als het nodig is. Als ze een bazooka zien, bijvoorbeeld. Ze kunnen het niet zomaar door de klas roepen, zoals wij, maar dat is een schrale troost als je het mij vraagt.
Dus toen mijn vader zei dat ook alle Stoeistaartjes eraan zouden gaan stroomden mijn zusje de tranen over de wangen, maar ik perste mijn kaken op elkaar en zei 'Nou en?'
Het is trouwens niet eenvoudig om overtuigend 'nou en' zeggen met je kaken op elkaar. Meiden kunnen dat niet.
Mijn vader knikte begrijpend, alsof hij wel wist wat ik bedoelde met mijn ge-'nou en'.
'En dat is nog niet het ergste,' ging hij verder. 'Wat denk je wat er gebeurt met onze vrienden, de
Boegoenezen?'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 3 februari 2012
iedereen wil kozijnen
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Meneer Dogger,' zeiden Gaby en ik tegelijk.
'Nee, natuurlijk niet. Dogger woont in Nederland – wat zou hij hier te zoeken hebben?'
'Ons,' zeiden wij.
'Dat zou natuurlijk kunnen,' zei mama.
'Maar hij weet niet dat we hier zijn, dus waarom zou hij juist hier komen zoeken? In elk geval: het is niet meneer Dogger.'
'Meneer Cockel,' zeiden wij met een huivering.
'Die is het ook niet. Het is meneer Hakmaranman.'
'Nooit van gehoord,' zei ik. Gaby keek naar papa. 'Is dat niet één van de schurken die zaken doet met de Doggersbank?'
'Nou en of,' knikte papa. 'Wat knap, dat je dat onthouden hebt – ik heb het maar één enkel keertje genoemd.' Gaby keek helemaal trots. Terwijl ze volgens mij gewoon gegokt had. En het was nog de makkelijkste gok ook: alle schurken die papa weet, kent hij van toen hij nog werkte bij de Doggersbank.
Dus ja.
'Waarom is die man eigenlijk een schurk?' vroeg ik.
'Om geld binnen te harken, natuurlijk!' lachte Gaby.
'Jahaa, neehee, ik bedoel natuurlijk: waarom noemt papa hem een schurk. Wat maakt hem zo schurkachtig? Wat doet hij voor schurkachtige dingen?'
Aha, knikte papa.'Dat zal ik jullie eens duidelijk uitleggen. Meneer Hakmaranman heeft een bosbouwbedrijf. Wat eigenlijk een heel raar wooord is, 'bosbouwbedrijf', want zijn bedrijf bouwt helemaal geen bossen. Het sloopt ze. De houthakkers van meneer Hakmaranman gooien hele bossen tegen de vlakte!'
'Waarom doen ze dat?' vroeg Gaby.
'Om geld binnen te harken, natuurlijk,' mompelde ik.
'Het is ze om het hout te doen,' legde papa uit. 'Dat kunnen ze voor veel geld verkopen. Er worden kozijnen van gemaakt.'
'Kozijnen?'
'Ja, zo'n houten lijstje om een deur of een raam,' legde mama uit.
'Wij weten heus wel wat een kozijn is,' bromde ik.
'Kwetter weet niet!' protesteerde Kwetter.
'Nou ja, Gaby en ik wisten het wel. Maar kijk eens naar beneden?'
Papa en mama keken naar beneden.
'Diep, he?'
'Ja jongen, heel diep.'
'En kijk eens naar deze boom. Dik, he?'
'Ja jongen, heel dik.'
'Dus uit deze hele hoge hele dikke boom kun je honderden en honderden kozijnen maken. Misschien wel duizenden! Dus waarom moeten daar dan hele bossen voor worden omgehakt?'
'Omdat er in Nederland miljoenen en miljoenen huizen staan, jongen,' zei papa. 'En elk huis heeft al snel een deur of acht. Om van de ramen nog maar te zwijgen. Die hebben allemaal kozijnen nodig; kozijnen bij dozijnen!'
Mama streek vermoeid over haar voorhoofd. 'Geen woordgrapjes maken, schat,' zuchtte ze. 'Je weet dat ik daar hoofdpijn van krijg.'
'Sorry, lieverd. In ieder geval: we hebben heel veel kozijnen nodig. En niet alleen kozijnen. Ook deuren. En tuinmeubeltjes. En geinige kastjes om dingetjes in te doen. Heel, heel veel geinige kastjes en tuimeubeltjes. Vandaar dat er hele bossen doorheen worden gejaagd.'
'Wat ik niet snap...' begon Gaby, en ik ging wat gemakkelijker zitten. Als Gaby ook maar de helft ging opnoemen van wat ze allemaal niet snapte, dan zaten we hier nog wel eventjes.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Meneer Dogger,' zeiden Gaby en ik tegelijk.
'Nee, natuurlijk niet. Dogger woont in Nederland – wat zou hij hier te zoeken hebben?'
'Ons,' zeiden wij.
'Dat zou natuurlijk kunnen,' zei mama.
'Maar hij weet niet dat we hier zijn, dus waarom zou hij juist hier komen zoeken? In elk geval: het is niet meneer Dogger.'
'Meneer Cockel,' zeiden wij met een huivering.
'Die is het ook niet. Het is meneer Hakmaranman.'
'Nooit van gehoord,' zei ik. Gaby keek naar papa. 'Is dat niet één van de schurken die zaken doet met de Doggersbank?'
'Nou en of,' knikte papa. 'Wat knap, dat je dat onthouden hebt – ik heb het maar één enkel keertje genoemd.' Gaby keek helemaal trots. Terwijl ze volgens mij gewoon gegokt had. En het was nog de makkelijkste gok ook: alle schurken die papa weet, kent hij van toen hij nog werkte bij de Doggersbank.
Dus ja.
'Waarom is die man eigenlijk een schurk?' vroeg ik.
'Om geld binnen te harken, natuurlijk!' lachte Gaby.
'Jahaa, neehee, ik bedoel natuurlijk: waarom noemt papa hem een schurk. Wat maakt hem zo schurkachtig? Wat doet hij voor schurkachtige dingen?'
Aha, knikte papa.'Dat zal ik jullie eens duidelijk uitleggen. Meneer Hakmaranman heeft een bosbouwbedrijf. Wat eigenlijk een heel raar wooord is, 'bosbouwbedrijf', want zijn bedrijf bouwt helemaal geen bossen. Het sloopt ze. De houthakkers van meneer Hakmaranman gooien hele bossen tegen de vlakte!'
'Waarom doen ze dat?' vroeg Gaby.
'Om geld binnen te harken, natuurlijk,' mompelde ik.
'Het is ze om het hout te doen,' legde papa uit. 'Dat kunnen ze voor veel geld verkopen. Er worden kozijnen van gemaakt.'
'Kozijnen?'
'Ja, zo'n houten lijstje om een deur of een raam,' legde mama uit.
'Wij weten heus wel wat een kozijn is,' bromde ik.
'Kwetter weet niet!' protesteerde Kwetter.
'Nou ja, Gaby en ik wisten het wel. Maar kijk eens naar beneden?'
Papa en mama keken naar beneden.
'Diep, he?'
'Ja jongen, heel diep.'
'En kijk eens naar deze boom. Dik, he?'
'Ja jongen, heel dik.'
'Dus uit deze hele hoge hele dikke boom kun je honderden en honderden kozijnen maken. Misschien wel duizenden! Dus waarom moeten daar dan hele bossen voor worden omgehakt?'
'Omdat er in Nederland miljoenen en miljoenen huizen staan, jongen,' zei papa. 'En elk huis heeft al snel een deur of acht. Om van de ramen nog maar te zwijgen. Die hebben allemaal kozijnen nodig; kozijnen bij dozijnen!'
Mama streek vermoeid over haar voorhoofd. 'Geen woordgrapjes maken, schat,' zuchtte ze. 'Je weet dat ik daar hoofdpijn van krijg.'
'Sorry, lieverd. In ieder geval: we hebben heel veel kozijnen nodig. En niet alleen kozijnen. Ook deuren. En tuinmeubeltjes. En geinige kastjes om dingetjes in te doen. Heel, heel veel geinige kastjes en tuimeubeltjes. Vandaar dat er hele bossen doorheen worden gejaagd.'
'Wat ik niet snap...' begon Gaby, en ik ging wat gemakkelijker zitten. Als Gaby ook maar de helft ging opnoemen van wat ze allemaal niet snapte, dan zaten we hier nog wel eventjes.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 1 februari 2012
Zelfs als we een verrekijker hadden...
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De leeuw sprong toe, met vlijmende klauwen en blikkerende tanden.
En dat, zo bleek, was precies Kwetters bedoeling. Op het allerlaatste moment sprong ze opzij en haakte hem pootje.
De hongerige blik van de leeuw maakte plaats voor verbazing, en daarna voor pure paniek – toen hij merkte dat hij zijn evenwicht verloren had, en zich nergens meer aan kon vastklauwen.
'Bruuuuuul,' deed het monster terwijl het naar beneden viel.
Hap, deden de alligators, en zo was de Boegoenese boomleeuw wéér een beetje zeldzamer geworden.
'Goed,' hijgde mama. 'Waar hadden we het ook al weer over. Oh ja, rustig en veilig zei je, toch schat?'
'Relatief rustig en veilig, ja. Er zijn natuurlijk wel boomleeuwen en slangen en alligators...'
'En van die hele grote spinnen,' vulde Gaby huiverend aan.
'En giftige hagedissen,' zei ik.
'En...' begon mama, maar papa zei: 'Ja, ik begrijp wel wat jullie bedoelen. Maar al die beesten zijn niet slecht. Ze zijn alleen maar hongerig. Ze zitten niet achter ons aan, ze zitten achter alles aan wat eetbaar is. Als ze achter ons aanjagen, en ze zien onderweg een gemakkelijker prooi, dan zijn we van ze af. Maar Dogger en zijn vrienden zullen het nooit opgeven – van zijn leven niet!'
'Schat,' zei mama streng, 'jaag die kinderen niet de stuipen op het lijf. Dat is nergens voor nodig. Je denkt toch niet echt dat het meneer Dogger is, die daarginds de bergwand opblaast?'
'Nee, natuurlijk niet. Meneer Dogger blaast nooit iets op.' Mijn moeder schudde nee, met en duistere blik – alsof ze dacht dat iemand, die nooit dingen opblaast, eigenlijk niet kan deugen.
'Meneer Dogger,' ging mijn vader verder, 'maakt ook nooit iemand dood. Hij ontvoert geen kinderen en mishandelt geen dieren. Dat soort vuile klusjes laat hij aan anderen over. Maar ik garandeer jullie: als de lui die nu de bergwand opblazen straks hier zijn, dan komt Dogger ons op het spoor. Kan een week duren, kan een jaar duren, maar we zijn de pineut.'
'Wie zijn dat dan?' vroeg Gaby.
'Wie zijn wie, schat?' antwoordde papa.
'Wie zijn die lui die de bergen opblazen, bedoelt ze.' Mijn zus is een beetje een warhoofd, en soms moet ik even aan de wereld uitleggen wat ze eigenlijk bedoelt. Of nou ja: eigenlijk moet ik het vooral vaak aan papa uitleggen, dus misschien is hij wel het warhoofd.
'Oh ja, natuurlijk,' zei hij. 'Tja, hoe moet ik dat weten? Ze staan niet bepaald recht voor onze neus, of wel? En zelfs als we een verrekijker hadden...'
'Wat is verrekijker?' vroeg Kwetter.
Mama begon enthousiast uit te leggen hoe een verrekijker werkt, maar zij is een wetenschapper en ze kan dat niet zonder woorden als “concaaf” en “brekingscoëfficient”, dus toen ze klaar was moest papa het ook nog een keer uitleggen.
En daarna moest ik nog een keer zeggen: Soort ding met buisjes, en als je erdoorheen kijkt lijkt alles groter.
Kwetters gezicht klaarde op. 'Wij hebt!' riep ze opgetogen. 'Ik haalt voor jullie,' en zwoesj, weg was ze. In een oogwenk verdwenen tussen het groen.
'Da's nou sneu,' zei papa. 'Ik wilde net zeggen: zelfs als we een verrekijker hadden, werden we niks wijzer, want we kennen die mensen natuurlijk niet. Nou ja. Laten we maaar enthousiast doen, als ze terugkomt met dat ding. En iets zeggen van, eh, eh... wat fijn dat we nou weten hoe ze eruitzien. Of zo.'
'Hoe zouden de Boegoenezen trouwens aan zo'n kijker komen?' vroeg mama zich af. 'Die dingen groeien niet bepaald aan de bomen.'
'Die heefden wij over,' vertelde Kwetter toen ze terug was. 'Vier jaar geleden was hier een meneer, die kijkte naar vogels. Met verrekijker. Maar de meneer was opgegeten en de verrekijker was over.'
'Opgegeten door een alligator? Wat afschuwelijk,' rilde mijn zusje.
Kwetter keek ons schuin aan, dacht even na en knikte: 'Doe maar. Doe maar zeggen soort van alligator.'
'Lieve help,' zei mijn vader. 'Wat een prachtige kijker is dit! Die zal een lieve duit gekost hebben. En vergróten dat-ie doet! Dit is geen verrekijker meer, dit is bijna een sterrenkijker. Je kunt zo ongeveer de bloemetjes op de bergwand tellen. Nou, eens even kijken naar die graafmachine... Grote genade!'
Mijn vader werd plotseling zo bleek als een beker melk.
'Jongens,' fluisterde hij, 'jullie raden nooit wie er naar ons op weg is.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De leeuw sprong toe, met vlijmende klauwen en blikkerende tanden.
En dat, zo bleek, was precies Kwetters bedoeling. Op het allerlaatste moment sprong ze opzij en haakte hem pootje.
De hongerige blik van de leeuw maakte plaats voor verbazing, en daarna voor pure paniek – toen hij merkte dat hij zijn evenwicht verloren had, en zich nergens meer aan kon vastklauwen.
'Bruuuuuul,' deed het monster terwijl het naar beneden viel.
Hap, deden de alligators, en zo was de Boegoenese boomleeuw wéér een beetje zeldzamer geworden.
'Goed,' hijgde mama. 'Waar hadden we het ook al weer over. Oh ja, rustig en veilig zei je, toch schat?'
'Relatief rustig en veilig, ja. Er zijn natuurlijk wel boomleeuwen en slangen en alligators...'
'En van die hele grote spinnen,' vulde Gaby huiverend aan.
'En giftige hagedissen,' zei ik.
'En...' begon mama, maar papa zei: 'Ja, ik begrijp wel wat jullie bedoelen. Maar al die beesten zijn niet slecht. Ze zijn alleen maar hongerig. Ze zitten niet achter ons aan, ze zitten achter alles aan wat eetbaar is. Als ze achter ons aanjagen, en ze zien onderweg een gemakkelijker prooi, dan zijn we van ze af. Maar Dogger en zijn vrienden zullen het nooit opgeven – van zijn leven niet!'
'Schat,' zei mama streng, 'jaag die kinderen niet de stuipen op het lijf. Dat is nergens voor nodig. Je denkt toch niet echt dat het meneer Dogger is, die daarginds de bergwand opblaast?'
'Nee, natuurlijk niet. Meneer Dogger blaast nooit iets op.' Mijn moeder schudde nee, met en duistere blik – alsof ze dacht dat iemand, die nooit dingen opblaast, eigenlijk niet kan deugen.
'Meneer Dogger,' ging mijn vader verder, 'maakt ook nooit iemand dood. Hij ontvoert geen kinderen en mishandelt geen dieren. Dat soort vuile klusjes laat hij aan anderen over. Maar ik garandeer jullie: als de lui die nu de bergwand opblazen straks hier zijn, dan komt Dogger ons op het spoor. Kan een week duren, kan een jaar duren, maar we zijn de pineut.'
'Wie zijn dat dan?' vroeg Gaby.
'Wie zijn wie, schat?' antwoordde papa.
'Wie zijn die lui die de bergen opblazen, bedoelt ze.' Mijn zus is een beetje een warhoofd, en soms moet ik even aan de wereld uitleggen wat ze eigenlijk bedoelt. Of nou ja: eigenlijk moet ik het vooral vaak aan papa uitleggen, dus misschien is hij wel het warhoofd.
'Oh ja, natuurlijk,' zei hij. 'Tja, hoe moet ik dat weten? Ze staan niet bepaald recht voor onze neus, of wel? En zelfs als we een verrekijker hadden...'
'Wat is verrekijker?' vroeg Kwetter.
Mama begon enthousiast uit te leggen hoe een verrekijker werkt, maar zij is een wetenschapper en ze kan dat niet zonder woorden als “concaaf” en “brekingscoëfficient”, dus toen ze klaar was moest papa het ook nog een keer uitleggen.
En daarna moest ik nog een keer zeggen: Soort ding met buisjes, en als je erdoorheen kijkt lijkt alles groter.
Kwetters gezicht klaarde op. 'Wij hebt!' riep ze opgetogen. 'Ik haalt voor jullie,' en zwoesj, weg was ze. In een oogwenk verdwenen tussen het groen.
'Da's nou sneu,' zei papa. 'Ik wilde net zeggen: zelfs als we een verrekijker hadden, werden we niks wijzer, want we kennen die mensen natuurlijk niet. Nou ja. Laten we maaar enthousiast doen, als ze terugkomt met dat ding. En iets zeggen van, eh, eh... wat fijn dat we nou weten hoe ze eruitzien. Of zo.'
'Hoe zouden de Boegoenezen trouwens aan zo'n kijker komen?' vroeg mama zich af. 'Die dingen groeien niet bepaald aan de bomen.'
'Die heefden wij over,' vertelde Kwetter toen ze terug was. 'Vier jaar geleden was hier een meneer, die kijkte naar vogels. Met verrekijker. Maar de meneer was opgegeten en de verrekijker was over.'
'Opgegeten door een alligator? Wat afschuwelijk,' rilde mijn zusje.
Kwetter keek ons schuin aan, dacht even na en knikte: 'Doe maar. Doe maar zeggen soort van alligator.'
'Lieve help,' zei mijn vader. 'Wat een prachtige kijker is dit! Die zal een lieve duit gekost hebben. En vergróten dat-ie doet! Dit is geen verrekijker meer, dit is bijna een sterrenkijker. Je kunt zo ongeveer de bloemetjes op de bergwand tellen. Nou, eens even kijken naar die graafmachine... Grote genade!'
Mijn vader werd plotseling zo bleek als een beker melk.
'Jongens,' fluisterde hij, 'jullie raden nooit wie er naar ons op weg is.'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)