BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
De alligator voerden een duizelingwekkende reeks sprongen en salto's uit. Hakmaranman tolde in het rond, voortdurend nét te laat om het beest te raken. Roekeloos zwiepte de zaag in en uit de wilde werveling.
Ik werd al misselijk als ik er naar keek.
Meneer Hakmaranman zag trouwens ook een beetje groen. Misschien was dat misselijkheid. Misschien was het ook gewoon angst. De alligator was duidelijk te snel voor hem.
Hij stond maar wat in het wilde weg te hakken met zijn zaag-arm. Als hij doel zou treffen was dat niet meer dan toeval. Misschien was dat alles wat hij nog durfde hopen.
Het was puur geluk – voor ons – dat hij Gaby en mij niet raakte.
En het was pure pech – voor hem – dat hij zichzelf wel raakte.
Plotseling stond hij stil en keek verbaasd naar zijn rechterarm.
Die lag in de hoek van de kamer.
'Dat,' stamelde hij, 'daar,' en hij wees naar zijn arm. Tenminste, dat probeerde hij, maar hij had dus niks meer om mee te wijzen.
Even keek hij niet-begrijpend naar zijn rechter elleboog (die zat nog op haar plek; alleen de onderarm was eraf). Toen drong het langzaam tot zijn hersens door: verrek, geen onderarm – zou dat geen pijn doen?
Ja, bedachten zijn hersens, dat doet waarschijnlijk best wel pijn. Best wel behoorlijk.
Hakmaranman zette het op een brullen. Of nou ja, brullen... het leek nog het meeste op het loeien van een koe, eigenlijk. 'Doe-oe iets! Smek! Doe-oe-oe-oe ie-iets!'
Smek deed niets. Smek lag bewusteloos op de tafel. Flauwgevallen toen hij het bloed zag.
Dat vond ik wel grappig: de grootste en gemeenste slager van Nederland kon niet tegen bloed!
Nu snapte ik waarom zijn machines altijd zo groot waren. Dan hoefde hij nooit wat te zien.
Je deed er gewoon aan de ene kant een koe in (of een kindje of zo) en dan kwam er aan de andere kant een mjamburger uit. En alle akelige dingen, het snijden, het breken, het bloed en de pijn, dat gebeurde allemaal binnenin. Zodat je kon doen alsof het er niet echt was.
Dat zou je nu niet lukken. In zijn paniek rende Hakmaranman de hele container door. Je kon geen enkele kant op kijken zonder dat hij vroeg of laat vlak voor je neus langs vloog. En als het je al lukte om de andere kant op te kijken, dan trok Hakmaranman je aandacht wel, met zijn voortdurende gejammer.
De alligator stond er tevreden naar te kijken. Op zijn achterpootjes, met zijn voorpootjes in zijn zij.
'Dank je wel, joh,' zei ik. 'Dat was op het nippertje, eerlijk gezegd. Ik was echt even bang dat we dit niet zouden overleven.'
'Natuurlijk overleeft jullie het wel,' zei de alligator. 'Ik zorgt voor jullie, dat weet je toch. Maar ik moest een hele tijd zoeken naar een klein velletje. Van alligator. Velletjes was allemaal groot, daar paste ik niet in.'
Het was Kwetter.
Natuurlijk was het Kwetter. Wist ik allang hoor.
'Hee Gaby,' riep ik. 'Dit wist ik allang, hoor!'
Gaby gaf geen antwoord.
'Gaby?'
Gaby lag bewegingloos op het tapijt.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Dit is het vervolg op mijn boek Donderkat. Ben je niet op zoek naar Donderkat, maar naar informatie over mij, kijk dan hier.
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
Donderkat wordt in stukjes op het net geplaatst terwijl ik het schrijf. Als het af is, maak ik er een boek van.
Let op: ik maak er een boek van. Je mag het lezen, doorsturen aan je vrienden, uitprinten en bewaren voor mijn part, maar wat je er niet mee mag doen is: boek van maken en verkopen. Ik moet ook ergens van leven, nietwaar?
Elke maandag, woensdag en vrijdag zet ik er een nieuw stukje bij; meestal 's nachts.
Veel plezier ermee!
maandag 30 april 2012
vrijdag 27 april 2012
Woest, meneer, woest!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Er was geschreeuw, en gejank van kettingzagen. In alle herrie was er één woord dat telkens terugkwam: krokodil.
Waaraan je kunt zien dat de houthakkers er geen verstand van hadden, want het waren alligators.
De deur knalde open en de twee lijfwachten sprongen naar binnen. Haastig smeten ze de deur achter zich dicht en deden hem op slot. Hun gezichten waren grauw en bezweet.
'Wat is er aan de hand?' Hakmaranman's stem klonk rustig, maar niet geruststellend. Ik bedoel: een tikkende tijdbom is ook rustig. En daar ga je ook niet op je gemak tegenaan hangen om eens lekker bij te kletsen.
De houthakkers keken onzeker naar hun baas. 'Er is een krokodil in het kamp, m'neer.'
'Alligator,' mompelde Gaby op de grond, maar niemand lette op haar.
'Geeneens geen grote krokodil - maar woest, m'neer, woest! En wij maar schieten! En maar hakken! Maar we krijgen hem niet te pakken.'
Op dat moment klonk er een luide bonk tegen de ijzeren deur van de container. Alsof er een beest uit alle macht tegenaan gesprongen was. Daarna kwam er nog een bonk, en nog een. De woede van het beest galmde oorverdovend door de ijzeren kamer.
De twee houthakker krompen ineen en verstopten zich achter het bankstel.
'Hah,' deed Hakmaranman laatdunkend, 'zijn jullie nou kerels? Ik zal jullie eens wat laten zien!' Met die woorden beende hij naar de deur. Hij zette zijn zaag aan, plantte zijn poten schrap op het tapijt en trok de deur open.
De alligator, die net aan een nieuwe bonk begonnen was, vlóóg naar binnen. Tussen de benen van Hakmaranman door.
Meneer Smek sprong met een gil op de tafel. Ik balde mijn vuisten en ging tussen mijn zusje en het monster in staan. Niet dat ik het van een kwaaie alligator kan winnen, natuurlijk, maar wat moest ik anders. Gaby lag gewond op de grond, die kon zich niet redden. En als ik dit alles overleefde en terugkwam bij mama, wat moest ik dan zeggen? Dat ik haar gewoon had laten liggen?
Dat dus niet.
Dan knokte ik net zo lief met een alligator.
Maar dat was niet nodig. De alligator kwam niet eens onze kant op. Het beest richtte al zijn aandacht op meneer Hakmaranman. Het probeerde dicht bij hem te komen, zonder meteen in stukjes gezaagd te worden.
Dat lukte wonderwel. De alligator was razendsnel en kon springen en duikelen zoals ik nooit een alligator heb zien duikelen. Op een gegeven moment maakte hij zelfs een salto.
Meneer Hakmaranman was lang zo snel niet. Maar ja, hij had een kettingzaag en dat is ook wat waard. Met grote woedende halen zwaaide zijn zaag in de richting van het dier. Daarbij raakte hij van alles: tafeltjes, het luxe bankstel, zijn eigen doos met grote dikke sigaren, en bijna meneer Smek. Stukken leer, splinters hout en friemeltjes tabak vlogen door de container. Maar de alligator bleef ongedeerd. Die was telkens nét weggesprongen als de zaag ergens neerkwam.
Het was trouwens een heel klein alligatortje, zag ik nu.
En het gekke is: hij kwam een paar keer vlak bij meneer Hakmaranman – en toch beet hij die schurk niet.
Waarom niet?
Wat kwam dat beest hier doen, als hij niet kwam bijten?
Kwam hij alleen maar hier alleen maar om meneer Hakmaranman te jennen? Het leek er allemachtig veel op, zo onderhand, en het lukte ook heel aardig. Hakmaranman werd steeds roder en zweteriger, steeds wilder en wilder maaide hij in het rond met zijn zaag. Zijn ogen waren groot en woest en hij gromde als een beest.
Dat kon onmogelijk goed aflopen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Er was geschreeuw, en gejank van kettingzagen. In alle herrie was er één woord dat telkens terugkwam: krokodil.
Waaraan je kunt zien dat de houthakkers er geen verstand van hadden, want het waren alligators.
De deur knalde open en de twee lijfwachten sprongen naar binnen. Haastig smeten ze de deur achter zich dicht en deden hem op slot. Hun gezichten waren grauw en bezweet.
'Wat is er aan de hand?' Hakmaranman's stem klonk rustig, maar niet geruststellend. Ik bedoel: een tikkende tijdbom is ook rustig. En daar ga je ook niet op je gemak tegenaan hangen om eens lekker bij te kletsen.
De houthakkers keken onzeker naar hun baas. 'Er is een krokodil in het kamp, m'neer.'
'Alligator,' mompelde Gaby op de grond, maar niemand lette op haar.
'Geeneens geen grote krokodil - maar woest, m'neer, woest! En wij maar schieten! En maar hakken! Maar we krijgen hem niet te pakken.'
Op dat moment klonk er een luide bonk tegen de ijzeren deur van de container. Alsof er een beest uit alle macht tegenaan gesprongen was. Daarna kwam er nog een bonk, en nog een. De woede van het beest galmde oorverdovend door de ijzeren kamer.
De twee houthakker krompen ineen en verstopten zich achter het bankstel.
'Hah,' deed Hakmaranman laatdunkend, 'zijn jullie nou kerels? Ik zal jullie eens wat laten zien!' Met die woorden beende hij naar de deur. Hij zette zijn zaag aan, plantte zijn poten schrap op het tapijt en trok de deur open.
De alligator, die net aan een nieuwe bonk begonnen was, vlóóg naar binnen. Tussen de benen van Hakmaranman door.
Meneer Smek sprong met een gil op de tafel. Ik balde mijn vuisten en ging tussen mijn zusje en het monster in staan. Niet dat ik het van een kwaaie alligator kan winnen, natuurlijk, maar wat moest ik anders. Gaby lag gewond op de grond, die kon zich niet redden. En als ik dit alles overleefde en terugkwam bij mama, wat moest ik dan zeggen? Dat ik haar gewoon had laten liggen?
Dat dus niet.
Dan knokte ik net zo lief met een alligator.
Maar dat was niet nodig. De alligator kwam niet eens onze kant op. Het beest richtte al zijn aandacht op meneer Hakmaranman. Het probeerde dicht bij hem te komen, zonder meteen in stukjes gezaagd te worden.
Dat lukte wonderwel. De alligator was razendsnel en kon springen en duikelen zoals ik nooit een alligator heb zien duikelen. Op een gegeven moment maakte hij zelfs een salto.
Meneer Hakmaranman was lang zo snel niet. Maar ja, hij had een kettingzaag en dat is ook wat waard. Met grote woedende halen zwaaide zijn zaag in de richting van het dier. Daarbij raakte hij van alles: tafeltjes, het luxe bankstel, zijn eigen doos met grote dikke sigaren, en bijna meneer Smek. Stukken leer, splinters hout en friemeltjes tabak vlogen door de container. Maar de alligator bleef ongedeerd. Die was telkens nét weggesprongen als de zaag ergens neerkwam.
Het was trouwens een heel klein alligatortje, zag ik nu.
En het gekke is: hij kwam een paar keer vlak bij meneer Hakmaranman – en toch beet hij die schurk niet.
Waarom niet?
Wat kwam dat beest hier doen, als hij niet kwam bijten?
Kwam hij alleen maar hier alleen maar om meneer Hakmaranman te jennen? Het leek er allemachtig veel op, zo onderhand, en het lukte ook heel aardig. Hakmaranman werd steeds roder en zweteriger, steeds wilder en wilder maaide hij in het rond met zijn zaag. Zijn ogen waren groot en woest en hij gromde als een beest.
Dat kon onmogelijk goed aflopen.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 25 april 2012
Als ordinaire koebeesten
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik hing tussen de twee grote, sterke houthakkers in die voor de deur op wacht hadden gestaan. Ze hielden me ieder bij een arm.
'Goed werk, jongens,' zei Hakmaranman. 'Gooi 'm maar weer naar binnen.'
'Gooi maar lekker hard!' riep Smek.
Dat deden ze.
Nét naast het superzachte bankstel.
Au.
'En dan nu,' zei Smek, 'mjamburger-tijd!'
'Hoho,' zei Hakmaranman, 'wacht eens even. Als dit inderdaad die terroristenkindjes zijn, dan staat er toch een prijs op hun hoofd? Tienduizend per kind, dacht ik. Samen dus twintig briefjes van duizend. Da's beter verdienen dan mjamburgers, waar of niet?'
'Daar gaat het niet om,' gromde Smek. 'Die smeerlapjes hebben mijn fabriek tot op de grond...'
'Smeerlapjes?' riep ik verontwaardigd. 'Wie doet er hier kinderen door de Mjamburgers? Dát is pas een smerige schurkenstreek!'
'Ja,' kreunde Gaby vanaf de vloer.
'Waar het om gaat,' snauwde Smek, 'is dat ik ze persoonlijk in kleine stukjes wil hakken. Heel, heel kleine stukjes. Dat vind ik namelijk leuk. Want zij hebben mijn spullen kapotgemaakt en eigen schuld is dikke bult. En eerlijk is eerlijk.'
'Eerlijk?' snoof ik. 'Wat is er eerlijk aan als je...'
'Snap ik wel,' zei Hakmaranman op sussende toon tegen Smek. Hij deed gewoon alsof hij me niet hoorde. Alsof ik niet bestond! Hij klopte Smek op zijn schouder en vervolgde: 'Snap ik heus wel. Maar bekijk het eens van mijn kant, wil je? Alles zit tegen, sinds we in dit rotland zijn aangekomen. We hebben een hele dag geknokt met een bende woeste krokodillen en nog geen stuiver winst gemaakt.'
'Al die krokodillehuiden,..' begon Smek.
'Nauwelijks genoeg voor de onkosten.' Hakmaranman maakte een paar vegende bewegingen met zijn hand. Alsof hij letterlijk Smek's argument van tafel veegde. 'En nu duiken er, aan het eind van deze ellendige en onwinstgevende dag, opeens twee kinderen op die hartstikke veel geld op kunnen brengen, zodat ik nét een beetje winst heb, en nou wil jij die dure kinderen weggooien! Ik snap het wel, maar ja, jouw wraakzucht gaat mij wel mooi tienduizend ballen kosten.'
'Okee,' gromde Smek, 'als jij dan echt alleen maar aan geld kunt denken, dan geef ik je toch gewoon geld? Tienduizend, als ik ze in de Majmburger-maak-machine mag gooien.'
'Hè hè, we zijn d'r uit!' grijnsde Hakmaranman. Hij knorde bijna van tevredenheid. 'Was dat nou zo moeilijk? Voor tienduizend mag je met ze doen wat je wilt, wat mij betreft.'
'Hee!' riep ik. 'Worden mijn zusje en ik nou verhandeld als ordinaire koe-beesten? Begrijp ik dat goed?'
Ze reageerden niet eens. Alsof ik echt niet weer was dan een loeiend kalfje.
'Moet ik ze nu meteen naar je machine brengen?' vroeg Hakmaranman.
'Ja, graag,' knikte Smek opgelucht. 'Anders ontsnappen ze vast weer. Die kinderen zijn duivels, let op mijn woorden.'
'Nou,' lachte Hakmaranman, 'deze keer zijn ze in mijn handen gevallen. En daaruit zullen ze niet ontsnappen!'
Op dat moment klonk er een vreselijk lawaai bij de deur van de container.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Ik hing tussen de twee grote, sterke houthakkers in die voor de deur op wacht hadden gestaan. Ze hielden me ieder bij een arm.
'Goed werk, jongens,' zei Hakmaranman. 'Gooi 'm maar weer naar binnen.'
'Gooi maar lekker hard!' riep Smek.
Dat deden ze.
Nét naast het superzachte bankstel.
Au.
'En dan nu,' zei Smek, 'mjamburger-tijd!'
'Hoho,' zei Hakmaranman, 'wacht eens even. Als dit inderdaad die terroristenkindjes zijn, dan staat er toch een prijs op hun hoofd? Tienduizend per kind, dacht ik. Samen dus twintig briefjes van duizend. Da's beter verdienen dan mjamburgers, waar of niet?'
'Daar gaat het niet om,' gromde Smek. 'Die smeerlapjes hebben mijn fabriek tot op de grond...'
'Smeerlapjes?' riep ik verontwaardigd. 'Wie doet er hier kinderen door de Mjamburgers? Dát is pas een smerige schurkenstreek!'
'Ja,' kreunde Gaby vanaf de vloer.
'Waar het om gaat,' snauwde Smek, 'is dat ik ze persoonlijk in kleine stukjes wil hakken. Heel, heel kleine stukjes. Dat vind ik namelijk leuk. Want zij hebben mijn spullen kapotgemaakt en eigen schuld is dikke bult. En eerlijk is eerlijk.'
'Eerlijk?' snoof ik. 'Wat is er eerlijk aan als je...'
'Snap ik wel,' zei Hakmaranman op sussende toon tegen Smek. Hij deed gewoon alsof hij me niet hoorde. Alsof ik niet bestond! Hij klopte Smek op zijn schouder en vervolgde: 'Snap ik heus wel. Maar bekijk het eens van mijn kant, wil je? Alles zit tegen, sinds we in dit rotland zijn aangekomen. We hebben een hele dag geknokt met een bende woeste krokodillen en nog geen stuiver winst gemaakt.'
'Al die krokodillehuiden,..' begon Smek.
'Nauwelijks genoeg voor de onkosten.' Hakmaranman maakte een paar vegende bewegingen met zijn hand. Alsof hij letterlijk Smek's argument van tafel veegde. 'En nu duiken er, aan het eind van deze ellendige en onwinstgevende dag, opeens twee kinderen op die hartstikke veel geld op kunnen brengen, zodat ik nét een beetje winst heb, en nou wil jij die dure kinderen weggooien! Ik snap het wel, maar ja, jouw wraakzucht gaat mij wel mooi tienduizend ballen kosten.'
'Okee,' gromde Smek, 'als jij dan echt alleen maar aan geld kunt denken, dan geef ik je toch gewoon geld? Tienduizend, als ik ze in de Majmburger-maak-machine mag gooien.'
'Hè hè, we zijn d'r uit!' grijnsde Hakmaranman. Hij knorde bijna van tevredenheid. 'Was dat nou zo moeilijk? Voor tienduizend mag je met ze doen wat je wilt, wat mij betreft.'
'Hee!' riep ik. 'Worden mijn zusje en ik nou verhandeld als ordinaire koe-beesten? Begrijp ik dat goed?'
Ze reageerden niet eens. Alsof ik echt niet weer was dan een loeiend kalfje.
'Moet ik ze nu meteen naar je machine brengen?' vroeg Hakmaranman.
'Ja, graag,' knikte Smek opgelucht. 'Anders ontsnappen ze vast weer. Die kinderen zijn duivels, let op mijn woorden.'
'Nou,' lachte Hakmaranman, 'deze keer zijn ze in mijn handen gevallen. En daaruit zullen ze niet ontsnappen!'
Op dat moment klonk er een vreselijk lawaai bij de deur van de container.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 20 april 2012
Boegoeneesje, me hoela!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ken jij die kinderen, smek?' vroeg Hakmaranman verwonderd.
'Nou en of,' zei Smek met een stem waar de haat vanaf droop. 'En jij kent ze ook.'
'Dat lijkt me sterk,' glimlachte Hakmaranman. Hij liet zich achterover vallen op het luxe, superzachte bankstel dat in de container stond (van binnen zag je trouwens niet dat het een container was, het leek meer een luxe hotelkamer). Tevreden legde hij zijn voeten op een duur salontafeltje en stak een sigaar op. 'In mijn kennissenkring,' ging hij verder, 'komen tienjarige, poedelnaakte, stinkende luizenbolletjes niet voor. Hoewel ik een neefje heb, dat... maar nee, die heeft meestal kleren aan.'
'Je kent ze wel,' hield Smek vol. 'Niet persoonlijk. Maar hun foto's heb je vaak genoeg gezien. Die hangen op elk treinstation en elk politiebureau ter wereld.'
'Ik kom nooit op een politiebureau, wat denk je wel,' snoof Hakmaranman. 'Als ik iets wil van de politie, dan komen ze naar mij. En met de trein ga ik ook nooit.'
'Dat doet er niet toe,' stampvoette Smek. 'Dit zijn de kinderen Laarmans, idioot. De kinderen van de Donderkat!'
Hakmaranman ging recht overeind zitten. 'Wat? Die terroristen? Zijn zij dat?'
Hij pakte mijn gezicht vast en blies de haren eruit.
Dat was ook wel nodig als je mij gezicht wilde zien: mijn haren waren heel wat langer dan vroeger. Ze zaten ook wat meer in de knoop, en ze waren wat viezer en sliertiger, en er zaten misschien hier of daar ook wel wat beestjes in.
In elk geval: toen mijn haren niet meer voor mijn gezicht hingen bekeek hij me nauwkeurig.
'Zou kunnen,' zei hij tenslotte. 'Zou heel goed kunnen.'
'Ze zijn het,' gromde Smek, 'ik weet het zeker. Zij hebben, samen met die duivelse moeder van ze, mijn mooie vleeshakker vernield. Daarna zijn ze met een tank door mijn prachtige fabriek gereden. Om nog maar te zwijgen van al mijn restaurants. Zevenendertig hebben ze er opgeblazen. Ze-ven-en-der-tig! Boem, van de aardbodem. Denk je dat ik hun gezichten ooit nog vergeet?'
'Okee, okee,' zei Hakmaranman. Hij wendde zich tot mij. 'En, wat heb je daarop te zeggen? Ben jij een van die terroristen?' Hij pakte me ruw bij mijn arm; kneep me bijna fijn, eigenlijk.
'Ikke niet begrijpen,' kermde ik. 'Mij zijn maar eenvoudig Boegoeneesje.'
Je kunt het altijd proberen, nietwaar?
'Boegoeneesje, me hoela!' schreeuwde Smek. 'Eenvoudige Boegoeneesjes rijden niet met tanks door fabrieken heen.'
'Was misschien iemand anders?' piepte ik. 'Is misverstand? Ik nu uitlegen, wij allemaal naar huis, van je haha, met de schrik vrij? Zoiets?'
'Niks ervan,' zei Smek. 'Jij gaat niet naar huis. Jij gaat naar SmikSmeks Mobiele Mjamburger-Maak Machine. Deze keer zul je niet ontsnappen!'
'Welles!' riep ik. Zo hard als ik kon beet ik in de hand van Hakmaranman. Die liet mij los, brullend van de pijn, en ik sprintte naar de deur, rukte die open en sprong naar buiten. Vrij! Ik zette het op een hollen, zo hard als ik kon. Ik vlóóg. Ik moest hulp halen voordat Gaby in de Mjamburger-maak-machine verdween. Ik rende zo ongelooflijk hard – het leek wel of mijn voeten de grond niet raakten. Het duurde even voordat ik snapte dat dat kwam, doordat mijn voeten de grond inderdaad niet raakten.
Ik stond nog steeds in de deuropening.
Of nou ja – stond niet, ik hing.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Ken jij die kinderen, smek?' vroeg Hakmaranman verwonderd.
'Nou en of,' zei Smek met een stem waar de haat vanaf droop. 'En jij kent ze ook.'
'Dat lijkt me sterk,' glimlachte Hakmaranman. Hij liet zich achterover vallen op het luxe, superzachte bankstel dat in de container stond (van binnen zag je trouwens niet dat het een container was, het leek meer een luxe hotelkamer). Tevreden legde hij zijn voeten op een duur salontafeltje en stak een sigaar op. 'In mijn kennissenkring,' ging hij verder, 'komen tienjarige, poedelnaakte, stinkende luizenbolletjes niet voor. Hoewel ik een neefje heb, dat... maar nee, die heeft meestal kleren aan.'
'Je kent ze wel,' hield Smek vol. 'Niet persoonlijk. Maar hun foto's heb je vaak genoeg gezien. Die hangen op elk treinstation en elk politiebureau ter wereld.'
'Ik kom nooit op een politiebureau, wat denk je wel,' snoof Hakmaranman. 'Als ik iets wil van de politie, dan komen ze naar mij. En met de trein ga ik ook nooit.'
'Dat doet er niet toe,' stampvoette Smek. 'Dit zijn de kinderen Laarmans, idioot. De kinderen van de Donderkat!'
Hakmaranman ging recht overeind zitten. 'Wat? Die terroristen? Zijn zij dat?'
Hij pakte mijn gezicht vast en blies de haren eruit.
Dat was ook wel nodig als je mij gezicht wilde zien: mijn haren waren heel wat langer dan vroeger. Ze zaten ook wat meer in de knoop, en ze waren wat viezer en sliertiger, en er zaten misschien hier of daar ook wel wat beestjes in.
In elk geval: toen mijn haren niet meer voor mijn gezicht hingen bekeek hij me nauwkeurig.
'Zou kunnen,' zei hij tenslotte. 'Zou heel goed kunnen.'
'Ze zijn het,' gromde Smek, 'ik weet het zeker. Zij hebben, samen met die duivelse moeder van ze, mijn mooie vleeshakker vernield. Daarna zijn ze met een tank door mijn prachtige fabriek gereden. Om nog maar te zwijgen van al mijn restaurants. Zevenendertig hebben ze er opgeblazen. Ze-ven-en-der-tig! Boem, van de aardbodem. Denk je dat ik hun gezichten ooit nog vergeet?'
'Okee, okee,' zei Hakmaranman. Hij wendde zich tot mij. 'En, wat heb je daarop te zeggen? Ben jij een van die terroristen?' Hij pakte me ruw bij mijn arm; kneep me bijna fijn, eigenlijk.
'Ikke niet begrijpen,' kermde ik. 'Mij zijn maar eenvoudig Boegoeneesje.'
Je kunt het altijd proberen, nietwaar?
'Boegoeneesje, me hoela!' schreeuwde Smek. 'Eenvoudige Boegoeneesjes rijden niet met tanks door fabrieken heen.'
'Was misschien iemand anders?' piepte ik. 'Is misverstand? Ik nu uitlegen, wij allemaal naar huis, van je haha, met de schrik vrij? Zoiets?'
'Niks ervan,' zei Smek. 'Jij gaat niet naar huis. Jij gaat naar SmikSmeks Mobiele Mjamburger-Maak Machine. Deze keer zul je niet ontsnappen!'
'Welles!' riep ik. Zo hard als ik kon beet ik in de hand van Hakmaranman. Die liet mij los, brullend van de pijn, en ik sprintte naar de deur, rukte die open en sprong naar buiten. Vrij! Ik zette het op een hollen, zo hard als ik kon. Ik vlóóg. Ik moest hulp halen voordat Gaby in de Mjamburger-maak-machine verdween. Ik rende zo ongelooflijk hard – het leek wel of mijn voeten de grond niet raakten. Het duurde even voordat ik snapte dat dat kwam, doordat mijn voeten de grond inderdaad niet raakten.
Ik stond nog steeds in de deuropening.
Of nou ja – stond niet, ik hing.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
woensdag 18 april 2012
Hebbes!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Na een paar minuten zagen viel de boom om, en Gaby en ik vielen mee. De boom waarin we zaten was een echte woudreus, die al honderden jaren fier overeind had gestaan. Nu moest hij wennen aan een heel ander soort activiteit, namelijk op de grond liggen, en dat ging maar moeilijk. Heel langzaam, en onder luid krakend protest, bewoog de boom richting de grond.
Hadden wij even mazzel.
Niet alleen vielen we vrij zachtjes, we hadden bovendien nog de tijd om ons vast te grijpen.
'Iets buigzaams!' riep ik naar Gaby. 'houd je vast aan iets ...'
Toen raakten we de grond. Ikzelf klemde me vast aan een buigzame jonge tak, ongeveer zo dik als je arm maar nog wel groen, en die deed precies wat ik gehoopt had. Hij veerde een paar keer op en neer zodat ik lelijk door elkaar geschud werd, maar geen hele harde klap te verduren kreeg. Een paar schrammen en krassen, meer had ik eigenlijk niet.
Gaby was er slechter aan toe. Ze had een paar lianen vastgegrepen, maar die waren iets te buigzaam geweest. Mijn zusje was een tijdlang van tak naar tak gestuiterd en nu hing haar arm er een beetje scheefjes bij. Haar gezicht was zo grijs als de lucht in november.
'Mijn arm doet een beetje pijn,' piepte ze.
Maar die arm, dat was het probleem niet.
Het probleem was de grijnzende houthakker doe achter haar opdook en die haar met zijn grote graaiers van jatten vastgreep en tussen de bladeren uit hees.
'Hebbes,' gromde hij.
En 'Hebbes' gromde een tweede stem. Die klonk vlak achter mij en dat beviel me niks.
Twee grote grijpers van klauwen pakten mij bij de schouders en hesen me tussen de bladeren vandaan.
Triomfantelijk slingerden de houthakkers ons over hun schouders en ze droegen ons naar hun armetierige kamp. Daar klopten ze eerbiedig aan de deur van de grootste container.
Meneer Hakmaranman deed open.
'Is dit alles?' snauwde hij. 'Twee kindertjes? Moesten jullie daarvoor zoveel moeite doen? Nou ja, beter dan niks. Gooi ze maar op de vloer.'
Gooien? Moest dat nou echt?
De houthakkers vonden kennelijk van wel.
Oempf, deed ik.
Gaby piepte, maar daar lette ik niet op want ze piepte de hele tijd al. Vooral als haar arm bewoog, of als iemand hem aanraakte of zo.
Ik ben geen dokter, dus ik kan dat soort dingen niet zeker weten, maar als je mij op dat moment gevraagd had of mijn zusje een gebroken arm had, dan had ik zonder aarzelen 'Ja' gezegd.
Als een zielig hoopje ellende lag mijn zus op de vloer. Zelf was ik er niet veel beter aan toe. Ik had weliswaar geen gebroken arm, maar ik was behoorlijk hard neergekwakt door de houthakker en alles deed me zeer.
Meneer Hakmaranman snoof laatdunkend. 'Wat zijn de inboorlingen hier ongelooflijk achterlijk zijn. Moet je zien, Smek! Geen draad aan hun lijf, ongewassen en smerig, hun haren één groot tapijt van klitten en knopen – en luizen en vlooien ongetwijfeld. Je zou bijna niet geloven dat het mensen waren! Vind je wel, Smek? Hee, Smek! Moet je nou eens kijken joh!'
Met tegenzin kwam de majmburgerbaas onze kant op gelopen. Met een blik vol verveelde minachting keek hij ons aan.
Maar al snel werden zijn ogen zo groot als tennisballen, en hij keek woedend en stomverbaasd tegelijk – een hele prestatie, eigenlijk – en hij begon te blazen en te sputteren als een kat waar emand een emmer water overheen heeft gekeild.
Het duurde even voor hij weer kon praten. Toen siste hij: 'Jullie!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Na een paar minuten zagen viel de boom om, en Gaby en ik vielen mee. De boom waarin we zaten was een echte woudreus, die al honderden jaren fier overeind had gestaan. Nu moest hij wennen aan een heel ander soort activiteit, namelijk op de grond liggen, en dat ging maar moeilijk. Heel langzaam, en onder luid krakend protest, bewoog de boom richting de grond.
Hadden wij even mazzel.
Niet alleen vielen we vrij zachtjes, we hadden bovendien nog de tijd om ons vast te grijpen.
'Iets buigzaams!' riep ik naar Gaby. 'houd je vast aan iets ...'
Toen raakten we de grond. Ikzelf klemde me vast aan een buigzame jonge tak, ongeveer zo dik als je arm maar nog wel groen, en die deed precies wat ik gehoopt had. Hij veerde een paar keer op en neer zodat ik lelijk door elkaar geschud werd, maar geen hele harde klap te verduren kreeg. Een paar schrammen en krassen, meer had ik eigenlijk niet.
Gaby was er slechter aan toe. Ze had een paar lianen vastgegrepen, maar die waren iets te buigzaam geweest. Mijn zusje was een tijdlang van tak naar tak gestuiterd en nu hing haar arm er een beetje scheefjes bij. Haar gezicht was zo grijs als de lucht in november.
'Mijn arm doet een beetje pijn,' piepte ze.
Maar die arm, dat was het probleem niet.
Het probleem was de grijnzende houthakker doe achter haar opdook en die haar met zijn grote graaiers van jatten vastgreep en tussen de bladeren uit hees.
'Hebbes,' gromde hij.
En 'Hebbes' gromde een tweede stem. Die klonk vlak achter mij en dat beviel me niks.
Twee grote grijpers van klauwen pakten mij bij de schouders en hesen me tussen de bladeren vandaan.
Triomfantelijk slingerden de houthakkers ons over hun schouders en ze droegen ons naar hun armetierige kamp. Daar klopten ze eerbiedig aan de deur van de grootste container.
Meneer Hakmaranman deed open.
'Is dit alles?' snauwde hij. 'Twee kindertjes? Moesten jullie daarvoor zoveel moeite doen? Nou ja, beter dan niks. Gooi ze maar op de vloer.'
Gooien? Moest dat nou echt?
De houthakkers vonden kennelijk van wel.
Oempf, deed ik.
Gaby piepte, maar daar lette ik niet op want ze piepte de hele tijd al. Vooral als haar arm bewoog, of als iemand hem aanraakte of zo.
Ik ben geen dokter, dus ik kan dat soort dingen niet zeker weten, maar als je mij op dat moment gevraagd had of mijn zusje een gebroken arm had, dan had ik zonder aarzelen 'Ja' gezegd.
Als een zielig hoopje ellende lag mijn zus op de vloer. Zelf was ik er niet veel beter aan toe. Ik had weliswaar geen gebroken arm, maar ik was behoorlijk hard neergekwakt door de houthakker en alles deed me zeer.
Meneer Hakmaranman snoof laatdunkend. 'Wat zijn de inboorlingen hier ongelooflijk achterlijk zijn. Moet je zien, Smek! Geen draad aan hun lijf, ongewassen en smerig, hun haren één groot tapijt van klitten en knopen – en luizen en vlooien ongetwijfeld. Je zou bijna niet geloven dat het mensen waren! Vind je wel, Smek? Hee, Smek! Moet je nou eens kijken joh!'
Met tegenzin kwam de majmburgerbaas onze kant op gelopen. Met een blik vol verveelde minachting keek hij ons aan.
Maar al snel werden zijn ogen zo groot als tennisballen, en hij keek woedend en stomverbaasd tegelijk – een hele prestatie, eigenlijk – en hij begon te blazen en te sputteren als een kat waar emand een emmer water overheen heeft gekeild.
Het duurde even voor hij weer kon praten. Toen siste hij: 'Jullie!'
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
zondag 15 april 2012
Sukkels!
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Kijk eens even naar beneden?' fluisterde Gaby.
'Ik kijk wel mooi uit. Misschien staan ze daar beneden wel te wachten tot één van ons zijn hoofd over de rand steekt.'
'Oh ja. Wat nu?'
'Nu wachten we.'
'Waarop?'
Ik haalde mijn schouders op. 'Weet ik het. Gewoon, wachten tot er iets gebeurt.'
Dat moment kwam snel genoeg. We hoorden het gejank van een kettingzaag, en nog een kettingzaag, en de tak waarop wij zaten begon – bijna onmerkbaar – te trillen.
'Ze gaan ons omzagen,' concludeerde mijn zusje.
'Dan kunnen we beter een andere boom zoeken,' zei ik.
We zochten allebei een stevige liaan uit. 'En als ze nou klaar staan om op ons te schieten?' vroeg Gaby.
'Dan weet ik wel wat wij gaan doen,' antwoordde ik. 'Dan gaan we namelijk heel erg hard hopen dat ze missen. Klaar? Een... twee...'
Bij 'drie' zwierden we precies tegelijk naar de volgende boom. Er werd wel een paar keer geschoten, maar dat was niet langer het takke-takke-tak van een mitrailleur. Dat was een droog 'pang pang'.
'Een snaiper!' legde ik uit aan mijn zusje. Die weet dat soort dingen niet, namelijk.
'Wat is een snaiper?'
'Dat is een scherpschutters-geweer,' zei ik.
'Nou, zo scherp schiet-ie anders niet,' schamperde Gaby. 'Het is allemaal mis.'
'Ik ga daar niet over klagen,' zei ik.
We waren intussen aangeland in de volgende boom. Geen seconde te vroeg, want onze oude boom stortte krakend achter ons op de grond.
'Haha,' lachte Gaby.
'Sukkels,' grinnikte ik.
Toen begonnen de houthakkers aan boom nummer twee.
Die ging ook tegen de vlakte, en ik grinnikte weer: 'Sukkels,' terwijl de houthakkers het bladerdek van de gevallen nummer twee doorzochten. Naar ons. Tevergeefs. Want wij zaten niet in boom nummer twee. Hadden we nooit ingezeten.
Boom nummer twee stond naast die van ons. De buurboom, zou je kunnen zeggen.
Na een tijdje kregen de houthakkers door dat ze het verkeerde bladerdek doorzochten en ze stortten zich op boom nummer drie. Waar wij óók niet inzaten.
Sukkels.
In boom vier zaten we ook niet, en in boom vijf, zes en zeven ook niet.
Sukkels!
In boom acht zaten we wel.
'Hehe,' zei ik tegen Gaby, 'ze hebben het door.'
'Ja,' zei Gaby. 'Tijd om een liaantje te nemen naar een andere boom.
'Inderdaad,' want de kettingzagen beten zich al brullend een weg door de stam.
We zochten een andere boom uit.
Drie seconden later keken we elkaar aan. Bleek van schrik en ontzetting.
Want er was geen andere boom. Tenminste, niet dicht in de buurt. Alle bomen op zwier-afstand waren omgezaagd.
Dat hadden de houthakkers precies zo uitgerekend.
We konden niet meer ontsnappen.
'Sukkels,' gromde ik. Maar dit keer doelde ik niet op de houthakkers.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
'Kijk eens even naar beneden?' fluisterde Gaby.
'Ik kijk wel mooi uit. Misschien staan ze daar beneden wel te wachten tot één van ons zijn hoofd over de rand steekt.'
'Oh ja. Wat nu?'
'Nu wachten we.'
'Waarop?'
Ik haalde mijn schouders op. 'Weet ik het. Gewoon, wachten tot er iets gebeurt.'
Dat moment kwam snel genoeg. We hoorden het gejank van een kettingzaag, en nog een kettingzaag, en de tak waarop wij zaten begon – bijna onmerkbaar – te trillen.
'Ze gaan ons omzagen,' concludeerde mijn zusje.
'Dan kunnen we beter een andere boom zoeken,' zei ik.
We zochten allebei een stevige liaan uit. 'En als ze nou klaar staan om op ons te schieten?' vroeg Gaby.
'Dan weet ik wel wat wij gaan doen,' antwoordde ik. 'Dan gaan we namelijk heel erg hard hopen dat ze missen. Klaar? Een... twee...'
Bij 'drie' zwierden we precies tegelijk naar de volgende boom. Er werd wel een paar keer geschoten, maar dat was niet langer het takke-takke-tak van een mitrailleur. Dat was een droog 'pang pang'.
'Een snaiper!' legde ik uit aan mijn zusje. Die weet dat soort dingen niet, namelijk.
'Wat is een snaiper?'
'Dat is een scherpschutters-geweer,' zei ik.
'Nou, zo scherp schiet-ie anders niet,' schamperde Gaby. 'Het is allemaal mis.'
'Ik ga daar niet over klagen,' zei ik.
We waren intussen aangeland in de volgende boom. Geen seconde te vroeg, want onze oude boom stortte krakend achter ons op de grond.
'Haha,' lachte Gaby.
'Sukkels,' grinnikte ik.
Toen begonnen de houthakkers aan boom nummer twee.
Die ging ook tegen de vlakte, en ik grinnikte weer: 'Sukkels,' terwijl de houthakkers het bladerdek van de gevallen nummer twee doorzochten. Naar ons. Tevergeefs. Want wij zaten niet in boom nummer twee. Hadden we nooit ingezeten.
Boom nummer twee stond naast die van ons. De buurboom, zou je kunnen zeggen.
Na een tijdje kregen de houthakkers door dat ze het verkeerde bladerdek doorzochten en ze stortten zich op boom nummer drie. Waar wij óók niet inzaten.
Sukkels.
In boom vier zaten we ook niet, en in boom vijf, zes en zeven ook niet.
Sukkels!
In boom acht zaten we wel.
'Hehe,' zei ik tegen Gaby, 'ze hebben het door.'
'Ja,' zei Gaby. 'Tijd om een liaantje te nemen naar een andere boom.
'Inderdaad,' want de kettingzagen beten zich al brullend een weg door de stam.
We zochten een andere boom uit.
Drie seconden later keken we elkaar aan. Bleek van schrik en ontzetting.
Want er was geen andere boom. Tenminste, niet dicht in de buurt. Alle bomen op zwier-afstand waren omgezaagd.
Dat hadden de houthakkers precies zo uitgerekend.
We konden niet meer ontsnappen.
'Sukkels,' gromde ik. Maar dit keer doelde ik niet op de houthakkers.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
vrijdag 13 april 2012
Het regent ongedierte
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Een kettingzaag stopt, als het goed is, vanzelf met zagen als je hem loslaat. Voor de veiligheid. Veiligheid is belangrijk bij zulke gevaarlijke machines.
Maar dit was de zaag van een maniak, en maniakken geven niet om veiligheid. Integendeel, maniakken zijn dol op gevaar. Dus deze gek had net zolang aan zijn kettingzaag zitten prutsen tot hij aan bleef staan, als je hem losliet.
Dat was voor de man in de boom, die de zaag probeerde te vangen, heel vervelend. Want hij pakte hem bij de verkeerde kant vast.
'Whaaaahaaargh!' zei de man.
'Sorry,' zei de maniak, 'maar het is ook een beetje je eigen schuld, hoor. Je bent toch een houthakker? Dan weet je toch wel wat de goede kant van een zaag is?'
'Hoeoeoew-aaauw!' antwoordde de man. En 'Mwaaaahaaiiii,' voegde hij eraan toe.
'Nou nou,' zei de maniak. 'Al die drukte om een paar vingers.'
'Dit is niet “een paar vingers”, ' zei een van zijn collega's, die met een zaklamp op de grond scheen. 'Een paar is twee. Ik tel er hier al gauw een stuk of zeven.'
'Hiiiyawoeoeoew!' merkte de man in de boom op.
'Kom maar weer naar beneden, Sjon,' riep de maniak. 'Hier schieten we niet veel mee op.'
Dat zag Sjon ook wel in, en hij ging naar beneden. Of misschien viel hij om een andere reden uit de boom. In ieder geval: hij kwam op de grond terecht en een paar kameraden hielp hem overeind om hem naar het kamp terug te brengen.
De overige houthakkers gingen weer met elkaar staan smiespelen. We konden niet verstaan wat ze zeiden, maar dat hoefde ook niet.
Dat werd snel genoeg duidelijk.
Kennelijk begonnen de houthakkers langzaamaan een beetje wakker te worden, want nu pas dachten ze aan de geweren die ze bij zich hadden.
Een groepje mannen liep naar de containers. Ze kwamen terug met hun handen vol geweren. Alle houthakkers die een wapen vast konden houden kregen er een in hun handen geduwd.
Eén van de maniakken hiep heel haastig: 'Als-jullie-er- nou-niet-uit-komen-dan gaan-we-schieten-okee-dan-moeten-jullie- het-zelf-maar-weten!'
En rrrrrrangg, daar gingen ze. Onder oorverdovend geknal schoten ze een enorme hoeveelheid kogels de boom in.
De bomen in Boegoe-Boegoe zijn groot, veel groter dan de bomen bij ons. De takken van die bomen zijn dik. Heel dik. Op de onderste takken kunnen makkelijk twee kinderen naaste elkaar zitten, op hun gemakje met hun rug tegen de stam, zonder dat je hen van beneden af kan zien.
Daar zaten we dus, Gaby en ik. Overal om ons heen vlogen de kogels. Maar wij zaten veilig, want de tak zat tussen ons en de geweren in.
Al snel begon het beesten te regenen. Als eerste was een een grote sissipi-slang, die mij had willen bijten. Net voordat-ie toe kon happen kreeg hij een kogel in zijn kop. Hij was al dood voordat hij de grond raakte. Her en der stortten reuzenspinnen en boom-schorpioenen langs ons heen naar
beneden.
'Dit ruimt lekker op,' zei Gaby.
'Wat zei je?' riep ik, want ze was bijna niet te horen boven het geknal en geratel uit.
'Op,' gilde Gaby. 'Dat het opruimt!'
'WAT?'
'O-HOP! RUIMT OP, ZEI IK!'
'Je hoeft niet zo te schreeuwen,' zei ik. 'Ik ben niet doof.'
Opeens konden we elkaar weer moeiteloos verstaan.
De geweren zwegen.
Er viel een onheilspellende stilte.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Een kettingzaag stopt, als het goed is, vanzelf met zagen als je hem loslaat. Voor de veiligheid. Veiligheid is belangrijk bij zulke gevaarlijke machines.
Maar dit was de zaag van een maniak, en maniakken geven niet om veiligheid. Integendeel, maniakken zijn dol op gevaar. Dus deze gek had net zolang aan zijn kettingzaag zitten prutsen tot hij aan bleef staan, als je hem losliet.
Dat was voor de man in de boom, die de zaag probeerde te vangen, heel vervelend. Want hij pakte hem bij de verkeerde kant vast.
'Whaaaahaaargh!' zei de man.
'Sorry,' zei de maniak, 'maar het is ook een beetje je eigen schuld, hoor. Je bent toch een houthakker? Dan weet je toch wel wat de goede kant van een zaag is?'
'Hoeoeoew-aaauw!' antwoordde de man. En 'Mwaaaahaaiiii,' voegde hij eraan toe.
'Nou nou,' zei de maniak. 'Al die drukte om een paar vingers.'
'Dit is niet “een paar vingers”, ' zei een van zijn collega's, die met een zaklamp op de grond scheen. 'Een paar is twee. Ik tel er hier al gauw een stuk of zeven.'
'Hiiiyawoeoeoew!' merkte de man in de boom op.
'Kom maar weer naar beneden, Sjon,' riep de maniak. 'Hier schieten we niet veel mee op.'
Dat zag Sjon ook wel in, en hij ging naar beneden. Of misschien viel hij om een andere reden uit de boom. In ieder geval: hij kwam op de grond terecht en een paar kameraden hielp hem overeind om hem naar het kamp terug te brengen.
De overige houthakkers gingen weer met elkaar staan smiespelen. We konden niet verstaan wat ze zeiden, maar dat hoefde ook niet.
Dat werd snel genoeg duidelijk.
Kennelijk begonnen de houthakkers langzaamaan een beetje wakker te worden, want nu pas dachten ze aan de geweren die ze bij zich hadden.
Een groepje mannen liep naar de containers. Ze kwamen terug met hun handen vol geweren. Alle houthakkers die een wapen vast konden houden kregen er een in hun handen geduwd.
Eén van de maniakken hiep heel haastig: 'Als-jullie-er- nou-niet-uit-komen-dan gaan-we-schieten-okee-dan-moeten-jullie- het-zelf-maar-weten!'
En rrrrrrangg, daar gingen ze. Onder oorverdovend geknal schoten ze een enorme hoeveelheid kogels de boom in.
De bomen in Boegoe-Boegoe zijn groot, veel groter dan de bomen bij ons. De takken van die bomen zijn dik. Heel dik. Op de onderste takken kunnen makkelijk twee kinderen naaste elkaar zitten, op hun gemakje met hun rug tegen de stam, zonder dat je hen van beneden af kan zien.
Daar zaten we dus, Gaby en ik. Overal om ons heen vlogen de kogels. Maar wij zaten veilig, want de tak zat tussen ons en de geweren in.
Al snel begon het beesten te regenen. Als eerste was een een grote sissipi-slang, die mij had willen bijten. Net voordat-ie toe kon happen kreeg hij een kogel in zijn kop. Hij was al dood voordat hij de grond raakte. Her en der stortten reuzenspinnen en boom-schorpioenen langs ons heen naar
beneden.
'Dit ruimt lekker op,' zei Gaby.
'Wat zei je?' riep ik, want ze was bijna niet te horen boven het geknal en geratel uit.
'Op,' gilde Gaby. 'Dat het opruimt!'
'WAT?'
'O-HOP! RUIMT OP, ZEI IK!'
'Je hoeft niet zo te schreeuwen,' zei ik. 'Ik ben niet doof.'
Opeens konden we elkaar weer moeiteloos verstaan.
De geweren zwegen.
Er viel een onheilspellende stilte.
BEGIN / VORIGE / VOLGENDE
Abonneren op:
Posts (Atom)